Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 20 en slot

woensdag 13 januari 2021

Rotjes, gekken en atoombommen. En dan de ‘pliesie’.

Dit is de laatste aflevering van dit Bazarow Feulleton. De afgelopen 10 weken konden jullie elke woensdag en zondag genieten van de avonturen van de kleine Cor. Wil je weten hoe het afloopt. Koop dan nu Zes broers en een zus.

Anders dan anders werd er nu niet gevoetbald op het kleine speelplein bij het schooltje. Pim had er rotjes afgestoken, hij was net door zijn dagvoorraad heen, vertelde Frans. Het wachten was op Jos Strop, die met zijn broer verboden vuurwerk had gekocht in Leiden en dat nu bij hem thuis was gaan halen. Verder waren er nog een paar buurtjongetjes. En Wimie. Dat was onze buurtmongool, al mochten we hem van onze moeder geen ‘mongool’ noemen. Hoe dan? Hij was ‘ongelukkig’, liet ze weten. Maar dat waren wij helemaal niet met haar eens! O, hij kon er wel eens de smoor in hebben en het op een janken zetten, maar hij liet zich altijd verbazingwekkend snel troosten. Dan lieten we hem bijvoorbeeld een doelpunt maken en dan liep hij minutenlang juichend en gillend van enthousiasme over het pleintje – en wij maar lachen. Daarna peerde hij hem meestal om zijn moeder te vertellen dat hij weer een goal had gemaakt en dat hij echt bij Feijenoord ging voetballen. Ik was door hem gefascineerd. Hij was groot, log en dik, maar beresterk: soms tilde hij in zijn eentje drie, vier jongens op. Ik was altijd een beetje bang voor hem. Hij keek ook zo raar uit zijn hondenogen en aan zijn altijd openstaande mond hingen steeds dikke draden slijm. Verder stonk hij een uur in de wind, naar zweet en soms zelfs naar poep. Het mooiste was natuurlijk dat er bijna nooit een verstaanbaar en verstandig woord uit zijn mond kwam. Daarom vroegen we hem vaak wat, de gekste, moeilijkste dingen – om de soms vreemdste antwoorden terug te krijgen. ‘Hoe ver is de maan?’ vroeg ik bijvoorbeeld een keer. En toen antwoordde hij: ‘De maan is van de zon en de ster en is goud geverfd door de nacht.’ Af en toe geloofde ik dat hij over een speciaal soort wijsheid beschikte, maar meestal moesten we hikken van het lachen als die gek iets te berde bracht. En toch... Wimie was misschien wel gek of ‘anders’, zoals moeder ook wel zei, maar het gerucht ging dat hij sommige apparatuur altijd weer aan de praat kreeg. Voorheen waren dat oude horloges – hij droeg er zelf meestal een of twee aan elke pols – maar de laatste tijd waren het transistorradiootjes. Broer Pim had net een nieuwe voor zijn verjaardag gekregen, maar wist te vertellen dat een vriend van hem een tweedehands bezat die was gerepareerd door Wimie. Alleen zei Pim wel vaker wat... Ik twijfelde. Inderdaad had ik Wimie wel eens in die rommelige achtertuin van hun zien prutsen aan een radio, al leek het me dat hij die onherstelbaar uit elkaar gehaald had zoveel onderdelen als er in het grasperkje van hun armzalige achtertuin lagen. Toch kon je het niet weten.

En daar was Jos, een brede glimlach om zijn toch al brede mond. Ja, alles was breed aan die jongen. Hij had, vond ik, altijd iets vuils over zich. Een ongelikte beer was het. Hij had een paar grote rotjes in zijn stevige vuist.

‘Kijk,’ zei hij, ‘astronautjes zijn niks. Dat zijn babyscheetjes voor in de ruimte. Maar moet je deze zien.’ Hij hield zijn hand voor zich en toonde de lange rotjes, die er inderdaad indrukwekkend uitzagen. ‘Hartstikke verboden,’ liet hij trots weten. ‘En weet je hoe ze heten?’

Iedereen zweeg. Wimie stond een paar meter verderop en probeerde de bal tegen de muur te schieten, maar was ’m iedere keer kwijt omdat ie alle kanten opvloog. Je kon hem steeds bozer zien worden. Bozer en gefrustreerder. Het was heel zielig, maar we hadden nu even geen tijd voor hem.

‘Atoombommen,’ verbrak Jos toen de onderlinge stilte. En hij herhaalde het nog maar eens met die zware stem van hem: ‘Atoombommen.’

Opnieuw viel iedereen stil.

‘Zo, dat is niet mis,’ zei Pim toen. Hij klonk heel vlak. Was hij niet onder de indruk?

‘Ugh…’ antwoordde Jos met een boer. 

We lachten. Jos had een reputatie op te houden. Hij kon geweldig harde scheten en boeren laten en dat deed hij dan ook graag. Hij had er al vaak succes mee gehad. Net als met z’n gore grappen. Viezig en ruw was hij. In de omgang en in zijn taalgebruik. Hij deed me altijd aan een zeeman denken, hoewel hij nog een jongen was, hoe uit de kluiten gewassen ook. Hij had zelfs al zoiets als een snorretje.

‘Amerika heeft meer atoombommen dan Rusland,’ zei Pim. Het had weinig te maken met rotjes, maar het was wel een geregeld terugkerend onderwerp van gesprek. Iedereen had het er in die tijd over. Ook onze pappa’s en mamma’s. De wereld kon vernietigd worden, dat wist iedereen, en dat wel duizend keer! Je kon je er hoegenaamd niks bij voorstellen maar het was toch een raar en beangstigend idee. ‘Ik vertrouw die Russen voor geen cent, die communisten,’ zei vader vaak. ‘Die Breznjev, dat is toch gewoon een toendra-tijger, met die borstelige wenkbrauwen van hem. Wat ’n schobbejak! Ze hebben gewoon de kerk uitgeschakeld, die schoften!... Atheïsten zijn het! En die zijn nog erger dan Turken of Arabieren!... En moet je eens kijken wat ze met Israël doen! Nee, niet dat ik veel met die joden op heb, da’s een ander verhaal, maar die zijn al genoeg gestraft. Maar Rusland maar wapens leveren. Aan Syrië en Egypte en noem maar op.’ De wereldpolitiek was in vader’s ogen een groot complot. Alleen Amerika kreeg zijn zegen. Amerika, het land van onze bevrijders. ‘God’s home country,’ zei hij dan in een vreemd soort en totaal overdreven geaccentueerd Churchill-Engels.

‘Rusland kan de wereld wel drie keer kapotmaken,’ vulde mijn broer Pim zichzelf aan, ‘maar Amerika wel tien keer!’

 Ik vond het wel knap van hem, dat hij die cijfers zo uit zijn hoofd wist. Of verzon hij het maar?

‘Amerika beschermt ons,’ meende een ander zeker te weten.

‘Toch,’ antwoordde Joop, ‘kan Rusland ons dood bombarderen met hun atoombommen.’

Nu wilde iedereen er zijn zegje over doen en klonken alle stemmen door elkaar.

‘Ja, maar dan gaan ze zelf ook dood en dat willen ze niet, zegt mijn vader.’

‘En die bommen van hunnie doen het vaak niet, dat zegt mijn vader.’

‘En de Amerikaanse astronauten zijn ook beter,’ zei weer een ander.

Toen liet Jos een van zijn welbekende keiharde scheten en lag iedereen in een deuk, zeker toen een lachende Wimie ook een duit in het zakje wilde doen en helemaal rood aanliep. Er klonk een knetterende scheet en toen zette hij het op een hollen. ‘Poep! Ik heb poep! Mamma, poe-oep!...’ Tijdens het rennen hield hij met beide handen zijn broek aan zijn heupen vast. Nee, dat liep niet lekker, met je broek vol, dat wisten we allemaal nog wel. En dubbel lagen we weer.

Jos vond dat we nu genoeg gelachen en geouwehoerd hadden, het was tijd voor zijn demonstratie. Hij stopte de atoombom-rotjes in zijn ene jaszak en haalde uit de andere een astronautje en stak die aan. De knal klonk door de hele straat. Een man die zijn hond uitliet keek verstoord op, maar durfde er niks van te zeggen. Jos grijnsde. Dit was nog niks volgens hem. Nu haalde hij zo’n lang rotje te voorschijn en hield het voor zich als was iets magisch. Al net zo ceremonieel hield hij zijn aansteker erbij en liet het lontje vonkend ontbranden. Opzichtig stoer wachtte hij een paar spannende momenten voordat hij het rotje op straat gooide.

Daar was de knal. Enorm. Echt alsof er een bom ontploft was. De doffe klap weerkaatste tegen de huizen aan de overkant. Horen en zien verging je voor een moment. We vonden het allemaal geweldig en keken vol ontzag naar Jos en toen naar het geknakte rotje dat op de stenen lag na te smeulen en een merkwaardig zielige indruk maakte, als een dood dier, met de buik open.

Jos had de smaak te pakken en begon het ene rotje na de andere te ontsteken, hij raakte bijna letterlijk in vuur en vlam. De knallen volgden elkaar in hoog tempo op zodat je oren ervan begonnen te suizen. Het had iets krankzinnigs, zeker toen hij ermee om zich heen begon te strooien, het liefst vlak voor onze voeten. Het leek wel oorlog. In het begin vonden we het nog wel vermakelijk, maar algauw zagen de meesten van ons er de lol niet meer van in. Het was bloedlink. Maar Jos, die deed er nog een schepje bovenop. Hij stopte zo’n atoombommetje, brandend en al, eerst eens tussen zijn lippen, als was het een sigaar en hij een getikte generaal. En dan kwam hij op je af, met een grommend geluid, om het rotje vlak voor je te laten vallen. Gelukkig deed hij dat niet bij mij, wellicht omdat ik, samen met Ruud  Bellekom, de jongste van het stel was. Toch was ik op m’n hoede. Met Jos moest je uitkijken, dat had ik allang begrepen. Bij het voetballen op dat schoolpleintje ontweek ik hem altijd heel leep, want hij kon trappen als de beste – en geméén dat hij kon zijn. Ja, ergens was hij niet te vertrouwen, hij keek ook vaak gemeen uit zijn ogen, maar ondanks dat alles had hij ook iets meelijwekkends en, hoe groot en stoer hij verder ook was. O, hij piste gewoon op straat en toonde daarbij graag zijn snikkel, dik en vlezig als die was, en hij had daar ook al haren! Maar zijn trots was hem niet tot troost, dat kon je heel goed aan hem zien. Hij had altijd iets triestigs over zich heen en keek heel somber uit die donkere doppen van hem. Op de een of andere manier getuigde zelfs zijn lach van treurigheid. Onze moeder waarschuwde ons wel eens voor hem, mede omdat ze een nauw verholen hekel aan hem had. ‘Die groeit op voor galg en rad,’ zei ze dan. En het moet gezegd dat het slecht met hem is afgelopen. Want tijdens een eenzaam motorritje, toen hij effe in de twintig was en zijn motor zijn trots uitmaakte, kreeg hij ruzie in de Leidse binnenstad met een paar andere flink uit de kluiten gewassen bikers en toen hebben ze hem aan het mes geregen. Letterlijk. Zomaar op straat, hij viel er badend in het bloed bij neer, zo ging het verhaal. Er waren getuigen genoeg. De daders zijn nooit achterhaald.

De anderen sloegen op de vlucht, ook Frans. En zo bleven alleen een lachende Jos, en Ruud en ik achter.

‘Heb je dat gezien?’ zei Jos, ‘ze gingen er als hazen vandaar! Ja, ik ben de jager. Met mij valt niet te spotten!’ Toch wist ik zeker dat het niet zijn bedoeling was geweest om iedereen de stuipen op het lijf te jagen. Ik kon het aan hem zien. Hij begreep het gewoon niet. En dat gebeurde hem vaker, deze reus van eenzaamheid. Hij kon zijn eigen roekeloosheid niet aan, dat was het.

Hij had nog maar een paar rotjes over en wilde nog wel even laten zien hoe krachtig die waren. En ik mocht de kleintjes wel hebben, de babyscheetjes, want daar vond hij niks aan. Ik propte het handjevol lucifer dunne rotjes in m’n broekzak. Die ging ik later wel afsteken, stiekem, want van moeder mochten ik en Geerie nog geen rotjes. Intussen plaatste Jos drie van z’n atoombommen tussen de geplastificeerde metalen latten van de pas vernieuwde zitbanken. ‘Moet je nou es opletten,’ zei hij en hij bracht ze beng! tot ontploffing.

Ik hield mijn handen op mijn oren want die suisden nog steeds van de vorige knallen. Maar ik zag het gebeuren. De ontploffingen, de rook en de vernieling. De banken waren flink beschadigd, het plastic was helemaal opengebarsten en het metaal puilde eruit. We keken onze ogen uit. En we wisten niet zo goed wat we ervan vonden. Ja, de knallen waren prachtig en hadden hun uitwerking niet gemist. Maar of dit nou de bedoeling was?

Zelfs Jos was geschrokken, ook al stond hij er beteuterd bij te lachen,

‘De kit! De pliesie!’ riep Ruud toen en hij wees naar het einde van de straat.

En inderdaad kwam daar een politieauto aangereden.

We wisten niet hoe gauw we er vandoor moesten gaan, ieder z’n eigen kant op. Ik vluchtte een laantje in. Dat was wel een omweg naar huis, maar een auto kon er niet in en ik wist dat agenten altijd weinig zin hadden om achter ons aan te rennen.

Buiten adem kwam ik thuis.

‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg moeder snibbig. Ze stond in de keuken en was tot mijn verbazing nog steeds bezig met oliebollen bakken.

‘Van Frans zoeken,’ antwoordde ik.

‘Die is anders al lang thuis.’

‘Nou, al lang…’

‘Je moet uit de buurt blijven van die Jos Strop. Want die gaat nog naar de hel, dat weet je toch?’

‘Ja, mam.’

‘Goed, loop dan nu maar door naar de kamer en doe vooral de deur dicht.’

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 19 van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden