Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Uit de hoek 42: Visioenen als angstfantasieën

zondag 19 december 2021

Marc Schoorls brutale vrijplaats

Nu we toch aan het herdenken zijn (ikke dan: sorry!)... Precies honderd jaar eerder dan W.F. Hermans, in het literaire wonderjaar 1821, zijn de dichter Baudelaire, de schrijver Dostojevski èn Gustave Flaubert geboren. De laatste, geboren op 12 december, sluit de rij. Ik heb er bitter weinig tot niets van meegekregen op de socials, in de traditionele media der periodieken en al helemaal niet op radio of tv. Terwijl iedereen het er toch over eens is dat Gustave Flaubert tot de allergrootsten behoort. Ik kan me herinneren dat je in de jaren tachtig geen krant kon opslaan of er werd wel iets over Flaubert gememoreerd. Die tijden, zucht, zijn niet meer.

Waarom hoort Flaubert tot de allergrootsten? Daarmee begint meteen het gelazer. Want traditioneel wordt Madame Bovary als zijn onovertroffen meesterwerk gezien. Maar er zijn er maar zat die veel liever zijn inderhaast opgekraste en afgeraffelde maar zeer meeslepende brieven lezen dan zijn meticuleus geschreven romans en verhalen. Soms ploeterde hij een hele dag op één woord of een week op een volzin – om die de dag respectievelijk de week erna te schrappen. Ik moet bekennen dat ook ik meer gesmuld heb van z’n brieven dan van zijn kunstwerken. Al is en blijft bijvoorbeeld de apotheker Homais net zo’n kostelijk figuur als onze eigen Droogstoppel. De brieven, zoiets moet het zijn, appelleren aan onze ordinaire kant, in ieder geval aan de mijne, terwijl zijn romans vooral beschaafd zijn. Baudelaire vond Madame Bovary een (te) ‘bescheiden verhaal over het burgerlijke leven’.

Niet dus dat ik er niet van genoten heb. Leerschool der liefde vond ik ook prachtig en om Bouvard en Pécuchet (‘mijn mannetjes’) heb ik hartelijk kunnen lachen. De historische roman Salammbo daarentegen vond ik niet om doorheen te komen. Alleen de eerste regel al: ‘Het was te Megara, voorstad van Carthago, in Hamilcar’s tuinen.’ En – daar gaan we – de gedetailleerde beschrijvingen van rijglaarsjes of wéér zo’n koets in Madame Bovary vond ik ook vermoeiend. Toen ik met mijn onvoltooide middelbareschool-Frans een poging deed, hield ik het al na een bladzijde of twintig voor gezien. Wat me er desondanks niet van weerhouden heeft het boek (in verschillende vertalingen) drie keer te lezen.

Maar hoeveel liever las ik eigenlijk zijn brieven, met rooie oortjes van opwinding; of zijn jeugdverhaal November, dat ik nog steeds prachtig vind. Dat viel toen goed bij de muziek van bijvoorbeeld The Cure. Het motto van dat verhaal was ontleend aan Montaigne: ‘Om de tijd te doden en met de fantasie te spelen.’ En de eerste volzin ervan doet je meteen doorlezen: ‘Ik houd van de herfst, dit trieste seizoen past goed bij herinneringen.’ (Zie de prachtbloemlezing Zwarte romantiek, zoals samengesteld door Geerten Meijsing & Co.)

Maar misschien wel het allermeest heb ik plezier beleefd aan zijn toneelstuk De verzoeking van de heilige Antonius. Lekker gek en interessant, prachtig geschreven ook, barok met een zekere economie van middelen: razend knap en geslaagd. Meeslepend, als waren het visioenen die voor de poorten van de hel zijn weggesleept. Wat ze ook zijn. Dit werk laat Flaubert zelf zien, in al z’n gedaanten, met al zijn literaire talenten, geestelijke angsten èn z’n volkswellustige speelsheid. De scherpzinnige Baudelaire, die er slechts fragmenten van kende, zag dat meteen: ‘Hier verschijnt de dichter zonder vermomming.’

‘De stijl die Flaubert hanteert (...) is gebald, van een grote beeldende kracht,’ schrijft Hans van Pinxteren in het nawoord bij zijn vertaling dat hij ‘Het levenswerk van Flaubert’ als titel meegaf, eenvoudigweg omdat Flaubert hier het langst aan geploeterd heeft. Flaubert schreef al over dat plan in mei 1845, nadat hij als drieëntwintigjarige De verzoeking zoals geschilderd door Breughel had gezien. Hij schreef het en bleef het maar bewerken. Bijna dertig jaar lang. Van Pinxteren: ‘De dood (kwam) steeds centraler te staan.’

Flaubert’s Verzoeking deed me om begrijpelijke redenen denken aan het meesterwerkje Simón del desierto van filmmaker Luís Buñuel, zoals beiden me deden denken aan m’n lievelingsfilm Life of Brian, mijn eigen geliefde anti-Bijbel. En vanzelfsprekend dacht ik daarbij ook aan Dalí met het gelijknamige, schitterende schilderij betreffende de geplaagde heilige Antonius, en aan de voorstellingen daarvan door Breughel en Jeroen Bosch cum suis: Jan Mandijn, Matthias Grünewald, etc. Allemaal verduiveld fraaie werken. Félicien Rops niet te vergeten! 

Soms meen ik dat die hele gothic-cultus die tot op de dag van vandaag voortleeft, is voortgekomen uit soortgelijke angstfantasieën als die aan de woestijnvader werden toegeschreven. Lust, dood & duivel: zo vertaalde Anton Haakman La carne, la morte e il diavolo beter bekend onder de Engelstalige titel The Romantic Agony, het beroemde boek van Mario Praz dat Gerard Reve eens ‘mijn bijbel’ noemde.

Ik vrees dat mijn katholieke opvoeding toch een staartje heeft gekregen. En dat kan dan niets anders zijn dan de staart van de duivel. Altijd al gedacht!

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2, 
Zo Vader, zo zoonis sinds juli verkrijgbaar en deel 3 verschijnt dit najaar. Eind augustus verscheen Glas in lood, 100 jaar W.F. Hermans.

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden