Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Uit de hoek deel 16: For life...

zondag 23 mei 2021

Marc Schoorls brutale vrijplaats

Filosofie is altijd geschiedenis. Op het eigenlijke, zeer actuele moment dat je er het meeste behoefte aan hebt, aan woorden van ontwarring en zelfbegrip en misschien, heel misschien, zelfs íéts van troost, als je trop vraiment in de put zit, ultimately down bent, totaal en traurig deprimiert, dan blijkt het waardeloos te zijn, filosofie. Alle filosofie.

Filosofie? Oud papier, lege woorden, pure onzin. Nonsens bij alle sensitiviteit die jij juist voelt en waaronder je gebukt gaat.

In zo’n vreselijk neerslachtige bui is er, hopelijk, nog wel herkenning mogelijk. Reflectie. In de beluistering van muziek bijvoorbeeld, die op de allereerste plaats. Muziek, met haar woordloze vermogen tot dialoog.

Of in de spiegel van een roman. Dan wel in de afleidende bezinning van een krankzinnige of een woestijnheilige (wat ook kan samengaan), in de de profundis van een ongelovige zondaar.

Maar toch.

Mijn sympathie, mijn bewondering, gaat toch vooral uit naar de duivel. Hoe die dit alles geflikt heeft op aarde. Dat is toch ook gewoon bewonderenswaardig? I have had my moments of doubt and pain. Mijn god ja, en of ik die had en soms nog heb.

De filosoof die mij in mijn allermoeilijkste momenten op de been hield, is de hardhoofdige karpatenkop E.M. Cioran, met zijn elegante zwier en cynische hondehart.

Romans, verhalen lezen kon ik dan niet, maar een paar mismoedig opbeurende regeltjes, druppels uit een flesje sterk vol aforismen, dat wilde nog wel eens lukken.

Cioran, mijn held! Zijn van treurigheid lekkende woorden waren mijn toverdrank.

Ooit heb ik hem even gesproken. Het was een heel kort en beroerd gesprek, want van de zenuwen en met mijn bar en boze Frans kòn het ook niks worden. Maar we wisselden een blik van verstandhouding. Hij knikte. Hij zag het.

Hij herkende mij, zoals ik me in hem herkende. We wisten van elkaar hoe het ervoor stond. Hilarisch slecht. We moesten allebei een beetje, een héél klein beetje lachen. Allebei verlegen. Met de situatie. Met elkaar. De oude filosoof en de jonge dichterlijke ziel (die stonk uit zijn oksels, daar onder zijn arm). Ja, de situatie was nogal absurd, daar in dat Amsterdamse Maison Descartes anno (wat was het?) 1984.

Ik had zijn boek bij me. Het enige dat ik had en kende. Die titel! En ja, dat ook, dat omslag, een afbeelding van  ene Yves Tanguy, een surrealist zo te zien van wie ik ook nog nooit gehoord had. De flaptekst achterop vertelde dat hij, E.M. Cioran, met niemand anders te vergelijken viel dan met, behalve Nietzsche, de grote Multatuli.

Dat boek, daar in die kast, dat was verkocht. Hoe slecht ik ook in m’n centen mocht zitten.

De hoofdverkoper Bob Jongschaap trok zijn wenkbrauw op. Zijn bloedeigen zoon was helemaal ondergedoken in de extreme harde death-rock, maar dit was toch ook niet echt lectuur voor een jong en verondersteld fris iemand als ik. Waar moest het heen met die jeugd: ik zag het hem denken. Maar Cioran was een ware (en zware) denker (en drinker). Een zielsverwant. Mon semblable!

Cioran signeerde mijn exemplaar van Geboren zijn is ongemak, dat ik zelf ontdekt had in die boekhandel Van Stockum, waar ik elke zaterdag werkte als kassaknul. Niemand die dat boek kende of er iets over gelezen had. Mijn ene lezende broer leek het niks en mijn beste lezende vriend al evenmin. ‘Flauwe titel ook.’ Daar kon ik het mee doen. Maar ik wist beter. Voor mij was dit dè ontdekking. Ik had mijn filosoof gevonden zoals ik ook mijn band had gevonden: Joy Division (Diezelfde broer en vriend in zeldzame eensgezindheid: ‘Onzalige pokkeherrie.’) Hun Teutoonse deuntjes en grafteksten hielpen ook om me op de been te houden. Al was het maar om er als een gek op te springen en te dansen.

Speciaal voor hem, voor mijn privéheilige Cioran, had ik een geel papiertje op het schutblad geplakt met een citaat van de dichter Pierre Reverdy uit La lucarne ovale. Ik wou weten of hij het kende: ‘On ne peut plus dormir quand on a une fois ouvert les yeux.’

Hij begreep mij niet en kon niet lezen wat er op dat papiertje stond. Weer glimlachten we naar elkaar. Ik verlegen en naar ik dacht, maar niet durfde te denken, hij ook. Ik, domme, kniezerige August die niet eens in de schaduw mag staan van deze moderne Diogenes.

Wat hij in mijn zijn boek krabbelde kon ik niet lezen: ‘Bien ansaleuent’? Dat andere wel: ‘E.M. Cioran Amsterdam.’

Pas nu, bijna veertig (!) jaar later, echt waar, nu ik het boek voor deze gelegenheid voor de zoveelste keer opsla en ik me opnieuw buig over de krabbel, zie ik het: ‘Bien amicalement’. Dat staat er! ‘Hoogachtend’! Hij tegen mij. Het is een giller. Een regelrechte aanfluiting. Ik had ter plekke door de granieten vloer moeten zakken, daar in dat prachtige instituut Maison Descartes. Ik had er dood moeten vallen. Het was schaamteloos.

Maar hij bedóélde natuurlijk: in goede vriendschap. Daar was ik zeker van, wat al die andere literaire en filosofisch hotemoten en onderprofessoren me daar in dat Maison Descartes ook allemaal vertellen mochten. Wat ze overigens niet deden, want ze vonden me zo te zien maar een raar sujet, met mijn op de schouders (A weight!) kapotte leren jas en die artistieke, zelfs flamboyante zijden sjaal.

Ik stond daar met een vriend! Een oude vriend zelfs. Een heel oude vriend. Wij kwamen van ver, zo zag ik dat.

Ja, daar stond hij voor me, licht voorover gebogen. Was hij soms hardhorend? Ik zie hem nog staan. Och Jezus, ik zal het nooit vergeten. Dat lichtvoetige zwaarmoedige menneke. Die ongelovige heilige. Vooroorlogs fout en naoorlogs goed. Jong van geest, oud van ziel. Die Roemeens-Franse filosoof.

Wat een combinatie van landen ook! Vandaar dat hij zo’n uitzonderlijk iemand was, zo’n bizondere peinzer. Met zijn zwarte kijk èn zwarte humor. Heerlijk. Met zijn onlogische syllogismen. Alles even raar maar waar. Met zijn sardonische lach en bittere tranen. Zijn gekte en zijn gewoonheid (ook hij ja: niemand ontkomt, de banaliteit is surtout, de alledaagsheid een dagelijks feit). Zijn ironie en hypocrisie.

De man, mais oui, was een genie. ‘For life is quite absurd and death’s the final word.’ Waarmee ik maar wil zeggen: ‘Always look on the bright side of life!’

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden