Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Zes broers en een zus. Hoofstuk 4

zondag 15 november 2020

Het gevecht om de macht verplaatst zich naar een strijdveldje, waar ook mooi fik gestoken kan worden.

Intussen was de stammenoorlog nog niet beslist. Op dinsdag spraken Pieter-Bas en ik af dat we de strijd op woensdag zouden beslechten. Bij hem op het landje, een braakliggend stuk terrein met kleine heuveltjes waar grote jongens soms met hun Puch of Zündapp gingen crossen.

Direct na school verzamelde ik bij ons in de buurt wat jongens om ten strijde te trekken. Piet ging, als mijn beste vriend, natuurlijk mee en zijn broer Jack en daar weer een vriend van, ene Kees-Jan, had ook wel interesse. Ook kon ik Louis Zisse, nota bene een klasgenoot, overhalen mee te gaan.

Zelfs broertje Geerie mocht mee. Hij was behoorlijk sterk, sterker dan ik in ieder geval en hij wilde er maar wàt graag bij zijn. Want zelf kon hij zich maar moeilijk vermaken en vrienden had hij niet. Zijn verlegenheid zat hem ook in de weg. Zelf was ik eigenlijk ook verlegen, maar ik overschreeuwde dat. Of ik ging raar doen en maakte dan indruk. Excentriciteit als uitweg. Al was het dan een zijweg, maar dat hoefde niemand te weten. Want in latere jaren ontdekte ik dat ik juist veel te gewoon was. Te bang ook. Geen held in ieder geval. Meer een uitslover. En best een gefrustreerd konijn. Maar dat kwam omdat ik zoveel wilde. Veel meer dan anderen in ieder geval. Al  waarschuwde moeder me dat ik niet moest geloven dat ik anders was dan anderen. Bovendien was er op iedereen wel wat aan te merken, zoals ze  meende. ‘Want er is geen koe zo bont of  er zit wel een vlekje aan.’ De mensen moesten eens niet zo op elkaar letten, verzuchtte ze zoals wel vaker. En terwijl ze haar wijsvinger opstak zei ze speciaal tegen mij eens ter geruststelling: ‘Elk huisje heeft z’n kruisje en elk mensje heeft z’n wensje.’ Ja, dat klopt, antwoordde vader toen. ‘Zo wens ik dat je af en toe je mond houdt, met die wijsheden van je.’

Ik kon hoe dan ook altijd op Geerie rekenen. Hij zou zich, net als Piet, volledig voor me inzetten.

Mijn berekening klopte.

We namen stokken mee en kastanjes in hun dop met van die gemene stekels. Op volle oorlogssterkte kwamen we aan bij het landje, dat zo’n twee kilometer verderop lag, vlak bij de kerk. Er was niemand te zien. Een teleurstelling, want we hadden er juist zin in. Ik had al bedacht hoe ik mijn troepen zou verdelen, het aanvalsplan had ik klaar. En toen stonden we daar. Iedereen keek me aan. Wat nu?

Het was stralend weer.

‘De lafbekken,’ zei ik stoer. ‘Maar misschien hebben ze zich verstopt. Want je kan je hier uitstekend verstoppen…’

Jack, de broer van Piet, en zijn vriend overwogen al om terug te keren. Ze wilden gaan vissen. Of gaan inglippen bij Duinrell. ‘Veel leuker.’

Het zinde me niet.

‘Ja,’ vond Jack, ‘Cor die heeft altijd mooi praten.’

‘Hoezo?’ zei ik, balancerend tussen onschuld en agressie.

‘Ach, laat maar ook.’

‘We zouden,’ zei ik, ‘de boel in de fik kunnen zetten…’

Ik keek om me heen, zogenaamd naar het veld dat zich voor ons uitstrekte, maar eigenlijk om hun reactie te zien. Mijn woorden misten hun uitwerking niet. Piet’s ogen twinkelden en hij trok z’n lippen op van voorpret. Jack lachte bij het vooruitzicht en zijn vriend Kees-Jan riep ‘Ja-ah!’ Louis grinnikte. En Geerie, die wreef weer eens over z’n neus. Hij scheen het wel leuk te vinden, maar zag het vooral als een waagstuk.

‘Laten we dan eerst eens de boel verkennen,’ stelde ik voor.

We struinden het terrein af. Over de heuveltjes en door het onkruid. We liepen richting het laantje waar de achtertuinen van de huizen van de Storm van ’s-Gravesandeweg aan grensden. Daar groeide struikgewas. Ik wilde eerst controleren of niemand ons kon zien, want anders zouden we erbij zijn… Ik vond het idee om fikkie te steken zelf ook maar zozo. Je wist maar nooit. Maar ja, vuur is wèl een machtig gezicht. Dus moest ik ervoor zorgen dat iemand anders het aanstak. En waarmee trouwens? Hadden we wel vuur bij ons?

Ineens zag ik een hut. Ik bleef staan en spreidde mijn armen. ‘Sjttt,’ fluisterde ik.

Mijn hart ging tekeer.

Een hut, onmiskenbaar. En ik hoorde stemmen. We zakten door onze knieën.

Het was een lage hut, een bouwsel van wat planken, dik karton en stevige plastic zakken.

‘Zullen we hem in de fik steken?’ stelde Kees-Jan voor.

Jack proestte van het lachen. Piet gaf hem een por.

‘Ben je gek!’ zei ik. ‘Veels te link. Dadelijk gaan ze dood. Heb jij vuur bij je?’

‘Ikke niet,’ antwoordde Kees-Jan.

‘Nee,’ zei Jack, ‘wie wil hier nou de baas spelen?’

Ik ging er niet op in. Ik zei: ‘Ik hoor geen stemmen meer. Laten we erop afgaan.’ Ik wees naar de hut, die een paar meter verder stond.

We slaakten een paar schreeuwen en stoven op ons doel af. De gammele deur, die door wat ijzerdraadjes bij elkaar gehouden werd, viel al gauw uit elkaar. Ik kroop naar binnen, voorgegaan door Piet. Het was er tamelijk donker en het rook er intens naar aarde en bos, naar schimmel ook. We konden er niet allemaal in, Geerie bleef buiten en Jack en Kees-Jan hielden het algauw voor gezien. De ruimte was niet veel groter dan een box. Staan kon je er sowieso niet. Maar, zo vroeg ik me af, waar waren onze vijanden gebleven? Ik vroeg Piet of hij het wist.

‘Hier,’ zei hij, en wees op een luik in een zijwand. Hij haalde het luik weg en riep in het donker daarachter: ‘Kom maar te voorschijn, we hebben jullie al lang gehoord!’ Net zoals bij verstoppertje eigenlijk.

En daar kwamen ze, op handen en voeten uit hun gang gekropen. Het waren Pieter-Bas en Daantje. Ze zaten onder het zand, kuchten wat en klopten hun kleren zo goed en zo kwaad als dat ging af.

‘Zijn jullie maar met z’n tweeën?’ wilde ik weten.

‘Ja,’ zei Pieter-Bas. ‘Deze hut is van mij.’

‘Daar vroeg ik niet naar.’

‘Jij mag de baas zijn, hoor. Maar Daan is mijn vriend. Hè Daan?’ Het klonk eerder slijmerig dan samenzweerderig, maar de boodschap was duidelijk.

Daan knikte. Daan was een vriendelijke jongen, zijn ogen glommen altijd zacht en hij had een ietwat weke mond. Een lieve jongen, dat zag je zo. Toch had hij ook iets stoers over zich. En verlegen was hij ook, maar dat was eigenlijk iedereen wel.

‘Ik heb sigaretten voor jullie,’ zei Pieter-Bas toen.

‘Sigaretten?’

‘Ja, sigaretten, ja.’

‘Hoe kom je daar dan aan?’

‘Omdat mijn vader ver… ver… vertegenwoordiger is. Hij gaat langs bij alle zaken waar ze sigaretten verkopen.’

‘Wil je ze zelf niet hebben dan, die sigaretten?’

‘Jullie mogen ze hebben.’

‘Ja, maar waarom dan?’

‘Om op te roken natuurlijk!’

Daar had ik even niks op te zeggen. Die Pieter-Bas was een slimme gozer, dat bleek wel. Maar ik hoefde die sigaretten niet, ik wist niet eens hoe je moest roken.

Piet roerde zich. ‘Jack!’ riep hij. ‘Jack! Er zijn sigaretten! Dat wou jij toch?’

Jack wurmde zich de hut in. ‘Sigaretten? vroeg hij met overslaande stem.

‘Ja, sigaretten, ja. Daar ben jij toch stiekem voor aan het sparen?’

‘Van wie zijn die dan?’ wilde hij weten.

‘Van ons,’ antwoordde ik. ‘Het is onze oorlogsbuit.’

We werden er even stil van. Het was een bijna plechtig moment.

‘Zullen we nu dan vrede sluiten?’ vroeg Pieter-Bas.

‘Ja,’ antwoordde ik, en op m’n knieën gezeten reikte ik hem de hand. Ook Daan schudde ik de hand. ‘En dan mogen jullie onze kastanjes hebben.’

‘Dank je,’ zei Pieter-Bas. ‘Wat zijn het er veel…’

‘Wij moeten gaan,’ zei ik.

‘Hier zijn de lucifers’ zei Daan, met iets van tegenzin in zijn stem. ‘Die heb ik van m’n pa gepikt.’

Ik dankte hem en kroop naar buiten. Opgelucht haalden we adem, want het was hartstikke bedompt daarbinnen, hoe fraai de hut verder ook was. We bekeken de buit, het pakje sigaretten. Gladstone. Ik hield het als een echte trofee voor me uit.

‘En we hebben lucifers!’ jubelde Kees-Jan. In een flits trok hij het pakje uit mijn hand en stak het triomferend in de lucht.

‘Maar we gaan ze hier niet oproken,’ zei ik beslist. ‘Dadelijk ziet Pieter-Bas’ vader ons, als je begrijpt wat ik bedoel…’ Ik wist het zelf niet eens precies.

Maar Kees-Jan zei: ‘Maar dat bedoel ik ook helemaal niet. Ik bedoel uh… dinges.’

‘Fik!’ riep Jack.

‘O dat,’ antwoordde ik zachtjes en afzijdig.

‘We steken de boel aan de andere kant aan,’ ging Jack verder. ‘Daar zijn we toch ook voor gekomen?’

‘Nee, dat is niet zo,’ bracht ik ertegenin. ‘We kwamen hier voor het gevecht.’

‘En voor het vuur,’ hield Jack voor, en hij kreeg bijval. Ja, zeiden ze, Louis, Piet en zelfs Geerie, we waren gekomen voor het gevecht, maar toch beslist ook om fikkie te steken. Zij allemaal wel tenminste, misschien ik niet, dat kon, maar toch.

‘Geef mij die sigaretten nou maar.’ En hij griste het pakje uit m’n handen.

Hij nam het van me over, alles. Dat had je nou altijd met oudere jongens. Je kon ze niet vertrouwen, nooit niet. Ik baalde als een stier maar kon niks doen. Met vechten zou ik zeker van hem verliezen. En op Piet kon ik ook niet rekenen als ik ruzie ging maken met zijn broer.

Aan de andere kant van het veld werd wat hout gesprokkeld en rondslingerend papier bijeengezocht. Veel was het niet en tot mijn gelukzalige wrok wilde het ook niet erg branden. De ene na de andere lucifer werd verspild. Totdat er iemand kwam aanzetten met een verfblik, waarvan de binnenwand nog vochtig was. Dat vatte meteen vlam en toen wilde het gras ook wel. Na een paar minuten brandde er een plek zo groot als een wagenwiel.

Maar het zette niet door. De rook verdween en de brandplek veranderde in een weinig indrukwekkend smeulend vuurtje. Het had iets intens triests. Het was één grote mislukking.

‘We kunnen het net zo goed uitpissen,’ vond Kees-Jan en hij voegde meteen de daad bij het woord. Hij liet zijn broek en z’n onderbroek zakken en hield zijn pik vast. Ik wist niet wat ik zag. Hij ging daar gewoon in het openbaar, tussen ons in, staan pissen. Dat durfde ik niet. Hij stond er gewoon bij te grijnzen. En toen volgde Jack, die er helemaal plezier in had, zijn voorbeeld.

‘We steken de duinen in de fik,’ zei Kees-Jan na hun bluspartij. ‘Dat gaat veel beter, want daar is het veel droger.’

‘Goed idee!’ vond Jack.

--

De volgende aflevering:

Cor stuurt broertje Geerie weg, rookt zijn eerste sigaretten en vertelt over Hitler in de duinen.

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

 

 

 

 

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen