Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 10

woensdag 9 december 2020

De nieuwe kuren van vader en de dure maand december

Zes broers en een zus is vanaf vandaag te bestellen bij Bazarow

We hadden een echte schuur gekregen, een aparte doucheruimte en er was een keukentje aangebouwd, maar er waren nog meer plannen, voor boven. Zelf kon hij niks, onze vader, hij had twee linkerhanden. Alleen een band plakken, dat lukte hem nog wel, doordat hij een blauwe maandag bij een fietsenboer had gewerkt, maar die wilde hem al na een paar dagen weer kwijt, juist vanwege zijn onhandigheid èn omdat hij te veel lulde. Thuis deed hij dan ook niks als het op klusjes aankwam, dat deed onze moeder. Die had een hamer, een paar schroevendraaiers en een mechanische handboor. Zíj hing de schilderijtjes op, en ze repareerde de kraan, zoals ze ook de kolenkachel aanmaakte – maar ook daar wilde pa vanaf. Er moest een gashaard komen. Veel moderner, comfortabeler en gemakkelijker. Gas was de toekomst! Dat wist toch iedereen! Het verbrandde ook veel schoner. En dan hoefden ze in Limburg straks niet meer de grond in, die arme mijnwerkers, veel te gevaarlijk. Ze moest trouwens niet vergeten, moeder, dat het daar allemaal katholieken waren…

‘Nee, dat weet ik ook wel.’

Nou dan, zo’n baan wenste je je ergste vijand niet toe. Maar zéker geen katholiek. En daar in Groningen, daar kwam dat gas spontaan omhoog. Zo’n stomme boer hoefde maar een spade in de grond te zetten of het gas spoot er al uit.

‘Ben je klaar, Adri?’ vroeg ze vol ergernis. ‘Ik vind gas maar gevaarlijk. Kolen ken je tenminste nog zien.’

‘Daar moet ik nou eens smakelijk om lachen,’ antwoordde vader. En hij begon metterdaad te lachen, al was het verre van spontaan en nog veel minder smakelijk. Het spuug vloog in het rond. Hele klodders, van die dikke: waarschijnlijk zaten er etensresten bij. Hoe kwam ze daar nou weer bij?! vroeg hij haar bijna agressief. Kijk, Zyklon B, dat was pas gevaarlijk! En dat je kolen kon zien, dat mocht zo zijn, maar die zwarte troep was toch ook niet om áán te zien. Moest je die kolensjouwers eens zien, met hun zwarte handen en ogen. Wat?! Ze waren helemaal zwart! Nee, dat was lekker. Waar hàd ze het eigenlijk over!

Moeder liet het er maar bij. ‘Jongens, de soesjes zijn op. Naar bed! Kom op.’

Op een koude ochtend werd ik als eerste wakker en ik sloop naar beneden. Over de kachel, een beetje aan de zijkant, lag de pyjamabroek van Johan. Die had zeker weer in z’n broek gepiest. Ja, je kon het ruiken. Ik ging vlak voor de kachel zitten. Ik keek naar het oranje van de vlammen en het parelmoer van de mica-glaasjes.

Moeder vertelde dat ‘ze’ (ze bedoelde Johan en Pim) ruzie hadden gehad over ‘de plaatjes’: Pim had Johan opgescheept met Air van Bach. Wij, Geerie en ik, de kleintjes, mochten Mama van Heintje hebben, en Frans een plaatje van The Cats. Zelf had Pim de Beatles gehouden, ook al zei hij meteen er ‛geen zak an’ te vinden. Ik was toen al naar bed, zei ze.

Ze wist het niet, maar ik had alles gehoord. Want ik probeerde ’s avonds het onbekende geheim dat mij in bed als zo vaak bezighield te ontraadselen door de anderen af te luisteren. ‘Ben je helemaal een haartje betoeterd,’ had moeder gezegd, maar vader vond het goed. Hij zei tegen Johan dat er geen mooiere muziek bestond dan die van Bach. De Beatles waren daarbij vergeleken maar een paar snotjongens. O, wel aardig en niet van dat tuig als de Rolling Stones, al waren hun haren dan ook te lang, maar bij Bach háálden ze het niet, nee.

‘Nou, ik heb toch het liefste Mama van Heintje,’ zei ik slijmerig.

Tè slijmerig waarschijnlijk, want moeder lachte me even toe en verdween toen naar de keuken.

Niet lang daarna kwam vader beneden. Zo, dat was vroeg. Ik zat in een Suske en Wiske te bladeren. Hij liep zonder me te groeten naar de wc en liet de deur daarvan openstaan. Je kon het horen. ‘Adri!’ riep moeder vanuit de keuken. ‘Mik eens goed. Ik blíjf dweilen met jou en met die jongens…’ Ze zuchtte. Vader gaf geen antwoord maar ging even later met een bebloede kop van het scheren en in z’n witte ondergoed aan de ontbijttafel zitten. Hij slurpte z’n thee weg, ongeduldig blazend en propte een boterham of drie naar binnen. Hij had haast, dat was duidelijk. Nog steeds in z’n onderbroek stelde hij zich op bij de kastdeur voor z’n oefeningen. Die had hij al in geen tijden meer gedaan. Hij ging met z’n rug tegen de kastdeur staan en liet de vingers van z’n beide handen boven z’n hoofd tegen de deur omhoog kruipen. Het deed pijn, ik kon z’n grimassen zien en af en toe stiet hij een klank uit. Soms ging hij erbij op z’n tenen staan. Ik wist dat hij een ‘stalen pin’ in zijn schouder had. Een paar jaar geleden was hij lelijk ten val gekomen op z’n brommer. Hij had geen voorrang verleend aan een auto en die had hem toen geschept. Z’n arm was op drie plaatsen gebroken en z’n schouder was verbrijzeld, verder had hij een hersenschudding en er was iets in z’n lies. Hij had zes weken in het ziekenhuis gelegen. Ik kon het me niet herinneren. Wèl die winteravond dat hij thuis was gekomen toen het ijs op z’n borst stond. Ook toen was hij gevallen, na een schuiver gemaakt te hebben – zijn stuurmanskunsten hielden niet over. De windkap was daarbij van z’n brommer geschoten en hij had hem er met z’n kouwe jatten niet meer op kunnen krijgen. Bovendien waren de knopen van z’n lange bruine leren jas gesprongen. Zo was hij met wapperende jaspanden helemaal uit Naaldwijk komen brommen. De sneeuw verzamelde zich op z’n wollen trui en vormde langzamerhand een ijskorst op zijn buik. Ik wist nog goed dat moeder zich rot schrok toen ze hem zag. We schrokken allemaal. Het leek wel of hij de Elfstedentocht had gereden. Erger nog. Alsof de Verschrikkelijke Sneeuwman in eigen persoon bij ons in de kamer stond. Hij zag er gruwzaam uit en keek er ook heel gekweld bij. ‘Ach man toch, wat heb je nou toch gedaan?’ zei moeder, of woorden van die strekking, en toen begon hij kinderlijk hartverscheurend te huilen.

Zo lang geleden was dat niet. Nu, terwijl hij daar zo stond met z’n rug tegen de deur, brak het zweet hem uit, de oefeningen vielen hem steeds zwaarder, dat was duidelijk. Hij hield er dan ook mee op. Toen hees hij zich in z’n broek met bretels, die hij droeg omdat hij steeds dikker werd, en trok een lichtgeel overhemd aan met een beige stropdas. ‘Mar, ik ga!’ riep hij en weg was ie. Nadat hij hersteld was van dat ongeluk en weer aan het werk kon, nam hij lessen en kocht hij een auto. Een Daf 33. We begrepen er niks van, maar hij was in één keer geslaagd bij het afrijden voor zijn examen.

‘Hij vergeet z’n brood!’ kwam moeder aansnellen.

Bijna tegelijkertijd keerde hij terug: hij was ook zijn werktas vergeten. En z’n boekje met te bezoeken adressen. ‘Ik ben pas laat thuis,’ liet hij weten. ‘Ik ga even doorpezen. Centjes verdienen, Mar. Centjes verdienen.’ Zo te zien had hij er zin in.

 Die zondag draaide hij z’n nieuwe langspeelplaat van Wim Sonneveld wel drie keer. Hij was in een opperbeste bui, overdreven zelfs. Om z’n lippen speelde een merkwaardige lach en z’n ogen glommen. Wij kinderen zaten aan de eettafel in de achterkamer te legoën en moesten vooral stil zijn.

Een maand later was het weer een heel ander verhaal. De ‘dure maand’ kwam eraan: december – en de rekeningen liepen nu al op. Vader had in z’n goedhartigheid tal van missionarissen een bedragje toegekend en een aantal min of meer vage kennissen om ons onbekende redenen eens goed in de bloemen gezet. ‘Ach joh,’ zei hij tegen moeder als ze er voorzichtig iets tegenin bracht, ‘dan hebben die ook eens wat.’ Sommigen belden ons op via de nieuwe telefoon om te zeggen dat ze die bloemen in de toekomst echt niet meer hoefden te hebben, o, ze vonden het heel aardig, dat wel, maar ze begrepen niet goed waar ze het aan verdiend hadden. Dat waren nu precies ‘de stommelingen’, zei vader. Maar de diverse dankbriefjes van de missionarissen en missieorganisaties, gedrukte standaardbrieven, deden hem goed. Soms gaf hij ze moeder te lezen of liet hij ze aan ons, kinderen, zien. Want wij moesten ons maar eens goed inprenten hoe goed wij het wel niet hadden in vergelijking met de kinderen in Afrika. Dacht je soms dat die speelgoed hadden? ‘Aan m’n neus!’ riep hij dan. ‘Zij hebben niet eens fatsoenlijk te eten! En voor water moeten ze wel tien kilometer lopen… Let wel, voor een bakkie modderig water. Jullie zijn verwend, verwend! hoor je me?!’

Aan tafel was dat ook wel eens lastig. Ons werd altijd weer voorgehouden dat die kinderen in Afrika niks te vreten hadden. Nog geen wortel. Niks niet. Maar moeder kookte net iedereen fantasieloos, armoeiig zelfs: aardappels, groente, vlees. Anders werd het te duur. Zei ze. Maar wij haatten die snotandijvie, bittere witlof, harde en ook al bittere tuinbonen, stinkende spruitjes, rode kool met laurier en kruidnagel – als je daar op beet!... Of nog erger: zure zuurkool! Van die halfvergane witte draadjes, zuur van het rotten. En o gruwel, hutspot, wat ik altijd ‘kotsprut’ noemde. Dat was wel het allerergste. Werkelijk walgelijk. De meeste van ons aten het voorgeschotelde met lange tanden op. Omdat het moest. En omdat we iedere keer toch wel erge honger hadden. Gelukkig was hij, vader, er niet vaak bij. Alleen op zondag altijd. Dan bad hij voor en kreeg je op je lazer als je niet goed meedeed. Maar juist op zondag aten we bijna altijd lekker: steeds vaker biefstuk, zoete erwtjes uit blik, appelmoes, gebakken aardappeltjes en soms zelfs friet met mayonaise. Bijna net zo lekker als elleboogjesmacaroni met Smac, geraspte jonge kaas en ketchup. Of als nasi. Maar dat waren woensdagmaaltijden. Verder was moeder erg van de restverwerking en kliekjes bij elkaar vegen. Want we aten haar arm, zei ze vaak. En dat vond vader al helemaal.

Al die rekeningen, hij werd er gek van! Je zag het gebeuren. Hij zat achter z’n bureautje, waarvan hij de klep had geopend, met z’n neus in stapels papieren. Langzamerhand werd hij helemaal rood en begon z’n voorhoofd te glimmen van het zweet. Met steeds wildere gebaren scheurde hij de enveloppen open. ‘Wat is dàt nu weer?!’ riep hij dan. ‘De fietsenmaker, Mar, de fietsenmaker! Hier, een rekening van meer dan twintig gulden. Voor wat? Voor een paar lichtjes!’

‘Wat kan ik eraan doen?’ antwoordde moeder bedremmeld. ‘Ik kan die jongens toch niet zonder licht laten rondrijden?’

‘En twee lekke banden! Kunnen ze dat zelf niet?’

‘Die jongens? Ach, Adri…’

 ‘Of jij?’

Ze zuchtte. ‘Daar heb ik de tijd niet voor… Doe jij het dan…’ voegde ze er met een rood hoofd aan toe.

Hij op zijn beurt schudde zijn hoofd over zoveel tegenslag. ‘Het geld groeit me niet op de rug. Ik werk me al het lazarus.’

‘Ik ook,’ piepte moeder. Ze gebaarde ons maar buiten te gaan spelen. Daar hadden we niet zoveel zin in, want het was koud en het regende. ‘Ga dan maar in de schuur iets doen. Mirjam, kan jij daar geen poffertjes bakken op je poppenfornuisje?’

‘Zeg,’ wilde vader toen weten, ‘Kan je geen andere slager nemen?’

 ‘Maar daar moet ik van jou juist heen, omdat je hem abonnee hebt gemaakt van de krant?’ antwoordde ze, om bevestiging vragend. ‘En het moest op de pof, want jij zou het wel regelen met hem…’ Nee, zij wist het nu ook niet meer. Als het zo moest…

Vader liet zich er niets aan gelegen liggen. Hij ging helemaal op in z’n rol van beklagenswaardige hardwerkende burger. Hij was de pineut, zei hij. ‘De pineut!’ Niets meer en niets minder. Neem nou die hoge huur: belachelijk! Wat? Schandalig! Ze knijpen de gewone man uit. En de belasting, nou, die kon er ook wat van! En wat kreeg je ervoor terug? Gekakel in de Tweede Kamer. Waar ze nota bene besloten tot nog meer belasting. ‘Belasting op toegevoegde waarde: niemand die weet wat dat betekent! Toegevoegde waarde, me reet! Ze ruiken geld, dat is het… Het stinkt, die hele zaak stinkt. ’t Is één grote strontzooi!...’

Moeder bracht ertegenin dat we het niet zo slecht hebben, toch?

‘Dat zeg ik ook niet. Slecht. Mij hoor je niet klagen. Maar die jòngens: die willen altijd meer. En maar zeuren… Ja, het is feitelijk hun schuld, met al hun geklaag. Daar krijg ik de kriebels van. Hoorndol word je ervan.’

En dan, dat moest moeder de vrouw ook niet vergeten, het kon altijd beter. Een zus van hem ging op reis, naar Amerika nog wel. Zo was het ook nog eens een keer.

We zouden voor de feestdagen nieuwe kleren gaan kopen in de stad, en een gebakje eten bij de V&D, dat had ze inderdaad beloofd, maar dat moesten we maar uitstellen, liet moeder ons die avond weten toen vader er gelukkig weer vandoor was. Hij was gaan werken. Er zat niets anders op, had hij gezegd. ‘Zwoegen, zal je, tot je erbij neervalt… En waarom?’

Die avond bad ik in mijn bed maar weer eens tot God, je kon nooit weten. Of hij ervoor kon zorgen dat we een heleboel geld kregen. Een miljoen of zo. Dan zouden we ook een heleboel naar de missie sturen, dat beloofde ik plechtig.

--

Volgende aflevering:

Kleine pikkies & Het troebele plezier van een ontgroening

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden