Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 9

woensdag 2 december 2020

Cor’s liefdesavonturen met Susanne en vader die weer van alles in zijn hoofd haalt

De tweede liefde was groter en hardnekkiger en overviel me minstens zo hevig als die eerste. Ik maakte een naschools afspraakje met haar (’Zullen we spelen?’) en nog een en nog een, en aan het eind van de week zeiden ze in de klas dat het ‘aan’ was tussen Susanne en mij, dat wij ‘verkering’ hadden. Dat dat heel bijzonder was besefte ik wel, want niemand in onze klas had nog ooit zoiets als verkering gehad. Ze durfden me er niet eens mee te pesten, waar ik aanvankelijk wel een beetje bevreesd voor was. Zelfs mijn broers waren tamelijk onder de indruk, terwijl mijn zus er àlles van wilde weten en moeder zei: ‘Jij bent er vroeg bij…’ Verbeeldde ik me dat nou of klonk het echt een beetje zorgelijk?

Susanne had eveneens steil haar, donkerblond en halflang. Haar ogen waren schitterend en geheimzinnig groen met iets van streepjes. Ze had, dat vond ik fraai, strakke kaken. En dan nog haar mond met die lieve tanden en mooie lippen. De sproetjes op haar neus! Ik kon uren naar haar blijven kijken en ontdekte telkens weer wat anders.

We gingen fietsen op haar fietsje, de eenden in het Burchtpleinvijvertje voeren of speelden met haar poppen, het maakte mij allemaal niet uit, als ik maar bij haar in de buurt kon zijn, haar kon zien lachen, me laven aan haar schittering, haar geur opsnuiven.

Dat najaar bracht ik veel tijd met haar door. Bij mij thuis afspreken, met al die bemoeizuchtige pottekijkers van een broers, dat stelletje azijnpissers, leek me niet handig, bovendien voelde Susanne, bang voor al die grote jongens, er ook niet veel voor. Dus liep ik een paar keer per week na school met haar mee naar huis. Soms ging er nog een buurtvriendinnetje van haar mee, Anjelle Braaksma, weliswaar het slimste meisje van de klas, maar ook iemand met eczeem, ik wilde haar er in ieder geval niet bij hebben. Gelukkig haakte zij meestal al gauw af, of anders zei ik dat ‘Suus en ik’ gingen schaken, een hint die zij altijd onmiddellijk begreep, ook al volgde ze die niet van harte op omdat ze verder geen vriendinnen had. Ze woonde, net als Susanne, vlak bij school, in een, zeker vergeleken met mijn ouderlijk huis, tamelijk riant pand dat in de dorpskern van Wassenaar lag.

Susanne en ik zouden altijd bij elkaar blijven, dat wisten we zeker, en we maakten trouwplannen, speelden alvast vader-en-moedertje en bedachten hoe we ons leventje verder zouden organiseren: we wilden een huis met een grote tuin en een hond en een zwembad... Na een week of wat was het tijd voor de eerste zoen.

Die middag was er verder niemand thuis, haar broer Frans-Jan was bij een vriendje van hem en haar ouders waren naar de stad. We zaten op het kleedje voor de open haard, om ons heen strekte de door de werkster glimmend geboende houten vloer zich uit. Ik vond de inrichting van hun huis heel mooi. De bank was van heel zacht en lekker ruikend leer, statig zwart van kleur en gevat in een stelsel van gebogen en glimmend stalen buizen. Zoiets had ik nog nooit gezien. En er hingen moderne schilderijen aan de muur, met speciale lampjes om ze uit te lichten. Op de rookglazen tafel stond een vaas met een enorm boeket droogbloemen. Daarnaast lagen tijdschriften, die mijn moeder vast ‘van die dure bladen’ noemen zou. Alles was er ook zo keurig geordend en opgeruimd, het rook er in huis ook altijd naar schoonmaakmiddelen. Susanne lachte naar me. ‘Wat is er?’ vroeg ze glimlachend.

‘Ik durf jou best een kus te geven,’ antwoordde ik, mijn hart klopte me in de keel.

Haar mond verbreedde zich in een lieve, wat verlegen lach. ‘Ik jou ook.’

‘Doe het dan…’

‘Nee, jij eerst.’

We kusten, drukten onze lippen onhandig tegen elkaar en snoven elkanders geur op. Daarna moesten we lachen, van geluk en verlegenheid. Wat déden we nou? ‘Ik geloof dat ik naar huis moet,’ zei ik toen en krabbelde overeind, euforisch en gespannen.

‘Ja.’

Aan haar stem te horen was ook zij aangedaan. ‘Dag!’

‘Dag. Tot de volgende keer.’

‘Morgen afspreken?’

 Buiten voelde ik voorzichtig aan mijn lippen en rook daarna aan mijn vingers. Ik had roodgloeiende oren van opwinding. Dit mocht niemand weten, vooral m’n broers niet!

Thuis kroop ik direct in mijn geheime plek op de stoelzittingen onder tafel. Ik wilde niemand spreken, ik moest kalmeren en vooral niks laten merken, want dan werd er gehakt van je gemaakt.

*

‘Hij heeft het weer,’ foeterde moeder half binnensmonds. ‘Het gaat ook nooit echt over.’ Ze gromde bijna. En wij begrepen het wel. Want vader bleef weer eens dagenlang op z’n bed liggen zonder dat hij griep had of iets dergelijks. Hij kwam er alleen uit om te plassen of om een appel te eten, die hij met steeltje, klokhuis en al naar binnen schrokte. Smakkend en met grote happen, waarbij het sap vaak van z’n kin afdroop. Hij vrat hem op alsof z’n leven ervan afhing. Ratsj-ratsj… Wij kinderen gruwden daarvan, moesten er ook wel een beetje om lachen. Zeker toen Pim hem met een gorilla vergeleek.

Op een ochtend kwam hij aangekleed en wel naar beneden. Hij ging weer aan de slag, zei hij. Want zo kon het niet langer doorgaan. ‘Gaat het wel dan, denk je, werken?’ vroeg moeder opeens toch bezorgd. ‘Tuurlijk,’ antwoordde hij. Bij het haastige scheren knoeide hij bloed maar dat kon hem niet schelen en nee, hij wilde geen schoon overhemd. Ze moest liever een zakje boterhammen maken. Hij had kennelijk haast, want zo was ie: zo veranderlijk als het weer. Hij graaide wat paperassen bij elkaar, propte die in z’n leren werktas, mompelde een groet en sloeg de voordeur dicht. Op last van moeder gingen wij hem voor het raam uitzwaaien. We zagen hem in z’n auto stappen en opnieuw in papieren frutselen, die hij tegen de ruit op het dashboard legde of achter de zonneklep opborg. Hij zat bijna met het stuur tegen zijn buik aangeklemd. We zagen de Daf 33 schudden bij het starten en er ontsnapte een zwarte rookpluim aan de uitlaat. Dat tafereel herhaalde zich wel een keer of drie en toen reed de auto, zonder dat vader op- of omzag, weg. We herkenden het pruttelende motorgeluid, dat langzaam verstomde, en we bleven zwaaien tot de auto de hoek om was, uit beeld.

Wij wisten dan dat we hem nauwelijks nog te zien kregen – wat we meestal helemaal niet erg vonden. Als hij op z’n bed bleef liggen, had je ook maar weinig last van hem. Dan hoorde je hem soms alleen zichzelf toeschreeuwen: ‘Nee, Adri! Laat dat! Niet aan denken! Niet aan denken!...’ Daar werd je altijd wel een beetje bang van, maar meestal bleef het daarbij. De vijf of zes dagen dat hij op zijn bed lag waren daardoor heel rustig verlopen. Ome Jan was op een middag nog langsgekomen met de vraag of alles goed ging. Hij sprak in de achtertuin met onze moeder, knikte wat, keek zorgelijk, en ging toen weer weg. En verder waren er de gewone bezoekjes, elke ochtend van de bakker, ome Jan Beinman de buur en bakker, soms kruidenier Kroon, in z’n beige katoenen jasje met de zakken vol snoepjes, neef Jan, die de op zaterdagochtend de vleeswaren bracht, en dan had je nog kapelaan Alkemade, die nog wel eens een borreltje kwam doen. Het leukste was als tante Mie kwam, want dan werd moeder ook altijd vrolijk. Die tante maakte grapjes met ons en kende heel veel rijmpjes. Ze dronken wat thee en wij mochten een extra kaakje.

Een week of wat later haalde vader weer van alles in zijn hoofd. Hij bracht opeens singeltjes voor ons mee, een heel stapeltje, voor iedereen een: wel leuk, hartstikke leuk zelfs, maar geen goed teken. Mamma van Heintje, Air van Bach (‘Wat moeten we daar nou mee?’), Ob-La-Di Ob-La-Da van de Beatles (Pim: ‘Die wil ik!’) en zo nog wat. ‘Voor elk wat wils,’ zei mijn vader, ‘geen ruzie!’ Voor zichzelf had hij de nieuwe langspeelplaat van cabaretier Wim Sonneveld gekocht. Moeder kreeg een bloemetje en een knuffel (‘Niet doen, Adri, niet…’).

Nadat hij z’n opgewarmde maaltijd allemachtig snel naar binnen had gewerkt en een boer de vrije baan had gegeven, ging hij er eens goed voor zitten. Ten eerste wilde hij een nieuwe platenspeler. Hij was bij radio en tv-handel Beuk geweest, de man die het kerkorgel bespeelde, en had een prachtexemplaar gezien. Echt een moderne  pick-up. Beuk had gezegd dat die ‘top of the bill’ was (‘Nou, dat klinkt toch goed, niet?’), en eigenlijk te goedkoop voor die kwaliteit. Maar toen zag hij in die zaak ook een televisie die het helemaal was. Geen twijfel aan, die moest hij hebben! Voor ons allemaal! Want dat ding dat we hadden was een giller, dat kon echt niet meer in de moderne tijd.

 Ons eerste televisietoestel was een afdankertje van een oom. Hij stoorde erg, je moest er telkens een klap op geven, soms deed ie het helemaal niet, en vader was dat zat, te meer omdat een monteur, een neef van hem, zei dat er niks meer aan te doen was en de toestellen bovendien steeds beter en goedkoper werden. Nou, dat had hij nu zelf gezien. En mooi dat ze waren! Ja, de techniek stond voor niks, die knappe koppen van Philips wisten wat ze deden, tjongejonge.

‘Adri, wat moet dat niet allemaal niet kosten?...’ bracht moeder voorzichtig te berde. Ze had voor ons soesjes neergezet, naast de limonade.

‘En een telefoon!’ ging hij onverstoorbaar verder. Want als je dat niet had leefde je gewoon nog in de prehistorie. Stel je voor, grapte hij, dan bellen we de paus als de hosties op zijn! ‘Of met God, als die weer eens onbereikbaar is. Wat een gemak!’ Dùbbel lag hij. En het was of hij erin zou blijven. Hij ging zo op in zijn plezier dat hij zich verslikte. Hij moest er een beetje van spugen, z’n mond liep vol, maar hij wist het weer weg te slikken.

Opeens werd hij weer serieus. Want bovendien, benadrukte hij, bovendien was het niet minder dan onmisbaar voor z’n werk. En dan konden die het ook mooi betalen, dat zou hij wel even regelen. Dus daar moest moeder zich maar niet ongerust over maken. Het kwam allemaal goed.

Hij werkte toch niet voor niks zo hard! O, hij vond het helemaal niet erg om ook op zaterdag te werken. Ja, de zondagsrust, die moest hij wel eerbiedigen, dat kon gewoon niet anders. Maar voor de rest: hij was gek op z’n werk, verklaarde hij.

‘Adri, de huur is na de laatste verbouwing nog verhoogd, vergeet dat even niet…’ zuchtte moeder.

‘Ach wat, dat stelt niks voor,’ wuifde pa dat bezwaar weg.

‘En we gingen toch een wasmachine kopen…’

‘Ja Mar, je moet niet alles ineens willen…’ Hij keek haar grimmig aan. Ze moest hem niet tegenspreken, daar hield hij niet van.

--

De volgende aflevering:

Vader heeft weer nieuwe kuren

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden