Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Uit de hoek deel 2. Stenen op het vuile graf van de taal

zondag 31 januari 2021

Marc Schoorls brute vrijplaats

[Column] Frénk van der Linden, dat is een echte journalist. Hij heeft een goede naam als het gaat om interviews. En ik wil best geloven dat hij die faam verdient. Ik voor mij kan me geen onderscheidend interview herinneren dat door hem geschreven is. Maar dat kan aan mij liggen. Het zal aan mij liggen. Prima. En ik heb ook nooit een interview van hem gelezen dat ik minder goed of zelfs slecht vond. Nee. Hij is een vakman.

In 1984, nog geen dertig jaar oud won hij al Het Gouden Pennetje, een prijs die het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren jaarlijks toekent aan jong journalistiek talent. Daarna timmerde hij ijverig aan de weg. In 2006 heeft hij zelfs een roman doen verschijnen. De steniging. Ik heb het niet gelezen. Niet eens omdat het, zoals ik begreep, geschreven is in snelle turbotaal en gaat over "het multiculturalisme en het integratiedebat in Nederland". Maar gewoon omdat ik zoveel andere romans op voorhand prefereerde. Best besproken werd zijn roman trouwens niet. Het wilde, begreep ik uit wat recensies, maar geen literatuur worden.

Wat precies literatuur is, dat weet ik niet. Maar dat Van der Linden matig schrijft, dat weet ik wel. Hij is dan ook geen schrijver, maar een journalist en die twee bedienen zich helaas van hetzelfde medium.

Voor een journalist zijn de woorden middel, wegwerpartikelen bijna, ten einde de boodschap over te brengen, bijvoorbeeld over zoiets als het multiculturalisme. En dat mag, dat is zelfs loffelijk.

Maar een beetje schrijver beziet de taal als een machtig mooi medium dat je met zorg behandelt, dat je veel aandacht geeft en vertroetelt. Dat je kneedt, laat rusten en nog een keer doorkneedt. Waar je je liefde in steekt en je persoonlijke saus over giet, om het uiteindelijk als smakelijk leesvoer met trots te presenteren. Tuurlijk, het kan wel eens misgaan, maar de opzet is om dat te voorkomen. De opzet is om er iets moois van te maken.

Nu heeft Van der Linden een boekje doen verschijnen over de scheiding van zijn ouders en de lange nasleep daarvan. En altijd maar verlangen – De liefdesoorlog van mijn ouders. Het gaat over, dat moet gezegd en ik meen het ook echt, een regelrecht menselijk drama, met moord en doodslag en wat niet al. Eén en al narigheid. Prachtmateriaal dus voor een roman waar de schrijver eens goed voor kan gaan zitten.

En dat al helemaal omdat de journalist-schrijver in kwestie in de maag zit met de hele affaire. Al op jonge leeftijd kozen hij en zuslief in die oorlog namelijk eenzijdig voor hun vader. En daar heeft hij spijt van. Want zo zwart-wit was het niet. Evenmin als dat zo was in de Tweede Wereldoorlog. Dat weten we al een tijdje, dat goed en fout lastig te meten grootheden zijn. Vaak vloeien ze zelfs op de meest merkwaardige manieren in elkaar over. Zijn bijna leeftijdgenoot Chris van der Heijden schrijft al decennia over ons ook in dat opzicht grijze verleden. En Simon Vestdijk en W.F. Hermans lieten in hun romans al meteen na de oorlog de ambivalente waarheid toe. 

Die speelse romanvorm laat veel toe en léént zich daar ook goed toe.  Maar Van der Linden goot zijn verhaal in de vorm van brieven aan zijn ouders. Dat is niet meteen de weg van de minste weerstand, maar het is wel een meer journalistieke benadering die minder van de verbeelding vraagt en wellicht iets gemakzuchtiger is. Meesterinterviewer Ischa Meijer ging hem daarin al voor met zijn Brief aan mijn moeder. Ook een boek om van te smullen, maar literatuur is het niet echt.

Enfin, het boek is daar en journalist Frénk van der Linden kreeg van tenminste drie kranten de gelegenheid zijn boek helemaal zelf eens goed voor het voetlicht te brengen. De mazzelpik. Nou, daar zal hij dan wel eens even goed voor zijn gaan zitten dan. Maar nee. Want echt waar, als je dat leest, die samenvatting, vergaat je de lust in dat brievenboek wel. Mijn god, wat een proza. Ik citeer, uit het Algemeen Dagblad: "Had ik een ontaarde moeder? (…) Verre van. Ze belichaamde het begrip 'warm bad'."

Een moeder die een warm bad belichaamt?

Okay, nou vooruit, dat was dan dat ene ‘stijlfoutje’ dat iedereen wel eens over het hoofd ziet.

We lezen door: "Iedereen roemde de stralende ogen waarmee ze je luisterend aankeek, de handen die ze even op de jouwe kon leggen, haar koesterende lichamelijkheid." Stralende ogen waarmee ze luistert en een koesterend lichaam: ze is inderdaad wat ontaard, een freak bijna, zo lijkt het wel.

Een nare geschiedenis intussen is het zéker: "Ze verdween een maand of wat in een gesloten zenuwinrichting. Elektroshocks. Isoleercel. Kalmerende injecties. Vervolgens keerde zij terug bij pa, Désirée en mij – om korte tijd later de draad van haar verhouding met John op te pikken. Een familielid haalde haar van een spoorlijn bij Bennebroek, waar ze met suïcideplannen naartoe was gefietst. Wéér opgenomen tussen psychiatrische patiënten."

Het is een samenvatting van een samenvatting van een ernstig psychiatrisch geval. Dat begrijp ik. Maar schutterig verwoord is dit ook. En hoe vergaat het de rest van het gezin?

"Huilend kroop hij op zijn knieën door de woonkamer, om zijn hoofd tot bloedens toe tegen de ribben van een cv-radiator te slaan. Désirée en ik deelden zijn gevoelens." Ja, want dat doet pijn, je hoofd tot bloedens toe tegen de cv slaan. Maar zijn zoon en dochter delen die gevoelens, dus dat scheelt. Gedeelde smart is halve smart, zeggen ze. En één plus één is twee. 

Iets verderop vraagt Frénk zich af: "Hoe vielen me de schellen van de ogen?" Ja, hoe? Daar ben ik ook benieuwd naar. Ik heb nog nooit van iemand gehoord hoe de schellen van zijn ogen afvielen. Wel waardoor. En het verhaal krijgt meteen nog een extra tragische dimensie: "Benno, het kind dat Greet en hij samen kregen, werd achter ons huis doodgereden door een vrachtauto van zijn eigen transportbedrijfje. Het vergrootte de rancune jegens onze moeder. Zij en John hadden inmiddels twee kerngezonde dochtertjes."

Frénk concludeert: "Désirée en ik hadden een vader en een moeder die beiden op hun eigen manier 'schuldig' waren aan hun amoureuze mislukking." Dat nu valt onder het kopje volkswijsheid: waar twee kijven hebben twee schuld. Dat is al net zo’n wijsheid als: gedeelde smart is halve smart. Het zijn de wijsheden van iemand die niet tot drie kan tellen. Of weet wat tweeënhalf is, wat breuken zijn, decimalen.

Maar Frénk dendert al weer voort: "Het is makkelijk om je ouders achteraf de maat te nemen. Het is moeilijk om hun schoenen aan te trekken en met hen mee te voelen." Hier wordt gevoeld door iemand anders schoenen aan te trekken: ook best bijzonder. En er is bovendien sprake van "die noodlottige brief richting de rechter". Niet aan, maar richting. Een kwestie van goed mikken denk ik dan. Of van een richtingaanwijzer.

Frénk besluit in het AD met: "Tijd is de grote heelmeester, heb ik aan den lijve ondervonden. Maar zo nu en dan legt hij pijnlijke dingen bloot." Ik vind het twee heel knappe constateringen. Over de tijd, over pijn en over bloot. Het is dat de dood er nog maar aan ontbreekt. Maar de deur staat wagenwijd open met zulke clichés. Met zulke verweerde verwoordingen. Daar ontbreekt leven aan.

Het verhaal zoals Frénk dat in de kranten vertelt krijgt een tamelijk sentimenteel afloop. En zijn conclusie luidt: "We blijven allemaal tot onze laatste ademtocht in gesprek met onze ouders, of we het willen of niet, en misschien leren we nog het meest van hen als ze er niet meer zijn." Dat eerste is uiteraard waar, maar zou het niet veel mooier zijn geweest als hij schreef tot onze laatste snik in plaats van die steriele, stijve ‘laatste ademtocht’? Dat is ijdel stijlvertoon van iemand die dat niet kan. Dat we nog het meest van onze ouders leren "als ze er niet meer zijn", lijkt me klinkklare nonsens. Zoals een oude buurman eens tegen mij zei: "Van de doden niets dan goed, maar veel van ze leren kèn je niet."

De schrijver, gramstorig als hij is, haat de wereld en klampt zich vast aan zijn liefde voor de taal. De journalist, edelmoediger, wil de wereld verbeteren en verramponeert daarbij zijn medium.

In de Volkskrant doet hij hetzelfde verhaal in net iets andere bewoordingen. Beter is het niet. Hierin spreekt hij van een "een catch-as-catch-can-achtige scheiding". Hoe krijg je het uit de je gouden pennetje? Hoe lelijk is dat! En hoe onnodig. In het Nederlands hebben we daar de inventieve en zeer bruikbare benaming vechtscheiding voor. Enfin. De beide, arme kinderen, want dat zijn ze zeker, Frénk en zus Désirée, met zo’n moedertje lief, schreven als pubers "een brief aan haar advocaat, waarin we haar even ijskoud als witheet dood verklaarden". IJskoud èn witheet: het is een knappe brief van de pubers in kwestie.

Er volgt nòg meer dramatiek: "Niet veel later draaide pa op een avond de gaskraan in de keuken open. Désirée en ik lagen boven te slapen. 'Ik dacht: ik neem jullie mee', zou hij me op zijn oude dag vertellen. 'Dan waren we allemaal in één keer van de narigheid af. Maar onze benedenbuurman belde aan om te vragen of ik een biertje kwam drinken. Vandaar dat we hier nog zitten. Weet je trouwens dat hij voor de nazi’s had gevochten bij Stalingrad? Ja jongen, jij dankt je leven aan een SS’er.'"

Wat een verháál! Het is echt zó jammer dat hij het taaltechnisch totaal verknoeit. Want moet je de volgende zin ook eens lezen: "Toen ik zelf een serieuze relatie kreeg, (ondervond ik) aan den lijve dat de liefde een tango is die je automatisch medeverantwoordelijk maakt voor de plek waar je op de dansvloer van het leven belandt." Wat een volzin! Een automatische tango en de (mon dieu) plek "op de dansvloer van het leven". Dat is geen metafoor meer, dat is taalvervuiling waar straf op moet staan. En wat een belabberde onzin trouwens ook. De liefde als tango die je medeverantwoordelijk maakt voor de plaats die je in het leven inneemt. Of zoiets.

En het gaat maar door: "Het verhaal over de herontmoeting van mijn ouders is in alle eerlijkheid volkomen ongeloofwaardig." Hoezo: in alle eerlijkheid? Is de rest niet als dusdanig geschreven dan? Ik heb juist de indruk dat Van der Linden best eerlijk is. Moet ik daar nu aan gaan twijfelen? Dat zou jammer zijn. "Niemand zal begrijpen hoe het kan dat die twee in 2009 op een avond binnen twee minuten als tortelduiven après la lettre hand in hand op de bank zaten."

Het getal twee, daar is iets mee: verder komt Frénk niet.

En: "Tortelduiven après la lettre". Wat dáár nu weer van te denken? Is dat geen taal van een ongeletterde? Ik weet niet wat literatuur is, maar dit is het niet.

"Maar Désirée en ik hebben het zelf gezien: vergeving kan à la verliefdheid een blikseminslag zijn." Opgelet: vergeving kan à la verliefdheid een blikseminslag zijn. Wees op uw hoede! Dat kan nog slecht aflopen.

Maar alla. En gelukkig liep deze hele sprookjesachtige en grimmige geschiedenis tòch nog goed af: "De laatste jaren van mijn moeders leven gingen mijn ouders teder met elkaar om. Na haar overlijden legde mijn vader een rode roos op de kist."

En ze leefden niet meer samen, maar ze waren wel gelukkig.

En mij is de lust tot lezen, de zin om dat boek te savoureren wel vergaan.

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De GidsVrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden