Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 12

woensdag 16 december 2020

Het sinterklaasfeest, maar dan anders. Héél anders.

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow.

Het werd een echte winter. Met sneeuw en ijs op de sloten. Als je ’s ochtends wakker werd en het gordijn opzij schoof zag je de ijsbloemen op de ruiten staan. Breed uitwaaierend, als varens. Geerie zag er vogelveren in, Frans vuurwerk. Maar we vonden het allemaal even mooi. Zeker toen vader wist te vertellen dat ze gemaakt waren van onze adem. Er zat water in je adem! En dat bevroor tegen de ijskoude ruit. Wonderlijk. Maar waarom er dan bloemvormen ontstonden wist vader ook niet. Hij beklaagde zich over zijn onwetendheid, maar moeder vond dat onzin: ‘Ach joh, je kunt niet alles weten…’

We gingen, onder leiding van onze zus Mirjam, lopend naar school en luisterden naar het zachte knerpen van de sneeuw onder onze schoenen. Soms gleden we over door de auto’s platgereden stukken die uitnodigend glansden. Nog leuker vonden we het, ook al had onze moeder het uitdrukkelijk verboden, waar Mirjam ons aan herinnerde, om ons vast te grijpen aan de achterbumper van een passerende auto en hurkend mee te glijden. Mirjam deed zelf ook mee. Op het schoolplein werden sneeuwballengevechten gehouden en waren er een paar lange glijbanen.

Uit school, weer thuis, speelden we als er sneeuw lag veel buiten, om pas terug te keren als je vingers tintelden van de kou. In het perk voor ons huis maakten we met een groepje buurtkinderen een grote sneeuwpop, met een slecht gebit van kolensteentjes en een flinke joekel van een neus, een winterpeen. Het eindigde in een grote inzeeppartij, waarna de een na de ander huilend naar huis ging.

Moeder ergerde zich aan de modderige sporen die we nalieten in de gang. Ze mopperde. ‘Voor kinderen is het leuk, die sneeuw, maar…’ Nog erger vond ze het als je de deur liet openstaan en er meteen een kouvlaag door het huis ging… ‘Deuren dicht!’ riep ze dan. Vader vond het helemaal niks, de sneeuw. ‘Die troep,’ zei hij steeds. Autorijden was bijna onmogelijk, zeker voor hem met z’n onrustige rijstijl. Een keer gingen we met hem de duinen in, om daar te sleeën. Het was zijn idee. En wij wilden wel, want hij ging eigenlijk nooit iets met ons doen. Moeder, die niet meeging omdat ze nog moest wassen, vond het maar een matig plan. Maar vader zette door. Bij de eerste de beste afdaling raasden we rechtstreeks af op het prikkeldraad. Gelukkig kon vader de slee nog nèt omgooien en belandden we met een doffe klap tegen een paaltje. Huilen mochten we niet van vader. Hij vervloekte  zichzelf en we zijn meteen weer huiswaarts gekeerd. ‘Dat nooit meer,’ riep hij steeds. ‘Dat nooit meer.’

*

De tijd ging snel. Het werd alweer sinterklaas! In de reclamefolders van de speelgoedwinkels kruisten we aan wat we wilden hebben. We keken op de nieuwe tv naar zijn intocht ergens in een vissersdorp en zetten elke avond, maar vaak vergeefs, onze schoen bij de kolenhaard. Soms legden we er een tekening bij of een wortel voor het paard. En iedere ochtend gingen we met bonzend hart kijken of er iets in gedaan was. Moeder straalde als we haar onze oogst lieten zien: chocolade sigaretjes of munten, een kikker van marsepein, een biggetje van borstplaat, en altijd wel een paar pepernoten of kruidnootjes. Pim merkte met plagende verbazing op dat je geen snoepjes mocht aannemen van onbekende mannen, maar wel van Sinterklaas – en kreeg meteen een standje: hij ook altijd met z’n grote mond, vond moeder. ‘Ik vraag het toch gewoon!’ snikte Pim. Ik begreep zijn bedoeling nooit zo goed.

Soms lag er zelfs een brief bij je schoen, met vingerafdrukken van de  piet. Het was allemaal reuzespannend en zeer geheimzinnig. Want mamma wist veel van hem, maar niet alles. Ze wist niet eens precies hoe oud Sinterklaas was! ‘Misschien wel tweehonderd jaar,’ gokte ze. ‘Dat kan niet,’ zei Frans die, vond ik, erg wantrouwig was over zaken die Sinterklaas betrof, maar volgens onze moeder waren de wonderen de wereld nog niet uit. ‘Weet je nog, van die ijsbloemen? Je kunt niet alles weten…’

Op de woensdagmiddag van vijf december mochten Geerie en ik, ‘de kleintjes’, naar het sinterklaasfeest van vader’s werk. Na haastig een boterham te hebben gegeten, stonden we om half twee precies vol ongeduld buiten in de kou te wachten. Moeder’s nichtje Annie paste op de anderen. Geerie was opgewonden, ik zag het aan z’n gezicht en aan z’n lichaamstaal: hij trok onwillekeurig met z’n schouders en friemelde met z’n handen die hij voor zijn borst hield. Een nieuwe, beetje spastische tic.

De meesten van ons hadden wel zoiets. Frans klemde heel vaak zijn tong tussen zijn lippen, een debiel gezicht. En Pim schudde z’n haren, wat natuurlijk een tamelijk onschuldige afwijking is. Johan trok vaak, en dat meestal uit verlegenheid, een scheve mond, reden waarom Pim hem ook wel scheefbek noemde. De merkwaardigste tic had onze vader, die tot uiting kwam als hij het naar zijn zin had. Dan verstarde hij eerst om zich vervolgens te ontladen in een heftig en bizar handen wrijven, waarbij hij soms ook vreemde klanken uitstootte. Het was, hoe raar ook, best grappig om te zien.

Maar waar bleef hij nou? Hij zou ons ophalen, maar was die ochtend nog éven gaan werken. Tja, dat kenden we… Moeder’s gezicht werd langzamerhand bijna net zo rood als haar lange duffelse jas en ze keek steeds vaker op haar namaakgouden horloge. Er stond een straffe wind die de zenuwachtig ritselende bladeren door de straat joeg.

‘Vader komt niet, denk ik,’ zei ik onhoorbaar voor moeder tegen Geerie.

‘Doe niet zo raar,’ zei hij snauwerig terug. Tegelijkertijd zag ik de dreiging van mijn woorden als een schaduw over zijn gezicht glijden. Met zulke rampscenario’s hield Geerie nooit rekening, zoiets kwam gewoon niet bij hem op, uit een vreemd soort zelfbescherming die misschien in de verte vergelijkbaar is met domheid. Zoals in het gezegde: zich van de domme houden, terwijl Geerie toch bepaald niet dom was. Hoe dan ook, hij verloor de moed niet gauw en dat stak me. Ook nu weer.

De magie van het ongeduld: moeder liep, strak voor zich uit kijkend, een eindje de straat in, alsof ze daarmee vader te voorschijn kon halen.

Ik zag mijn kans schoon. ‘We komen in ieder geval te laat voor de kadootjes,’ ging ik verder tegen Geerie.

‘Ach joh, die bewaren ze wel voor ons.’

‘Dat weet ik zo net nog niet. Sinterklaas heeft een hekel aan kinderen die te laat komen.’

‘Hoe weet jij dat nou?’

‘Nou, hij straft stoute kinderen, dat weet je toch?’

Geerie wierp deze opmerking schokschouderend van zich af. ‘Puh,’ zei hij, alsof hij zich er niks van aantrok. Maar het chagrijn droop van z’n gezicht af.

‘In ieder geval is alle snoep straks al op.’

Geerie keek me boos en teleurgesteld aan. Hij was gek op zoetigheid, àlle zoetigheid. Het leek er veel op alsof hij daarmee z’n verborgen leed compenseerde, de bitterheid bestreed.

‘Puh,’ zei hij weer en probeerde me te slaan.

Ik genoot van zijn zichtbare lijden: zo wreekte ik m’n eigen teleurstelling.

‘Ah! Als we er al in mogen. Misschien zijn de deuren wel op slot. En misschien is de auto ook wel stuk. Nou, dan zal je pappa horen…’

Ik keek hem schuins aan. Ja, hij was er nu erger aan toe dan ik en dat troostte me enigszins.

Moeder kwam weer bij ons staan. ‘Waar blíjft ie nou?!’ zei ze wel voor de derde keer en verbetener dan eerder. Ze aaide Geerie over z’n hoofd. ‘Je hoeft niet te huilen, hoor. Anders koopt mamma wel…’ Ze zweeg een beetje geschrokken. Toen zei ze opnieuw: ‘Waar blijft ie nou?!’

O, voor mij hóéfde hij al niet meer te komen, mijn plezier was bij voorbaat al vergald. Zoals zo vaak. Toch wende het niet. ‘Mamma, ik heb ’t koud,’ zei ik, al wilde ik eigenlijk zeggen: laten we maar weer naar binnen gaan. Ik wilde het vergeten. Alles vergeten.

‘Ja kind, daar kan ik nu ook even niks aan doen. Je vader… Daar is-tie! De stoep op, jongens!’

En inderdaad, we zagen de groene Daf de straat in rijden met het kenmerkende knorrende geluid. Moeder schudde haar hoofd. En Geerie kon z’n friemeltic niet onderdrukken en keek er raar uit z’n ogen bij, van de wereld bijna.

Het wagentje stopte vlak voor onze voeten. Haastig hielp moeder ons instappen en nam zelf plaats naast vader.

‘Waar wàs je nou?’

‘Ach joh, nog even…’ Zonder op te kijken rommelde hij in een stapeltje papieren dat hij op z’n knieën hield.

‘Wij staan maar te wachten in de kou. Verdorie nog an toe!’

Vader leek er, gek genoeg, wel plezier in te hebben. Hij glimlachte.

‘Nou, rijen dan!...’

Ineens schoot de wagen vooruit en vader greep het stuur vast. Z’n papieren waren gevallen en hij vloekte binnensmonds.

‘Wel voorzichtig, alsjeblieft!’

Vader wierp een blik op haar en lachte opeens. ‘Die jas staat je mooi, Mar,’ zei hij.

‘Poeh.’

We reden over de Rijksstraatweg naar Den Haag. Langs de hoge bomen waar bijna geen blad meer aan hing, en af en toe passeerden we van die kolossale en voorname villa’s daar. ‘Wie wonen daar eigenlijk?’ vroeg ik.

‘De rijke mensen,’ antwoordden pappa en mamma, een beetje tot hun schrik bijna tegelijkertijd. Ze keken elkaar even aan moesten erom grinniken. Ik was een moment gelukkig.

‘We parkeren de wagen in de Wagenstraat,’ zei vader toen hij in de stad een weg was ingeslagen en de auto pruttelend vaart verminderde. ‘Hoe vinden jullie dat?’

‘Schiet nou maar op,’ antwoordde moeder in onze plaats.

*

Ergens achteraan was nog plek voor ons op een bankje. Het was een hoge zaal, er zaten misschien wel honderd kinderen en net zoveel ouders, en het galmde als er gezongen werd. Er waren al cadeautjes uitgereikt, maar er waren er nog genoeg over, verzekerde moeder ons en keek me licht bestraffend aan.

Sint en z’n pieten zaten op een podium in een lijst van hoge, rode velours gordijnen. Alles klopte. Gespannen keken we toe en toen onze namen werden afgeroepen stonden we met bonzend hart op.

Geerie mocht op schoot en ik zong op verzoek zenuwachtig, rood aangelopen en met geknepen stem Zie de maan schijnt door de bomen.

‘Ik zal niet zeggen dat je mooi kan zingen,’ zei de Sint, ‘maar je kent het liedje goed. Ja ouders, dat valt nog niet mee met al die rare woorden: makkers, wild geraas, de gard. Nou, maar jullie hebben jullie cadeautjes echt wel verdiend.’

Geerie kreeg een autootje van Lego en ik een blokkendoos. Ik had liever dat autootje gekregen, maar Geerie wilde niet ruilen en moeder vond dat ik niet moest zeuren. We moesten verder onze mond houden en opletten. Bozig keek ik voor me uit. Een blokkendoos: wat moest ik daar nou mee?

Later, ik zat me al te vervelen en wilde eigenlijk weg, werd ook vader naar voren geroepen. Hij mocht plaats nemen in een stoel terzijde van de Sint.

‘Zo Adri,’ zei de Sint, ‘je hebt weer een druk en enerverend jaar achter de rug.’ Hij glimlachte en er ging geroezemoes door de zaal.

‘Zeker, Sint, net wat u zegt,’ antwoordde vader met een brede glimlach. Hij was in z’n element, alle ogen waren immers op hem gericht. ‘Maar ik hoef toch geen liedje te zingen? Ik zing alleen onder de douche. Anders moet u maar eens met mij onder de douche…’

Er werd besmuikt gelachen. Moeder ging verzitten en sloeg haar ogen neer.

‘Waarom zou ik?’ zei de Sint, even geamuseerd als verbouwereerd.

‘Nou, u heeft toch een schimmel…’

Vader’s ogen leken wel zo groot als pingpongballen. Hij trilde. De Sint staarde hem aan.

‘U bedoelt mijn paard, begrijp ik?’ Hij leek er niet gerust op te zijn.

‘Nee, dat bedoel ik niet,’ grinnikte onze vader en hij keek schuins de zaal in.

‘O, u bedoelt dat…’ En zachtjes, aarzelend ook, vervolgde hij: ‘Tussen de benen…’

‘Heren!’ riep een strenge stem uit de zaal.

‘Heren onder elkaar!’ riep vader terug en hij probeerde met vorsende blik te zien wie hen toegeroepen had. Dit liet hij zich niet afpakken, door niemand niet, dat was duidelijk.

Ik hoorde moeder tandenknarsen. Ik voelde dat ze het warm had. Het was ook warm in de zaal.

‘Ja, Adri,’ zuchtte de Sint. ‘Ik bedoel nee. Ik bedoel… U mag niet ondeugend zijn. Want  piet heeft een roe, dat weet u toch wel?’

‘En een zak!’ riep vader schaterend. En zijn lach weerklonk in de zaal waar het verder even helemaal stil was.

‘Heren!’ klonk het toen weer en nu nog nadrukkelijker, nog strenger.

‘Ach, Jezus, Adri…’ siste moeder zachtjes.

‘Beste Adri, alle gekheid op een stokje. Ik ehh… Wij ehh.. We willen je bedanken voor je geweldige inzet. Ondanks alles. Want de Sint heeft gehoord dat u dit jaar weer de meeste abonnees heeft aangebracht voor onze krant Het Binnenhof. En dat terwijl u toch ook een beetje ziek bent geweest.’ Vader wou hem onderbreken maar met een weids gebaar snoerde Sint hem de mond. ‘Daarom,’ vervolgde hij vlug, ‘daarom krijgt u van ons een cadeau. Ik hoop dat u er veel plezier van zult hebben.’

‘Nou, wat fijn, Sinterklaas. Ik zie ’t al: een banketstaaf.’ Z’n mond bleef openstaan. Hij leek naarstig naar woorden te zoeken.

‘Ja, een letter van banket,’ antwoordde de Sint enigszins plechtig.

‘Wat lekker. Ik…’

‘Goed zo,’ onderbrak de man met de mijter hem. ‘En ga dan nu maar weer lekker zitten… In de zaal.’ Dat laatste klonk als een regelrecht commando.

Vader bewoog zich opgewonden, als verzette hij zich. ‘Piet heeft een roe! Dat zei u toch? Een roede. Ja, u zei het zelf… Geef ’t maar toe…’

Sinterklaas keek hem bevreemd aan en zocht toen kennelijk oogcontact met de bozige man in de zaal. ‘En u heeft ook een zak!’ ging vader verder. ‘Snikkel of geen snikkel. Ik bedoel: schimmel of geen schimmel. Ik weet ’t, dat is een grap met een heel oude baard!’ riep vader en lachte er guitig bij. Ik zag z’n ogen vonken van plezier. ‘En dan bedoel ik niet bij de baard van de profeet!’ gakte hij. Hij ging erbij staan en de zaal viel volkomen stil. ‘Want die is vals!’ riep vader. ‘Die profeet, bedoel ik dan, hè! Niet de baard. Ik zou niet durven zeg…’ En weer volgde dat gekke lachje waaruit ten overvloede bleek dat hij zichzelf erg komisch vond. ‘Want het is hier immers een katholiek pakhuis! Eentje dus waar God’s zegen op rust! Kijk, die Darwin vergiste zich als je het mij vraagt. Omdat hij ook zo’n lange baard had. Hij was een baardaap! Baard-aap! Begrijpt u wel, Sinterklaas?’ Hij glunderde, ging helemaal op in zichzelf. Moeder keek verslagen op, haar hoofd was vuurrood aangelopen en ik zag de andere grote mensen elkaar bevreemd aankijken.

‘Meneer Van Hargen, naar uw plaats!’ liet de strenge stem weer van zich horen.

‘Mag ik niet toch even zingen dan?’ vroeg vader. ‘Nee! Ik heb een gedicht gemaakt. Speciaal voor u, Sint…’ Hij haalde een paar papieren uit z’n zak.

‘Een andere keer, Adri!’ De stem uit de zaal.

‘Maar…’

‘Ga nou maar zitten, Adri,’ zei de Sint. ‘Dat is het beste voor ons allemaal.’ Hij zuchtte.

‘Maar ik heb een gedicht. Daar heb ik de hele nacht aan gewerkt!...’

‘U moet ’s nachts slapen,’ antwoordde de Sint, die z’n hand bij de kin tegen z’n baard drukte .

‘Zo is dat!’ De man van de stem was opgestaan en maakte aanstalten om het podium te betreden.

‘Maar dat kan ik niet!’ klonk vader opeens ietwat paniekerig. De blaadjes vielen uit z’n handen.

‘U werkt hard. Misschien wel te hard,’ vond de Sint.

De man van de stem was nu daadwerkelijk het trapje naar het podium opgegaan en begeleidde vader er vanaf. Gelukkig verzette hij zich verder niet. Integendeel, hij leek het wel weer amusant te vinden.

Op instigatie van Sinterklaas werd er meteen een lied ingezet: Hoor de wind waait door de bomen. Ik vond dat een altijd een spannend lied maar meezingen lukte me nu niet. Ook Geerie en moeder zwegen.

Met een stralend gezicht, trots en voldaan, liep vader terug naar ons.

‘Je schaamt je toch dood,’ zei moeder met afgewende blik toen vader naast haar plaatsnam.

‘Ach, stel je niet aan.’

‘Ik stel me niet aan. Jíj stelt je aan. En de kinderen, die…’

‘Joh, die weten van niks. Hè jongens? Wat een mooi cadeau hebben jullie toch gekregen. Niet dan?’

Wij knikten gehoorzaam. Bang ook.

‘Laten we maar gaan,’ zei moeder.

‘Ik wil nog snoep,’ zei Geerie, maar niemand die daar rekening mee wilde houden.

Nee, we gingen. Toen we opstonden klonk het gezang in de zaal meteen minder geconcentreerd, zachter ook. Ik durfde niet om me heen te kijken. Omgedraaid kon ik de blikken, ook plaatsvervangend, in onze ruggen voelen prikken.

In de auto op de weg terug werd geen woord gezegd. Gelukkig maakte de sinterklaasavond zelf veel goed. ‘Ik heb hem gezien,’ zei vader, die nog even was gaan werken maar nu wel op tijd terug was, ‘in de Dokter Leydsstraat.’

‘Dat is waar tante Mie woont,’ lichtte moeder toe.

‘Ja, dat klopt,’ antwoordde vader, ‘en Jan van de Akker, de bloemenman van de kerk en de Ursula-kliniek en ouwe kennis van mijn vader…’ Heel even leek hij zich te verliezen in herinneringen, vader, maar toen hergreep hij zich en pakte hij zijn rol weer op. ‘Hij is met paard èn wagen, Sinterklaas, zoveel kadootjes heeft ie bij zich. Echt karrevrachten vol. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ik heb zelfs gehoord dat hij files veroorzaakt. ’

‘Adri, niet overdrijven…’

‘Ik overdrijf niet, ik heb het met m’n eigen ogen gezien. En een  pieten, wel honderden!’ We moesten maar eens gauw gaan zingen.

Zelfs moeder kreeg een kadootje: een stuk zeep. ‘Voor straks onder de douche, als die klaar is,’ grapte vader die meteen een boze blik kreeg toegeworpen. Maar dat was het enige incident. We mochten snoepen van de chocoladeletters en de pepernoten en ook nog even spelen met ons nieuwe speelgoed.

Toch kon ik heel lang de slaap niet vatten want ik hoorde m’n ouders beneden ruziën. Ze schreeuwden niet, dat deden ze eigenlijk nooit tegen elkaar – vader schreeuwde gewoonlijk in het wilde weg – , maar ze maakten elkaar met gedempte stem verwijten, vooral moeder dan. En op de een of andere manier was dat erger. Ik moest me heel erg inspannen om te verstaan wat ik eigenlijk helemaal niet horen wilde. M’n hart bonsde in m’n keel. Vader had het weer over geld en over alle kosten. Zeker met die geplande verbouwing van de vliering. ‘Hou nou eens op over dat geld,’ hoorde ik moeder zeggen. ‘Ja, jij hebt makkelijk praten,’ antwoordde vader. ‘Want over ophouden gesproken: jij hoeft alleen maar je hand op te houden.’ ‘Alsof ik niks doe,’ piepte moeder met een huilerige stem. ‘Alsof ik het makkelijk heb. Met zes kinderen en jou erbij…’ Angstig moest ik dan altijd denken aan het sprookje van Hans en Grietje, dat ze ons ergens in de steek zouden laten. Ik kreeg het er warm van.

Pas toen ik haar de trap op hoorde lopen naar hun slaapkamer, werd ik er langzamerhand geruster op. Maar helemaal vertrouwen deed ik de kwestie nooit.

--

De volgende aflevering:

Een burgermansbacchanaal. Zo ging dat. Vroeger.

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden