Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 7

woensdag 25 november 2020

Vader een elektroschock, zijn jongens in de weer met schrikdraad. Een uitstapje naar het platteland

De paar dagen dat vader ‘opgenomen’ was, zoals dat scheen te heten, en ook ’s avonds laat niet thuiskwam van werken, zoals we gewend waren, die waren lekker rustig. Héérlijk vond moeder het zelfs. Ze had ons verzekerd dat er goed voor hem gezorgd werd, daar in dat speciale ziekenhuis: de Ursula-kliniek.

Annie, een achternicht, kwam onze moeder, die oververmoeid was of zoiets, helpen in de huishouding. Dat deed ze wel vaker en dat was altijd heel gezellig, vonden wij. En tante Mie kwam ook elke dag even op de thee om lekker te babbelen. We zagen onze moeder er zienderogen van opknappen. En zelf waren we dan ook minder gespannen. Over vader werd verder gezwegen: vader vormde een bedreiging, zoveel was wel duidelijk.

Maar op een dag keerde hij terug. Hij zag er heel slapjes uit en z’n kleine ogen drukten alleen maar een vermoeid verdriet uit. ‘Lamlendig,’ voelde hij zich zei hij, wat ik een heel mooi woord vond, vast uit de Bijbel, dacht ik. Zijn mond hing open en z’n tong zag wit beslagen. Twee verplegers hielpen hem om het opstapje van de voordeur te nemen. Op verzoek van moeder zouden ze hem meteen de trap op helpen naar hun slaapkamer. Hij was de verplegers overdreven dankbaar en stond erop dat ze het vijffie aannamen. Dat deden ze omdat hij zo aandrong, maar achter zijn rug gaven ze het terug aan moeder, die hen met een veelbetekenend knikje bedankte.

Mirjam vertelde dat vader een ‘elektroshock’ had gekregen. Dat had ze van moeder gehoord. Dan ging er elektriciteit door je hoofd, legde m’n zus uit, en dat deed, heel even maar, heel erg pijn, maar daarna voelde je je weer beter, dan waren alle zorgen verdwenen.

Na een halfuurtje mochten ook Geerie en ik even bij vader op bed kijken. Het was donker in de slaapkamer en het rook er naar zweet. Hij had moeite met spreken, maar hij verklaarde dat hij zich al een stuk beter voelde. ‘Dankzij,’ zoals hij zei, ‘die elektrische schietpartij.’ En hij voegde er merkwaardigerwijs aan toe: ‘Ik weet wat Jezus aan het kruis heeft gevoeld. Ik weet ’t precies. Ik ben alleen de zoon van God niet. Maar jullie zijn wel mijn zoons.’ Dat ‘jullie’ kwam er héél raar uit en dat ‘zoons’ was nog onverstaanbaarder. Het was net alsof hij zijn tong verloren had. Of nee: dat hij er twee of misschien wel dríé had. Was dit wat ze in de kerk bedoelden met ‘spreken in tongen’? 

‘Laat vader nu verder maar met rust,’ sprak moeder heel voorzichtig en ze voerde ons met haar mee de kamer uit. Beneden verzekerde ze ons dat het allemaal goed kwam.

Toch liet het me niet los. Elektroshock? Elektriciteit door je hoofd? Met een doornenkroon als van prikkeldraad: zoiets als Jezus had bij zijn kruisiging, maar dan dus van metaal. Hoe anders? Dat je van elektriciteit erg kon schrikken wist ik natuurlijk al wel. Schrikdraad!

Het deed me van de weeromstuit denken aan ons zomers bezoekje aan een oudtante en -oom in Lisse. Hun oude boerderij stond pal naast de ruïne van een middeleeuwse donjon, die ik en mijn broers tot niet minder dan ‘kasteel’ opwaardeerden. Feitelijk was het op het laatst niet meer dan een berg stenen, maar in je fantasie zag je de ridders er al lopen en dus speelden wij er riddertje – onze zus Mirjam was er niet bij – en nog dusser was het algauw huilen geblazen. Johan had als eerste het hoogste punt bereikt van de ruïne en begon van daaraf kleine stenen naar ons te gooien. Frans kreeg er een tegen z’n oor en had pijn, het bloedde zelfs een beetje. Hij rende jankend het huis, de boerderij, in. Even later kwam vader aangestormd en maande ons woedend de ruïne te verlaten. ‘Kunnen jullie dan nou nooit eens normaal doen, stelletje lamlullen!’ Onder de indruk klauterden we van de ruïne af en toen hij weg was, ginnegapten we over dat nieuwe prachtige woord van hem: lamlullen.

In het huis stonk het, vonden we, naar oud hout, vocht en spinnenwebben. Naar pis ook, al mochten we dat van onze ouders niet eens zeggen. Het was er echt vuil, want onze oudtante en -oom konden nauwelijks nog voor zichzelf zorgen. Een andere tante, ook al hartstikke oud, kwam ze bijna dagelijks helpen. Ze hadden tot hun grote verdriet hun laatste zes koeien al overgedaan aan de naburige boer. En als ze dat ons voor de zoveelste keer vertelden, dreunden ze hun namen weer op: Bella, Stien, Driekje, Anna, Klaar en Jet. ‘Prachtbiesten!’ zei onze oudoom dan, met glimmende oogjes.

Ze roken ook merkwaardig, die twee oudjes, een beetje zurig, en ze waren bijna niet te verstaan. Snoep hadden ze er niet, alleen oude taaie koekjes, altijd weer dezelfde: omdat we ze nooit namen. Wij bleven liever uit hun beurt. Dadelijk wilden ze je nog omhelzen of zoenen. Zelf hadden ze geen kinderen. Daarom, had moeder uitgelegd, kregen ze ook zo weinig bezoek.

Het enige interessante daar in huis was de poepdoos, alleen die naam al sprak tot de verbeelding. In een halfduistere ruimte stond een plompe vierkante stenen zetel met een planken bovenzijde waarin een ronde uitsparing was aangebracht. Als je het oude, verweerde deksel opendeed kon je de poep ruiken en als je erin keek zag je in het duister de glimmende stront en krantenproppen – ze hadden geen wc-papier. Soms zag je er ook wormpjes tussen krioelen. Fascinerend. Vooral als je wist, zoals vader een keer verteld had, dat onze oudoom die poep er eens in de zoveel tijd uit schepte en in z’n tuin over de groentebedden verspreidde.

Daarom roken ze vies, dat kwam door die stront van ze! Ze vraten het gewoon weer op! Het verklaarde ook hun ondraaglijke adem die uit hun bijna tandeloze monden wasemde.

Soms kreeg moeder rabarber mee, van die rode stelen met enorme bladeren, maar wij lustten dat dan niet want, eenmaal tot zurige dunne wurmpjes gekookt, riep ’t voor ons te veel onsmakelijke associaties op. In die tuin mochten wij trouwens niet komen. Er stond een gammel hek omheen. Jammer, want we wilden het wel eens van dichtbij bekijken, al was het maar vanwege de aardbeien en al die zoemende insecten en fladderende vlinders.

We verveelden ons en Pim ging het binnen zeggen. ‘We gaan zo naar huis,’ had moeder geantwoord. We moesten nog even buiten spelen. ‘Ga de koeien maar aaien.’

We liepen de oprijlaan op, naar de koeien die achter het prikkeldraad stonden. Ze keken ons dommig aan met die grote ogen van ze en ze kauwden gewoon door, af en toe imposant snuivend. Die beesten droegen ook een geur met zich mee, maar die vonden wij eigenlijk wel lekker. Met een stok tikten we ze zachtjes op hun neus. Op een gegeven moment raakte Johan het prikkeldraad aan en begon hij, heel even maar, hevig te schokken.

Schrikdraad! Maar dat was interessant! Een voor een deden we onszelf geweld aan en raakten het draad heel kort aan. Het leek wel of je eraan vast bleef plakken. Vreemd. En de schok was, hoewel ook pijnlijk en onaangenaam, ergens wel prettig. We begrepen het niet. Maar Pim zei dat het net als op de kermis was. In het reuzenrad was het toch ook eng en lekker tegelijk? Ja, dat vonden we wel een goeie. Maar hij had nog meer te vertellen: je moest tegen het schrikdraad pissen, dan zou je pas wat meemaken!

Johan kwam niet meer bij van het lachen en Frans en ik keken elkaar onzeker aan. Geerie friemelde wat met z’n handen, het was een teken dat hij het naar zijn zin had.

‘Durf jij dat dan?’ vroeg Frans.

‘Natuurlijk,’ zei Pim.

‘Doe het dan.’

‘Jij eerst.’

‘Waarom ik?’

‘Omdat ik het al weet, ik heb ’t al een keer gedaan.’

‘Cor heeft ’t ook nog nooit gedaan.’

‘Maar Cor hoort bij de kleintjes,’ antwoordde Pim tot mijn grote opluchting.

Frans stond in dubio. Hij voelde de druk van onze ogen. En Pim voerde die druk met het botte raffinement van een tiener op: ‘Je durft niet, hè. Homo!’

Wij lachten besmuikt mee en begonnen toen in koor te roepen, Johan, Geerie en ik: ‘Frans is een homo!...’

‘Wat betekent homo eigenlijk?’ wilde Geerie toen weten. En weer schoot Johan in een lachkramp.

‘Een lafaard,’ zei Pim. ‘Homo betekent lafaard.’

‘Niet!’ riep Johan.

‘Oh nee, hij zal het weer beter weten, onze plomp met z’n zoeloe-lippen,’ antwoordde Pim.

‘Zoeloe! Zoeloe!’ riepen wij, de anderen.

‘Johan, de witte neger!’ riep Pim.

Johan stond er maar een beetje bij te lachen, hij was wel wat gewend. Toch zag je aan z’n gezicht dat het hem pijn deed.

‘Oké,’ zei hij, ‘ik weet het goed gemaakt. Ik zal wel tegen die draad plassen. Maar dan moeten jullie mij niet meer uitschelden.’ Pim glom van trots, dat was een prachtovereenkomst! En Frans juichte om het hardst.

‘Nou, kom op dan, Seek,’ sprak Pim hem met weer een andere bijnaam aan, ‘we kunnen niet eeuwig blijven wachten.’

Met bedrukt gezicht maakte Johan z’n korte broek los en haalde z’n piemel tevoorschijn. Hij keek even om zich heen en toen naar het gras en de paardenbloemen die aan onze kant van het prikkeldraad stonden. En daar kwam z’n straaltje. Het was niet veel en het duurde even voor het boogje het draad raakte. Maar toen dat contact er eenmaal was sprong Johan een gat in de lucht en brulde het uit. ‘Whoeahhh!’ Wij schrokken ervan. Hij was bijna achterover gevallen en stond nu gebukt met z’n twee handen op z’n piemel. ‘Au! Au!’ gilde hij. ‘Het doet hartstikke pijn!’ Maar het was vooral de schrik die hem nog parten speelde. En de schaamte.

Pim wist dat. ‘Het dééd pijn’ zei hij. ‘Heel even maar. Ik weet ’t, want ik heb het zelf ook wel eens gedaan. Je stelt je gewoon aan… Homo!’

Johan keek op, tot z’n tenen toe vervuld van haat. Zonder z’n broek dicht te knopen vloog hij op Pim af. Maar die nam meteen de benen en was hem te vlug af. Johan gilde en huilde, er klonk wanhoop en onmacht in door, en tot overmaat van ramp zakte tijdens het hollen z’n broekje af en kwam hij te struikelen op het keienpad dat de oprijlaan vormde. Ja hoor, bloed. Z’n knie bloedde. Het zal eens niet zo zijn. ‘Scheefpoot! Scheefpoot!’ riep Pim. ‘Daarom val je altijd om! Hij ken niet eens op ze eigen benen blijven staan, jongens… Haha!’

Johan bleef liggen en hij leek zoveel verdriet te hebben dat hij misschien nooit meer zou opstaan. Nee, het was geen prettig gezicht. Waarom moest het nou altijd zo gaan? Ik had, m’n eigen aandeel in het geheel voor mezelf verdoezelend, medelijden met hem. Ik zette het op een rennen om het binnen te gaan vertellen. .

‘Vuile verrader!’ riep Pim me na. ‘Jou krijg ik nog wel!’

Hij kreeg ongenadig op z’n flikker van onze ouders, maar die verbale donderbui deerde hem niet erg, dat kon je zo zien.

‘Loeder, dat je d’r bent!’ zei mamma. ‘Je hebt het weer mooi verbruid!’

 ‘Ongestelde patjepeeër! Klerejoch!’ voegde pa toe terwijl hij hem vuil aankeek. Hij haalde uit en sloeg mis.

Moeder, verbeten: ‘Je zou hem toch…’

We gingen naar huis. Het was mooi geweest. En wij moesten de volgende dag weer naar school, vertelden ze onze oudtante. Dat was helemaal niet waar, want we hadden net vakantie, maar wij moesten vooral onze mond houden.

‘Altijd weer dat commentaar,’ verzuchtte onze moeder. ‘O, kinderen is ook niet alles,’ liet ze die oude tante weten. ‘Echt niet, hoor. Als je eens wist…’

Moeder kreeg nog twee bloemkolen mee van oudoom. Maar dan moest ze hem wel een kus geven, op z’n tandeloze mond. Ik zag vader stiekem knikken en wegkijken.

--

De volgende aflevering:

Waarin vader weer heel rare taal uitslaat. En kalverliefde ook raar blijkt te kunnen zijn

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

 

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden