Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 11

zondag 13 december 2020

Kleine pikkies & Het troebele plezier van een ontgroening

Op school was alles in orde. Ik lag goed in de klas, zowel bij de jongens als bij de meisjes, al had ik er wel een dagtaak aan. Het hielp ook wel dat ik oudere broers op school had rondlopen, al wist ik dat die niet gauw een poot voor me zouden uitsteken, wat ik natuurlijk voor me hield.

Han Blauw was een van m’n nieuwere vrienden, hij woonde een eind verder bij ons in de straat, helemaal aan het begin. Hij was een stotteraar, vooral met de p en de b had hij het moeilijk. Ik hielp hem vaak, omdat ik heel goed was in het raden van de woorden die hij wilde uitbrengen. Soms vroeg hij me, dat moest van zijn ouders of eigenlijk van zijn spraakleraar, dat niet te doen, want wij moesten gewoon het geduld opbrengen totdat hij z’n gebrek weer voor even overwonnen had. Maar zo werkte het niet. Als het te lang duurde voordat hij een woord had uitgebraakt, schoten de jongens in de lach. Dus maakte ik zijn zinnen af en verzon ik zijn bijnaam: Beetje. Eerst was het nog Peetje en Beetje, maar dat was te lang. Ik was wel trots op die vondst, zeker toen ik zelfs zijn ouders die bijnaam hoorde gebruiken. Doordat ik hem hielp stond Han bij mij in het krijt en zo had ik er weer een handlanger bij. Overigens vond ik het heel leuk om bij hem thuis te spelen want als jongste had hij veel speelgoed en zijn moeder was ook altijd erg aardig tegen mij.

Er was nog een jongen, Klaas van Blaricum, die er ook bij wilde horen. Wel, dat kon geregeld worden. Maar hij moest er wel wat voor doen, vonden wij, de zelfbenoemde leiders van de klas. Maar wat? We zouden hem koning van het landje maken, stelde ik voor. En een koning werd gekenmerkt door moed, nietwaar? Dus dat moest hij dan maar tonen in een soort van proef.

We spraken af op een woensdagmiddag. Het kwam met bakken uit de lucht, maar daardoor lieten we ons niet weerhouden. We lachten van de voorpret en iedereen keek naar mij, want ik nam het voortouw hoewel het eerder Pieter-Bas’ landje was omdat hij in een van die aangrenzende huizen daar woonde, aan de Storm van ’s-Gravensandeweg. Maar ja, het plan was van mij.

Wij waren er al eerder en kozen de locatie. Pim was erbij, als zijnde mijn secondant, Beetje had ik ook meegevraagd, ook al omdat ik niet wist hoeveel man Pieter-Bas meenam en er misschien alsnog een machtsstrijd zou uitbreken – we bleven elkanders grootste concurrent in de hiërarchie. Maar hij had gelukkig alleen zijn kameraad Daan bij zich.

We kozen een stuk open terrein van een paar vierkante meter. Daar had een brandje gewoed en dat zwarte stuk land was lekker vlak, overzichtelijk en afgebakend, want op de rest van het land stond het kniehoge, vergeelde dode onkruid. Met een beetje fantasie had het wel iets van een podium. Zo bracht ik het tenminste. Het had zeker iets dramatisch, vooral tegen die grijze wolkenlucht en in die regen, maar dat besefte ik toen nog niet zo goed. Ik vond het spannend en trilde van opwinding.

Daar kwam Klaas aangelopen, helemaal alleen. Hij keek schichtig om zich heen. Hij was doodzenuwachtig, en gelijk had ie. ‘Hallo,’ zei hij, bijna formeel en ik geloofde even dat hij mij en Pieter-Bas een hand wilde geven, hij leek ons in ieder geval te polsen. Het maakte dat de bijeenkomst een steeds belangrijker gebeuren leek. Daan, Beetje en Piet stonden er afwachtend bij. Gelukkig ging de regen over in een soort van miezer.

Ik nam het woord, daar was ik immers beter in dan Pieter-Bas, dat wisten we allebei – hij was weer beter in samenzweringen, al stond ik daarin ook m’n mannetje. ‘Klaas,’ zei ik luid, ‘je wil erbij horen en dat begrijpen wij. Maar dan moet je wel een offer brengen.’

We keken allemaal naar hem. Hij knikte kort en nerveus.

‘Ben je bereid?’ vroeg ik, die woorden had ik de dag ervoor van mijn broer Johan geleerd, ik had hem gevraagd naar offers, waarover hij wat wist omdat hij zijn spreekbeurt over ‘wilde Indianen’ deed. Hij vertelde me zelfs dat je eigenlijk ‘offerandes’ moest zeggen en iets over ‘initiatie’, maar die woorden kon ik maar niet onthouden en ik moest natuurlijk geen modderfiguur slaan.

‘Eigenlijk moet het terrein branden,’ verzon ik, ‘of in ieder geval smeulen. Maar omdat het zulk slecht weer is, hoeft dat nu niet.’

‘Goed,’ zei Klaas.

‘Wàt zeg je?’ vroeg Pieter-Bas. ‘Goed?’

Dat was een slimme van Pieter-Bas. Verdomme, waarom was ik daar zelf niet opgekomen?

‘Dank’, herstelde Klaas zich. En je kon hem zien slikken.

Hij – enig kind – woonde tussen wal en schip, aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat, die deels de scheiding vormde tussen de middenstandwijken en die van het lagere allooi, in een buurt die bij het oude dorp hoorde noch bij de buurt waarin ik opgroeide. Het markeerde zijn eenzaamheid. Achter hun huis bevond zich het kleine havenkwartier.

‘Je moet,’ zei ik, ‘een lied voor ons zingen…’

‘Goed. Dank.’

Dadelijk deed hij het nog in z’n broek. Dat zou helemaal fantastisch zijn!

Er viel een stilte.

‘Welk lied?’ wilde Klaas toen weten.

Even was ik uit het veld geslagen: ik wist het niet. En ik zag dat Pieter-Bas er ook niet over nagedacht had.

‘Met je broek uit,’ antwoordde ik vlug.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij, bij voorbaat gepijnigd.

‘Je moet een lied zingen en dan je broek laten zakken.’

‘Neeh…’

‘Jawel.’

‘Je wil er toch zo graag bij horen?’ zei Pieter-Bas. ‘Nou dan.’

De anderen stonden te gniffelen.

Klaas veegde z’n natte voorhoofd af. Er bleef even een druppel aan z’n neus hangen, maar toen schudde hij zijn hoofd.

‘Goed,’ zei hij toen. ‘Dank.’

Pieter-Bas begon te giechelen. De regen werd weer wat dikker.

‘Bij ons staat op de keukendeur,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Je moet Bij ons staat op de keukendeur zingen.’ Omdat ik hem zag peinzen, vroeg ik: ‘Dat ken je toch wel?’

‘Uhh… Niet precies.’

‘Ja-ah, het moet wel precies,’ vond Pieter-Bas.

Klaas’ lippen begonnen te trillen, maar dat was misschien ook wel van de kou. Waterkou, noemde m’n moeder dat.

‘Oké.’

Weer werd het stil. Het was spannend en het was heel vreemd.

‘Begin dan…’ zei Pieter-Bas.

‘Waarmee?’ probeerde Klaas het vonnis te rekken.

‘Of moeten we je soms helpen?…’

‘Eerst je broek omlaag,’ riep ik met overtuiging, het gezag weer naar me toe trekkend. Pieter-Bas mocht het niet van me overnemen.

‘Alle twee?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Pieter-Bas.

‘Alle twee,’ antwoordde ik kortaf. ‘Ook je onderbroek.’

Hij deed het, langzaam, maar hij deed het. Eerst z’n broek, die al gauw op z’n enkels zakte, en toen z’n onderbroek, die tussen z’n knikkende knieën bleef hangen. En wij staarden allemaal naar z’n piemel, die een klein boogje vormde en in een herkenbaar smal tuutje eindigde. Zelf keek Klaas in het oneindige voor hem, z’n mond hing half open en z’n blik zag grauw.

‘Zingen,’ zei ik.

Klaas rilde en omklemde z’n bovenlichaam met z’n armen.

‘Zingen,’ drong Pieter-Bas aan.

‘Zingen!’ riepen we toen allemaal.

Ik zette in, om er vanaf te zijn, want ik vond het pijnlijk, om hem wat te helpen en zeker ook om mijn gezag te onderstrepen: een curieuze mengeling van motieven, die ik allemaal tegelijk ergens besefte, wat me in de war bracht. ‘Bij ons staat op de keukendeur…’ bracht ik met verstikte stem uit, meer dreunend, maar dan zonder overtuiging, dan zingend.

Klaas pakte het gelukkig op. ‘Het is niet altijd rozengeur…’

Ook hij zong niet, hij leek het eerder op te lezen, met vlakke stem, zacht ook.

Hadden wij toeschouwers tot dan toe steeds moeite onze lach te onderdrukken, nu keken we minder geamuseerd, er was een troebeling in ons speelse plezier gekomen. Iets raars. Maar we probeerden het voor elkaar te verbergen. Ik tenminste wel. De lach op onze gezichten hadden iets verbetens, iets maskerachtigs, echt en onecht tegelijk.

En m’n vader schreef op het behang…’

Ik voelde Klaas’ eenzaamheid aan den lijve, ik was tot in elke vezel doordrongen van zijn verdriet. En dan de kou. Je kon de rimpels op z’n zakkie zien. Ik herkende ze van zee, als je uit het ijskoude water kwam. Het voelde ook altijd heel ruw. Rubberachtig ook.

Lekker is maar ene vinger lang…’

‘Heel goed,’ zei Pieter-Bas.

Beetje kon het niet aanzien en ging er vandoor. Na ons en vooral mij een vernietigende blik te hebben toegeworpen. Met z’n fiets in z’n hand rende hij het landje af.

Ik zag Klaas’ ogen draaien en hij tolde op z’n benen. Het was fascinerend. Hij deed me denken aan de pin die je door het midden van een langspeelplaat moest steken om hem op het midden van de pick-up te leggen. De zwartgeblakerde bodem, die bijna-cirkel om hem heen, was de plaat. En hij zong!

En mijn moeder buffet… Ehh…’

De machine haperde. Hij was de tekst kwijt.

Niemand wist wat te doen. Klaas stond daar maar, met zijn mond open en met grote verschrikte ogen. Ik probeerde me de tekst te herinneren, maar ik kwam er ook niet op. Dat had ik altijd met liedjes, ik wist alleen het begin maar.

Iedereen keek naar mij.

‘Is het goed zo?’ vroeg Klaas toen met akelige stem.

‘Perfect,’ zei Pieter-Bas. Voor zijn beurt, wat mij betrof.

Ik keek van Klaas naar Pieter-Bas en terug. Ik had nog een troef. Ik bukte en plukte de bruine steel van de half verdorde distel uit de grond. Voorzichtig draaide ik er een kroontje van en zette die bij Klaas op z’n hoofd.

De anderen keken ademloos toe. Bij Klaas ontsnapte er een traan aan z’n oog. Maar dat was niet van de pijn, wist ik, want de prikkels van de distel waren niet zo sterk meer. Waarom hij dan toch huilde, wist ik ook. De anderen keken me een tijdje aan, met een vragende en onvriendelijke blik, maar ook met een zekere bewondering. Ik had een slechte beurt gemaakt, ze vonden me zoiets als weerzinwekkend. Tegelijkertijd, en dat besefte ik dondersgoed, had ik hiermee m’n positie ontzaglijk versterkt. Ik voelde me gestaald, een onverzettelijke kracht. Een standbeeld was ik, groots en trots.

Toen Klaas als een gek zijn broek begon op te hijsen viel de slappe plant van z’n hoofd. Daarna struikelde hij over z’n eigen benen en bleef liggen op de grond, z’n gezicht verbergend.

Wij hadden moeite om niet in schateren uit te barsten terwijl we elkaar aankeken.

 ‘Ik heb slecht nieuws voor je,’ zei Pieter-Bas en hij krulde z’n lippen.

Klaas lag schokkend van het snikken op de grond.

‘Je hoort er niet bij,’ ging Pieter-Bas verder. ‘Hij is te klein…’

Geniaal vond ik het, en ik gloeide van de jaloezie: dat had ik moeten zeggen!

De anderen knepen hun neus dicht en stootten gekke geluiden uit. Pieter-Bas glunderde.

Intussen krabbelde Klaas overeind. Even kreeg hij het voor mekaar ons stuk voor stuk aan te kijken, met een blik in z’n ogen die boekdelen sprak. Z’n ontluistering was totaal. Hij trilde en stootte wat vreemde klanken uit.

Opnieuw huilend koos hij het hazenpad, maar niet na ons nog even verzekerd te hebben het ‘allemaal’ aan zijn vader te vertellen en dan waren we, riep hij met overslaande stem, nog niet jarig want zijn vader zat bij de marine.

Ik zou liegen als ik zei dat ik ’m niet kneep, en wij allemaal wel daar, hoewel we breeduit stonden te lachen. Maar waarschijnlijk heeft hij het hele geval nooit aan z’n vader durven opbiechten want we hebben er nooit meer iets over gehoord en Klaas, die toch eigenlijk een beste jongen was, heeft er als gevolg van dat alles nooit echt bij gehoord. En daar had hij het moeilijk mee, dat kon je aan alles merken, aan z’n gedrag en aan z’n uitlatingen. Hij was erdoor getekend. Zijn voorbeeld was natuurlijk zijn vader, die stoere marine-man die ‘de commando-school’ had gedaan. En hij, hij had voor lul gestaan. Daar kom je moeilijk over heen, over zoiets, dat begreep ik wel. Maar ik, ik had m’n eigen zorgen. Ik ging hem uit de weg, omdat hij verder onbelangrijk was en ik, behalve een vorm van trots, ook zoiets als een schuldgevoel koesterde. Het zat me in ieder geval niet helemaal lekker.

Maar dat was later. Toen keken we hem na en konden we eindelijk hardop in lachen uitbarsten. Ik gaf Pieter-Bas een hand. Wij hadden immers een verbond. Wij waren de leiders.

--

De volgende aflevering:

Vader brengt Sint in verlegenheid en meer dan & van dat

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Het boek verscheen 10 december en is nu te bestellen bij Bazarow

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden