Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Zes broers en een zus. Hoofstuk 1

woensdag 4 november 2020

Op een feestavondje wint de jonge Cor een prijs bij de voetbalvereniging. Zijn jaloerse broers gaan ermee aan de haal.

Die zaterdagochtend stond ik vroeg op, van de opwinding kon ik niet meer slapen. De avond ervoor had ik bij de loterij op de voetbalclub de hoofdprijs gewonnen: een leren bal. Ik had, zoals wel meer jongens, mijn voetbalkousen aan en het leek me slim het lotje onder de kous te stoppen omdat ik altijd alles kwijt was.

      ‘Numero tweu-en-zestig,’ zei de man in het dure blauwgrijze pak, onze burgemeester. ‘Ik herhaal: numero tweu-en-zestig… Waar is de winnaar van de lederen bal?’

      Dat zei hij zo: de lederen bal. Pas toen drong het tot me door.

Ik kreeg het er opeens warm van in de toch al benauwde kantine, waar de condens van de ruiten af kronkelde en de rook bijna te snijden was. Met trillende vingers haalde ik het lot uit mijn kous tevoorschijn en stak hem, ongelovig nog, in de lucht. De jongen naast me begon te gillen: ‘Hij hep hem! Hij hep hem! Cor hep hem!’

Toen ik opstond werd er tegen me geduwd en aan me getrokken. Ik strompelde de rij uit om daarna op onvaste benen het trapje van het podium te beklimmen. Stijf van de zenuwen stelde ik me op naast die chique man.

De burgemeester keek me vriendelijk aan. Ik mocht hem meteen, met z’n mooie witte haar. Alleen praatte hij zo raar en zo bekakt. Ik kon hem niet eens goed verstaan. Hij reikte me de hand. Een zeer verzorgde hand met schone nagels en keurige nagelriemen. Zijn colbertjasje plooide mooi symmetrisch bij z’n elleboog en daaruit schoot de smetteloos witte mouw van z’n overhemd met een blinkende manchetknoop. Zelf hield ik mijn zweterige handen met de kapotgebeten nagels op mijn rug. Ik durfde  niet. De man lachte me toe en tilde me op met een zwaai. ‘Unze winnaar!’ riep hij. De zaal jubelde en juichte, nog eens extra opgezweept door de trainers en kantinemedewerkers.

Het was een prachtige bal. En hij rook ook heel lekker. ‘Hij is echt,’ zei een andere jongen toen ik weer naar m’n plaats ging en iedereen de bal van dichtbij wilde zien of aanraken. ‘Laat hem erdoor!’ riep een jongen uit mijn elftal. ‘Ach wat,’ vond een ander, ook van mijn elftal, ‘hij ken geeneens voetballen.’ En anderen vonden dat ook. ‘Hij is bang voor de bal en nou heppie een leren, wat mot ie ermee?’

‘Ja, dat uitgerekend jij een bal moet winnen, zeg,’ schamperde Pim, m’n  oudste broer, toen ik ermee thuiskwam.

‘Zullen wíj er anders morgen mee gaan voetballen?’ opperde Frans en hij keek naar mijn oudere broers. Dat klonk alsof ik niet eens mee mocht  doen, terwijl ik er toch zeker wel de baas over was. Wat zouden we nu beleven?!

Toch leek het me niet verstandig dat te zeggen.

Mijn moeder doorzag de situatie en fluisterde me in de bal te verstoppen. Intussen wilde vader alles weten over de burgemeester, die Molly Geurtsema bleek te heten, wat ik op de een of andere manier een onvergetelijk grappige naam vond.

‘En wat zei die dan? En wat zei jij toen? Niets?! En heb je nog gezegd waar je woont?...’ Ik zag de teleurstelling op zijn gezicht. ‘Je had die kans moeten grijpen,’ zei hij mijmerend, meer tegen zichzelf dan tegen mij eigenlijk.

‘Ik heb de bal toch?’ antwoordde ik.

‘Zo is het,’ bracht moeder in het midden. ‘En hou er nou maar over op, Adri.’

Haastig at ik een beschuitje met jam, klokte een glas melk weg en poetste  mijn tanden. Ik wilde naar buiten, de bal proberen. Eigenlijk mocht het niet van m’n moeder, want een leren bal is alleen voor gras, meende ze, maar ik wist aan haar aandacht te ontsnappen. Zij was in de weer met de witte kookwas – buiten stond de zinken wasketel waar de damp van afsloeg al af te koelen – en met schoenen poetsen. Om de ochtend poetste ze, op haar knieën, van iedereen de schoenen, en die van vader zelfs elke dag.

De straat was nog verlaten, er stond ook geen enkele auto. Wel vuilnisbakken, sommige voorzien van een slordig witgeverfd kruis of zomaar een lik groen, andere met een keurig huisnummer erop. Wij hebben er twee, die ik meteen herkende aan de paar stickers die mijn broertje Geerie en ik er van moeder op hadden mogen plakken. Ik las de naam van ons dorp dat in beide klapdeksels gestanst was: Wassenaar. De deksels konden niet dicht, zo vol zaten ze. Mijn vader noemde ze altijd asemmers. Waarom wist ik niet, hij gebruikte wel vaker rare woorden.

Ik gooide de bal tegen een muurtje en controleerde na elke worp of ie er niet door beschadigd raakte. Moeder had ons goed ingeprent zuinig te zijn op onze spullen.

Toen hoorde ik een merkwaardig geluid, als van een enorme krekel. Het kwam dichterbij. Ik moest er even over nadenken, maar opeens wist ik het, en tegelijkertijd zag ik de man aan komen lopen. Hij had een pet op en een soort cape om en hield met zijn rechterhand een houten apparaat vast waarmee hij slingerde. De ratel. Ik wist waarom. Hij waarschuwde degenen die vergeten waren hun vuil aan de straat te zetten dat de vuilniswagen er nu toch echt aankwam. Mijn vader had verteld dat opa, zijn vader, vroeger ook zoiets deed, eerst met zijn stem en later met een houten klepper. Dorpsomroeper heette dat beroep. Nog weer later ‘ging hij in de kranten’, zoals vader zei, terwijl hij er dan heel mismoedig bij keek. Ja, wij, z’n jongens, moesten het beter doen, wij zouden wèl de kans krijgen, daar ging hij zijn stinkende best voor doen: hij werd nooit moe dat te zeggen.

Ik stelde me keurig op de stoep op, met de bal in mijn armen geklemd.  Op het moment dat de man met de ratel me passeerde gaf hij me een knipoog. En daar kwam de vuilniswagen al! De vuilnismannen pakten de zinken emmers op bij het hengsel en een seconde later hoorde ik het lawaai dat daarmee gepaard gaat. Ze werkten de straat in vliegende vaart af, veel vuilnisbakken stonden er dan ook niet, daar aan het begin. Ze leken door de lucht te vliegen, die bakken, zo snel ging het. Ongeduldig liep ik op de wagen af. De mannen in hun overalls glimlachten naar me. Even later zag ik hun grimassen terwijl ze de volle bakken kletterend aan de haak achter de wagen hingen, waarna ze paarsgewijs werden omgekiept. Ik kon nu ook de licht zoete, weeë stank ruiken die oprees uit de ingewanden van die haast monsterlijke en daardoor interessante wagen, die deed denken aan een gigantisch insect. De mannen gutsten wat water in de emmers, haalden er gauw een halfronde borstel door en zetten ze daarna, klengel-de-bengel, weer op de stoep. Op naar de volgende. Ik liep met ze mee. Ik vond het een machtig gezicht. En al die herrie! De huizen weerklonken ervan. Geweldig!

Ik wilde later vuilnisman worden, maar dat mocht niet van mijn vader. Mamma zei voorzichtig: ‘Dat zien we dan wel weer.’ Mijmerend keek ik ze na tot in de volgende straat, waarna het lawaai langzaam verstomde. Toen ik terugkeerde naar m’n muurtje zag ik mijn drie broers het laantje uit komen. Ze grijnsden en keken met grote ogen naar mijn bal.

O nee. O nee!

Ze pakten hem af en begonnen onderling te voetballen. Er kwamen steeds meer grote buurtjongens bij en ik wist niet wat ik moest doen. Mijn broers en hun vriendjes lachten me in m’n gezicht uit. Ik verbeet mijn tranen en ging op een muurtje zitten. Dat nare, vreemde gevoel van onmacht drong zich weer op, het idee dat alles zomaar gebeurde en zich onttrok aan mijn wens en wil. Alsof alle anderen onder één hoedje speelden en iets wisten wat ik niet wist. Iets waar ik de vinger niet op kon leggen. Hoe zat het? Dit alles was niet echt. Dat kon gewoon niet. Het was een spel. Een raar soort spel waarvan ik de regels niet doorzag. Ik speelde het mee, maar als figurant. Er moest zoiets zijn als een geheim. Hoe moest ik het anders noemen? Zoals moeder me soms aanstaarde. Vriendelijk, ja, lief glimlachend. En vader die me soms met iets van pijnlijke herinnering opnam. Mijn broers die me vanuit hun ooghoeken bekeken, alsof ze dachten: heeft hij het in de gaten? Heeft hij ons door? Ze déden allemaal wel alsof alles heel normaal was, maar dat was het niet. Ik wist het gewoon. Toch was ik niet volledig zeker van mezelf en ik was er al helemaal niet gerust op.

‘Wat dan voor een geheim?’ vroeg moeder toen ik dat eindelijk een keer waagde tegen haar waagde te zeggen. Ik zat op de rand van mijn bed en keek naar mijn tenen. ‘Ik weet niet… Het levensgeheim,’ antwoordde ik. ‘Het levensgeheim?’ lachte ze een beetje geschrokken. (Waarom schrok ze? Wist zij er soms meer van?!) ‘Wat bedoel je dáár nou mee? Van wie heb je dat?’ Ze probeerde mijn blik te vangen. ‛Gekke jongen toch.’ Ik wendde mijn hoofd af. Ik wist ook niet wat ik precies met dat woord bedoelde, ik moest het ergens hebben opgevangen en ik vond het wel een mooi woord. Maar belangrijker, het dekte de onbekende lading.

Toen begon ze over God. Dat alleen Hij het geheim van het leven kende, als er al zo’n geheim was. Maar Hij was er, daar twijfelde ze niet aan en daar moest ik ook niet aan twijfelen. Dat deed ik ook helemaal niet.

God was voor mij een soort super-opa, die kòn je helemaal niet met mensen vergelijken. Over God dacht ik niet veel na, die was er gewoon, ergens. God kon je niet begrijpen, dat had de pastoor uitgelegd, maar ik wou mezelf en anderen wel graag begrijpen. Maar moeder maande me: ‘Ga nu maar slapen.’ Ze was er kennelijk niet gerust op, want ze kwam wel drie keer kijken of ik al sliep – en dan gaf ze me een knuffel. Alleen al daarom probeerde ik wakker te blijven.

De volgende aflevering:

Cor mag mee voetballen. Maar het loopt niet goed af.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

 Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen