Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Het begrip politiek

Boom klassiek

Auteur(s): Carl Schmitt
Taal: Nederlands
0,25/5
3 recensies
Het begrip politiek
Het begrip politiek

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Arnold Heumakers
5/5

Aantrekkelijk voor links én rechts

Vijandschap is onvermijdelijk, aldus de omstreden Duitse staatsrechtgeleerde Carl Schmitt. Zijn provocerende ideeën over vriend- en vijandschap zijn volop in zwang.

[Recensie] In 2016 verscheen The Oxford Handbook of Carl Schmitt, met op het omslag niet een portret van Schmitt (1888-1985) maar een foto van het uitgebrande Rijksdaggebouw in 1945. De combinatie geeft goed de situatie weer waarin deze omstreden Duitse staatsrechtsgeleerde zich tegenwoordig bevindt: ondanks zijn nazi-engagement wordt hij overal gelezen en bestudeerd. Blijkbaar heeft hij de wereld nog zoveel te bieden dat men zijn houding tussen 1933-1945 door de vingers ziet, al wordt er wel altijd naar verwezen.

Zelfs in China schijnt sinds het begin van deze eeuw een ware Schmitt-mode te zijn losgebarsten. Onder academici, wel te verstaan. Schmitt is geen auteur voor de massa, hoewel hij even scherp als helder argumenteert en voor een geleerde jurist verbluffend leesbaar is gebleven. Juristenproza is gewoonlijk voor een leek niet om door te komen, maar Schmitts prikkelende, soms ronduit provocerende formuleringen lees je voor je genoegen. Dat verklaart mede de blijvende belangstelling voor zijn werk, naast – uiteraard – wát hij te zeggen heeft.

De beste introductie tot zijn denken is nog altijd Der Begriff des Politischen, oorspronkelijk een artikel uit 1927, dat gewoonlijk wordt gelezen in de langere – als boek gepubliceerde – versie uit 1932. Het is voor zover ik weet het enige geschrift van Schmitt dat in het Nederlands is vertaald. Die vertaling verscheen in 2001 en is nu herdrukt met enkele aanvullingen en een nieuw, wederom voortreffelijk nawoord van Theo de Wit, een van de weinige Nederlandse Schmitt-kenners. Goed dat deze cruciale tekst, waaraan Arnon Grunberg onlangs nog een interessante beschouwing wijdde, weer moeiteloos toegankelijk is voor de Nederlandse lezer. 

In 2001 kwam de vertaling precies op het juiste moment. Volgens Schmitt heeft ‘het politieke’ namelijk alles te maken met het onderscheiden van vriend en vijand, en in het jaar van 9/11 had zich voor het eerst sinds ruim een decennium weer een heuse vijand van het Westen gemeld. Bij nader inzien bleek toch niet iedereen even enthousiast over de combinatie van kapitalisme en liberale democratie, die na de val van de Muur wereldwijd vrede, voorspoed en vrijheid beloofde.

Recht en staat
Ook bij Schmitt komen we in 1932 niet veel geestdrift tegen voor deze zaken. Als katholieke conservatief ging zijn hart uit naar een sterke staat zoals de absolute monarchie van de zeventiende en achttiende eeuw. Als realist wist hij dat de tijd van zulke monarchieën voorbij was. In de twintigste eeuw domineerde een democratisch liberalisme dat staat en recht het liefst had gereduceerd tot een mechanisch ‘bedrijf’ ten gunste van het individu. Hiertegen bracht Schmitt zijn definitie van ‘het politieke’ in stelling. Volgens hem gingen recht en politiek nooit vanzelf, maar vereisten ze een soevereine, in wezen op niets berustende ‘beslissing’ die telkens weer een inbreuk betekende op de bedrijfsmatige legaliteit. 

Om dit duidelijk te maken ging Schmitt uit van wat hij het ‘Ernstfall’ noemde, het ‘moment van de waarheid’ ofwel de mogelijkheid van oorlog die nooit mocht worden uitgesloten. Vandaar dat het politieke voor hem bestond uit het onderscheiden van vriend en vijand, inherent aan elke oorlog. 

In 1927 ging het hem nog allereerst om een buitenlandse oorlog, in 1932 kwam ook de burgeroorlog als mogelijkheid in zicht. Het politieke vatte hij nu niet meer op als een autonoom gebied, maar als een intensivering van onverschillig welke tegenstelling tot het punt waarop men bereid was elkaar naar het leven te staan. In de nadagen van de Weimarrepubliek leek dat punt heel nabij. Schmitt verdedigde toen het zogenaamde ‘Präsidialsystem’, waarbij de rijkspresident quasi-dictatoriaal regeerde via noodverordeningen. Hoewel dit ‘systeem’ tegen de nazi’s was gericht, maakte zijn verlangen naar orde (nog afgezien van persoonlijke ambitie en antisemitisme) het hem niet al te moeilijk om in 1933 over te stappen naar Hitler. Alles beter dan burgeroorlog.

Altijd vijandschap
Voor Schmitt was het politieke onontkoombaar, omdat er bij de zondige mensheid altijd vijandschap zou bestaan. De politiek was er om dit gegeven in ordelijke banen te leiden. Het roekeloos optimistische liberalisme bracht deze constellatie in gevaar, en werd daarom Schmitts grootste vijand. Aangezien het liberalisme met zijn dromen van menselijke eenwording (‘kosmopolitisme’) nooit is verdwenen, wordt nu misschien duidelijk welke attracties Schmitts denken nog altijd bevat, zowel voor links als voor rechts. Rechts vindt bij hem argumenten voor de noodzaak van een sterke staat, gedragen door een homogene en illiberale democratie; links kan bij hem horen dat achter al het liberale humanitarisme in werkelijkheid een veel minder humaan machtsstreven schuil gaat. Of men grijpt, zoals de filosofen Agamben en Mbembe dat doen, Schmitts notie van de ‘uitzonderingstoestand’ (een variant van het ‘Ernstfall’) aan om de rechteloosheid van vluchtelingen, illegalen en terreurverdachten uit te vergroten tot het ware gezicht van het huidige Westen.

Daarnaast vinden we bij Schmitt even lastige als pertinente vragen over de mogelijkheid en wenselijkheid van menselijke eenwording. Als vijandschap onuitroeibaar is, kan de mensheid nooit één worden, tenzij de vijand een ‘onmenselijke’ status zou krijgen – met gruwelijke consequenties voor de manier waarop hij bestreden zal worden. Voor Schmitt is de wereld dan ook geen ‘universum’, maar een ‘pluriversum’ van op zichzelf staande naties en staten – of  ‘Grossräume’, zoals hij het na 1936 zou noemen, quasi-imperiale invloedssferen die de wereld onder elkaar hebben verdeeld.

Het zou mij niet verbazen als juist deze ideeën het goed doen in het China van Xi Jinping, naast uiteraard Schmitts opvatting van een sterke staat die wel een democratie is, maar breekt met liberale eigenaardigheden als een parlement, machtenscheiding en mensenrechten. Wat zich bij mijn weten nog niet heeft aangediend, is een eco-partij die het gedachtegoed van Schmitt omarmt om te pleiten voor een dictatoriale wereldstaat ter bestrijding van de ene vijand van de hele mensheid die klimaatverandering heet. Iets wat concreet (en Schmitt denkt bij voorkeur concreet) zou neerkomen op een meedogenloze strijd tegen iedereen die zich op dit punt nog enige scepsis waagt te veroorloven. Maar wie weet wat er gebeurt, als de temperatuur nog verder oploopt. Misschien komt deze herdruk van Het begrip politiek wel op precies het juiste moment.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op Arnold Heumakers

Zie eveneens Arnold Heumakers’ eerder geschreven recensie over Het begrip politiek (Carl Schmitt, 2001).

Recensie door: Marcel Hulspas

Geen staat zonder vijand

[Recensie] “Het begrip staat veronderstelt het begrip van het politieke.” Met deze cryptische zin opent het essay Het begrip politiek, van de Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt (1888-1985). Schmitt heeft een omvangrijk oeuvre achtergelaten, maar dit essay is waarschijnlijk zijn bekendste werk.

Bekend en verguisd. Schmitt was, om het zo maar te zeggen, ‘fout’. Hij deed begin jaren dertig van de vorige eeuw dappere pogingen om zich op te werpen als dé rechtsfilosoof van de nieuwe nationaalsocialistische heilstaat. Maar Het begrip politiek verscheen kort voor Hitlers machtsovername en was geen pluimstrijkerij of een open sollicitatie. Kort daarna heeft hij de tekst nog bewerkt om er een ‘passender’ visitekaartje van te maken, bijvoorbeeld door alle verwijzingen naar Joodse auteurs te verwijderen, maar erg veel heeft dat niet geholpen.

Het begrip politiek trok na een lange periode in de vergetelheid recent weer de aandacht. En gedurende de laatste jaren misschien meer dan ooit, nu het begrip ‘nationale staat’, na dertig jaar Europese eenwording, op vele plaatsen weer van zolder wordt gehaald. En als Schmitt iéts is, dan is het de filosoof van de moderne soevereine staat. En van de politiek die daaraan ten grondslag ligt.

“Politiek is de kunst van het mogelijke,” heeft Otto von Bismarck ooit gezegd. (En hij liet tijdens zijn leven zien hoe je het onmogelijke mogelijk kon maken.) Politiek was voor hem haute politique, de omgang tussen staten door middel van diplomatie of oorlog. De staat had in zijn ogen een beperkte taak. Ze zorgde voor rust en orde, opdat het recht en de economie konden bloeien. En dat maakte het weer mogelijk om belastingen te innen, soldaten te rekruteren, en desgewenst ten strijde te trekken.

Maar nog tijdens het leven van Bismarck ontwikkelde de staat zich in een totaal nieuwe, zeg maar totalitaire richting. Ze trok steeds meer taken naar zich toe. Ze reguleerde de economie, het leven van de burger, de kunst en de cultuur. Staat en maatschappij vielen steeds meer samen. En daarmee werd meer en meer ‘politiek’.

Maar wát, zo vroeg Schmitt zich af, was politiek? Wat was het doel van politiek? Waar was de staat voor bedoeld? Niemand had daar goed over nagedacht, vond hij. Terwijl de staat dus steeds machtiger en veelomvattender werd, deed de dominante politieke theorie, het liberalisme, alsof de staat alleen maar een vijand was, een bedreiging voor de maatschappij. Het liberalisme bood met andere woorden geen sluitende theorie van de staat:

“De systematische theorie van het liberalisme heeft bijna altijd alleen betrekking op de binnenlandse strijd tegen de staatsmacht en biedt een aantal methoden om deze staatsmacht af te remmen en te controleren ter bescherming ter bescherming van de individuele vrijheid en het privé-eigendom, de staat tot een ‘compromis’ en staatsinstellingen tot een ‘ventiel’ te maken… ” (p.81)

Voor Schmitt was dat volstrekt ontoereikend. Het begrip politiek bevat een uitgebreide kritiek op liberale denkers die de staat beschouwden als de zoveelste vrije associatie van burgers, niet fundamenteel anders dan een kerkgenootschap of een vakbond. Om een positieve staatstheorie te grondvesten poneert hij ten eerste het doel van politiek. En daarvoor gebruikt hij een simpele parallelredenering:

“Nemen we aan dat op het gebied van het morele de fundamentele onderscheidingen goed en kwaad zijn, op esthetisch gebied mooi en lelijk, op economisch gebied nuttig en schadelijk of bijvoorbeeld rendabel en niet-rendabel. De vraag is dan of er als elementair criterium van het politieke ook een aparte onderscheiding te vinden is die […] toch onmiddellijk voor zichzelf spreekt. En vervolgens is de vraag waarin die onderscheiding dan bestaat. De specifieke politieke onderscheiding waartoe politieke handelingen en motieven herleid kunnen worden, is de onderscheiding van vriend en vijand.” (p.37)

Daarmee wil hij niet zeggen dat de politiek een apart aspect is van de moderne samenleving, naast esthetiek, et cetera. Nee, alles is politiek in de moderne samenleving. Wanneer ergens daarbinnen conflicten rijzen, kunnen deze een politiek karakter krijgen:

“Het politieke kan zijn kracht ontlenen aan de meest uiteenlopende gebieden van het menselijk leven, aan religieuze, economische, morele en andere tegenstellingen. Het duidt geen eigen domein van de werkelijkheid aan, maar alleen de graad van intensiteit van een associatie of dissociatie van mensen.” (p.48)

Waarom koos Schmitt juist voor de fundamentele tegenstelling vriend-vijand? Elders geeft hij de volgende definitie van de taak van de staat:

“De functie van een normale staat bestaat primair in het tot stand brengen van een complete pacificatie binnen de staat en zijn grondgebied ‘rust, veiligheid en orde’ te vestigen en daardoor de normale toestand te scheppen, die de voorwaarde is dat rechtsnormen überhaupt van kracht zijn.” (p.55)

Hieruit zou je kunnen afleiden dat de taak van de staat, en daarmee het doel van de politiek, bestaat uit het onderscheid maken tussen ‘rust, veiligheid en orde’ enerzijds en ‘onrust, onveiligheid en chaos’ anderzijds. Het vaststellen van wie vriend of vijand is, is slechts een van de vele aspecten van het streven rust en orde te bewaren. Met oorlog als eventuele uiterste consequentie.

Dat onderscheid klinkt in elk geval een stuk vreedzamer. Toch koos Schmitt voor een veel sterkere tegenstelling: vriend versus vijand. Die karakterisering sluit in elk geval aan bij de politiek in de jaren van de Weimarrepubliek, die gekenmerkt werd daar zeer scherpe interne tegenstellingen. Een andere verklaring hiervoor is dat hij teruggrijpt naar de opvatting (die hij in eerdere geschriften al had verdedigd) dat de ideologie van de moderne staat, ontstaan met de Vrede van Westfalen (1648) gemodelleerd was op die van het christendom. De moderne nationale staat die toen ontstond, nam religieuze taken over. Zo bepaalden ze het geloof van de onderdanen/burgers. Maar daarmee nam de staat óók de christelijke tegenstelling over tussen goed en kwaad, in de vorm van de territoriale tegenstelling ‘vriend versus vijand’. Schmitt verwijst ook naar deze oorsprong van de staatsideologie:

“De samenhang tussen politieke theorieën en theologische dogma’s aangaande de zonde […]  valt te verklaren uit de verwantschap tussen de uitgangspunten waarop beide vormen van denken zich baseren.” (p.75)

Een andere manier om zijn keuze voor ‘vriend of vijand’ te verklaren ligt besloten in het totale karakter van de moderne oorlog. Want ook al gaat het om rust en orde, enkel en alleen de kans op oorlog, op een potentieel verwoestende, totale oorlog, is al voldoende om de politiek te structureren rond het onderscheid vriend of vijand.

Hoe zijn keuze ook tot stand mag zijn gekomen, Schmitt ging daarmee volop in tegen de tijdgeest, die immers doortrokken was van het liberale idee van de ‘afbraak’ van de staat.

Het begrip politiek verscheen in de nadagen van de Weimarrepubliek. In feite functioneerde deze toen al niet meer. De door rechts diep gehate republiek was in veler ogen niet meer dan een poging van de Geallieerden om van het machtige, soevereine Duitsland een pacifistische, democratische vazalstaat te maken. Weimar was het schandalige product van de Vrede van Versailles (1919). Het verslagen Duitsland was daar gedwongen toe te geven dat zíj de zinloze wereldoorlog was begonnen, en moest daarbij buigen voor een nieuwe wereldorde die gebaseerd was op de fictie dat oorlog uitgebannen moest en kon worden. Alle landen moesten hun geschillen voortaan vreedzaam oplossen, bijvoorbeeld via de Volkenbond. Duitsland was verdoemd de verliezer te zijn en te blijven van de laatste oorlog.

Schmitt, en velen met hem, wezen deze visie radicaal af. (Het begrip politiek bevat ook een lange tirade tegen de Volkenbond.) Eeuwige vrede was een dwaas idee. Oorlog was verschrikkelijk maar zou te allen tijde mógelijk blijven. Ze lag immers in het verlengde van het doel van de politiek. (‘Oorlog is enkel de uiterste realisering van vijandschap,’ p.43.) Het verslagen Duitsland kon altijd besluiten om de schandelijke vrede van 1919 aan de kant te schuiven – en als oorlog het resultaat was, dat moest dat maar zo zijn.

Maar de mogelijkheid om een oorlog uit te roepen behoorde enkel en alleen aan de staat. Een theologisch debat kun je vanaf het katheder uitvechten. Een concurrent kun je kapot concurreren. Daarbij hoeft geen bloed te vloeien. Maar als zoiets ‘politiek’ wordt, polariseert de zaak tot de vraag ‘wie is vriend en wie is vijand?’ van de staat, en wordt het een existentieel vraagstuk. Op zo’n moment kan de staat besluiten om het conflict op te lossen ten koste van mensenlevens. Met andere woorden, zij kan besluiten dat de vijand uitgeroeid moét worden omdat deze anders het volk uitroeit. Zij bezit daarmee het unieke gezag levens te mogen offeren:

“Er bestaat geen rationeel doel, geen norm, al is ze nog zo juist, geen program al is het nog zo nastrevenswaardig, geen sociaal ideaal al is het nog zo fraai, geen legitimiteit of legaliteit die het rechtvaardigen dat mensen elkaar daarvoor zouden doden. […] Ook ethische en juridische normen vormen geen grond voor oorlog. Bestaan er werkelijk vijanden in de hier bedoelde existentiële zin, dan is het zinvol, maar alleen politiek zinvol, hen zo nodig fysiek af te weren en met hen te strijden.” (59)

Over hoe dat besluit tot stand komt, heeft Schmitt niet veel te melden, Maar het is duidelijk dat democratie voor hem niet zaligmakend is. Ook andere systemen kunnen de wil van het volk representeren. Uiteindelijk gaat het om een beslissing van het volk:

“Zolang een volk in de sfeer van het politieke bestaat, moet het zelf, al is het maar voor het uiterste geval – en over de vraag of dit zich voordoet beslist het zelf – de onderscheiding tussen vriend en vijand maken. Daarin is het wezen van zijn politieke bestaan gelegen.” (60)

Merk op dat Schmitt de nadruk legt op de soevereiniteit van het volk (“… beslist het zelf”). Ook hier klinkt de echo door van de schande van Versailles. Niet de overwinnaars, niet de Volkenbond, maar het Duitse volk zélf heeft het recht vast te stellen wie zijn vriend is en wie zijn vijand. En op zulke momenten, wanneer dat besluit helder is, zien we volgens Schmitt de staat in zijn pure, ware gedaante:

“Politiek denken en politiek instinct zijn dus zowel theoretisch als praktisch te toetsen aan hun vermogen om vriend en vijand te onderscheiden. De hoogtepunten van de grote politiek zijn tegelijk de ogenblikken waarop de vijand met concrete duidelijkheid als vijand wordt herkend. In de moderne tijd zie ik als de krachtigste eruptie van aan dergelijke vijandschap […] de strijd van Cromwell tegen het papistische Spanje.” (p.79)

Schmitt citeert vervolgens de Britse dictator Oliver Cromwell (1649-1658) die de Engelse aartsvijand Spanje ooit (in theologische termen) omschreef als “the natural enemy, the providential enemy”. Een merkwaardige maar ook veelzeggende keuze. Voorbeelden te over, zou je zeggen, maar Schmitt kiest voor de Engelse dictator die aan de macht kwam na de onthoofding van koning Karel – een regicide die toentertijd in heel Europa met afschuw vervulde. Dat Schmitt juist hém naar voren schuift als woordvoerder van “het hoogtepunt van de grote politiek” doet onwillekeurig denken aan de voorspelling van Oswald Spengler (1880-1936), de auteur van Der Untergang des Abendlandes, die had geschreven dat de onvermijdelijke neergang van Duitsland en de Duitse beschaving wellicht gekeerd konden worden wanneer er een nieuwe caesar zou opstaan. Wellicht geeft Schmitt hier te kennen dat hij, zoals zovelen, hoopte op een dictator die de verrotte Weimarrepubliek opzij zou schuiven en bereid was om de vijanden van Duitsland aan te wijzen.

Het begrip politiek stuit menigeen tegen de borst. Schmitts grondtegenstelling als basis voor de politiek laat een vieze nasmaak achter. Maar dat maakt de tekst niet minder interessant. Zijn kritiek op de liberale staatstheorie, of beter: het ontbreken van een liberale staatstheorie, is nog steeds relevant. Dat gebrek leidt tot de paradoxale situatie dat liberalen de politieke macht willen veroveren, schijnbaar met als doel om diezelfde macht op te heffen (Ronald Reagans beroemde woorden: “The most terrifying words in the English language are: I’m from the government and I’m here to help”) terwijl het machtsbereik van de staat óók onder liberaal bewind alleen maar groter wordt. Zelfs voor hen aan de onderkant van de samenleving neemt de betutteling en regulering alleen maar toe. Schmitt wijst op deze bizarre situatie. In zijn slotbeschouwing bij Het begrip politiek gaat filosoof Theo de Wit uitgebreider in op Schmitts kritiek en “de dark side van het westerse liberalisme”.

Maar Schmitts eigen opvatting over politiek is niet los te zien van de heftige emoties na de Vrede van Versailles. Daar had Duitsland de schuld op zich moeten nemen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Alsof andere naties zouden mogen beslissen of een volk of staat zich in een oorlog mag storten. Alsof oorlog voeren voor je voortbestaan een misdaad zou kunnen zijn. Schmitt eist deze soevereiniteit terug, in absolute termen. Hij verwerpt de ‘moderne’ opvattingen die volk en staat binden aan zogenaamde internationale rechtsregels en abstracte opvattingen over ‘wereldvrede’.

Een volk beslist zélf over zijn lot. En het meest extreme besluit is de oorlog. Schmitt eiste dat recht op voor het Duitse volk, maar deed dat in theoretische termen. Hij toont ons daarmee de uiterste consequentie van het begrip soevereiniteit. Een begrip dat met alle spanningen binnen de Europese Unie om een nieuwe invulling vraagt.

Eerder verschenen op Sargasso

Recensie door: Jos van der Lans

De rechtse annexatie van Antonio Gramsci en Carl Schmitt

De onlangs opnieuw vertaalde werken van denkers Antonio Gramsci en Carl Schmitt dagen linkse politieke partijen vandaag de dag uit om meer na te denken over oude vraagstukken in een moderne tijd, zoals politiek en politieke machtsvorming.

[Essay] Jesse Klaver houdt het zijn publiek bij elke gelegenheid voor: we zijn een beweging, een beweging voor verandering. En als het applaus als graadmeter zouden dienen, zou je het bijna gaan geloven: we gaan Nederland veranderen. Maar nadat ik de Groen-Linkse leider een paar keer zijn boodschap heb zien verkondigen, borrelen er bij mij toch wat vragen op. Hoe gaan we dat dan doen? Zit er een gedachte achter? Een strategie? Is de optimistische verwachting gebaseerd op een analyse van de machtsverhoudingen? Schuilt er een duidelijke opvatting over politiek in? Of hebben we hier te maken met een vorm van politieke framing die in de eerste plaats moet leiden tot voldoende zetelwinst om toekomstige deelname aan een kabinet onvermijdelijk te maken, om daar alles een graadje linkser en groener te maken?

Ik hoop het eerste, ik vrees het tweede. Heftige debatten over de staat, de politiek, de maakbaarheid van de samenleving en politieke machtsvorming zijn in linkse kringen steeds minder bonton geworden. Ze hebben iets ouderwets gekregen. Marxisten, ooit gespecialiseerd in dit soort vragen, zijn toch vooral residuen uit de vorige eeuw. Begrippen als klasse, kapitalisme, uitbuiting, klassenstrijd (met een ‘n’) en historisch-materialisme zijn in linkse kringen ingewisseld voor netwerksamenleving, transitie, diversiteit, kwetsbare mensen, koopkrachtverlies, veelverdieners. Analytische begrippen en kaders lijken te zijn vervangen door op zichzelf staande typeringen. Je bent tegenwoordig al heel links als je het woord ‘ongelijkheid’ en natuurlijk ‘duurzaamheid’ in de mond neemt. De ooit te veroveren staat is een neutrale overheid geworden. De politiek – en links heeft zich daar niet aan kunnen onttrekken – is veranderd in scoren in de media, uitgekiende framing,  campagnestrategieën en de gunst van het electoraat.

Intellectuele honger

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in rechtse kringen meer intellectuele honger tot ontwikkeling komt dan in het wat uitgeblust ogende linkse kamp. Rechts is nu in de positie die links in de jaren zeventig innam, namelijk die van steeds populairder wordende  criticaster van de bestaande orde. Rechts is allang de fase voorbij dat het louter  populistische sentimenten oproept, en vormt voor steeds meer mensen een intellectueel project. Want de aversie tegen links, tegen het cultuurrelativisme, tegen de grachtengordelelite, vraagt natuurlijk wel enige analytische onderbouwing. Hoe is deze orde ontstaan? Hoe hebben de machtsverhoudingen zich ontwikkeld? Wat is de rol van de staat daarin? Het zijn decennialang vragen geweest waar linkse intellectuelen boeken over vol schreven, maar waar nu ook rechts-conservatieven zich de hersens over breken.

Wat dat betreft is Forum voor Democratie met de ijdele Thierry Baudet niet zomaar een nieuwe aflevering in een serie elkaar opvolgende populistische Idols-verkiezingen, maar veel meer dan bij de LPF en de PVV is er sprake van een soort intellectuele coming-out. Je ziet het aan de aanhang, die eerder doet denken aan studentencorpora en oude sociëteiten dan aan de voetbaltribune bij Feyenoord.

Gevangenisnotities

Ongetwijfeld heeft deze ontwikkeling mede een rol gespeeld bij de beslissing om het werk van twee klassieke vooroorlogse denkers over staat en politiek, Antonio Gramsci (1891-1937) en Carl Schmitt (1888-1985), opnieuw in een Nederlandse vertaling uit te brengen. Beiden leveren immers grondstoffen voor het debat dat door rechts nieuw leven wordt ingeblazen. Daarbij is de belangstelling voor Antonio Gramsci op zijn minst opmerkelijk te noemen. We kennen de Italiaan als de intellectuele voorman van de vooroorlogse PCI, de Italiaanse communistische partij, die door Mussolini in de gevangenis werd gegooid waar hij op kleine papiertjes en in een taal waarmee hij de censuur kon ontlopen zijn beroemd geworden gevangenisnotities schreef. De belangrijkste delen daarvan zijn nu opnieuw vertaald door Arthur Weststeijn onder de titel Alle mensen zijn intellectuelen.

Weststeijn, als historicus en filosoof verbonden aan de Universiteit Utrecht, maakt in zijn zeer verhelderende toelichting duidelijk waarom vooraanstaande rechtse politici met zijn gedachtegoed weglopen; onder anderen Matteo Salvini, tot voor kort Italiaanse vicepresident en voorman van Lega Nord, en Marion Maréchal, het gezicht van jong rechts in Frankrijk.

Dit betreft overigens vooral een strategische omhelzing van zijn denkbeelden. In zijn gevangeniscel boog Gramsci zich over de vraag waarom het de fascisten wel en de communisten niet was gelukt om de macht te grijpen. In het door en door katholieke Italië, zo analyseerde hij, was het niet voldoende om een economische en politieke strijd om de macht te voeren. Die zou je pas kunnen winnen als je ook de strijd op het terrein van de  cultuur, van de ideologie voert. Je moet dat terrein bezetten door geestverwanten op belangrijke posities te zetten, het onderwijs naar je hand te zetten, media voor je zaak te winnen en actief bondgenoten te werven. Communisten slagen er alleen in de om de macht te grijpen als hun denkbeelden ‘hegemoniaal’ worden – een cruciaal begrip in het oeuvre van Gramsci. In dat proces spelen ‘organische’ intellectuelen een hoofdrol, mensen die in de praktijk van het dagelijkse leven op allerhande terreinen partij kiezen en zich manifesteren. Daarbij vat Gramsci het begrip ‘intellectueel’ heel ruim op, want voorzien van de juiste inzichten zijn in principe alle mensen intellectuelen.

Klasseloze maatschappij

Gramsci ontwikkelde in zijn gevangenisnotities een omvattende strategie om uiteindelijk de politieke macht te veroveren en de klasseloze maatschappij – in dat opzicht bleef hij een overtuigd marxist – te realiseren. In de marxistische en communistische traditie van eind jaren twintig was dat een nieuw geluid. In die kringen domineerde het gedachtegoed van Marx en Lenin, gebaseerd op het primaat van de economische en politieke klassenstrijd. Voor Gramsci was dat in het katholieke Italië te beperkt: zonder onderwijzers, ambtenaren, progressieve middenstanders, ondernemers, ja zelfs priesters redden we het niet, was zijn boodschap. Een strategie die pas decennia later echt doordrong tot de politieke praktijk toen de PCI in de jaren zeventig de aanzet gaf tot het zogenaamde eurocommunisme, waarbij zij zich ontdeed van de dogma’s van het klassieke communisme.

In Nederland werd Gramsci in dezelfde jaren ontdekt door uit de studentenbeweging voortgekomen linkse intellectuelen die in zijn denken een legitimatie vonden om op hun eigen terreinen (onderwijs, universiteit, openbaar bestuur) de goede zaak van de arbeidersklasse te dienen door een ‘lange mars door de instituties’ te beginnen – een strategie die in 1969 voor het eerst door de Duitse studentenleider Rudi Dutschke werd aangeprezen. Precies hier tekent zich de dubbelzinnigheid van de rechtse omarming van Gramsci af. Aan de ene kant gebruiken rechtse denkers zijn gedachtegoed om te verklaren dat sinds de vermaledijde jaren zeventig het links-liberale denken ‘hegemoniaal’ is geworden. Er is volgens hen een ‘cultuurmarxistische’ elite opgestaan die het cultuurrelativisme predikt, natiestaten heeft opgeofferd voor Europa, kosmopolitisch denkt, lokale culturen in de uitverkoop doet en diversiteit heilig verklaart. Wat in de jaren zeventig bevochten moest worden, is in hun ogen ‘hegemoniaal’ gemeengoed geworden.

Aan de andere kant trekken ze uit deze analyse lering door voor hun politieke ambities een vergelijkbare strategie te volgen. Toen Baudet enkele jaren geleden warm liep voor zijn politieke opmars, kreeg hij – zo vertelt hij het tenminste zelf – een bijzonder advies ingefluisterd door de Britse conservatieve denker John Laughland (die later zou spreken op het eerste partijcongres van de FvD): “Thierry, doe niet als Lenin, maar als Gramsci.”

Droom dus niet van een snelle politieke revolutie, maar begin aan een lange cultuurstrijd. Dus zei Baudet na de tegenvallende resultaten bij de Europese verkiezingen tijdens een bijeenkomst van FvD-jongeren: “Ach, het gaat ons niet om de zeteltjes, maar om posities in het onderwijs, in de media, op de universiteiten. Wij denken op de lange termijn.” Dat verklaart ook het instellen van een meldpunt voor linkse docenten die het onderwijs zouden indoctrineren: je moet de overheersende positie van je tegenstander permanent onder druk zetten en aan de kaak stellen.

De vraag is natuurlijk wel wat de ‘organische intellectuelen’ van dit opkomende rechts dan te melden hebben. Wat is hun denkraam, hun analysekader? Hun politieke standpunten mogen inmiddels als bekend worden verondersteld – stuk voor stuk gruwelen voor linkse Guttmenschen (en zo zijn ze ook bedoeld) – maar is er ook intellectueel diepgang aan te geven? Een doordenking waarin opvattingen schuil gaan over de vraag wat politiek is?

Controversieel denker

Goede kans dat in toekomstige beschouwingen daarover steeds vaker de naam van de Duitse rechtsgeleerde en filosoof Carl Schmitt zal opduiken. Uitgeverij Boom bracht dit voorjaar zijn bekendste, uit 1927 stammend en in 1932 herschreven boek Het begrip politiek in een nieuwe Nederlandse vertaling op de markt. Schmitt was (en is) een controversieel denker waarmee linkse kringen lange tijd geen goede sier konden maken, omdat hij in 1933 collaboreerde met het nazibewind en vier jaar lang één van de topjuristen was die het Hitler-regime staatsrechtelijk legitimeerden. Hoewel hij vervolgens door de nazi’s aan de kant werd gezet, was daarmee zijn reputatie voor de rest van zijn leven bezoedeld. Maar zijn geschriften bleven hun aantrekkingskracht houden omdat ze een theoretisch en analytisch kader geven aan ervaren bedreigingen of grotegebeurtenissen of, recenter, een verklaring geven voor het gedrag van een aantal politiek leiders. In dat opzicht oefent Schmitt ook aantrekkingskracht uit op linkse denkers, zoals de Belgische politiek-filosoof Chantal Mouffe in het vorige nummer van de Helling nog liet zien, zij het dat ze zich wel steeds verplicht voelen afstand te nemen van de totalitaire kanten van zijn gedachtegoed te halen.

In Het begrip politiek stelt Schmitt dat vijandschap de politiek definieert. Zijn denken is gebaseerd op antagonismen. Zoals moraal gaat over de tegenstelling tussen goed en kwaad, zo gaat de politiek over vriend en vijand. Dat betreft niet zozeer individuen die elkaar naar het leven staan: de vijand waar Schmitt over spreekt, is een publieke vijand die een politieke gemeenschap samenbindt in de strijd tegen de buitenstaander. Een vijand is volgens Schmitt daarmee een noodzakelijke bestaansvoorwaarde voor elke gemeenschap die zichzelf als een eenheid beschouwt. Elke homogeniteit, elke stabiliteit is slechts mogelijk tegenover een dreiging, waarbij de vijand gezien wordt als een minderwaardige soort, een gevaar voor de eigen beschaving, een bedreiging van de volksgemeenschap.

Dat rechtvaardigt ook dat de vijand met geweld (oorlog) kan worden bestreden, en dat de heersende macht aan zijn onderdanen mag vragen om hun leven te geven in de strijd tegen de dreiging van buiten. Ter verdediging van Schmitt: hij baseerde zijn begrip van de politiek en de staat niet op een normale toestand, waarin de in de democratische arena verschillende belangen tot een consensus komen. Hij was geïnteresseerd in wat er gebeurt als er sprake is van een noodtoestand, van een grote bedreiging. “In het uitzonderlijke doorbreekt de kracht van het werkelijke leven het omhulsel van een door herhaling verstard mechaniek”, aldus Schmitt. De ware aard van de staat moet zich bewijzen in wat hij de uitzonderingstoestand noemt, als de dreiging immens is en de nood aan de man.

Soeverein leiderschap

Dat vraagt, volgens Schmitt, om soeverein leiderschap. Schmitt heeft niks met pluralistische of liberale beschouwingen over de democratie; die leiden in zijn ogen alleen maar tot chaos omdat ze de ware dynamiek van de politiek ontkennen (depolitiseren) en daarmee de staat krachteloos maken. In de context van de chaotische Weimarrepubliek, waarin hij zijn geschriften schreef, is dat overigens niet een helemaal onzinnige gedachte. Met deze anti-pluralistische, antiliberale opvatting zou je Schmitt een voorloper kunnen noemen van wat wel de ‘totalitaire democratie’ wordt genoemd. Overigens een staatsvorm die in die dagen duizend kilometer oostwaarts nogal drastisch in de praktijk werd gebracht en die voor Schmitt een schrikbeeld vormde: het communistische Rusland.

Hier past een disclaimer. Het voorafgaande doet niet helemaal recht aan de redenering die Schmitt in Het begrip politiek opbouwt. Zijn analyse zit veel doorwrochter in elkaar. Dat is ook de reden waarom zijn werk nog steeds gelezen en bediscussieerd wordt. Daar komt bij dat wie, zoals schrijver dezes, in een links-liberale traditie is opgevoed, het moeilijk heeft om de denkwijze van Schmitt zo objectief mogelijk weer te geven, zonder de gruwelen van het nazisme voor ogen te houden.

Maar wie Schmitt met de ogen van nu leest ziet ook Trump, met zijn Make Amerika great again, zijn muur tegen immigranten, zijn twitteroorlog tegen iedereen die hem niet welgezind is. Wie Schmitt nu leest ziet in Oost-Europa Poetin en Orbán Schmittiaans regeren, hoort de roep om sterke leiders en de aanzwellende kritiek op de democratie. Wie Schmitt nu tot zich laat doordingen, beseft dat het debat tussen Zwarte-Piet-afschaffers en traditieadepten niet een onschuldig treffen is, maar bijna een vorm van oorlog, een kwestie van levensbelang.

Intellectuele zuigkracht

Erg verbazingwekkend is het dus niet dat Schmitts gedachtegoed gretig aftrek vindt in het baudetiaanse kamp. Misschien dat ze zijn toch wat besmette naam niet zullen noemen in de beschouwingen, maar met Gramsci in de hand en Schmitt in het hoofd zullen ze heel wat vijandelijke gevaren (immigratie) en bedreigingen (klimaatapostelen) ontwaren, die we (de Nederlandse natie) het hoofd moeten bieden, inclusief de linkse diversiteitsdenkers, de alles goedpratende linksliberalen, die als handlangers van de vijand en als ‘cultuurmarxistische’ kuddedieren de ware vertolkers van onze cultuur en tradities moedwillig blijven demoniseren.  

Links kan deze rechtste hergroepering afdoen als een relatief marginaal electoraal verschijnsel, maar ondertussen schuift het denken van andere partijen wel die kant op. Je hoeft anno 2019 niet meer in het centrum van de macht te vertoeven om intellectuele zuigkracht uit te oefenen. Je moet vooral effectief in de sociale media weten te opereren. In feite is de dominante prudent-progressieve mentaliteit, zoals het SCP de stemming in Nederland tot de opkomst van Fortuyn karakteriseerde, al sinds 2002 in verval aan het raken. Electoraal gesproken is links sinds de Tweede Wereldoorlog nog nooit zo zwak geweest en ideologisch al jaren in het defensief. Dat verander je niet door in de kantines van de kantoren en fabrieken de professionals toe te spreken, hoe nuttig dat op zichzelf ook is. Dat verander je niet door electoraal succes als de uitdrukking van een beweging voor echte verandering te claimen. Dat verander je door goed na te denken over wat een strategie voor verandering meer inhoudt dan een goede campagne en accurate mediabewerking. Dat verandert door goed na te denken over politieke machtsvorming, over de rol van de staat, over de verhouding tussen politiek en cultuur, over oude vraagstukken in een moderne tijd. Dat verander je door rechts als een tegenstander van formaat te zien die met alle intellectuele kracht die links bezit bestreden zal moeten worden. Dat is waar het werk van Gramsci en Schmitt links vandaag de dag toe uitdaagt: diep, heel diep nadenken over wat anno nu politiek en politieke machtsvorming is.

Eerder verschenen in De Helling

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Tussen 1999 en 2007 was hij voor GroenLinks lid van de Eerste Kamer.

Samenvatting

Heruitgave in de serie Boom Klassiek van deze belangrijke tekst van de omstreden denker Schmitt.

In Het begrip politiek probeert Carl Schmitt een tegenwicht te bieden aan liberale krachten die het politieke handelen en de politieke strijd willen vervangen door economische concurrentie en ethische discussie. De voorwaarde voor politiek ligt volgens Schmitt in het bestaan van een vijand en in de mogelijkheid van een conflict. Liberale en pacifistische pogingen om de oorlog af te schaffen, schaffen daarmee in feite de politiek af. Daardoor zullen oorlogen, die Schmitt als onvermijdelijk zag, eerder onbeheersbaar en onmenselijk worden. De twintigste-eeuwse geschiedenis lijkt hem op dat punt gelijk te geven.

Het begrip politiek verscheen eerder in 2001. Nieuw aan deze editie zijn een latere tekst van Schmitt, ‘Het tijdperk van neutraliseringen en depolitiseringen’, de ‘Corollaria’, een nieuwe inleiding van de vertalers en een nawoord van Schmittkenner Theo de Wit over de filosofische nawerking van het werk.

‘Lees Het begrip politiek van de jurist en politicoloog Carl Schmitt vooral ook als u het niet met hem eens bent.’ – Arnon Grunberg in NRC Handelsblad

Toon meer Toon minder
€ 24,90

Verwachte leverdatum: vrijdag 30 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789024423682
Verschijningsdatum
november 2018
Druk
1
Aantal pagina's
208 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
730: Filosofie algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Boom

Vertaald door
Bert Kerkhof, George Kwaad

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen