Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Zes broers en een zus. Hoofstuk 3

woensdag 11 november 2020

Cor vecht zich omhoog in de hiërarchie van schoolvriendjes

Die klasgenootjes, dat was nog een probleem. De meesten zagen me niet staan en velen waren nieuw voor me omdat de klassen aan het begin van het nieuwe schooljaar door elkaar gehusseld waren. Ik klaagde er bij mijn moeder over in de keuken, met m’n rug tegen de proviandkast. Ze was niet onder de indruk.

      ‘Joh, dat gaat vanzelf weer over. Je moet nog even wennen. Je bent ook zo’n gevoelig jongetje… En,’ zuchtte ze, ‘vreselijk ongeduldig. En zo mogelijk nòg koppiger.’

       Bij m’n broers hoefde ik ook niet aan te kloppen, die hadden op school zo hun eigen sores. Ik moest het zelf maar uitzoeken.

Het allerergste was dat een andere jongen in m’n nieuwe klas de leider wilde spelen. Joost. Hij was niet eens de sterkste – wat mij verdomd goed uitkwam – maar ook de slimste niet, dat had ik al gepeild. Dus dat kon ik niet over mijn kant laten gaan. In de pauze en na school vochten we het uit. De anderen stonden erbij, keken ernaar en moedigden ons als opportunisten in de dop om de beurt aan. Het was trouwens ook meer ravotten dan echt vechten, het ging erom je te laten gelden, je plaats te bepalen. Apengedoe. Tot mijn schrik sloeg ik hem evengoed per ongeluk een bloedneus.

‘Niet tegen de juffrouw zeggen!’ riep ik meteen. Want die juf, hoe klein van stuk ook, was een bitse tante. Twee van m’n broers en zelfs m’n moeder hadden me al voor haar gewaarschuwd. Nou, meteen de eerste schoolweek al trok ze zo hard aan m’n oor dat dat er twee dagen van gloeide. Alleen maar omdat ik bij de eerste schrijfles een beetje uitgeschoten was met de inkt. M’n moeder is toen, terwijl dat eigenlijk niks voor haar is, meteen verhaal gaan halen. En ze waarschuwde me nog maar een keer: ‘Je moet oppassen met dat secreet.’ Ze leek er zelf van te schrikken, want zulke uitspraken waren ook al niks voor haar. En dat woord secreet zou ik niet gauw vergeten, zo mooi vond ik het. Het was vast een soort gemeen, griezelig insect.

Ik had geluk dat het gebeurde op de naschoolse vrijdagmiddag. We stonden op het schoolplein, vlak bij de overkapte fietsenstalling. Joost, m’n tegenstrever, m’n concurrent, zei niks terug maar holde met beide handen op z’n neus weg. De anderen keken me zwijgend en glazig aan. Ik nam ze een voor een aandachtig op, maar ik las geen ontzag in hun ogen, niets, hun blikken waren leeg. Ze leken niet te weten wat ze ervan vonden. Zelf wist ik het trouwens ook niet. Maar de maandag erop was het meteen weer raak. Niet met Joost, want die liet zich niet zien en werd later die week overgezet naar de andere klas, waarom weet ik niet. Ik merkte het al toen ik het lokaal binnenkwam, er werd druk gefluisterd. Er werd naar me gewezen met iets van voorpret. Wat glommen die ogen nu! Mijn greep naar de macht was mislukt, zoveel was wel duidelijk, en ze zouden me, straks in de pauze, te grazen nemen. Pieter-Bas Vinken en Daantje van Velden zaten daarbij. En zo nog een paar. Ik kende hun namen niet eens! En dan had je ook nog Bernard Vuurland, die ik nog het meest vreesde, met z’n onverzorgde uiterlijk en gemene hyena-blik. Zijn reputatie was hem vooruitgesneld: het leek m’n moeder geen goed idee als ik met hem vriendschap sloot. Maar mij leek dat om precies dezelfde reden juist wel weer handig. Moeilijke dingen waren dat. Prakkiseren geblazen.

Ik vroeg de juffrouw of ik naar de wc mocht. ‘Nou, vooruit dan,’ klonk het snibbig.

Op de gang liep ik langs de andere klas en probeerde stiekem de aandacht te trekken van Piet van Zursem. Zijn juffrouw had gelukkig niks in de gaten, maar die slome zelf ook niet! Degene die naast hem zat zag mij en gaf hem een elleboogstootje. Piet keek blij verrast op en knikte. O, hij zou op alles geknikt hebben. Hij was eenzaam, zelfs zijn broer ontweek hem, zo slaapverwekkend kon hij zijn. Maar ik kon hem nu mooi gebruiken. Die jongen zou voor me door het vuur gaan.

Zodra de bel klonk vluchtte ik de klas uit en kwam ik Piet al tegen op de gang. Hij begreep onmiddellijk waar het om ging en had zelfs al een paar anderen geronseld om me te helpen. Zoveel voortvarendheid had ik niet achter hem gezocht, maar het luchtte me op. Ik voelde zelfs iets als dankbaarheid. Ik maak ’t met je, beloofde ik hem stilzwijgend.

We renden over het schoolplein naar de zijkant van het gebouw, waar een klein bordes was: een prima strategische plek! We zouden er hoger staan dan onze vijanden en we konden er niet omsingeld worden, want links verrees de machtige zijmuur van het schoolgebouw en rechts liep de muur die de kloostertuin van onze school scheidde.

Oudtijds werd er op onze school onderwezen door nonnen, maar daar waren er niet veel van over. Ik zag ze wel eens lopen in hun tuin, waar ze groenten en bloemen teelden. Oude vrouwtjes, in mijn ogen. Voor de oorlog was mijn opa van moederskant de conciërge en de stoker van de school. In de winter beheerde hij de kolenvoorraad en zorgde er in het koude seizoen voor dat de school om acht uur ’s ochtends al lekker warm was. Mijn moeder had het me vaak verteld en met een zekere trots. Maar een prettig baantje was het niet. Want in het stookhok was het snikheet en stoffig van het vette kolengruis en haar vader was toch al ziekelijk. Astma en alles had die man. Toch moet het hem ook met eer vervuld hebben om te mogen stoken, want het was een imposant gebouw dat welhaast oogde als een kasteel. En toch was het ook modern. Een kubistisch kasteel van rode baksteen. Vader had verteld dat het in het begin van ‘de jaren twintig’ was opgetrokken. De jaren twintig: dàt klonk oud. De Haagse architect maakte  er (‘Opgelet jongens!’) school mee.

Het had wel iets middeleeuws, iets strengs ook, lichtte vader toe. Dat kwam waarschijnlijk door de kleine ramen waardoor het er altijd wat somber en halfdonker was. Dat vond hij wel zo slim van die architect, die dat allemaal bedacht had, want daardoor boezemde het gebouw je als kleine jongen ontzag in. Imposant, noemde hij het. En hij herhaalde het. ‘Ja, imposant. Een machtig mooi woord van zichzelf.’ De gangen waren betegeld met merkwaardig glanzende plavuizen, net alsof die stenen  bloosden. Glazuur heette dat, wist Johan me dan weer te vertellen. Het was hetzelfde spul dat je tanden deed glimmen. Het trappenhuis baadde wèl in het licht door de grote raampartij, en dat vond ik dan ook het mooiste van het hele gebouw.

Maar nu stonden we buiten op dat bordes. Ik had buikpijn van de angst en stond te trillen op m’n benen. Waarom deed ik toch de dingen die ik deed, waarom moest dat alles? Ik wilde naar huis, naar m’n moeder toe. Ik moest verdomme eens beter naar haar leren luisteren. Want zij wist beter dan ik hoe de dingen gingen en ze had het beste met me voor, dat wist ik zeker. Waarschijnlijk was ik zelfs haar lievelingetje – ik deed er alles aan om dat te zijn en te blijven, maar de concurrentie, m’n broers, zat ook niet stil – ze had het alleen een beetje druk. Waarom hield ik me niet gewoon gedeisd? Ik had het allemaal aan mezelf te danken. Stomme zak die ik was!

En daar kwamen ze, een hele troep! Wel een jongen of acht, negen. Gillend en joelend kwamen ze op ons afgerend. Ik keek naar Piet die grote ogen opzette waar het plezier van afspatte. Onbegrijpelijk. Ik slikte. En waar waren onze helpers nou?!

Piet ging door roeien en ruiten en schopte wild voor zich uit. Onze vijanden weken uit, ze hadden niet terug van mijn geheime wapen! Zelf deed ik slechts voor de vorm mee. Het mooie was dat daardoor plotseling alle aandacht uitging naar Piet. Ze keken naar hem als jagers naar een wild beest, wat hij op dat moment in feite ook was, en ze wachtten op een moment van onbedachtzaamheid. Maar Piet was voor geen kleintje vervaard en maaide met zijn lange benen over het voetvolk voor ons. Toen een van hen zijn been te pakken kreeg en hem onderuit haalde, slaakte Piet een pijnkreet waarna hij wild gebarend weer overeind kwam. Met dubbele kracht ging hij verder te keer. En we kregen hulp! Twee jongens uit onze buurt sprongen ons bij. Ik kende ze niet goed maar lachte ze toe. Ik zat gebakken met zulke formidabele knechten.

Op dat moment trapte een van onze tegenstanders in een spijker die dwars door de zool van zijn gympie ging. Hij gilde het uit en de strijd werd gestaakt. Geholpen door z’n vriendjes deed hij zijn schoen en sok uit en bestudeerde de wond. Z’n hele voet zat onder het bloed. Hij begon te janken en riep om z’n moeder. Sommigen hadden moeite om hem niet uit te lachen. En ook al was hij een bijfiguur, toch werd de strijd definitief gestaakt. We wisten allemaal dat je van een verroeste spijker dood kon gaan. Bloedvergiftiging! Pieter-Bas riep het ten overvloede wel tien keer.

Ze dropen af, met hun gewonde medestander kermend van de pijn tussen hen in. Wij op het bordes klapten elkaar op de schouder. Piet zei: ‘Mag ik nou je vriend zijn?’

‘Tuurlijk’, zei ik, ‘maar dat was je toch al?’ Ik speelde m’n verbazing perfect.

Later die middag ben ik met hem en een paar andere buurtjongens gaan voetballen met m’n nieuwe bal. Op het veldje aan de Hofcampweg. Geerie mocht ook mee van mij. Ik was in een milde bui. En ik scoorde er punten bij m’n moeder mee: ‘Lief van je.’

--

De volgende aflevering: 

Cor’s strijd om de macht gaat door

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen