Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 14

woensdag 23 december 2020

Kerstmis. God ziet alles, maar niet de humor van een godslastering

De kerstmis duurde altijd lang, te lang. Daarom mochten we boekjes lezen in de kerk. Maar vaak keken we ook naar de andere kerkbezoekers. Daar was altijd die vreemde man die wat verdwaasd uit z’n ogen keek en heel vaak zat te gapen. Hij deed ons denken aan Laurel, de dunne, hoewel deze man niet zo dun was, maar wel minstens zo sullig. Om te zien dan, gaf moeder toe, verder wilde ze er niets over horen en we mochten al helemaal niet om hem lachen, als we dat maar wisten! Dan liet je je blik maar langs al die andere gezichten dwalen, op zoek naar bijvoorbeeld klasgenootjes. Het viel nog niet mee anderen te ontdekken in de bomvolle kerk. Alleen de achterste banken waren leeg. Het viel wel op dat die lege banken in aantal toenamen. Dat vervulde vooral vader met bezorgdheid: waar moet het heen met deze wereld?

Als de verveling echt toesloeg en we begonnen te klieren, wierp vader ons een boze blik toe. Nou, dan hield je wel op. Zelf vond ik het kerkorgel altijd machtig, maar niet als erbij gezongen werd door het koor met al die oude vrouwen. Het lag niet eens aan de liedjes, die kon ik nog wel pruimen. Het jammere was dat met de kersthoogmis alles anders ging dan anders en het ook nog, zucht, allemaal langer duurde. Pas als de communie was geweest, schoot het op. De hostie halen was een verzetje en dit jaar mocht ik het voor het eerst omdat ik de eerste communie had gedaan. Daar was ik toch wel trots op en het deed me genoegen dat Geerie nog niet mee mocht, dat ik nu ergens heenging zonder dat moeder, of zus Mirjam, want die had daar ook nogal een handje van, zei dat ik hem maar moest meenemen. Als ik op het veld bij de Hofcampweg ging voetballen met vrienden, moest ik hem meenemen. Laat hem zijn eigen vriendjes zoeken! Maar nee, dat kon hij niet. Of hij deed dat niet – ik wist het niet, maar het gebeurde gewoon niet. Hij was mijn aanhangsel. Maar ik wilde wel eens van hem af. ‘Maar jullie hebben altijd samen gespeeld,’ bracht mijn moeder daar vaak tegenin. ‘Ja, vroeger,’ antwoordde ik dan. ‘Maar dat kwam omdat ik iets ging spelen en dan ging hij meedoen.’ ‘Nou en? Dat geeft toch niet?’ vond moeder. ‘Hoe meer zielen hoe meer vreugd.’ Zo won zij meestal het pleit.

Terug van de heilige communie liet ik Geerie triomfantelijk m’n hostie zien die plakte op mijn tong. Hij draaide zijn hoofd weg. Daarna keek ik gefascineerd naar de mensen die hun tong uitstaken zodat de pastoor daar de hostie op kon leggen. Ik vond dat altijd iets heel huiveringwekkends, al wist ik niet precies waarom. Nu ja, zo’n droge hostie op zo’n plakkerige tong, het had iets viezigs. Maar het was meer dan dat. Het had iets heel intiems. Het prikkelde op de een of andere manier.

Even later knarste het grind op het kerkplein onder de vele voeten. Veel kerkgangers schudden de hand en wensten elkaar ‘een zalig kerstfeest’. Moeder maande ons om door te lopen, maar bij het hek merken we dat vader ontbrak. Als op afspraak draaiden we ons half om. We zagen hem niet in de donkere menigte, maar we hoorden hem wel. ‘Die Jezus, toch!’ riep hij boven het geroezemoes uit. ‘Je zou toch elk jaar geboren worden? Nou, ik zou het niet willen!...’ Zijn lach klonk op, een raar keelgeluid, een soort van mekkeren. ‘…Maar alle gekheid op een stokkie: het was een mooie mis. En de kerk was prachtig versierd, zoals ’t hoort natuurlijk. Maar toch. Nou, dag!’ En toen zagen we hem even wegbenen met de hem kenmerkende korte, driftige pas, naar andere mensen die hij kende uit het dorp. Hij verdween weer in de massa. O, hij kende iedereen – en iedereen kende hem. En dat wilde hij weten ook. Daarom schoot het nooit op als je met hem over straat ging. Als ze hem aan zagen komen lopen, begonnen ze vaak al te lachen òf ze gingen er vandoor, veinzend dat ze hem niet gezien hadden. Slechts een enkeling slaagde erin hem kort te groeten en gewoon door te lopen. Hij was een bijtertje. En ja hoor, daar hoorden we hem weer, z’n stem schalde over het plein: ‘… Ik ben dan wel geen Messias, maar wel een acquisiteur! Een soort pasteur zeg maar. Haha! Ja, niet die van die enge beestjes… Wist u trouwens dat hij een zeer gelovig mens was, ondanks dat hij een excellent, ja, een prominent geleerde was?’ Hij hield ervan dure woorden te gebruiken, vader, zo was hij. We vingen weer een glimp van hem op, hij stond druk te gebaren. ‘Want dat hoeft elkaar helemaal niet tegen te spreken. Ach, welnee, laat je niks wijsmaken! Dat is mijn boodschap Ik breng de mensen het goede nieuws. Daarom moet u ook het Binnenhof lezen. Want dat is tenminste een echte katholieke krant. De Volkskrant is van het volk, maar het Binnenhof is van God, dat zeg ik altijd maar.’

Intussen stonden wij te vernikkelen bij het hek. Mirjam, de oudste tenslotte, had moeder al voorgesteld om gewoon door te lopen, maar dat durfde moeder niet. ‘Nou,’ zei Mirjam, ‘dan ga ik hem wel hálen.’ Moeder kon haar niet tegenhouden.

Weinig later kwam ze terug, met vader aan de hand.

‘Waar blijf je nou?’ schimpte moeder.

‘Ach, joh, even wat mensen gedag zeggen… Dat jij nou… Nou, laat maar ook. ’t Is tenslotte kerstfeest.’

‘Het is koud,’ antwoordde moeder.

‘Ach, ben je mal. Ik heb ’t juist warm.’

We liepen de Kerkstraat uit, en gingen via de Langstraat met al die winkels, naar de Berkheistraat waar het iedere dinsdag markt was onder de machtige kastanjebomen. Die oogden nu kaal en wat griezelig. We zwegen. M’n vingers en tenen deden zeer van de kou.

Maar thuis was het niet koud, de kachel werd opgepord en moeder had de tafel al van tevoren gedekt. Ze ging gauw thee zetten en ik en Geerie mochten de kaarsen aansteken. Vader deed de verlichting van de kerstboom aan. ‘Gezellig,’ zei mamma. Daarna gingen we allemaal aan tafel, wat eigenlijk alleen op zondag gebeurde, als vader vrij was. Maar deze maaltijd was nog specialer, al was het maar omdat het tegen middernacht liep. De tafel was gedekt met het dure servies dat voorzien was van een gouden randje en beschilderd met een heel fijn bloemenmotief. Het werd alleen bij gelegenheden als deze gebruikt. Maar wij kinderen hadden meer oog voor alle lekkernijen: echte boter, krentenbrood, puntjes, allerlei soorten vleeswaren en jam, hagelslag en vlokken. Ja, en zelfs beschuit met muisjes, die had moeder al gesmeerd. Maar eerst moesten we bidden. Vader nam het voortouw en als je niet meteen meedeed kreeg je een vuile blik toegeworpen of een uitbrander. Dus iedereen sloot z’n ogen en luisterde naar vader. Hij dankte God voor wat er nu allemaal op tafel stond, maar ook – o zeker! – voor de gewone doordeweekse maaltijd en wij kinderen moesten maar weer eens goed beseffen hoe ongewoon dat eigenlijk was in de wereld, want de meeste mensen hadden niet te eten. ‘Nog geen kakkerlak!’ riep hij uit. ‘En daarom bidden wij nu het onzevader en dan drie weesgegroetjes…’

Zat je daar met je honger. En je moest niet wagen je ogen te openen, want dan kon je een draai om je oren verwachten. Voor wat hoort wat. Voor niets gaat de zon op. Eerst bidden dan eten: we werden doodgegooid met die riedels.

‘…Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars. Nu en in het uur van onze dood. Amen.’

Pfff… Eindelijk.

We mochten eten, zei moeder. Vader stond op om een kerstplaat op te zetten en weinig later schalde er een kerstlied gezongen door een of ander Beiers koorknapenkoor door de huiskamer. Keihard en niet om aan te horen.

‘Adri, mag die wat zàchter?’ vroeg moeder voorzichtig, al klonk haar ergernis erin door.

‘Ach, wat, jij ook altijd met je…’ Hij ging weer zitten.

‘Met m’n wat?’

‘Moet je die kinderen soms horen. Die maken een lawaai, da’s niet normaal meer. Maar nee, daar zeg je nooit wat van! Dat mag ik doen. Want zij mogen alles. Maar als ik een keer naar een plaatje wil luisteren dan is het gelijk aufhören. Terwijl het toch om een wereldberoemd koor gaat, de Domspatzen. Maar dat zegt jou natuurlijk allemaal niks. Je weet niet eens waar Regensburg ligt….’

‘In Duitsland,’ zei moeder met een dunne stem.

‘Zozo, dat valt me weer van je mee. En hee, zeg, mag ik een koppie koffie, want in thee heb ik nu geen trek, zo midden in de nacht.’

Moeder stond op om koffie te maken. En wij, wij hielden ons doodstil.

Even, tussen twee liederen in, hoorden we alleen vaders kaken malen, hij kon snel eten. Heel snel. Maar niet zonder knoeien.

‘En dan nog wat: beschuit met muisjes. Dat geeft geen pas.’

‘Ach man, Jezus is toch gebòren. Wat geeft dat nou? Ik doe ’t voor de kinderen.’

‘Je doet al genoeg voor de kinderen. Alles doe je voor ze.’

‘Jongens, het is maar beter dat jullie naar bed gaan, het is tenslotte al laat.’

Wij begrepen het en deden gedwee wat we moesten doen. Een kwartier later lagen we in bed. Frans en ik sliepen in het stapelbed, ik boven. Ik vroeg Frans of hij dacht dat pappa en mamma gingen scheiden, want daar leek het soms op met al die ruzie en zo, en in mijn klas waren de ouders van een jongen ook pas gescheiden.

‘Nee, ik denk het niet,’ zei Frans. ‘Ga nou maar slapen.’

Die eerste kerstdag was er een zoals gebruikelijk. Het was grauw, saai weer, maar binnen werden we gek van onze vader die de hele dag plaatjes zat te draaien op zijn nieuwe platenspeler, sommige wel vier, vijf keer achter elkaar. En het hele huis rook naar gebraden konijn, want dat wilde pappa met kerst: konijn eten. Dus maakte moeder voor hem konijn, konijn met spruiten, die ook al zo stonken. Wij aten kip met gebakken aardappeltjes en erwtjes uit blik. Heerlijk. Daar konden we ons op verheugen. Maar aan tafel ging het toch weer mis. Vader wilde dat we bij het bidden voor het eten allemaal een kruis maakte en toen pakte Pim, de oudste broer tenslotte, z’n mes en vork en maakte dáármee een kruis. Vader ontplofte. Zulke humor, zulke godslasterlijke humor, want dat was het en niks minder, nou, dat was niet aan hem besteed, als die snotaap dat maar wist!

‘Zeg, Adri, overdrijf niet zo,’ merkte moeder hoofdschuddend en met zachte stem op. Het was alsof ze het met tegenzin zei, alsof haar mond uit zichzelf praatte, zonder haar toestemming. 

‘Waar bemoei jij je mee?’ vroeg hij. ‘Sinds wanneer kunnen de kinderen bij jou wat fout doen? Nou, zeg op!’

Moeder sloeg haar blik neer. Ze deed alsof ze hem niet gehoord had, wat ze wel vaker deed. Meestal kwam ze daar mee weg, maar deze keer niet. Het was doodstil in de kamer, ik geloofde zelfs dat ik moeder’s hart kon horen kloppen.

‘Zeg, wil je me aankijken als je tegen me spreekt…’ beet hij haar toe. ‘Die jongen, die lieve zoon van je, die hoort in een gesticht thuis, die moet ’ns flink op z’n donder krijgen, die groeit op voor galg en rad! En wat doe jij? Jij staat een beetje patat uit te delen...’

‘Wat moet ik anders?’

‘Wat moet je anders? Opvoeden natuurlijk! Ze op het rechte pad houden. Is dat zo moeilijk te bedenken? Op God’s weg, die trouwens ondoorgrondelijk is, zoals je weet, maar het is…’ (hij verhief zijn wijsvinger) ‘ons enige houvast en een beetje houvast kunnen we wel gebruiken. Houvast. Want dat is de macht van God. Een houvast. Een mast. Als die van een sierlijke kerstboom. Nou, wat denk je daarvan? Is dat niet mooi gezegd?’

‘Ach man, het is toch maar een onschuldig grapje van Pimmetje.’

‘Zo, is het maar een onschuldig grapje… Van Pimmetje.’ Het was duidelijk: die herhaling hield niet veel goeds in, pa laadde zich op. Hij liep ook helemaal rood aan. ‘Nou, de onschuld is het niet, die jongen! Hij wil niet eens misdienaar zijn! Mooi is dat. Maar of het een onschuldig grapje is, wat jij zegt, dat zullen we nog wel eens zien. Alle lijden wordt in onschuld geboren. Wat dacht je daarvan? En God ziet alles, vergeet dat niet!’

‘Nou, dan ziet Hij er misschien ook de humor van in,’ merkte Mirjam op.

‘Ja,’ beaamde moeder met een steelse, maar onmiskenbare trotse glimlach naar haar oudste, ‘lachen is toch niet verboden.’

‘Nee, lachen is niet verboden, maar een beetje eerbied zou geen kwaad kunnen, dunkt me. We hebben het hier niet over de buurman, Jan de bakker, die trouwens al helemaal geen eerbied kent, want die gaat niet eens naar de kèrk.’ Hij sprak zo snel dat hij bijna over zijn eigen woorden struikelde en z’n ogen vonkten. ‘ Ja, zo gaan we allemaal naar de verdommenis. Vind je het gek, al die ellende in de wereld? De mensen vergeten God. Nou en die kan zich wreken hoor! Maar naar mij wordt niet geluisterd. Nee, laat gekke Adri maar lullen. O, de wereld zal nog wat beleven!...’ Hij zette een stuk konijnevlees tussen zijn tanden en scheurde het van de bout af. Met volle mond oreerde hij verder. ‘Daar was de oorlog niks bij. Ja, dat was eigenlijk nog best een goede tijd. En toen gingen de mensen wèl naar de kerk. Maar moet je ze nu zien! Ze zitten zich alleen maar vol te vreten en aan geld en aan nog wat te denken. Verder deugt er niks aan, aan de mensen. Béésten zijn het… En dat konijn is niet te vreten. Veel te droog.’ Met een misprijzend gezicht schoof hij zijn bord van zich af. ‘Geef die patat maar hier.’ Aarzelend gaf Mirjam hem de schaal met friet. Hij kieperde de hele schaal leeg op zijn bord en begon er in hoog tempo van te eten, smakkend en knoeiend. Moeder schudde kort haar hoofd en verdween naar de keuken. We konden horen dat ze nieuwe friet in de pan deed. We moesten er maar even op wachten, riep ze. En ze had straks ook nog een lekker toetje, voegde ze eraan toe. Vla-flip. Vla-flip met hagelslag. Vla-flip de luxe.

De volgende aflevering:

Moeder dreigt met een mes & hoe ruiken meisjesbillen?

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden