Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 19

zondag 10 januari 2021

Vader is de duivel in persona. En Cor, die gooit een asbak naar het hoofd van zijn moeder. 

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

In voetballen had ik weinig zin. Ik was juist zo blij dat er zoiets als een winterstop bestond. Want ik voetbalde al genoeg, vond ik. Meer dan genoeg. Veel te veel eigenlijk. Ik zat er zelfs op, bij Blauw-Zwart. Dat was normaal, dat je op voetbal ging. Mij was nooit iets gevraagd. Je ging. Al m’n broers deden het ook en die, moet ik toegeven, waren er best goed in. Wijselijk hield ik het voor mezelf dat ik hen maar een stelletje fanatiekelingen vond. Ik, als enige bij ons thuis, begreep het gewoon niet. Sommige jongens trapten je verrot of haalden je lelijk onderuit. Wat was daar de lol van? Niks voor mij. Bovendien werd je er heel moe van. De meesten liepen vrijwillig hun longen uit hun lijf. Vanwege dat laatste speelde ik altijd rechts half. Ik had bedacht dat je dan het minste hoefde te lopen, dat ik dan een beetje op het middenveld hangend de bal uit de weg kon gaan zonder dat het al te veel opviel. Want dat zweten was niks voor mij. Ik rende zo nu en dan alleen maar om een beetje op temperatuur te blijven, want meestal was het verrekte koud op die open, winderige en vaak natte modderpoelen die voor velden moesten doorgaan. Vaak bood ik me ook, met gespeelde tegenzin of onder het voorwendsel van een vage blessure, als reserve aan, desgewenst twee helften. Laten die anderen het maar uitknokken tegen dat tuig uit de achterbuurten van Den Haag, dacht ik dan, want daar kwamen de meeste clubs vandaan die onze tegenstanders waren. Zoals die onfrisse jongens van V.V. Oranjeplein die je al voordat het fluitsignaal had geklonken meedeelden waar en hoe ze je zouden pakken. Ze speelden met ijzeren noppen onder hun schoenen! Die lieten ze dan meteen maar even zien. Een trap tegen je zakie, dat kon je ermee krijgen. Dus als ik al meedeed, wist ik niet hoe gauw ik de bal telkens weer moest afgeven. ‘Maak nou eens een actie!’ zeiden mijn teamgenoten wel eens tegen me. Maar dan had ik meteen mijn antwoord klaar: ‘Het is een teamsport, jongens, het gaat om het sámenspel.’ En meer van die flauwekul. Ik lulde me er altijd wel uit, maar goed voor m’n prestige was het niet. Nee, ik moest het niet van de voetballerij hebben, zoveel was wel duidelijk. Integendeel zelfs, ik mocht wel oppassen, want anders ging het zich tegen me keren.

Maar goed, ik ging Frans wel zoeken.

 

*

 

Ik vond hem bij het schooltje, dat wil zeggen op het speelterrein voor de zij-ingang van dat kleuterschoolgebouw, dat zich twee straten van ons woonhuis bevond. Bij ons thuis hadden we daar allemaal op gezeten, ook ik. Het was een tamelijk somber en wat log gebouw uit de jaren twintig of dertig, opgetrokken uit donkere bakstenen. Ik herinnerde me mijn eerste schooldag aldaar nog heel goed, want in de sombere hal barstte ik opeens van angst in huilen uit, overvallen door zoveel onverhoedse onzekerheid en bedreiging. Ik had een melkwagen voor mijn vierde verjaardag gekregen en die liet ik er pardoes uit mijn handen vallen. De melktonnetjes, wit met een blauwe sticker die de letter M voorstelde, tuimelden over de grijsbruine plavuizen vloer. Het maakte in mijn oren een oorverdovend geluid. Toen moest ik mee aan de hand van de juffrouw, terwijl ik over mijn schouder keek naar m’n zwaaiende mamma. Ze liet me mooi stikken! Daar was ik later die dag, toen ik samen met Frans thuiskwam, nog kwaad om. ‘Doe toch eens niet zo driftig!’ riep moeder, ‘ik heb zes kinderen. Je kan me niet in je eentje hebben, hoor,’ en ze nam een trekje van haar sigaret. Annie was op bezoek en ze rookten samen graag een sigaretje. Eentje of twee, dat kon geen kwaad volgens Annie, die moeder soms een handje hielp in de huishouding. Meestal hadden ze ook allerlei huishoudelijke dingen te bespreken – vooral het gedrag van vader. Zo’n gesprek begon meestal vrolijk en zelfs lacherig, om te eindigen met een huilbui van mamma. Ook deze keer hadden ze een hoop te kletsen. Maar ik mocht wel even vertellen hoe het was, mijn eerste schooldag. Nou, daar had ik mooi geen zin in, riep ik woest. ‘Want waarom bent u zomaar weggelopen?’ wilde ik weten. ‘Ik ben niet zomaar weggelopen,’ antwoordde moeder met een zucht. ‘Ik moest weg. Van de juffrouw. Zo gaat dat.’

‘Ik vind het gemeen!’ riep ik.

‘Het is niet gemeen. Het is zoals het is.’

‘Wat bedoelt u daar nou mee?’

‘Nou, dat het niet anders is.’ En vervolgens richtte ze zich, zichtbaar moe van mijn opstelling, doodleuk tot haar hulpje Annie. ‘’t Is soms net z’n vader,’ zei ze. Dat was wel zo ongeveer het ergste wat ze van je kon zeggen. Zeker als zij het zei, met de manier waarop. Mijn vader: de duivel in persona was er niks bij.

Maar dit pikte ik niet, o nee!

Terwijl zij weer druk in gesprek waren, pakte ik voorzichtig de asbak op en draaide me om. Ze hadden niks in de gaten, zo druk zaten ze te kleppen. Ik liep er de paar stappen mee naar een hoekje van de kamer en draaide me opnieuw om, maar nu vliegensvlug en op de manier van een honkballer. Ik strekte mijn arm uit en liet de asbak in een rechte lijn door de kamer vliegen, pal op mijn moeder af.

Het glazen ding miste haar op een haartje. Het knalde tegen de muur uit elkaar.

Annie en moeder verstijfden van schrik, ik zag het ze denken: wat was dat nou? En toen zagen ze mij daar staan in dat hoekje van de kamer. Hun monden vielen open, ze konden hun ogen niet geloven.

‘Ben jij nou helemaal?...’ zei moeder bijna apathisch.

Annie sloeg haar hand voor haar mond. ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt,’ fluisterde ze. Even dacht ik dat ze in lachen uit zou barsten. Maar ze hield zich in.

‘Kom hier,’ blafte mamma. ‘Ben je nou belatafeld… Wat bezielt jou?’ Haar ogen spoten vuur. Het was beslist de liefste moeder van de hele wereld, en makkelijk had ze het ook zeker niet, maar als ze kwaad werd, werd ze ook echt kwaad. ‘Maar zo zijn we niet getrouwd!... Meekomen!’ Ze wilde me in de keuken hebben, het was haar min of meer afgezonderde lievelingsplek om deze of gene eens hartig toe te spreken. Nu was het mijn beurt. Ik droop af, met m’n hoofd tussen mijn schouders. Het was vanzelf gegaan, dat gooien met die asbak. Of nou ja: zo leek het wel. Ik deed het ook voordat ik er erg in had. Maar hoe ging ik dat uitleggen?

Ze liep vlak achter me aan en ik voelde haar briesende adem in mijn nek.

Ik kreeg de kans niet om iets uit te leggen, ze begon meteen te slaan en te meppen. Wóédend was ze. ‘Waar heb ik dit aan verdiend!’ gilde ze. ‘En in het bijzijn van Annie nog wel! Je schaamt toch je oren van je kop! Is je vader in jou gevaren of zo? Heb ik soms niet genoeg ellende aan mijn hoofd, he, rotjoch?’ Ze sloeg me in haar drift de keuken uit. Met mijn opgeheven armen probeerde ik de klappen op te vangen en ik deinsde telkens een paar stappen achteruit. Tot ik tegen de muur van de doorgang stond en geen kant meer op kon. Ik maakte me kleiner en drukte mijn kin tegen m’n borstkas. Ik zonk ineen.

En toen begon ze me daar toch te schoppen. Nog een geluk dat ze pantoffels aan had. Maar voelen deed ik het wel.

Het was Annie die me bevrijdde. ‘Zo is het wel genoeg, mevrouw Van Hargen,’ zei ze terwijl ze m’n moeder bijna d’r schouders beetgreep. ‘Straks doe je hem nog wat aan…’

‘Ik moet wel, want Adri doet niks,’ piepte mamma toen huilerig. Ze was opgehouden met schoppen en verborg haar gezicht in haar handen. ‘Ik sta overal alleen voor. Met zes kinderen, da’s niet niks, hoor. Vijf van die jongens, die je soms het bloed onder je nagels vandaan halen…’

Ze begon echt te janken en viel in de armen van Annie, die verlegen met de situatie helemaal rood aanliep. ‘Toestanden!’ dat zei moeder graag en dat zou nu volledig terecht zijn. Maar ze zei niks.

Annie probeerde wat troostende woorden: ‘Engeltjes zijn soms ook bengeltjes, mevrouw Van Hargen, dat weet u beter dan wie ook.’ En ze voegde er, toen moeder niet reageerde, aan toe: ‘Zo is het maar net.’

Opeens keek mamma me weer aan en ze verhief haar wijsvinger: ‘En ik zal het morgen ook tegen de juffrouw zeggen. Want dit pik ik niet.’

Nou, zoveel was wel duidelijk.

Ik zag mijn kans schoon en droop af.

Later, toen Annie weg was, had mamma kennelijk spijt dat ze zich in haar frustratie en woede zo had laten gaan. Ze omhelsde me en overlaadde me met lieve kussen. Ze begon zelfs een beetje te grienen. ‘Oké, ik zal het niet tegen je vader zeggen en ook toch maar niet tegen je juffrouw. Dat beloof ik. Dit blijft tussen ons. Maar waag het niet nog een keer… Ik snap het ook niet, je bent anders zo’n lieve jongen. Echt, je bent een lekkere knul…’

Ik wist niet hoe gauw te zeggen dat ik het echt helemaal nooit meer zou doen.

De dagen erop hield ik me gedeisd en liet ik ook geen traan meer als ze zich in de hal van de school omdraaide en wegging. Ik slikte dat bittere zout wel weg. Maar minder verdrietig was ik er niet om.

M’n broers waren danig onder de indruk. Dat ik dat durfde, een asbak naar mamma gooien. En waarom eigenlijk? Met mamma was toch weinig mis? Iedereen vond onze moeder heel aardig en dat was ze ook. Ze liep over van liefde, dat zag je zo. Wat ze allemaal niet voor ons deed! Alles! Maar verder vonden m’n broers het wel van mijn lef getuigen. Ik was een beetje in aanzien gestegen in de pikorde thuis. Nou, dat was tenminste iets.

De volgende keer:

Rotjes en atoombommen

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden