Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Het disfunctionele gezin in de Vlaamse literatuur

woensdag 23 september 2020

Column.

Afgelopen zomervakantie eindelijk Het smelt, het alom bejubelde debuut van Lize Spit gelezen. Inderdaad niets dan loftuitingen voor deze veelgelaagde roman. Besprekingen zijn al op veel plaatsten verschenen, dat ga ik niet herhalen. Lees hier bijvoorbeeld de recensie van Marnix Verplancke. Wel voeg ik graag een korte notitie toe over de rol van deze roman in de Vlaamse literatuur.

De 19de-eeuwse Vlaamse literatuur ken ik niet goed, alleen Conscience en Stijn Streuvels. Met hun verheven teksten over alles wat Vlaams is kan ik niet zo goed uit de voeten. Pas met Alfons de Ridder, beter bekend als Willem Elsschot, werd het in het begin van de 20ste eeuw interessanter. Mogelijk is met Elsschot ook de Vlaamse traditie van schrijven over wat ik maar het ‘disfunctionele gezin’ noem begonnen. Bij Elsschot is het weliswaar nog bedekt, maar al in boeken als Villa des Roses (weliswaar geen gezin, maar een groep mensen die samenleven), Een ontgoocheling en zeker in De Verlossing worden families waar het niet bepaald goed toeven is beschreven. Met zijn ‘leerling’ Louis Paul Boon gaat het met het Vlaamse gezin echt mis. De misère in Abel Gholaerts en in De Kapellekensbaanis gruwelijk, er is nauwelijks enige ruimte voor een sprankje geluk. 

De echte meester van het dysfunctionele gezin was natuurlijk Hugo Claus, geen roman van hem kwam uit of er zat wel een gezin met gekken en dwazen in, vol ooms of vaders met afwijkende seksuele neigingen, incestplegers, hoerenlopers. Natuurlijk was voor Claus die in de oorlog opgroeide in een foute familie collaboratie het grote thema. Zijn Het verdriet van België over WOII uit 1983 is mogelijk het hoogtepunt in deze traditie.

Het Vlaamse dysfunctionele gezin deed zelfs zijn intrede in de Nederlandse literatuur, bijvoorbeeld in Uit het paradijs Van Nelleke Noordervliet waarin met veel enthousiasme het wel en veel van de Brusselse familie Vervaeckes wordt beschreven overduidelijk gemodelleerd naar Claus’ gezinnen.

Tom Lanoye laat rond het jaar 2000 jaar met zijn trilogie over de familie Deschryver (bestaande uit Het Goddelijke Monster, Zwarte Tranen en Boze Tongen) zien dat dysfunctionele families ook op stand voorkomen. Nu zijn de achterliggende thema’s de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren negentig van de vorige eeuw. Corruptie, louche wapendeals, de bende van Nijvel, pedofilienetwerken à la Marc Dutroux, alles wat vies en voos is, daar heeft deze familie mee van doen.

Geloofwaardiger was het autobiografische portret van zijn eigen moeder, Sprakeloos, waar Lanoye vertelde over zijn opgroeien in een redelijk dysfunctioneel gezin in Sint Niklaas. Het boek doet me denken aan het gezin van mijn eigen vader, vlak over de grens in het Zeeuws Vlaamse Sint Jansteen, waar een tirannieke grootmoeder, half gehandicapt uit de zetel in de woonkamer het gezin met twaalf kinderen vertelde wat te doen en vooral niet te doen. Toen ze doodging voelde iedereen zich bevrijd, althans heb ik van horen zeggen.

En toen kwam Lize Spit met Het smelt. De eerste roman van een vrouwelijke auteur in deze traditie (voor zover mijn kennis rijkt) en een absoluut waardig opvolger van De Kappelekensbaan of Het verdriet van België. In Het smelt hangt de vader van de vertelster, Eva, een strop in het schuurtje en dreigt voortdurend die te zullen gebruiken, de moeder verliest zich in alcohol. Het zusje van Eva gaat ten onder in al deze liefdeloosheid, en ontwikkelt de ene tic na de andere. De ouders zien het niet, grijpen niet in, dat mag de oudere broer doen. Eva vlucht elke dag naar haar twee vrienden, een boerenzoon en een slagerszoon, dat het daar uiteindelijk grondig misgaat is het grote verdriet van deze roman die deels rond de millenniumwisseling speelt en deels vijftien jaar later.

Wat is dat toch met Vlamingen en hun gezinnen? Ik heb het katholicisme nog niet genoemd. Speelde dat bij Elsschot, Louis Paul Boon en Claus nog een grote rol, gaandeweg de tweede helft van de twintigste eeuw heeft het katholicisme steeds minder vat op de Vlamingen, ze gaan niet meer naar de kerk en gaan hun eigen gang. Bij Lanoye (De monstertriologie) en Spit zijn de pastoors nog wel aanwezig, maar op afstand.

Zit de Nederlandse literatuur vol met doorgedraaide extreme protestanten die hun kinderen het leven zuur maken, bij de Vlamingen, althans in literatuur moet er iets anders spelen. Zou het in de standenmaatschappij die België nog veel meer is dan Nederland een radicaal onvermogen tot communicatie zijn? Eigenlijk is dat een hoofdthema in Het smelt. De ouders praten niet met elkaar, niet met hun kinderen, zijn niet in staat hun verdriet en lastigheden te verwoorden, lopen er voor weg, ieder voor zich, eenzaam in zichzelf. De kinderen voelen van kleins af aan, dat er iets niet klopt, hebben geen idee wat, maken er verwrongen beelden bij en groeien diep ongelukkig op.

Ik ga hier geen schets geven van een hele samenleving, daarvoor beschik ik niet over de juiste papieren. Maar een dergelijk terugkerend thema, al een eeuw lang, (ik heb hier nog lang niet alle voorbeelden genoemd) van het disfunctionele gezin in de Vlaamse literatuur moet toch iets zeggen over de cultuur. Wat het ook is, het levert schitterende romans op, literatuur met een hele grote L. Prachtig maar tegelijkertijd gekmakend verdrietig. Lize Spit heeft zich met haar debuut in deze traditie een hele belangrijke plaats verworven. Ik kijk nu al uit naar haar opvolger in deze.

--

Door Roeland Dobbelaer

Deze column verscheen ook in Bazarow Magazine 31 van 19 septeber 2020

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen