Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Uit de hoek 29: Het sprookje van den schrijver als eigen uitgever

zondag 19 september 2021

Marc Schrools brutale vrijplaats 

Er was eens een arme donder die bijna niks had. Geld noch goederen. Zelfs zijn kleding was schamel en bedekte zijn lichaam hoogstens maar half. Toch voelde het voor hem alsof hij veel om het lijf had. Zo hartverwarmend voelde hij zijn ziel branden. En zijn geest was zeer zeker rijk gevuld en vloeide over van gloedvol goud. Niet dat de mensen dat zagen.

O, en hij had pen en papier, een redelijk stel hersenen en vooral ook doorzettingsvermogen en geduld. Maar gelukkig was hij maar niet: men keek niet naar hem om. Ze lieten hem steeds en bij voortduring in zijn eigen sop gaar koken. Daarom stelde hij zich tevreden met bellen blazen. Zo maakte hij zich illusies, sprak zijn verbeelding aan en noteerde zijn fantasietjes en ideetjes. Op zijn spreekwoordelijke zolderkamer, die hij ‘mijn eigen fantasie-eiland’ noemde. 

Zoals dat altijd gaat, ontdekte deze schrijver eerst en vooral  zichzelf op dat eigen, kleine onbewoonde eiland, ver van de mensheid met haar lege drukte en inhoudsloze geklets, haar nare boosaardigheid ook. Niet dat er hier en daar geen goede mensen waren: als je maar héél goed zocht. Dan vond je er wel een paar. Maar de rest... De massa...

De schrijver was een beetje bang voor hen. Hij had mededogen met ze. En ergens maar duidelijk haatte hij ze. Het was, wist hij, de haat der herkenning.

Hij bezag ze, van een veilige afstand en verschool zich meestal achter zijn eenvoudige houten bureau, waarin hij zijn pen en papier bewaarde, in een geheime lade. Het was heel merkwaardig maar het jeukte hem. Alles eigenlijk. Ja, hij kreeg letterlijk de kriebels van het leven en dat wat de mensen ervan maakten. En na verloop van tijd had hij wel drie, vier, vijf laden gevuld met volgekladde vellen. Alsof die spontaan ontstaan waren, op verloren momenten dat hij zat te prakkiseren. Wat móést hij ermee? Hij ging erover lezen in biografieën van anderen die hetzelfde hadden doorgemaakt, maar die ‘ontdekt’ waren door een ander die eigenlijk alleen maar op zoek was naar geld en eigen roem. Types die dus stonken. Waarnaar? Domme vraag! Naar geld en roem natuurlijk.   

Soms wapperde onze schrijver wat met zo’n papiervel vol kriebels, opdat iemand hem misschien dan ook wel zag staan. Achter de schrijver stond inmiddels een schatkist vol laden – zelf sprak hij intussen van ‘een archief’. En dat was het ook, die enorme rommel aan volgeschreven pagina’s, waardevolle papieren die evenwel geen dekking kende in de grotemensenwereld. Dat spreekt: onontdekt als die biljetten waren.

De schrijver wist hoe het zou gaan: als iemand hem eindelijk zou opmerken en iets van hem las waar die wel dekkend geld en iets van durende roem in zou zien, dan riep die persoon zichzelf tot de ware ontdekker uit. Maar was hij dat ook? Nee. Hij was, wist de schrijver (leer hem de mensen kennen!), hij was de uitgever.

De uitgever die de schrijver verleidde en aanzette tot inleveren. En dat dan tegen een zeer geringe vergoeding, want uitgeven, zijn taak en levensvervulling, kost geld. Zeker de uitgaven aan zijn eigen huis en onderhoud. Want de uitgever woonde graag groot en op stand. Niet aan de rand of (o god nee!) op het randje van een klein eiland, maar in een keizerlijk paleis aan een prinsheerlijke gracht in de gouden bocht van een oude stad. Hij at het liefst alleen in sterrenrestaurants omdat hij vond dat bij zijn levensstijl hoorde. Bij zijn status. Zijn auto was nog voornamer dan zijn zo zakelijke mobiel. Hij was een international. A player. Hij las (ben je mal!) geen boeken, maar wel de Playboy. Hij was een wereldlijke man die zijn toilet maakte. En hij kleedde zich graag naar de laatste mode. Om door een gouden ringetje te halen, zo zag hij eruit. Zelfs zijn ondergoed was bovenmodaal duur.

En ach ja, af en toe wierp hij die malle schrijver een fooitje toe. Eigenlijk minachtte hij die artistiekeling. Want die arme donder snapte niet waar het om ging in het leven. De zakkenwasser zonder vlinderstrik. Die sjaalman zonder stropdas. Dat stuk ongedierte zonder zakelijk instinct.

Ja, zelf wist hij als uitgever heus wel dat geld en roem stonken. Zijn handen roken ernaar. Maar hij vond dat juist wel lekker ruiken. Een tikkeltje ordinair. Dat paste hem: doe maar gewoon. Hij liet die malloot van een schrijver of artiest graag zijn ongewone gang gaan met al z’n gekkigheid. Hij deed maar. Als hijzelf als uitgever er maar met de winst vandoor kon gaan. Dan was iedereen blij. Zo konden nog lang en gelukkig leven. Net als in een sprookje. Mooi toch?

Maar wat was dàt nu?! Ging die schrijver nou zelf voor uitgever spelen? En nota bene zijn schamele inkomen uitgeven aan wéér een boekje? Maar wat zijn dat voor manieren? Dat zijn niet onze manieren! Dat is dus ongemanierd!

De uitgever riep er subiet een literair agent bij. De grootste die er was. Iemand die hem begréép, want die agent woonde ook in een kapitaal pand en veegde stiekem ook zijn billen af met romandrukpapier.

Maar waratje! Ook die kon de schrijver niet tot de orde roepen. Dit is was inderdaad ongehoord! Iemand die in zijn eentje een oeuvre ging maken. Dat was nog nooit vertoond. Wat te doen? Doodzwijgen dan maar? Een literair prijsje geven, een zitting in een jury aanbieden? En wat nu als hij alles weigert? Wie weet raad? Gingen nou zelfs sprookjes niet meer gelukkig eindigen?

Er was eens een schrijver die de boel bedierf... Wat een naar verhaal!  Het einde van een sprookjesachtige carrière. Nee, als uitgever had hij eigenlijk nooit van literatuur gehouden. Net als de agent. Hij had er wel zijn geld aan verdiend. Ook als de agent. Notabel als ze waren. Maar in sprookjes had hij wel steeds geloofd. En de agent lééfde in zijn sprookje.

Waar hadden ze dìt aan verdiend? God mocht het weten. Maar dat was ook al zo’n ongelukkig geëindigd sprookje. God was dood ja – en zij zaten zonder geld. Bàh man! Viel daar geen mouw aan te passen? Die stomme sprookjes ook.

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2, 
Zo Vader, zo zoonis sinds juli verkrijgbaar en deel 3 verschijnt dit najaar. Eind augustus verscheen Glas in lood, 100 jaar W.F. Hermans.

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden