Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 5

woensdag 18 november 2020

Broertje Geerie wordt wreed weggestuurd, de eerste sigaretten gerookt. Hitler in de duinen – en op het postkantoor

We liepen naar de klip, de eerste steile duintop, het begin van de weg en het fietspad die naar het strand leidden. Toen we bij het bos onderaan de klip aankwamen, zei ik tegen Geerie dat hij naar huis moest. Hij bleef staan en keek me niet begrijpend aan. De andere jongens leken hun blik af te wenden, maar iets weerhield hen ervan.

      ‘Hoezo?’ wilde hij weten. Hij keek me heel onschuldig aan.

‘Gewoon, omdat dat moet.’ Waarom wist ik ook niet, maar ik wilde niet dat hij verder meeging. Misschien ook omdat ik hem niet altijd maar weer op sleeptouw wilde nemen. Dat was niet goed voor mijn reputatie: daar heb je Cor weer, mèt die Geerie. Zoiets. In ieder geval: ik kon hem niet meer gebruiken en hij moest ook maar eens leren zijn eigen boontjes te doppen. Ja, dat moest hij nou maar eens begrijpen.

Maar hij begreep het niet, Geerie. Verdrietig als een hondje dat door zijn baas wordt weggestuurd staarde hij me aan. Ik was bang dat hij in huilen zou uitbarsten, die kans leek niet gering.

Het was wreed, dat wist ik, ik voelde het aan de brok in mijn keel, maar het was beter zo. Echt. ‘Wegwezen!’ wuifde ik venijnig. Vervolgens nam ik de benen en zette er fors de pas in. Een meter of acht verderop keek ik over m’n schouder.

Geerie bewoog met z’n neus en stond te trekkebenen. Hij wist duidelijk niet wat hij met de situatie aan moest. Toch was dit de eerste keer niet. Zo te zien liepen er tranen over z’n wangen.

‘Kom op, jongens,’ zei ik tegen de anderen, die waren blijven staan. Ze draalden, maar volgden toch. Langzaam en met een zekere tegenzin. Ergens voelde het als een overwinning. Ja, het gaf, hoe wrang misschien ook, een zekere voldoening dit alles. Ik ervoer zoiets als een onderhuidse jubeling, die vreemde juichkreet die in een vlaag van geheimzinnige gemeenheid in mij opklonk. Op dat moment waande ik me een krijger. En als zodanig onoverwinnelijk.

Lang duurde dat niet.

Ik zag nog een keer om. Geerie wreef in z’n ogen en keek ons daarna weer na.

Ik ging naast Jack lopen. Hij zou het misschien begrijpen. Hij had zelf ook een jonger broertje, en ook dat was de vlotste niet. Ze waren gewoon ergerlijk. Maar Jack deed z’n bek niet open tegen me.

Ik voelde me schuldig, vond tegelijkertijd dat dat niet terecht was.

In de war draaide ik me om. Geerie was weg.

De tranen prikten in m’n ogen. Waarom doe ik dit, dacht ik Waarom doe ik steeds zulke dingen?

We liepen de klip op en keken uit over de geestgronden links van ons, waar bollen verbouwd werden. Het was best warm en halverwege de beklimming stopten we. Jack frommelde zo plechtig mogelijk het pakje Gladstone open, haalde er een sigaret uit en stak die tussen zijn lippen. Daarna tikte hij met het pakje op zijn linker pols zodat er enkele sigaretten uitpuilden. Hij presenteerde ze en wij pakten er allemaal een. We zwegen alsof het om een heilig ritueel ging. Kees-Jan streek een lucifer af en we verdrongen ons om het vlammetje. Jack kreeg als eerste vuur. Hij nam een klein trekje en blies de rook onmiddellijk uit. Hij keek er heel ernstig bij. ‘Het zijn goeie sigaretten,’ zei hij. ‘Amerikaans. De beste.’ Daarna maakte hij onwillekeurig paffende geluiden met zijn lippen. Kees-Jan had een nieuwe lucifer nodig om ons van vuur te voorzien en het kostte nog wel zeven lucifers voordat iedereen een brandende sigaret had.

En daar stonden we dan, halverwege die duinheuvel, ieder voor zich volledig in beslag genomen door zijn peuk. We bliezen uit en keken de rook na en deden alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat wij daar zo stonden. Intussen wist niemand zich een houding aan te meten. De een liet de sigaret eerst welhaast professioneel tussen z’n vochtige lippen bungelen maar moest dat direct bekopen met brandende ogen door de rook, de ander hield ’m onwennig tussen z’n middel- en wijsvinger, en Kees-Jan moest als eerste kuchen en liet hem vallen. Toen hij hem opgeraapt had zag ik dat hij bloosde. Z’n sigaret was uit, wat hij eerst niet in de gaten had. Ongeduldig, paniekerig zelfs, zoog hij z’n filter nat. Jack moest grinniken.

       ‘Het zijn klote-sigaretten,’ zei Kees-Jan. ‘Dat komt door dat filter. Mijn vader rookt daarom alleen maar Franse.’ Hij stak een nieuwe op.

        Ik voelde me langzaam maar zeker kotsmisselijk worden, schraapte m’n keel en begon dikke fluimen uit te spuwen. De geur van andermans sigaret kon ik nog wel verdragen, vond ik zelfs wel lekker, maar in je mond voelde het bitter, sterk en vies. Dat ik uitgelachen werd kon me geen zak schelen. Ik zette moedig door en nam weer een nieuwe hijs. Ik zou me niet laten kennen. Louis had minder geluk. Zijn sigaret ging telkens uit en dat maakte hem zichtbaar beschaamd en ongelukkig.

      ‘Je moet niet blázen, maar zuigen, zakkenwasser,’ zei Jack.

We lachten. Daarna liepen we verder, het was anders zo’n raar gezicht als we daar maar bleven staan. We wilden niet opvallen. Juist niet. Onderweg stak telkens weer iemand een nieuwe peuk op. Zo vervolgden we, terwijl dat zwarte bitumen onder ons de hitte van de zon weerkaatste, zwijgend ons pad.

‘Hebben jullie ook zo’n dorst?’ vroeg Kees-Jan even later.

Ja, nu hij het zei. Dat je van roken zo’n dorst kreeg verbaasde ons. Gelukkig wisten we ter hoogte van hotel Duindigt een waterpomp te staan van het duinwaterleidingbedrijf.

We laafden ons en spetterden elkaar nat. We hadden plezier voor tien en waren stiekem blij dat we die sigaretten even konden vergeten. Ik tenminste wel. Het nieuwe plan was om op het strand te gaan kijken. Zomaar. Want daar was altijd wel wat te beleven.

Helaas, het was eb en er was nauwelijks golfslag. Het strand lag er ondanks het aardige weer zelfs bijna verlaten bij. We gingen wat pootjebaden en probeerden elkaar weer nat te spetteren. Daarna hielden we een zandgevecht. Piet vond een kwal waar we met een oude, kromme tentharing een gat in prikten en vervolgens een sigaret in stopten. Het zag er ‘onwijs gaaf’ uit vonden we.

‘Net een long met een sigaret erin, dat is het mooie ervan,’ meende ik. Moeder had tegen vader gezegd dat hij niet moest roken omdat dat slecht was voor je longen of zoiets, dat had ze van iemand gehoord. Maar ze rookte zelf ook af en toe.

‘Hoe bedoel je?’ vroegen Jack en z’n vriend Kees-Jan in koor.

‘Ach, laat maar ook,’ zei ik.

Hetzelfde deden we bij een dode krab. Dat zag er ook geweldig uit, dat beest met een peuk in z’n schaar. En het grote, maar verzwegen voordeel was dat we ook die sigaret niet meer hoefden op te roken. O, we waren het er over eens dat je het moest leren, roken, en dat het ook een kwestie van wennen was. Niettemin voelden we ons hele kerels omdat we het tenminste geprobeerd hadden. En niemand die er echt ziek van was geworden of in z’n broek had gescheten. Want dat was wat er altijd gezegd werd: dat je er subiet diarree van kreeg, dat het zó je broekspijp uit zou lopen. Nou, niks hoor. We waren misschien alleen een beetje misselijk.

‘En ik vond het best lekker,’ zei Kees-Jan. Ik geloofde er geen flikker van, maar zei niks.

‘Zeg, gaan we nu nog fikkie stoken of niet?’ wilde Jack weten.

Maar niemand die het wist. Zelfs Kees-Jan niet.

Jack was teleurgesteld en dat liet hij merken ook. ‘We zouden de  duinen toch in de hens zetten?’ riep hij. ‘Stelletje lafbekken!’

‘Het kan niet,’ zei Kees-Jan, ‘de lucifers zijn bijna op.’

‘Waar slaat dat nou weer op?’

‘Nou gewoon.’

‘Gewoon?’

Ze zwegen.

‘Ik weet wat,’ zei ik. ‘Laten we die oliedrum daar in de hens steken. Daar zit allemaal afval in. Dat wil wel.’

‘Hm, geen slecht idee,’ vond Jack en iedereen sloot zich erbij aan.

Met de laatste lucifers staken we het afval in de fik en we gooiden onze laatste sigaretten erbij, want niemand die nog hoefde.

Uiteindelijk gingen we maar naar huis. Zwijgend. Moe. Zelfs het plan om de bunkers te bezoeken lieten we varen.

Eenmaal weer vlak bij de klip zagen we een oud, versleten wit hempje hangen in een duindoorn. Het prikkelde mijn verbeelding, want hoe kwam dat daar? Misschien nog wel uit de oorlog! Stel je voor! O, d’r was wat afgestreden in de oorlog. Dat had m’n vader me zelf verteld. De duinen waren Sperrgebiet, had hij gezegd. Levensgevaarlijk. Je mocht er niet in en anders werd je meteen doodgeschoten. Zomaar, op staande voet. Ik zag het opeens helemaal voor me.

‘Zie je dat hempie daar?’ vroeg ik.

Ik kreeg geen antwoord.

‘Zie je dat?’ hield ik aan.

‘Ja, wat is daarmee dan?’ antwoordde Jack lijzig.

‘Dat kan best nog wel eens van Hitler geweest zijn,’ antwoordde ik. Met die naam was ik vertrouwd. Vader had zó vaak over hem verteld dat je bijna kon denken dat het om  een familielid ging. En Wassenaar was heel belangrijk geweest in de oorlog, dat had vader  ook vaak gezegd. Dus ergens kon ik het zelf best geloven, dat van dat hemdje. Ik wìlde het ook graag geloven, en mijn vrienden moesten daarin meegaan. Tegelijkertijd besefte ik dat ik mijn hand overspeelde.

En daar had je ’t al: ‘Joh, maak dat de kat wijs,’ schamperde Jack.

‘Nee, ik meen ’t. Echt. Of in ieder geval van een van zijn soldaten. Kijk…’ Ik maakte een zuigend geluid en dacht hard na…. Bah, ik proefde die vieze smaak in mijn mond weer.

‘Hitler is hier nooit geweest,’ zei Kees-Jan.

Ik spuwde een fluim uit. ‘Hoe weet jíj dat nou?’ vroeg ik. ‘Wist je dat Wassenaar toevallig heel belangrijk is geweest in de oorlog? Ze schoten van hier die raketten naar Engeland.’

‘Raketten?’

‘Raketten, ja. En de duinen hier barstten van de bunkers, dat weet je zelf ook wel. Dus het zou zomaar kunnen dat hij hier langs is geweest. Bewijs het tegendeel maar eens! Volgens mijn vader, en die weet alles van de oorlog…’

Jack onderbrak me: ‘Je kunt niet alles van de oorlog af weten.’

‘Nee, oké, niet alles, maar wel heel veel. Echt heel veel. Hij heeft er stapels boeken over gelezen en alle films gezien. En hij spreekt Duits.’

‘Dat is waar,’ viel Piet me bij. ‘Hij deed een keer Hitler na in het postkantoor, toen pappa erbij was, Jack, dat weet je zelf. Het was sprekend. Mijn vader vond het heel knap. Hij hield alleen niet meer op, toen.’

‘Nou, goed, dat zou allemaal wel kunnen…’ sprak Jack. Hij zuchtte.

‘Er is meer gebeurd in de oorlog dan jij denkt, Jack,’ zei ik erg wijs. ‘En vergeet niet dat de oorlog wel vijf jaar heeft geduurd. Mijn vader zegt ook dat er nog nooit zoiets belangrijks gebeurd is.’

‘De atoombom is nog belangrijker.’

‘Ja, dat klopt, maar de atoombom is in de oorlog gemaakt… Ha! Nou heb ik je.’

‘Mij best, hoor,’ klonk Jack vermoeid, ‘als je zo graag gelijk wilt hebben.’

‘Een atoombom kan de aarde in één keer kapotmaken,’ wist Louis.

‘Ja, en er zijn er wel honderd,’ droeg Kees-Jan z’n steentje bij. ‘Vijftig van Amerika en vijftig van Rusland. Maar Amerika zal ’m niet gebruiken. Alleen als de Russen zouden aanvallen. Maar waarom zouden ze dat doen?’

 Niemand die dat wist.

 ‘Kijk,’ zei ik toen we alweer een stuk verder waren, ‘het gaat mij niet om gelijk hebben. Het gaat erom dat het gebeurd zou kunnen zijn. Dat Hitler zijn hemd daar verloren heeft. Ja, dat ie in z’n hemd stond, ha!... Oké, het is onwaarschijnlijk, maar het kan.’

Nou, dat waren ze allemaal met me eens. Hoogstwaarschijnlijk om er van af te zijn, van dat geouwehoer van mij. Ik liet het er maar bij. Want behalve dorst hadden we nu ook honger. Het was dan ook al bijna etenstijd.

--

De volgende aflevering:

Moeder dreigt met weglopen, maar het is vader die pas echt een bedreiging vormt

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

 

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen