Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 8

zondag 29 november 2020

Nieuwe bedreigingen op school en vader zegt weer héél rare dingen. De eerste, merkwaardige kalverliefde

Op school had ik orde op zaken gesteld. Ik hoorde er bij. Ik was zelfs een van de leiders van de klas, hoorde bij het kleine clubje baasspelers en die positie wilde ik koste wat het kost behouden. Het hielp dat ik, zonder er veel moeite voor hoeven te doen, tot de besten van de klas hoorde. Maar daarbuiten had ik er m’n handen vol aan. Zo deden we in de pauze op het schoolplein veel aan ‘ridder-te-paard’: een soort gevecht waarbij het erom ging je tegenstander van zijn paard te werken. De paarden in kwestie waren de jongens van het lagere echelon. En ik had een uitstekende keuze gemaakt. Mijn stal bestond uit de logge en ook wat trage, maar onverzettelijke Kees Lagedijk en als prijspaard had ik de even dikke als verlegen en onoverwinnelijke Remco Zureroom. Ik noemde hem vaak ‘mijn prachtige, dappere nijlpaard’, wat de ander jongens wel zo grappig vonden en Remco zelf als een eretitel droeg. Hij moest wat, als verlegen jongen die niet uit z’n woorden kan komen. Door al m’n overwinningen, die ik vrijwel volledig had te danken aan mijn ‘paarden’, steeg ik hoger en hoger in de ongeschreven rangorde binnen onze klas. En als het moest deed ik er soms een schepje bovenop in de vorm van een rare act of een bizarre grap. Ook een goed middel was het imiteren van klasgenootjes, daar raakte ik allengs heel bedreven in. En als ik het even niet meer wist dan deed ik Jan Onderhetveld na, die de r niet goed kon uitspreken. Dan vroeg ik naar mijn naam en zei hij met die rare bek van hem – een mond kon je het niet noemen – zoiets als ‘Kuw.’ Of dan vroeg ik wat hij het lekkerste eten vond: ‘Macawoni’. Weer een gevalletje van in tongen spreken! Met dit verschil, dat deze Jan er wel een hele mond of liever gezegd muil van vol leek te hebben, zo groot was zijn spraakgebrek. En tijdelijk was het ook al niet: hij sprak altijd zo raar. Zelfs de schooljuffrouw had moeite met hem te verstaan.

Voor de zekerheid had ik mijn vader gevraagd naar een goed woord met een paar r’s en toen kwam hij, zonder er echt over hoeven na te denken en nog liggend in z’n bed, het was iets van half acht in de ochtend, met de suggestie van ‘drietrapsraket’. Nou, dat was helemaal een succes! ‘Dwietwapswaket.’ Jan maakte er goede sier mee – zíjn overlevingstactiek. En wij maar lachen. Hoe kwam ik toch aan dat wonderbaarlijke woord, wilden m’n klasgenootjes weten. ‘Nou, gewoon, verzonnen,’ antwoordde ik alsof m’n neus bloedde.

Aan de aanvoerkant van mijn verdedigingslinie vroeg mijn vader waarvoor ik zo’n woord nodig had. ‘Nou, gewoon, voor de gein.’ Daarna begon hij over Von Braun, de ‘geniale Duitse rakettenontwerper’, die de v-raketten had ontwikkeld en godzijdank! godzijdank! nu voor de Amerikanen werkte en niet voor de Russen… De drietrapsraket was weer zo’n geweldige uitvinding van hem. Dat bracht ons naar de maan…

‘Stel je voor!’ riep vader, helemaal opgaand in z’n enthousiasme, ‘straks vinden ze God nog aan de donkere kant ervan! Ligt die daar lekker te luieren! Wat kan hem de mensheid verder schelen!’ Hij begon onbedaarlijk te lachen, echt als in een stuip. En dan was er nog die rare blik in z’n ogen. ‘De donkere kant van God…’ sputterde ik, die hier meer van wilde weten. ‘…dat is de duivel,’ vulde mijn vader opeens heel ernstig en bijna angstig aan, er kennelijk geen been in ziend mijn misverstand recht te zetten. Ik liep weg, kon er niet meer tegen. Soms zei hij zùlke rare dingen.

Toch waren er ook op school bedreigingen. Ik was slecht in gym en dat was echt een minpunt. M’n klasgenoten hadden er nog niet veel van gemerkt, maar ik ging altijd met pijn in mijn buik en naar de gymzaal. Als de wandrekken dan werden uitgeklapt, werd ik bijna misselijk van angst: ik kon totaal niet omgaan met m’n hoogtevrees. De eerste de beste keer dat we er overheen moesten klimmen, wel drie meter boven de grond, haalde de leraar me eraf. Ik had een been over het rek heen geslagen maar verlamde in die houding van angst. Ik kon er niet eens op eigen kracht uit klimmen, de meester moest me helpen, wat hij misprijzend mompelend en met z’n hoofd schuddend deed. En toen stond ik daar, te trillen op mijn benen en ik schaamde me rot. Ik durfde de anderen bijna niet aan te kijken, desondanks zag ik ze besmuikt lachen. Ai. Daar was weer werk aan de winkel. Wat was ik toch een stijve hark! – een bijnaam die ik aan m’n broers had te danken.

Het gevaar kon ook uit onverwachte hoek komen.

Henk Noordoost, een verder ongevaarlijke meeloper die ook als het al bijna vroor nog in korte broek op school kwam en zich daarmee vreselijk diskwalificeerde, te meer omdat zijn ouders van die ontzettend stijve vrome trutten waren, gooide op een keer en schijnbaar zomaar in ons groepje: ‘Jouw vader is gek.’

‘Zo. En wie zegt dat?’

‘Mijn vader.’

‘Nou, dat moet jouw vader nodig zeggen!’ blufte ik. ‘Jezus, het moet niet gekker worden! O, nee, dat mag ik niet zeggen, hè: Jezus. Dat mag niet van je vader met z’n monnikenkop.’ Dat was ook een beetje een gok, ik had z’n vader misschien twee keer gezien, maar het werkte, want Henk bond meteen in. Ik keek hem vijandig aan en zag het kettinkje om z’n hals met het opschrift: Ik hou van Jezus. ‘Misschien was het maar een grapje van m’n vader,’ zei Henk hees.

‘Nou, leuke grapjes maakt die vader van je dan. De mijne maakt betere, dan kan ik je wel vertellen! En jij maakt zelf ook geen grappen. Eigenlijk ben je maar een saaie, suffe dakduivel. Een droplul van een apostel… En weet je, als jij van Jezus houdt, dan ben je een homo! Hoor je me, een homo!’ M’n zus had uitgelegd wat een homo nou eigenlijk was: een man die van mannen hield. Iets heel raars.

Hij kon er niet tegenop, tegen zoveel verbaal geweld. De tranen sprongen in z’n ogen. En ik voor mij genoot thuis natuurlijk een uitstekende leerschool in het afzeiken. Ik kreeg zelf ook de smaak al aardig te pakken. Het was eigenlijk iets machtig moois, ontdekte ik. En het luchtte op. ‘Schelden doet geen pijn,’ zei onze moeder wel eens als ze thuis een ruzie in de kiem probeerde te smoren. Nou, ze moest eens weten.

In ieder geval kreeg ik de lachers op mijn hand en was mijn overwinning binnen. Intussen zat ik ’m te knijpen, want m’n vader was inderdaad een gekke man. Het werd me ook duidelijk als ik ergens in het dorp herkend werd door een volwassene. ‘Zo, en jij bent er zeker een van Van Hargen. Van Adri.’ En dan zag je ze meesmuilen.

*

In die tijd diende zich een kalverliefde aan. Een die nieuwe verwarringen met zich meebracht. De allereerste kon ik me nog goed herinneren, dat was op de kleuterschool. Ze heette Hanneke Steen en ze speelde met ministeck, een fijn rooster van plastic waarin je kleurige pinnetjes kunt rangschikken zodat er een figuur ontstaat. Hanneke zat op haar stoel en ik stond naast haar. Ik vond haar lekker ruiken en vond sowieso haar lippen altijd zo mooi glimmen. En nu zag ik haar met haar prachtige vingertjes met schone nagels de pinnetjes vastzetten, heel precies en bedachtzaam. Ze zag mij niet staan en toen drukte ik met mijn vieze afgekloven wijsvinger en duim een paar van die pinnetjes diep in het rooster, zo diep dat je die er, geloofde ik, van je levensdagen niet meer uit zou kunnen krijgen. Ik deed het om haar te pesten, maar veel meer nog om indruk te maken opdat ze me niet zou vergeten. Ja, omdat ik van haar hield.

Ze keek op, dat schattige popje, en veegde haar steile donkere haar achter haar oor. Ik zag dat haar ogen groter leken dan anders: door de tranen, en haar wangen gloeiden, net als haar lippen. Er liepen een paar waterlanders langs haar neus. Ze zei niets, keek me alleen maar aan.

Ik streek heel even met de rug van mijn hand over haar brandende linkerwang en verliefd glimlachte ik terug.

O, ze huilde, dat was jammer, maar ergens ook wel goed, dacht ik en ik genoot van haar tranen en de gloedvolle geur die haar spanning en verdriet met zich meebrachten. Toen liep ik weg. En dat was dat. De eerste vlaag van verliefdheid. Duur: misschien tien, twintig seconden – maar wel indrukwekkende seconden. Het zorgde dagenlang voor een vreemd gevoel. Iets weeïgs en pijnlijks tegelijk, en even heerlijk als afschuwelijk. Het maakte dat ik me, bijna als een schildpad, thuis voor het eerst terugtrok onder de eettafel. Ik ging liggen op de zittingen van de drie stoelen die aan de ene kant van de tafel naast elkaar stonden en wist me beschermd door het tafelblad vlak boven mijn hoofd. Het overhangende tafelkleed zorgde dat ik nog meer aan het zicht onttrokken was. Het was mijn hol. Vandaar uit keek ik naar de anderen, naar mijn zus en broers en, als hij er was, mijn vader. M’n moeder stond in de namiddag meestal in de keuken. Ik keek en dacht na. Ik probeerde alles te begrijpen. Want wat er allemaal gebeurde, had op de een of andere manier iets geheimzinnigs. Ik dacht er ’s avonds in m’n bed als het donker was ook vaak over na. Soms geloofde ik sterk dat iedereen een spelletje met me speelde, dat ik de enige was die in onwetendheid werd gehouden, maar dat het allemaal maar flauwekul was. En ik was er vast van overtuigd dat ze het me op een dag zouden bekennen. Dan mocht ik alles weten en dan zou ik eindelijk alles begrijpen. Ik wachtte op die dag, ik verlàngde naar die dag, het zou een bevrijding zijn. Ik had het er wel eens met m’n moeder over gehad maar die begreep niet waar ik het over sprak. Of nee, die dééd natuurlijk alsof ze het niet begreep. Wat me trouwens wel verdrietig maakte. ‘Je kunt het me toch wel zeggen,’ piepte ik een keer teleurgesteld bij zo’n gelegenheid.

‘Maar wat dan, lieverd?’

‘Nou, gewoon, wat jullie allemaal denken en zo.’

‘Ik snap niet waar je het over hebt….’

‘Over alles.’

‘Over alles… Hm. Dat is nogal veel. Misschien moet je niet zoveel nadenken. Kijk maar naar je vader, die wordt er ook niet beter van.’

‘Heeft pappa dan hetzelfde als ik?’

‘Wat heb jij dan?’

Echt wanhopig: ‘Dat heb ik net gezegd!’

‘Je bent moe, je moet maar eens lekker gaan slapen.’

Dat vond ik zó’n stom antwoord dat ik me woedend omdraaide en het beddegoed over me heen trok.

‘Goed zo,’ zei ze.

Godverdomme!

Die nacht werd ik wakker en zat ik vast. Ik baadde al in het zweet maar nu brak ik werkelijk in paniek uit. Ik gilde. Ik zat in een zak, als een konijn! Als een onschuldig konijn! Ze namen me mee – maar waarheen?! Ik trok en duwde aan alle kanten en vond toen, buiten adem, de opening, boven me. Ik lag in bed. Godzijdank, ik lag gewoon in bed. Terwijl ik had gezworen dat ze me te pakken hadden. Maar wie waren dat, die ‘ze’? Dromen waren zo verwarrend, dat maakte het allemaal nog moeilijker. Vader had wel eens gezegd dat je geheugen net een groot pakhuis van herinneringen was, een pakhuis, voegde hij er ongevraagd aan toe, waarin hij, in zijn geval, de weg kwijt was. Maar het pakhuis van kinderen, zei hij erbij, stelde niet veel voor, dat was nog maar klein, meer een soort van poppenhuis eigenlijk. Goed, dat kon zo zijn, maar hoe zat het dan met dromen? Daarin kon je, terwijl je alles herkende, ook verdwalen. Ze leken daarom misschien meer op een spiegelpaleis, zo een als waar ik die afgelopen zomer op de kermis de uitgang niet van kon vinden. Ik zou dat voorvalletje, hoe onbenullig verder ook, niet licht vergeten. Want het was heel leuk, maar ook best spannend, om niet te zeggen: eng. We mochten van onze moeder nog een keer, maar ik wilde niet meer. (Spiegelpaleis: een woord dat, daar kwam ik natuurlijk pas veel later achter, zelf bijna een dubbelspiegel vormt: spiegel-paleis. Maar, geheel in de stijl van dromen, met een onvolledige, een verwrongen zelfreflectie.)

--

De volgende aflevering:

Een eerste echte liefde: Susanne. En vader die weer van alles in zijn hoofd haalt.

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

 

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden