Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 18

woensdag 6 januari 2021

Oudejaarsdag: vader’s auto wassen & de vlam in de pan

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

De dagen erop regende het vrijwel aan één stuk. We verveelden ons te pletter en gingen elkaar daardoor treiteren, wat vaak op een vechtpartij uitliep. Moeder werd gek van ons. Af en toe kreeg een van ons een draai om z’n oren. En als het even kon stuurde ze ons de straat op. ‘Buitenlucht is goed voor jullie. En kijk uit met die rotjes. Die rot-rotjes.’

Oudjaarsdag was al helemáál haar dag niet. Ze had een hekel aan oliebollen bakken, aan de stank, het gedoe. ‘Dan haal ik wel oliebollen,’ had vader aangeboden, maar dat wilde ze niet. Dat kostte geld en het was bovendien haar eer als huisvrouw te na.

Het was op een zaterdag, het was droog maar waaide flink en vader wilde die middag ook nog eens de auto wassen, de Daf, zijn trots. En wij jongens moesten helpen. Om een en ander in goede banen te leiden bood ik mijn hulp aan, ik zag de bui al hangen. Frans ook. Mirjam ging met Geerie boven op het bord letters krijten, wat moeder een goed idee vond want zijn motoriek was niet je van het. Johan voelde zich niet lekker en lag op bed, Pim was de hort op, die trok altijd zijn eigen plan.

Moeder had de twee kommen met beslag, een met en een zonder rozijnen, bij de kachel gezet om te rijzen. Kruidenier Kroon had de spullen gebracht en liet ook een zak soesjes achter. Het kon slechter.

Frans en ik kregen allebei een borstel om het ergste vuil van vooral de onderkant van de auto weg te vegen. Vader zelf ging in de auto zitten en rommelde in zijn papieren. De hele auto lag bezaaid met paperassen en oude kranten. Het was een rijdend kantoortje, een chaotisch kantoortje, hij was altijd papieren kwijt en er lagen ook meestal plastic zakjes met beschimmelde boterhammen. Elke ochtend maakte moeder boterhammen voor hem klaar, maar hij vergat ze soms. Zei hij. Zij wist wel beter: dan ging hij zeker weer ergens een kroket eten of een paar Marsen – er lagen ook altijd wel een paar Mars-wikkels in de auto. Dan lachte hij maar wat, ondeugend, ontwapenend zelfs, en moeder haalde haar schouders op.

Toen we klaar waren inspecteerde hij onze verrichtingen. Niet slecht, maar het kon beter. Nou, ga nu maar een emmer sop halen. Dus wij sop halen.

Stond moeder daar in de keuken. ‘Deur dicht!’ riep ze. De pan met vet stond op en zij wilde niet dat de baklucht de huiskamer in dreef en in de gordijnen ging zitten. ‘De voordeur ook?’

‘Nee, niet de voordeur, want dan wordt je vader weer boos.’

We waren op onze hoede.

‘Doe die emmer niet zo vol, anders knoeien jullie en dan wordt ie te zwaar. En doe er niet te veel sop in want dat kost alleen maar geld.’

Frans en ik sjouwden met ons tweeën de emmer via de huiskamer door de voordeur naar buiten.

‘Zo, zijn jullie daar,’ zei pa en stak zijn hoofd uit het wagentje. ‘Maar wat zit er weinig water in de emmer. En je moet er meer sop in doen. Jullie kunnen ook niks.’

‘Maar mamma zei…’

‘Wie wast hier nou de auto? Nou, beginnen maar. Eerst het dak.’ Hij boog zich weer over z’n papieren, hij had een pen in zijn hand.

Het water was te heet en Frans en ik wisten ons geen raad. Daar had je het al: ‘Wat staan jullie nou te dralen? Ik moet zo nog even een paar krantjes wegbrengen…’

‘Het water…’

‘Ja? Het water. Inderdaad, sòp kun je het niet noemen.’

‘Het is nog te heet.’

‘Ach, jullie met je kleine vingertjes ook. Stelletje tutjes.’

We pakten onze borstels aan het uiteinde van de steel en spatten het water boven het dak uit zodat de damp ervan afsloeg. Best leuk werk. Alleen konden we het midden van het dak niet bereiken, hoe hoog we ook op onze tenen gingen staan.

‘Misschien merkt ie het niet,’ fluisterde Frans.

Om het midden toch te bereiken plensden we de natte borstels over het dak uit. Het water droop er aan alle kanten af. Dat flikten we hem toch mooi.

‘Hee!’ riep vader. ‘Kunnen jullie niet uitkijken, alle papieren worden nat! Stelletje koekenbakkers ook.’ Hij stapte uit met een schrift in zijn hand, de pen zat nu in zijn mond. De harde kaft van het schrift was doorweekt. Vader was rood aangelopen en zei iets, een vloek. De pen viel op de grond en belandde in het overtollige lekwater. ‘Ook dat nog! Ik kan ook niks aan jullie overlaten! Moet je ’ns kijken. Mijn kilometerboek! Helemaal zeikie! Daar kan ik straks niet mee aankomen op de administratie! Nou, dan kan ik wel naar m’n centjes fluiten. Jullie worden bedankt.’ Hij smeet het schrift op de stoel en raapte de pen op. ‘Ook kaduuk. Godverdomme…’

Frans en ik stonden er bedremmeld bij. We deden toch ons best?

Hij beende naar binnen en keerde terug met een andere pen. Hij keek ons strak aan en vroeg bestraffend: ‘Wat moet ik nou met dat schrift?’

We keken naar hem met grote ogen van schuldbewustzijn.

‘Sjezus nog an toe… Wat staan jullie me daar aan te gapen? Dachten jullie dat benzine gratis was? Nou, niks is gratis, dat kan ik jullie wel vertellen. Ik zal jullie spaarpotten omkeren. En zeg maar niks tegen je moeder, want dan eh…’

We wisten niet wat we moesten doen.

‘Komt er nog wat van? Hup, een nieuwe emmer halen. Met sòp. Stelletje klunzen.’

Wij weer naar binnen, ik met de lege emmer in m’n hand. Frans opende de tussendeur naar de keuken. Daar was moeder begonnen met bakken. Ze liet net het deeg met een juslepel in het vet belanden. ‘Déúr dicht!’ snauwde ze. Met een ruk trok Frans de deur dicht en riep meteen ‘Au!’. Zijn vinger zat ertussen. Hij gilde het uit.

‘Doe dan ook niet zo wild! Kom hier, laat ’ns kijken.’

Ik zag spatten deeg van de lepel op de grond kwakken. Gelukkig zag moeder dat niet. Ze lette helemaal niet op die lepel in d’r hand.

Huilend hield Frans zijn vinger omhoog.

‘Cor, doe de deur dicht. Voorzichtig!’

Ze boog zich over Frans’ vinger. ‘O, dat valt wel mee. Dat gaat vanzelf wel weer over. Zo, een kusje erop en klaar is Kees.’

‘Nee, helemaal niet,’ kermde Frans, ‘het doet pijn!’

‘Zeg, stel je ’ns niet zo aan!’

‘Ik ga helemaal niet meer autowassen!’ riep mijn broer. Jankend opende hij de keukendeur naar het achtertuintje en rende weg, de schuur in.

‘Deur dicht!’ riep moeder, ‘ik sta hier in de tocht met dat raam open.’

Ik wist niet hoe snel ik die deur moest sluiten. En toch voorzichtig.

‘Nou Cor, dan moet jij het maar doen.’

Slik. De hele auto? Maar wat zat er anders op?

‘Wat is je vader eigenlijk aan het doen?’

‘Die is bezig met papieren.’

‘O, het zal eens niet zo zijn. Zeker weer wat kwijt?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hè verdomme. Uitgerekend vandaag moet die auto gewassen. Nou, neem nog maar een soesje – niet tegen de anderen zeggen – en pak maar wat water.’

‘De emmer moet voller van pappa.’

‘Nou, dan komt ie het zelf maar doen.’ En toen riep ze: ‘De oliebollen!’ Ze draaide zich fluks om en keek in de pan. ‘Allejezus nog an toe! Helemaal verbrand!’ Ze had het nog niet gezegd of de vlam vloog in de pan. Vloehmm! Nog een geluk dat ze haar gezicht niet verbrandde. Het was op het randje. ‘Ik word gèk!’ riep ze en ze wist van narigheid en paniek niet wat ze moest doen. Op het plafond boven de pan ontstond algauw een zwarte plek. Toen kreeg ze weer de tegenwoordigheid van geest en draaide het gas uit en al even gezwind legde ze de deksel op de pan. ‘Zo,’ sprak ze, opmerkelijk kalm, ‘uit.’ Ze zuchtte. ‘Maar moet je dat plafond eens zien.’ De tranen sprongen in haar ogen. ‘Wat een gedoe ook allemaal…’ Ze schokschouderde, probeerde zich in te houden en beet op haar lippen. De hele keuken was gevuld met rook. Ik keek naar haar met intens medelijden. Zo ging het nou altijd. Nooit ging er iets echt helemaal goed. Hoe deden ze dat toch bij anderen? Waarom ging bij ons thuis toch altijd alles mis?

Ik was op van de zenuwen, zeker als ik dacht aan vader. Die stond natuurlijk ongeduldig te wachten tot wij weer op kwamen dagen met een emmer sop. Nou, Frans liet zich niet meer zien en ik wilde ook het liefst verdwijnen.

‘Doe de deur naar buiten maar open,’ zei mamma toen met zachte stem en opnieuw heel kalm eigenlijk. Ze zuchtte. ‘En nou moet ik nieuw vet gaan halen. Ook dat nog. Pak jij maar een emmer sop. En zeg alsjeblieft maar niks tegen je vader, het hele huis had wel in de fik kunnen vliegen. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen.’

Nou, daar dacht ik toch wel anders over. Maar goed, zij zei het.

Ze ging haar jas halen en met tranen in mijn ogen liet ik de emmer weer vollopen. Min of meer stiekem deed ik wat meer zeep erbij, maar ook weer niet zoveel dat het moeder zou opvallen als ze straks voorbij liep. Het was schipperen geblazen tussen die twee, tussen mamma en pappa. Ik vergat ook niet die spatten deeg op de vloer even weg te vegen die mamma niet gezien had. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen, echode het in mijn hoofd. Ik schudde die woorden erin weg.

Ik treuzelde een beetje totdat moeder weg was. Daarna deed ik er nog wat extra water bij, niet te heet, en sjouwde de emmer met al mijn kracht via de huiskamer naar de voordeur. In de kamer liep ik heel langzaam om maar niet te knoeien en het vloerkleed nat te maken. Dat konden we er niet bij hebben. Ik concentreerde me enorm op m’n klus, boos op Frans die me liet stikken.

‘Hèhè,’ zei vader. ‘Waar heb je dat water gehaald? Bij de dorpspomp? Je mag blij wezen dat je niet in Afrika woont. Weet je hoe ver die kinderen daar moeten lopen voor een beetje modderig water?’

Ik gaf wijselijk geen antwoord.

‘Zo en nu mag je dan de ruiten doen en dan de motorkap en de achterkant. Doe maar niet met de borstel maar met een doek, anders krijg ik dadelijk krassen.’

‘Maar ik heb geen doek.’

‘Dan ga je er een halen. In Swahili of zo. Of bij ome Gerlof in de Congo.’ Hij vond zichzelf kennelijk erg grappig, zo zat ie te lachen. ‘O nee, die zit tegenwoordig op Ceylon. Met z’n kop in de zon. Met die grote kop van hem…’

‘Wat voor doek?’

‘Wat voor doek? Wat denk je? Een theedoek? Of een zakdoek misschien? Zakdoekje leggen, niemand zeggen… Moet ik jullie nou alles voorkauwen?’

Dat kon hij wel vinden, maar ik wist toch echt niet wat voor doek ik gebruiken kon. Dadelijk was het toch weer de verkeerde, dat zal je altijd zien. ‘Een poetsdoek misschien?’

‘Een poetsdoek. Hoe kom je erop? Heel knap.’

‘Zo een als in de keuken ligt?’

‘Ja, gebruik maar een doek zoals in de keuken ligt, op het aanrecht. Een goeie dweil is ook goed. Beter zelfs.’

Aha, hij wist het zelf ook niet precies! Ik ging een dweil halen, die wist ik wel te liggen, in het schoonmaakkastje, het heiligdom van moeder.

Het water was niet te heet, precies goed en het sop rook lekker. Het wassen kalmeerde me, ja, ik vond het best een leuk karwei. Vader zat in de auto met de deuren dicht. Hij frummelde onrustig in al die papieren. Zeker weer wat kwijt, zoals moeder al veronderstelde.

Met een nieuwe emmer schoon sop begon ik aan de wieldoppen en daarna, op aanwijzingen van pappa, aan de onderkant. Dat moest weer met een borstel. ‘Als je klaar bent, krijg je een oliebol,’ grapte hij. Het warme water was wel zo aangenaam, want ik begon het koud te krijgen. Maar de auto glansde. Ik was er best trots op en vader vond ook dat ik het goed gedaan had.

‘De auto is schoon!’ zei ik tegen moeder die weer in de keuken bezig was.

‘Mooi zo, jongen. En laat mij nu verder maar met rust. Ga Frans maar zoeken buiten. Die zal wel ergens op straat aan het voetballen zijn. Ga zelf ook maar voetballen. Straks zijn er oliebollen.’

De volgende keer:

Vader: de duivel in persona – en Cor is, zegt moeder, al ‘net zo’.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden