Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 6

zondag 22 november 2020

Moeder dreigt met weglopen en vader komt zijn bed niet meer uit. Als hij er wel uitkomt is het helemaal een verschrikking

Thuisgekomen kneep ik ’m. Die geur van sigarettenrook. Maar m’n moeder bespeurde niks. De rook uit het brandende vat op het strand maskeerde de tabaksrook. Een geluk bij een ongeluk.

‘Hebben jullie weer fikkie gestookt? vroeg ze verwijtend. ‘Kijk maar uit, straks vliegt de hele boel nog in brand.’ Waarna ze weer overging tot de orde van haar dag. Ze was met het eten bezig.

In de huiskamer kwam m’n zus Mirjam met een priemende vinger op me toegelopen. ‘Ik vind het heel gemeen dat je Geerie zo in de steek gelaten hebt,’ zei ze en keek me indringend aan. ‘Heel gemeen.’

‘Wat weet jij ervan, trut!’ antwoordde ik en liep door naar de trap.

Weinig later hadden Johan en Frans slaande ruzie. Eerst hoorde ik ze beneden bekvechten, maar al gauw klonk er geschreeuw en getier. Toen hoorde ik onze moeder tussenbeide komen.

‘Ben je d’r helemaal een haartje betoeterd!’ krijste ze, tegen ik weet niet wie. ‘Het bloed onder je nagels halen ze vandaan!’

Ze raakte over d’r toeren, dat had ze soms. Dan kreeg ik het altijd Spaans benauwd. De ene keer zette ze het op een wanhopig soort huilen, met lange uithalen en diepe snikken, die diep uit haar binnenste kwamen.  Dan zag je zo: nee, dat is geen kattepis. De andere keer dreigde ze weg te lopen, wat minstens zoveel indruk maakte. ‘Want zo hou ik het niet meer uit!’ En soms liep ze echt weg, dat was het aller-, allerergste. Meestal verstijfde ik dan van de schrik. Zelfs ademhalen lukte dan even niet meer en ik geloofde altijd dat ik ter plekke dood zou gaan. Als moeder ervandoor ging, dan was alles verloren. Alles! Dat besefte ik maar al te goed. Daarom was ik instinctief al een paar keer achter haar aan gehold. Meestal kwam ik haar achter in het laantje al tegen, haar gezicht verbergend in haar handen. Dan omhelsde ze me en liet ze haar hete tranen de vrije loop. Dan ging ik vanzelf ook huilen.

‘Er komt een dag,’ zei ze eens, even moedeloos als onheilspellend rustig, ‘dat ik níét meer terugkom.’

Het klonk te weloverwogen en te beslist. Ik bad tot God dat het niet zo ver zou komen.

Het werd herfst en vader kwam ’s ochtends zijn bed niet meer uit. Hij lag maar te woelen en te roepen. ‘Nee, Adri. Nee! Laat dat!’ De eerste keer dat dat gebeurde zei m’n moeder: ‘O jee, de blaadjes vallen. Daar gaan we weer.’ Je zag meteen een zorgelijke grauwsluier over haar gezicht vallen.

Het was een akelig gehoor dat door merg en been ging.

Wij kinderen begrepen er niks van. Wat is er dan met pappa? vroegen we.

‘O, die heeft het moeilijk,’ zei ze dan, zoveel mogelijk langs haar neus weg. ‘Dat is wel vaker gebeurd. Het gaat wel weer over.’ Onze moeder was goed in geruststellende praatjes, maar die werden steeds sleetser. Ze speelde haar zorgeloosheid zo goed mogelijk, maar best acteren kon ze niet.

‘Maar waar heeft hij het dan precies moeilijk mee?’ informeerde Mirjam.

‘Zeg, je hoeft niet alles te weten, bemoeial. Je mag dan de oudste zijn, maar eh…’

Het ging niet over, de hele week bleef hij brullen en schreeuwen, ook als hij zich met kennelijk veel moeite uit bed had weten te slepen. ‘Nee!’ riep hij dan, ijsberend in de keuken. ‘Niet doen!’ Als ik naar hem keek, liepen de rillingen over mijn rug. Zijn gezicht was sterk vermagerd en zijn ogen bibberden in hun kassen. Vaak hing zijn mond half open en zag je ongecontroleerde spiertrekkingen van zijn kaken naar zijn hals gaan. Hij ademde niet, hij hijgde. Angstaanjagend. Het werd nog erger als hij zich ging scheren. Hij had een stevige baardgroei. Het was sowieso een baardaap, er groeiden zelfs haren op z’n rug. Hij schoor zich heel jachtig, met grote halen. Dan zag zijn hele gezicht wit met rood. Wit van het scheerschuim en rood van het bloed.

Meestal ging hij ergens in de middag toch aan het werk, want de centen hadden we hard nodig, om tegen zevenen, veel eerder dan gewoonlijk, thuis te komen. We waren doordeweeks niet gewend hem ’s avonds nog te zien, dan lagen we al lang in bed. Maar nu kwam hij helemaal van de kaart thuis. Bekaf, schaamteloos ongegeneerd huilend soms. Onbegrijpelijk. Wij jongens werden er allemaal stil van, stuk voor stuk. Nou, dat gebeurde niet gauw.

Dan kreeg hij z’n op de kolenhaard opgewarmde prutje eten. En wij moesten naar bed. Hij kon ons er niet bij hebben, dat was hem werkelijk te veel. En mamma wìlde ons er trouwens ook niet bij hebben.

Als hij in het weekend zelfs niet meer mee naar de kerk ging, wisten we dat het heel erg was. Vlak voor vertrek (‘Opschieten, Pim, en Geerie, trek je schoenen eens aan. En waar is Johan nu weer? ‘Die zit te kakken.’ ‘Nee, hè!’) keek haar hij dan met zijn smartelijkste blik aan en smeekte haar met trillende stem: ‘Bid voor mij, Marja.’

‘Dat zal ik doen,’ antwoordde ze dan ijzig, boos dat hij zich voor het oog van zijn kinderschaar weer zo liet gaan. ‘Kom op jongens, we gaan.’ Ze kon niet verhinderen dat hij zich ook nog tot ons richtte: ‘En zullen jullie dan ook voor mij bidden? Ik heb ’t heel hard nodig. Heel hard…’ Waarna hij begon te grienen. ’t Was griezelig. Wat wàs er met die man?!

En dan gingen we, te voet, in onze zondagse kleren. Weer of geen weer. De kerk was verplicht. Dat zouden we later wel begrijpen, werd ons verteld. Want als iemand ons kon helpen, dan was ’t God wel. Ik hoopte het maar.

We liepen door de Berkheistraat, meer een laan eigenlijk, langs de manege en het oude, chique en ietwat geheimzinnige bejaardenhuis, dat omringd was door bomen en struikgewas. In de Berkheistraat werd onder de kastanjebomen de wekelijkse markt gehouden. Ik keek omhoog naar die bomen met hun aangetaste, grillige stammen waar we speels slingerend omheen dribbelden. Ik zag nog genoeg kastanjes hangen tussen de bruine bladeren.

‘Pappa moet waarschijnlijk weer naar het ziekenhuis,’ zei onze moeder.  ‘Er is iets mis in zijn hoofd. O, ’t is niks om je zorgen over te maken, dat is wel vaker gebeurd. Met een paar dagen is hij weer thuis. Dus laten we inderdaad maar voor hem bidden.’

Op dat moment herinnerde ik me dat ik, lang geleden, als kleuterschooljongen in deze zelfde laan achter bij mijn moeder op de fiets zat. We gingen pappa opzoeken in het ziekenhuis. Het was zomer, de bladeren van de kastanjes, net grote handen, zwaaiden boven ons. Ik hoorde ze ruisend fluisteren in hun geheimtaal en geloofde dat ze me met hun geritsel iets wilden zeggen. Ik was er niet gerust op en het leek alsof mijn moeder, die die dagen toch al anders was dan anders, er ook niet gerust op was, zo hard als ze doortrapte. Ik greep haar steviger vast. ‘Rustig maar, jongen,’ zei ze. ‘Het komt goed. Alles komt goed.’ Haar stem klonk ongewoon, alsof ze pijn had in haar keel of zo. Ze wreef over mijn hand en onderarm. Ik bibberde.

Het ziekenhuis lag ook al tussen bomen. Het was er heel raar, een beetje eng ook, vooral door de grote mensen die er rondliepen als spoken. Sommigen konden alleen maar gekke bekken trekken of bleven maar bewegen, heen en weer en heen en weer. Ik vertelde m’n zus er later over. ‘Die mensen zijn getikt,’ zei ze. ‘O,’ antwoordde ik ‘dus daarom bewegen ze als een klok.’ Toen moest ze heel hard lachen en ze omhelsde en knuffelde me stevig. Mijn vader kreeg ik die middag niet te zien. Ik zag de dokter, een half oog op mij gericht, iets tegen m’n moeder fluisteren. De zuster, een zwarte vrouw, ontfermde zich over mij. Ze gaf me een lolly. Ik vond het prima. Alleen die kussen van haar, met die grote lippen, dat vond ik niet zo fijn. En ze zat maar in m’n blonde krullenhaar te woelen, met die lange vingers van haar met die knalrode nagellak.

 

In de kerk gold eigenlijk maar één regel: je moest je mond houden. Je hoefde niet per se te luisteren naar de pastoor, als je maar wel meedeed met de gebeden die je kende: het Onzevader en het Weesgegroet. Soms klonk er een lied dat best mooi was, hoe onbegrijpelijk de woorden ook waren. Verder mochten we in onze eigen meegenomen boekjes lezen en keken we bijvoorbeeld naar die rare man in de zijbeuk die zijn gebed altijd afwisselde met enorm gegaap. Je was altijd opgelucht als het brood werd uitgedeeld en helemaal als het orgel machtig opklonk, de eerste maten van Bach’s toccata. Beuk heette de man die het bespeelde, en dat is precies wat hij deed: er de beuk in zetten. Geweldig was dat steeds. En daarna lekker weer naar buiten, naar het heldere licht en de frisse lucht!

Thuisgekomen van de kerk zagen we dat pappa nog in z’n streepjespyjama rondliep. Hij had een stoppelige baard en omhelsde ons allemaal. Toen moest ie van moeder gaan rusten, boven, in z’n bed.

‘Maar ik word gèk in mijn bed! Dan lig ik maar te malen. Dwanggedachten, Mar. Dwanggedachten!’

‘Maar je kunt niet zo blijven rondlopen. Ga je dan maar aankleden en een eindje wandelen.’

En dat deed hij. Pas toen het allang donker was keerde hij terug. Hij was de weg kwijtgeraakt, vertelde hij, wist niet meer waar hij was. Hoe kàn dat nou, antwoordde mamma, je woont hier al je hele leven. ‘Ik wéét het niet,’ riep hij, ‘ik weet ’t gewoon niet.’ Hij begon weer te huilen.

Van moeder moesten wij ‘als de donder’ naar bed. Maar van slapen kwam het niet erg. Met toegeknepen keel lag ik te luisteren naar hun onverstaanbare maar akelige geruzie, die ermee eindigde dat ze allebei aan het janken sloegen. ‘Ik weet ’t ook niet meer!’ riep moeder. Dat was het enige wat ik verstond. Onwillekeurig welden er tranen op in m’n ogen en hoezeer ik ook slikte, ik kon ze niet tegenhouden.

--

De volgende aflevering:

Hoe het verder moest met vader. En: jongens, piemels en schrikdraad, een landelijk tafereel

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen