Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Zes broers en een zus. Hoofstuk 2

zondag 8 november 2020

Cor mag van de anderen meevoetballen met zijn eigen nieuwe bal. Als broer Johan de bal een flinke trap geeft, zwaait die met grote gevolgen af.

Op een gegeven moment hield ik het niet meer en gleed van het muurtje. De tranen sprongen alsnog in m’n ogen en ik wou naar huis rennen, mamma vertellen hoe gemeen de grote jongens deden. Juist op dat moment riep Frans: ‘Je mag heus wel meedoen, hoor.’ Waarom zei hij dat?

Ik keek hem strak aan, maar uit zijn gezichtsuitdrukking kon ik niks opmaken. ‘Maar ik krijg de bal toch nooit te pakken.’

‘Dan moet je beter je best doen, dikke,’ zei Pim. Zo noemden ze me wel vaker, ook al was ik niet echt dik. Alleen mijn bovenbenen waren misschien wat forser dan die van hen.

De anderen lachten evengoed en Pim glom van trots.

Toen diende ook Geerie zich aan. ‘Mag ik meedoen?’ vroeg hij en hij trok met z’n neus: een zenuwtic. Hij keek naar mij, Geerie. Hij polste me. Ik deed alsof ik het niet merkte. Hij moest het dit keer zelf maar uitzoeken. Ik had nu zelf zorgen genoeg. Samen werden wij ‘de kleintjes’ genoemd. Geerie was anderhalf jaar jonger dan ik. Hij zat in de eerste en ik, met m’n zeven jaar, in de tweede. Ik volgde op Frans, die al in de vierde zat. Moeder kon het bijna niet meer bijhouden, zei ze soms. Vader wist het echt allang niet meer. 

‘Oké, we doen een potje,’ zei Pim, die de oudste was van het hele stel, ‘en we verdelen de kleintjes.’

In de straat werd aan weerszijden een klinker overeind gezet, zo’n twintig meter van elkaar. Als je die van de tegenstander omver schoot, zo luidde de regel, dan kreeg je een punt. Als je dat voor elkaar kreeg met  een kopbal kreeg je twee punten.

‘Dat de beste moge winnen,’ zei Pim plechtig.

‘Eerste pen!’ riep Frans.

‘Tweede pen!’ riep Reinier, onze buurjongen, die bijna net zo oud was als Pim.

Ik begreep niet wat ze ermee bedoelden. Geerie wist het ook niet en had er ook niet veel belangstelling voor. Hij lette alleen op de bal. Je kon veel van hem zeggen, maar fysieke angst kende hij niet. Hij stortte zich meteen op het spel. En hij had er meteen duidelijk plezier in dat hij mee mocht doen. Zelf had ik dat minder, zeker nadat ik een harde bal op mijn bovenbeen had gekregen – ik vond trouwens dat Geerie veel steviger poten had dan ik, maar ja. Die bal op mijn been, dat was een schot van Piet van Zursem, ook al zo’n rechtlijnige rauwdouw. Als het moest vloog hij door een muur heen. Hij wilde graag mijn vriend zijn, maar ik vond hem nogal saai. Hoe hij praatte en zo.

Eigenlijk wil ik liever alléén met m’n nieuwe bal spelen. Zoals er nu mee gevoetbald werd, op straat nog wel, dat kon niet goed zijn voor de bal. Had ik maar naar m’n moeder geluisterd.

En er waren meer risico’s. Want we moesten uitkijken voor de twee opa’s in de straat. We noemden ze opa Dek en opa Stam. De eerste was een erg bruine, wat statige meneer die zich maar weinig liet zien. Maar als de bal in zijn tuin belandde, dan was je nog niet jarig. Dan kon je een flinke draai om je oren verwachten, want hij stond vaak verborgen op de uitkijk en voordat je het wist had hij je te pakken. Hij was oud maar snel en lenig. En hij had een tanig, atletisch lichaam. Opa Stam, die een paar woningen verderop woonde, was een veel strammere oude baas. Maar ook een stukje chagrijniger. Alleen al hoe hij keek, met die ogen vol haat! En dan die vervaarlijke haakneus van hem, een roofvogel waardig. Hij had al menige bal lek gestoken en er nog meer in zijn schuur opgeborgen. Want zijn afrikaantjes, viooltjes en petunia’s waren hem heilig. We moesten hem maar ontwijken, vond moeder. Vader bemoeide zich er nooit mee. ‘Ik heb wel wat anders aan m’n hoofd.’

Ik hoopte maar dat mijn bal niet in hun tuin zou belanden. Maar met zulke fanatiekelingen als Geerie en Piet van Zursem, met hun ballen als ongeleide projectielen, wist je het nooit. Ik kneep ’m. Ik zou Johan dan moeten vragen om de bal er weer uit te krijgen, want Johan was snel en niet zo bang. Maar hij was ook wat onhandig, Daarom was Plomp zijn bijnaam. Toen hij bij het touwtje springen een keer wilde inspringen, brak hij pardoes zijn arm. Oudste broer Pim daarentegen zou zich, hoe groot z’n bek ook was (hij had de bijnaam voor Johan verzonnen), niet zo gauw in een van die tuinen wagen om de nieuwe leren bal van zijn broertje in veiligheid te brengen. En die leeftijdgenoot van hem, Reinier Beinman, de bakkerszoon en onze directe buurjongen, die de oudste was van hun gezin, dat voor de rest alleen maar uit meisjes bestond, was helemaal een lepe lafbek.

Ik had mijn eigen bal nog niet één keer aangeraakt toen we met 3-1 achter stonden en broer Johan de bal kreeg. Johan zat bij mij in de ploeg  en kon de bal best aardig raken. Dat wil zeggen: hij kon hard schieten. En dat was hij nu ook duidelijk van plan. Hij loerde op de klinker die wel vijftien meter verderop uitdagend rechtop stond. Daarna keek hij naar de bal – mijn leren bal, die inmiddels al vlekken begon te vertonen – haalde uit en schoot. Bèngh! Er klonk een doffe knal en de bal vloog de lucht in, richting de klinker van de tegenpartij. Maar niet helemaal. Hij zwaaide af , want er zat een heel raar effect aan die bal. Typisch Johan. Hij kwam ook verder dan Johan ’m bedoeld moest hebben. Een stuk verder zelfs.

Er klonk een harde, korte knal en daarna een duizelingwekkend gerinkel-de-kinkel dat ons verstomd deed staan. Het glas kwam als een ziedend gordijn van gruzelementen naar beneden. Ke-dèng! Het duurde maar kort, maar het was oorverdovend en indrukwekkend.

Een intense stilte waarin wij elkaar met grote ogen aankeken volgde. Niemand durfde iets te zeggen. M’n oudste broer Pim was de eerste die zoiets als een glimlach om z’n lippen kreeg. De commentaren en uitroepen buitelden over elkaar heen. ‘Zo hé, heb je dat gezien?’ ‘Wow, wat gaaf!’ ‘Hij ging er zó in…’ ‘Nee, joh, hij maakte een rare schuiver.’

Johan keek met holle ogen naar het gapende gat dat het venster nu was. Met een zacht gerinkel, dat bijna klonk als een soort van lach, viel er nog een flinke scherf uit. Overal klonk opeens gelach. Een vreemd, half ingehouden, bang en vooral zenuwachtig gegiechel. ‘De juut!’ riep iemand – en we stoven uit elkaar.

Het was allemaal zo snel gegaan dat ik niet eens zeker wist bij wie de bal naar binnen was gevlogen. Teruggaan om te kijken durfde ik niet, geen van ons trouwens. Dadelijk werd je nog gezien! En de politie kwam inderdaad, maar dat was pas veel later die dag. Toen waren wij allemaal alweer terug van onze echte voetbalwedstrijden, op het veld van onze club Blauw-Zwart of bij een van de tegenstanders in de regio. We hingen, eerder lui dan moe, onderuit in de leunstoelen of op het bankstel.

‘Volgens mij,’ zei Frans, ‘was het bij familie Donker. Ik weet het bijna zeker.’

‘Echt?’ vroeg Johan. Hij was nog steeds duidelijk in de war.

‘Ik geloof het ook,’ bevestigde Pim het vermoeden van z’n jongere broer. ‘Maar we vertellen er niks over.’

De Donkers waren een wat geheimzinnige familie: hun gordijnen waren bijna altijd dicht. Je zag ook nooit een van hen op straat, al wist onze zus, de oudste van ons allemaal, te vertellen dat de Donkers raar genoeg als eerste in de buurt een televisie hadden en dat zij en Pim daar wel eens meegekeken hadden. Ik kende ze niet eens.

‘Ik ben wel mijn bal kwijt,’ bracht ik in het midden.

‘Dat is dan pech,’ vind Pim.

‘Je krijgt van mij wel een nieuwe,’ beloofde Johan, en ik zag hem meteen schrikken van die toezegging. ‘Een plastic dan, hè? Dat begrijp je. Die zijn veel minder gevaarlijk.’

En vooral minder duur, wist ik.

‘Er is hier maar één ding gevaarlijk en dat ben jij,’ grapte Pim en hij keek Johan pesterig aan. ‘Scheefpoot!’

Scheefpoot: die kenden we nog niet.

‘Scheefpoot,’ zei Frans, ‘da’s een goeie!’

‘Moet jij zeggen, waterhoofd,’ beet Johan van zich af.

‘Scheefpoot! Scheefpoot!’

Reinier Beinman zat erbij en leek zich uitstekend te vermaken. 

En toen was het weer zover. Johan gaf Frans die naast hem zat op de bank een flinke elleboogstoot. Pim vloog meteen op uit zijn stoel en gaf Johan een lelijke schop. Die kromp even ineen, maar wist Pim’s been te grijpen toen die een tweede keer wilde uithalen. Ze vlogen elkaar in de haren. Het bankstel kraakte ervan.

Moeder kwam van boven waar ze de kamers aan het doen was op de herrie af. ‘Wat is hier aan de hand? ’t Is ook altijd hetzelfde liedje!’ Ze trok mijn broers uit elkaar en deelde hier en daar een tik uit. ‘Ophouden allemaal! Zo. En vertel me nu maar eens wat er aan de hand is…’

Pim gaf ons een seintje dat we vooral onze mond moesten houden. Johan was vuurrood aangelopen. Geerie bewoog zijn neus en ik, ik tuitte mijn mond.

‘Wat zit jij sip te kijken, Cor?’

‘Ik? Ik uhhh…’

‘Waar is je bal?’

‘M’n bal?’ Ik kreeg het benauwd en zocht visuele steun bij m’n broers. Johan schudde, achter moeders rug, heftig van nee. Ik zag de paniek in zijn ogen. Frans en Pim keken weg.

Op dat moment belde de politie aan.

Woedend keerde moeder even later terug van de voordeur. Maar ze kon slecht toneelspelen. O, ze was wel boos, maar ze vertelde als eerste dat we voor een geval als dit ‘verzekerd’ waren en dat klonk goed. Ook was ze erg opgelucht dat er geen gewonden waren gevallen. Bij de Donkers niet en bij ons niet.

‘Maar goed, maar goed,’ viel ze toen weer terug in haar rol van boze moeder, ‘moet je straks je vader eens horen! Nou, klaar ben je. En verdorie,’ richtte ze zich speciaal tot mij: ‘Ik heb het je nog zo gezegd: níét met de leren bal naar buiten!’

Nou had ik het nog gedaan ook! Boos en verdrietig over zoveel onrecht rende ik weg en vloog de trap op naar boven. Moeder beende me achterna. ‘Ik heb een verrassing voor je!’ riep ze.

‘Dat zal wel,’ antwoordde ik en smeet de kamerdeur achter me dicht.

Ze had ’m zo opengeduwd, met mij erbij. Ik lag op de grond, jenkend. ‘Doe toch ’ns niet zo driftig,’ sprak ze. Ze keek me met een mengeling van verontwaardiging en vertedering aan en hielp me opstaan. Ze had een verrassing voor me, zei ze. Maar dan moest ik wel weer mee naar beneden komen. Ze draaide zich om en verdween uit de kamer. Ik hoorde haar met iets van haast de trap af lopen.

Na enig dralen liep ik haar toch wel nieuwsgierig achterna.

Daar stond ze. Midden in de huiskamer. Met haar handen op de rug en breed glimlachend.

‘De Donkers hebben de bal via de politie teruggegeven. Hier. Ga daar voortaan maar lekker mee voetballen op het veld van de Hofcampweg, met je klasgenootjes. En neem Geerie dan mee.’

Een halfjaar later waren de Donkers verhuisd. Niet meer gezien en nooit meer wat van vernomen.

‘Ja, zo gaat dat nu eenmaal,’ zei moeder een keer tijdens het zondagavondeten. Mensen komen en gaan.’

‘Puh. Nou, komen doe ik niet meer,’ reageerde vader, ‘maar gaan moet ik nog. Dan zit het erop.’

‘Let maar niet op je vader.’

‘O, dan ga je zeker weer zeggen: ieder huisje heeft z’n kruisje, de boog kan niet altijd gespannen staan en niet geschoten is altijd mis. Zulke wijsheden. Maar wat heb ik daaraan?’

Pas heel veel later begreep ik wat zijn probleem toen geweest moet zijn.

 

In de volgende aflevering:

Hoe Cor zich omhoog probeert te vechten in de hiërarchie van schoolvriendjes

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

 

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen