Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Uit de hoek 32: Tot de bom valt

zondag 10 oktober 2021

Marc Schoorls brutale vrijplaats 

Jeroen Brouwers is een held van me. Ik heb er niet zoveel, dus ben ik er zuinig op. Nu schreef ik al eerder dat als Jeroen Brouwers te overlijden komt, het met de literaire polemiek is gedaan. Wat heel jammer is, want het is zo’n mooi genre. Komrij, andere held die ook alweer jaren dood is, schreef dat polemiek ‘literatuur op haar hevigst’ is. En zo is dat.

Nu had Herman Brusselmans onlangs voor een vrouwelijke schrijver alleen maar heel lelijke woorden in heel lelijke volzinnen over, vol grof- dan wel platheden. Ik ga ze hier niet herhalen. Ik vind Brusselmans’ reactie sma-ke-loos. Ordinair. Iets van Twitter-kaliber. Kroegpraat. Met polemiek heeft het niks te maken.

Klassieke-muziekjournalist Bas van Putten reageerde op die door anderen gedeelde lof voor Brouwers: ‘Brouwers, jottum!’ Hij deed er – kennelijk trots – een link bij naar een door hem geschreven artikel voor De Groene Amsterdammer (2009). Daarin zet Van Putten onze held Brouwers weg als een huilebalk. Als een man met bakvissenverdriet. Een schrijver van puberliteratuur, die schreef: ‘Ik ben een wees van bijna eenenveertig jaar oud.’ Van Putten vindt dat een sleutelzin.

Bas van Putten had namelijk al op jonge leeftijd van zijn moeder gehoord dat Brouwers een poseur was met krokodillentranen. En nu, opgelet, was Bas dat, op zijn 44-ste,  eindelijk met haar eens. Mij lijkt het geenszins terecht, maar die verwijten kunnen een polemische toonzetting zijn. Prima. Dat mag. Tuurlijk. Verder noemt Van Putten de onbenaderbare Brouwers ‘de Frits Bom van de letteren’ en dat vind ik best grappig. Maar hij hekelt vooral het ik-verdriet van de schrijver in kwestie. Hij vindt hem kinderachtig, pathetisch.

Je zou je kunnen afvragen of niet heel veel kunstenaars, incluis  klassieke componisten, aan hetzelfde euvel lijden. De mens, eenzaam in de kosmos, die van hemzelf en de universele, heeft nu eenmaal verdoemd veel weg van een verweesd wezen. En bijvoorbeeld Beethoven was niet afkerig van pathetiek (en net zo bromberig als Brouwers). Kafka schreef, bijna veertig jaar oud, als kind een brief aan zijn vader. Hun naam is Legioen.

Misschien is pathetiek wel het sine qua non van de kunsten.

Van Putten schreef zijn stukje naar aanleiding van Brouwers’ bombrief van bijna honderd boekpagina’s, Sysiphus’ bakens, over het gedoe rondom de hem toebedeelde ‘Taalunieprijs voor uw hele oeuvre’. Dat is de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren van Vlaanderen en Nederland samen. Het betrof een prijs ‘ter waarde van € 16.000’ en gold zijn hele oeuvre, ook al omdat juist Brouwers een brug had geslagen over de taalgrenzen van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, zoals het rapport vermeldde.

Brouwers nu vond dat geen eer – voor een heel oeuvre. Want het ging op jaarbasis om een maandinkomen van minder dan 1500 euro: iets meer dan een bijstandsuitkering. Of om ietsjepietsje meer dan 372 euro per jaar schrijven, want Brouwers timmerde al 43 jaar aan de weg. ‘Een heel jaar kattenvoer en hondenbrokken voor je huisdieren kun je er niet van kopen.’ Bovendien zou er een filmpje van een kwartier gemaakt worden over de laureaat. Kosten: 32.000 euro. Twee keer zoveel als dat hele eerbetoon zelf.

Brouwers stelde een brief op waarin hij een en ander toelichtte. Leuk, die eer, maar financieel gezien is het dus bijna de minste literaire onderscheiding. De commerciële prijzen van boekenconcerns zijn aanzienlijk groter en zelfs de Debutantenprijs is maar één rooie minder: 15.000 euro. Verder gaat het bij bijvoorbeeld de jaarlijkse stedelijke vergeven Constantijn Huygens- en Multatuli-prijzen om 10.000 euro.

Elke reactie bleef uit bij de Taalunie, een instelling die er toen jaarlijks twaalf miljoen doorheen joeg met vijfendertig man personeel.

Minister Plasterk vond dat de laureaat niet moest zeuren. Het was een eerbetoon, geen inkomensvoorziening.

Van Putten: ‘De juiste reactie, lijkt me.’

Brouwers had volgens hem moeten zeggen: ‘Steek die zakcenten maar in je reet.’ Zo zou Brusselmans dat misschien zeggen. Maar Brouwers zei metterdaad zoiets – maar dan eleganter: ‘Hij mag het helemaal van mij hebben, taalunies eerbetoon van geblaas in lege flessen.’ (Zie Sysiphus’ bakens, dat ik voor deze gelegenheid weer eens opgeslagen heb.)

En anders moest Brouwers maar gewoon opzitten en zijn bek houden (Brouwers: ‘in ootmoedige dankbaarheid zijn snuit houden’). Met zijn staart kwispelen en niet bijten in de hand die hem een schraal bot toewerpt.

Brouwers, die nooit op grote voet heeft geleefd maar zijn leven heeft gewijd aan de letteren, is bepaald geen rijk of vermogend man. En dat komt niet door een verkwistende levensstijl. De man leest, schrijft en drinkt af en toe een flinke borrel. Eigenlijk is hij eerder arm te noemen. Hij zei zich daarvoor te schamen. Maar wie moet zich hier eigenlijk schamen?

Hij kreeg gelukkig van verschillende kanten bijval, zoals van Anton Kortweg van het Letterkundig Museum, van A.F.Th. van der Heijden en van de Vlaamse Auteursvereniging alsmede de Nederlandse vereniging voor Letterkundigen (‘gebrek aan respect voor de Nederlandstalige literatuur’).

Maar er kon niets veranderd worden, nee. Vanwege de ambtelijke ‘reglementen’. Beleid is beleid, orders voer je uit, en de reglementen zijn in ijzer gegoten met een kruis erop. Niets is Plasterk zo heilig als de regeltjes. Computer says no.

Zijn Vlaamse ambtgenoot wilde het bedrag bij nader inzien toch wel wat verhogen. Die begreep de schande. Maar daar had Plasterk als hooghartige Hollander natuurlijk geen boodschap aan. Het aanbod van Vlaamse zijde dat zij dan helemaal zelf een extra bedrag gingen ophoesten, wees hij hautain af. Plasterk wilde helemaal niks veranderen en antwoordde dat hij dat bedrag ‘nu zeker niet verhogen omdat de huidige winnaar het toevallig te laag vindt’. Winnaar? Het ging niet om een wedstrijd, het ging om een eerbetoon.

Ja, nou, hoor eens hier, pruttelde Plasterk, die eer is gewoon ‘geen inkomensvoorziening’. Datzelfde geldbedrag verdiende, nee kreeg Plasterk in drie weken – het hele jaar door. Als ministersloon voor eindeloos geklets en feestje en partijen aflopen. Want vooral daardoor kwam hij in het nieuws. En vanwege de kaalslag in de kunsten en het afschaffen van de studiefinanciering en nog zo wat van die barbaarsheden. Hij draagt zijn hart en zijn parmantige hoed graag rechts.

Dezelfde Plasterk beweerde dat hij streefde naar een rijk cultuurleven met aandacht voor ‘de absolute top van de cultuur’. (Hoed links!)

Vindt Van Putten dat ook allemaal ‘de juiste reactie’?

Maar daar dacht bijvoorbeeld de wereldberoemde Ton Koopman van het Amsterdam Baroque Orchestra anders over. Evenals de grote toneelregisseur Theu Boermans (‘geschoffeerd’).

Hij maakt Brouwers uit voor geldwolf. Iemand die alleen buigt voor geld ‘Mits het genoeg is.’ Maar is dat ook zo? Nee. De schrijver nam andere, héél kleine prijzen uitsluitend voor de eer wèl aan. Zoals de Tzum-prijs voor de beste literaire zin: voor elk woord daarin één euro.

Maar Van Putten stelt dat Brouwers ‘nul recht heeft op respect.’ Had hij maar geen schrijver moeten worden, die sukkel! (‘Zijn beroepskeuze is zijn verantwoordelijkheid.’) Met zijn volgens Van Putten ‘exhibitionistisch gestileerde klaagzang ohne Ende die hij met indrukwekkende volharding heeft gezongen’. Wat een compliment is dat verpakt is als een belediging. Of omgedraaid. Daar ben ik nog niet over uit.

Maar iets van erkenning van staatswege dat meer voorstelt dan een beledigende fooi? Nee. Van Putten: ‘Wees dankbaar en zwijg, zou ik zeggen.’

Daar ga je met je inderdaad indrukwekkende oeuvre. Een respectloos eerbetoon kan je krijgen. En een staatspensioen mag best van Van Putten, als de schrijver dan verder maar zijn muil houdt. ‘Dan zijn we van hem af.’ Nog even geduld, Van Putten!  Binnenkort zijn we inderdaad van hem af. Dan is ie dood.

‘De dwarsligger,’ schreef Brouwers mooi en snedig in Sysiphus’ bakens, ‘houdt de rails bij elkaar.’

Jeroen Brouwers is de bom.

En Bas van Putten liet in de herinnering aan zijn moeder een babyscheetje.

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2, 
Zo Vader, zo zoonis sinds juli verkrijgbaar en deel 3 verschijnt dit najaar. Eind augustus verscheen Glas in lood, 100 jaar W.F. Hermans.

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden