Creatief met Corona 17. Een wassen neus

Een wassen neus
door Willem Frederik Erné

Wat Nick betreft was oma geen dag te vroeg naar het bejaardentehuis vertrokken. Hij was zes jaar oud en met papa en mama, acht jaar oudere broer Henk en zeven jaar oudere zus Marga was er al een overmacht aan gezag in zijn leven. Die Gronings knauwende bemoeial kon hij missen als kiespijn. Bovendien kreeg hij nu het kamertje van Marga, die doorschoof naar de middelste kamer, die hij tot dan toe had gedeeld met Henk, die naar oma’s kamer verhuisde, de grootste slaapkamer van het bovenhuis, groter nog dan die van papa en mama, maar die had een loggia.

Oma was mama’s moeder en heel lang geleden in Warffum geboren als Saartje Hamersma. Op haar achttiende was ze naar Groningen-Stad geëmigreerd en in dienst getreden van kleermaker Van der Pluim, die net gescheiden was en dringend behoefte had aan een huishoudster die ook voor zijn twee zoons kon zorgen, drie en vijf jaar oud. Scheiden was in 1915 zeer ongebruikelijk, zeker in gereformeerde kringen, maar iedereen erkende dat de kleermaker “een kreng van een wijf” getrouwd had (“en mesjokke bovendien”) en accepteerde de huwelijksontbinding toen de kleermakersvrouw moest worden opgenomen in een gesticht.

Minder vergevingsgezind was men toen bleek dat kleermaker Van der Pluim en zijn huishoudster ook een werkwijze hadden gevonden voor bepaalde niet-huishoudelijke behoeften. Ten overstaan van de hele kerk moesten de twee boete doen voor het feit dat ze ongehuwd gemeenschap hadden gehad, iets waarvan Saartje het zichtbare bewijs met zich meedroeg en dat door sommige mannenbroeders besmuikt werd aangemerkt als “des kleermakers betere naaiwerk”.

Gerard van der Pluim had de vernedering lijdzaam ondergaan, maar alleen omdat zeggen wat hij er werkelijk van vond zijn broodwinning in gevaar zou hebben gebracht. Toen echter enkele maanden na de geboorte van Mientje – Nicks moeder – een Amsterdamse neef hem berichtte dat kleermaker De Vries uit de Zaanstraat de aardse stof voor het eeuwige had verruild, was hij onmiddellijk naar de hoofdstad afgereisd en had de overname van de tailleurwinkel in orde gemaakt. Terug in Groningen-Stad had hij de huur van zijn eigen kleermakerij opgezegd, maar niet voordat hij die zondag tijdens de preek was opgestaan, luidkeels en met omschrijving van redenen als lidmaat van ‘dat hypocriete zootje’ had bedankt en de Gereformeerde Opstandingskerk was uitgebeend, met een peuter aan iedere hand en de kersverse tweede mevrouw Van der Pluim met de jonggeborene in zijn kielzog.

Dit alles wist Nick niet toen hij zes was en oma Van der Pluim naar De Lichtkring vertrok. Het valt ook te betwijfelen of deze wetenschap zijn vreugde over haar vertrek had getemperd, zo blij was hij verlost te zijn van haar bemoeizucht. Steevast stak zij haar mismaakte neus in Nicks zaken en altijd in zijn nadeel, bijvoorbeeld dat het zijn bedtijd was (net nu hij onopgemerkt door zijn ouders nog even zat te tekenen), dat hij een jas aan moest naar buiten (waardoor je minder goed kon klimmen in het tuinencomplex achter hun huis) en dat hij zijn ogen tijdens het bidden voor en na de maaltijd gesloten diende te houden (wat ze alleen kon weten als ze zelf keek tijdens het gebed).

In Amsterdam wist niemand van de zonde van de heer en mevrouw Van der Pluim en toen de Grote Oorlog ten einde kwamen, braken vrijwel meteen betere tijden aan voor de kleermakerij. Ook telde de Nederlands Hervormde gemeenschap in Amsterdam veel meer koppen – en dus pakken – dan de Gereformeerde in Groningen. Maar al die hervormden stonden net als de rest van de wereld machteloos toen de krach van 1929 plaatsvond en man voor man, pak voor pak, zag Gerard van der Pluim zijn klantenkring dunner worden, net als de stoffen en zijn marge. 

In 1937 besloot Gerard van der Pluim met zijn gezin en kleermakerij naar een betere buurt te verhuizen en vestigde hij zich in de Cornelis Anthoniszstraat. De verwachting was dat de clientèle daar omvangrijker en draagkrachtiger zou zijn. Dat klopte, maar ze was tevens veeleisender en de huur hoger, waardoor de balans per saldo nauwelijks gunstiger uitkwam.

De bezetting door de Duitsers zorgde aanvankelijk voor een economische opleving, maar het onrecht frustreerde Gerard van der Pluim, en waar hij de gereformeerde onbillijkheid eigenhandig had kunnen pareren door het hel-en-verdoemenisvolk eens goed de waarheid te vertellen en te vertrekken, stond hij machteloos tegenover deze vorm van onderdrukking. Ook economisch kon hij alleen maar lijdzaam toezien hoe het steeds slechter ging, vooral na Dolle Dinsdag.

Toen Gerard van der Pluim tijdens de kerstdagen van 1944 ziek werd en maar niet wilde beteren, droogden de inkomsten volledig op, op het kleingeld na dat Saartjes verstelwerk opleverde. De dokter zei weliswaar dat de kleermaker weer beter kon worden, maar de barre winter en het feit dat de Moffen de weinige voedings- en geneesmiddelen die er waren inpikten, verhinderden dat. Nick zou zijn opa van moeders kant nooit kennen. Gerard van der Pluim overleed vijf weken voor de bevrijding.

Dat laatste wist Nick wel toen hij zes was. Meer dan eens was dat verhaal verteld, op gezellige winteravonden aan de ronde eettafel, wanneer alle verhalen van de oorlog nog eens verteld werden. Hoe mama om haar moeder bij te staan nu opa ziek was, eind januari van Utrecht naar Amsterdam was gegaan, met de kleine Henk, die tijdens de grote razzia in Utrecht van 7 oktober ’44 geboren was, en hoe papa begin maart voor de verjaardag van mama op een fiets met houten banden naar Amsterdam was gegaan. Hoe hij op de vele, vele kilometers lange, kaarsrechte weg langs het Amsterdam-Rijnkanaal in de verte een Duitse controlepost had gezien en was omgekeerd, waarna hem een kilometer verderop een boer met paard-en-wagen tegemoet was gekomen.

Niet zelden was dit het moment dat iemand van de overmacht aan ouderen Nicks bedtijd te berde bracht. Verdomme, net nu het spannend begon te worden! Soms hielp soebatten en mocht hij opblijven tot het verhaal uit was. Eén keer had hij zich onzichtbaar weten te maken. Dat was toen er visite was en alle eetkamerstoelen bezet waren. Nick was op de grond gaan zitten en had zich ongemerkt, centimeter voor centimeter, onder de eettafel gemanoeuvreerd, waar hij verborgen achter het overhangende kleed ademloos had zitten luisteren. Wat jammer dat hij de oorlog niet zelf had meegemaakt! Pas om halfelf was hij gesnapt, toen mama van onder de tafel slaapgeluidjes hoorde komen.

 De boer was met een strontkar op weg naar Amsterdam. Papa vertelde hem van zijn vrouw en vijf maanden oude baby en dat zijn fietstassen vol met eten zaten, en de boer had het goed gevonden dat papa zijn fiets onder de stront verstopte en als knecht naast de boer op de bok ging zitten. Zo waren ze langs de Duitse wegversperring geraakt. Oma en mama waren dolblij geweest met de proviand, al vonden ze papa wel stinken.

Toen opa vlak na mama’s verjaardag overleed, kwam ze met Henkje terug naar Utrecht. En met oma, want die kon natuurlijk niet alleen achterblijven in het hongerige Amsterdam. Omdat er in de kleermakerij geen geld meer verdiend werd, had oma de huur opgezegd, en ook die van het bovenhuis, want er was niemand meer die er hoefde te wonen. Haar man was dood, haar dochter getrouwd en woonachtig in Utrecht, haar stiefzoons ondergedoken en Jan, de jongere broer van mama, opgepakt en tewerkgesteld in een fabriek ergens in Duitsland. Zodra de oorlog afgelopen was en alles weer normaal, zou ze terugkeren naar Amsterdam. Gebrek aan woonruimte was er nog nooit geweest. Sterker nog, als je bereid was van de gemeentelijke woningdienst een huis aan een van de onwelriekende grachten te huren, kreeg je gratis nieuwe gordijnen, op de woonetage zelfs van velours. Maar dat was voor de oorlog. Na mei 1945 heerste er woningnood. Oma zou nooit meer terugkeren naar Amsterdam, behalve voor familiebezoek.

In Utrecht bleek dat oma lupus had. De aandoening van het immuunsysteem had haar neus weggevreten en elke ochtend, voordat de anderen op waren, ging ze met een pannetje was de keuken in om een neus te maken. Nick had het één keer gezien en hij zou het nooit vergeten. Griezelend eng vond hij het. Een gapend gat tussen haar lippen en voorhoofd waar ze een soort klei overheen boetseerde.

Later kreeg oma in het ziekenhuis een vaste neus. De dokter sneed een stuk huid uit haar voorhoofd en naaide dat over de neusholte heen, compleet met twee neusgaten. Het was, wat betreft uiterlijk althans, geen verbetering ten opzichte van de wassen neus, want oma was in de loop der jaren reuze bedreven geraakt in het modelleren ervan, terwijl de chirurg die haar “geholpen” had duidelijk een beginneling was. Ten minste, dat had Nick zijn vader een keer horen zeggen. “Wijlen mijn schoonvader de kleermaker had beter naaiwerk geleverd. En waarom niet een stuk uit haar dij gesneden in plaats van uit haar voorhoofd? Nu is die arme vrouw voor het leven getekend.” Uit de mond van Nicks vader waren dat ongekend empathische woorden aan het adres van zijn schoonmoeder, die zich ook altijd met hem bemoeide.

Nick Everse voelde zich schuldig. Niet omdat hij als zesjarige blij was geweest dat oma Van der Pluim opduvelde en hij een eigen kamertje kreeg (waar algauw een flinke hap uit verdween omdat er een douche kwam). Wel omdat hij in de tien jaar sindsdien maar twee keer bij haar op bezoek was geweest in het bejaardenhuis en dan alleen nog omdat zijn moeder had aangedrongen: “Behalve ons heeft ze niemand meer, Nick, en het is nog geen kwartier fietsen.”

Voor Nick was oma altijd die bemoeial met dat enge gezicht gebleven. Misschien was het anders gelopen als hij de dingen die hij vandaag had gehoord eerder te weten was gekomen. Maar sommige verhalen worden blijkbaar pas verteld tijdens het gezellig samenzijn na de begrafenis.

--

Willem Frederik Erné is schrijver, vertaler en musicus. Hij werkte jarenlang als multi-instrumentalist bij Seth Gaaikema, Tineke Schouten en Henk Elsink. Midden jaren ’90 schreef hij enkele non-fictiejeugdboeken, waaronder Het Politieboek (Ploegsma). In 2017 publiceerde hij zijn eerste roman, De arrogantie van het doorgeefluik. Vorig jaar verscheen Van de liefde en de zee, zijn tweede roman. 

--

Creatief met Corona

Hoe komen we deze bizarre tijd door? Op initiatief van auteur Reinold Vugs publiceert boekenplatform Bazarow.com elke werkdag rond de klok van 16.00 uur een nieuwe of bestaande tekst van schrijvers, medewerkers óf lezers. Het  het mogen ook schilderijen, tekeningen, collages of foto's zijn.  

Het doel van Creatief met Corona volgens Reinold: “Het belangrijkste is dat de bijdragen inspireren, prikkelen of wellicht troost bieden en lezers voor een moment wegvoert uit de dagelijkse werkelijkheid.” 

Zelf meedoen? Kijk hier hoe! 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden