Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 13

zondag 20 december 2020

De feestmaand begint met een ouderwets burgermansbacchanaal

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow.

Onze moeder haatte december sowieso, al zou ze dat nooit zo zeggen. Ze was meer van de milde bewoordingen. ‘Ja’, zou ze zeggen, ‘ik heb inderdaad wel een hekel aan die maand.’ Of zoiets. Het was haar te druk. Dat begon al met sinterklaas; een week erna, op de dertiende, was ze zelf jarig. Dan zat het huis weer vol met alle ooms en tantes. En dan moesten er dus inkopen gedaan worden. Veel inkopen, want iedereen dronk wel wat anders. Citroen-met-suiker en bessenjenever voor vooral de vrouwen, vieux of bier voor de mannen, de laatste al dan niet vergezeld van een jonge klare, en dan nog de niet-alcoholische drankjes, zoals de jus d’orange en het glaasje prik: gewone sinas of sjieke cassis. Verder werd er leverworst gepresenteerd en blokjes kaas, soms ook gevulde eitjes of rolletjes blikasperges met ham, en er kwamen bakjes met zoute stengels, chips en pinda’s op tafel. Voor de grijp stonden er ook altijd een paar glazen met daarin sigaretten en enkele sigaren. Het was me wat, ze had er haar handen vol aan. Bovendien werd het huis op z’n kop gezet, want alle stoelen werden verzameld en die moesten in een kring in de huiskamer worden opgesteld. Wij kinderen kenden het wel, het was ieder jaar hetzelfde ritueel.

En daar kwamen ze, hoor, al die ooms en tantes, de een na de ander. Ze waren bijna allemaal van vaders kant – van moeders kant kwamen alleen haar halfzussen tante Mie en tante Nina met hun mannen, want haar geliefde broer ome Gerlof zat in Afrika. Helaas voor ons kinderen, want dat was eigenlijk de enige die echt iets spannends te vertellen had. De meesten hadden een bloemetje bij zich, anderen een zeepje of een sjaaltje of, de meest tuttige tante, zelfs een zelfgebreid vestje. Moeder, de jongste van het hele stel, kreeg vele kussen op haar wangen.

Het bezoek zocht een stoel uit en daarna ging het los. Binnen de kortste keren waren alle stoelen bezet en stond de huiskamer blauw, want bijna iedereen rookte, ze staken het ene rokertje met de andere aan, en tussendoor namen ze een flinke slok – behalve onze vader. Na een uur of wat was het dan bal. Dan ging ome Leo Truk, de man van tante Addie, leuk doen, om de salontafel kruipen bijvoorbeeld en dan mocht zijn vrouw op z’n rug. Of, liever nog, een andere vrouw! En de rest maar lachen.

Jolijt alom. Zeker als de eerste schuine moppen over tafel gingen of vrolijke oude familie-anekdoten werden opgehaald. De enige die er chagrijnig bij bleef kijken was ome Thijs, maar daar was iedereen aan gewend. Verder was ’t altijd wel een feestelijke bende in die dagen en meestal droeg onze vader, met z’n rare verhalen die hij theatraal uit de doeken deed, ook een steentje bij aan de algehele feestvreugde, al was het maar omdat hij zelf nog het meest moest lachen om z’n grappen en grollen.

‘Jongens,’ merkte ome Lex bijvoorbeeld op, ‘dit is de eerste keer dat onze moeder er niet bij is, want voor de rest is iedereen erbij, beseffen jullie dat wel?’

‘Oooh,’ zei vader dan merkwaardig luchthartig, ‘dat zal nog wel vaker gebeuren!... Dat moeder er niet bij is, bedoel ik…’ Hij gaf die toelichting omdat iedereen hem opeens aangaapte en hij dacht dat ze zijn humor niet begrepen. En als ie dan een standje kreeg vanwege die in de ogen van zijn zussen en broers – hij was de jongste – onbetamelijke opmerking, dan deed hij er nog schepje bovenop.

 ‘Een retourtje zal ze in de hemel echt niet krijgen!’ Meestal kreeg de lach dan alsnog de overhand. Want het was gekke Adri maar die dat zei, hun lijpe broertje… En dan lagen ze ineens allemaal dubbel of klapten ze met hun handen op hun knieën, anderen (tante Zus en tante Mien) moesten hun neus dicht knijpen om hun slokje niet uit te proesten. Maar toch, zelfs als klein kind wist je, vóélde je dat het ergens niet klopte, die opgeklopte vrolijkheid, je begreep dat er meer aan de hand was, maar wat dan precies, dat liet zich nooit raden. O, soms zag je een paar van hen weleens met de koppen bij elkaar zitten te smoezelen. Maar het had er dan altijd veel van weg dat ze dat stiekem deden. Ze hadden hun geheimen, die volwassenen. Dat was het. Net als kinderen, maar dan andere, meer raadselachtige: Echte Geheimen.

Nou, dat was dan maar zo. Want voor ons kinderen was het ergste van zo’n avond dat al die tantes gekust wilden worden. Nee, met een handje namen ze geen genoegen. Ben je mal! Ze drukten je in hun omhelzing liever plat en gaven je van die natte zoenen zodat de lippenstift op je wangen brandde. ‘Heerlijk zijn die kinderen van je, echt om op te vreten!’ Ze zaten er voor in de rij, die tantes. Dus het was zaak om je zo snel mogelijk door die hysterische massa heen te wurmen. Dat ze je uitlachten om je meestal ijdele pogingen om aan hun vrijages te ontkomen, maakte ons kinderen geen fluit uit. Redden wie zich redden kan! Dan nog liever op tijd naar bed! Toch werd het, omdat moeder druk in de weer was met drankjes, hapjes en een vaatdoek voor dat omgevallen glas van ome Jaap (‘Geeft niks, Jaap, kan gebeuren, wil je er nog eentje?’), vaak alsnog laat, althans veel later dan je gewone bedtijd. Soms gingen de eerste gasten dan al weer weg en zag je zo’n oom op onvaste benen moeder vol op haar mond zoenen. ‘Hou je goed, Mar! En sterkte met Adri. En weet je: je blijft de mooiste…’ Vaak volgde dan nog een vette knipoog. Moeder was daar altijd een beetje verlegen onder. ‘Doe niet zo gek, joh,’ antwoordde ze dan met aangelopen wangen. ‘En dan, ik ben ook weer een jaartje ouder…’ Ze verschool zich wel vaker achter zulke bescheidenheid, hoe ijdel dat tegelijkertijd ook was, maar duidelijk was dat ze niet graag vol in de aandacht stond. Daar had ze haar man voor, die kon dat. Misschien was ze daarom wel op hem gevallen, ooit. Het was duidelijk dat ze daar wel van teruggekomen was. Want hij wilde altijd aandacht, hij lééfde ervan. En als ie geen aandacht kreeg, dan ging ie rare dingen doen. Daar was ze doodsbenauwd voor, want wat moesten de buren daar wel weer niet van zeggen? De buren, dat betekende: de buitenwereld, oftewel iedereen die niet bij ons in huis woonde… Het afscheid nemen van haar bezoek eindigde er meestal mee dat zo’n oom een zetje van zijn eega kreeg. Genoeg zo, betekende dat. Wegwezen.

De volgende ochtend was er vreemd genoeg nooit meer iets te bespeuren van het burgermansbacchanaal dat had plaatsgevonden. Je kon het alleen merken aan moeder zelf. Ze was prikkelbaar en kortaf, en je zag het ook aan haar: ze was doodmoe. ‘Ja, vind je het gek?’ zei ze dan snibbig, wat heel ongewoon voor haar was, ‘ik was al op voor dag en dauw en ik ging er als laatste in. Je vader ligt nog te snurken.’ Maar het resultaat was ernaar: de lucht was wonderbaarlijk fris, de stoelen waren opgeruimd, de flessen waren weg, er was gestofzuigd en de asbakken stonden weer blinkend in de kast. Ze had die rimpel in haar huishouden grondig weggewerkt. Zelfs de afwas was al gedaan.

Om een wit voetje te halen en om haar echt plezier te doen, merkten we dat dan allemaal op. Dan glom ze. Bijna als de godin van haar eigen huishouden. Van haar zoveelste herschepping. En ze zag dat het goed was: dat werk. Want ze hield, in al haar eenvoud, van eenvoud. Wat dat betreft was ze zo eendimensionaal als een streep.

 

*

 

En nog geen twee weken later had je dan weer kerst. Ook daar maakte ze altijd veel werk van, en ook dat omdat dat van haar, als katholieke moeder, werd verwacht. En anders zou pappa het haar wel inprenten, maar zo ver liet ze het echt niet komen. Op kerstavond gingen we met z’n allen in het donker naar de kerk, spannend was dat. Iedereen droeg dan z’n zondagse kleren, die ze voor haar kinderen vaak zelf maakte op haar naaimachine. Dat was haar lust en haar leven: lekker prutsen, zoals ze dat noemde. In haar jonge jaren was ze in het dorp naaister geweest bij een rijke familie die in een villa woonde aan de Konijnenlaan, volgens vader ‘de duurste straat van Nederland’. Ze deed er van alles: metershoge gordijnen maken, tafellinnen, beddegoed en veel verstelwerk, maar ook de strijk en wat er verder zoal te doen was. Ze vertelde er graag over. O, ze hield van aanpakken. Alles mooi maken. Na een compliment van de heer des huizes, een man met een imposante snor, kon ze er weer weken tegenaan. En ja, ze kreeg slecht betaald maar werd wel goed behandeld. En voor haar was het altijd weer een belevenis bij die mensen in huis te mogen komen, alsof ze een droom binnenstapte – bij haar thuis met d’r ziekelijke vader en lastige moeder was het tenslotte zo’n pretje niet. Daarom vertelde ze er bij tijd en wijle graag over. Voor de oorlog, sprak ze dan, hadden de rijke families nog echt een hele lading personeel. Een chauffeur, een kok, een heel stel dienstmeiden en ja, een naaister. Ze kon het goed met de anderen vinden en hielp hen graag. Ze vond het vooral ‘gezellig’, een woord dat haar in de mond bestorven lag. O, ze herinnerde zich de banketten, wanneer er hele hazen op tafel verschenen en de borden werden opgediend met een cloche. Moest je je voorstellen! En de kroonluchters in de hal met wel dertig kaarsen erin, de schouw met de open haard en al het zilverwerk, dat ze wel eens poetsen mocht. Zo mooi vond ze dat alles... Nu deed ze nog steeds wel eens klusjes voor de dochter van die familie, een vrouw die slechts een paar jaar ouder was dan zij en in een groot maar niet chic huis woonde – de echte sjeu was er wel af. En mijmerend zei moeder  dan dat vroeger alles anders was. O, niet beter, zeker niet, maar anders. ‘Begrijpen jullie wel?’ Het eindigde er meestal mee dat ze wat moedeloos haar schouders ophaalde. Daarna toog ze weer aan het werk en haalde weer een lap stof onder de ratelende Singer door. Als ze achter haar naaimachine zat was ze gelukkig leek het wel. Min of meer dan. Onze lankmoedige moeder.

 

 

 

De volgende aflevering:

Kerstmis met een godslastering 

 

 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden