Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Zes broers en een zus. Proloog

zondag 1 november 2020

In de Proloog gaat de jonge hoofdpersoon met zijn vader op bezoek bij familie waar oma ligt opgebaard. Hij moet er iets vreselijks doen.

De kamer hangt vol rook. Blauwgrijze rook, die even weelderig als warrig door de ruimte zweeft. Daar zitten ze, als altijd. De beide ooms op hun kleine, eenvoudige leunstoelen met zwarte skai-bekleding. Ze dragen bijna identieke kleding: een vrij strak donker pak met smalle revers, een wit overhemd en een zwarte stropdas. Hun schoenen glimmen. Ome Thijs  kijkt met zijn lodderige blik over de krant, z’n sigaret plakt op zijn onderlip. De ander, ome Jan, aait de kat op z’n schoot. Tussen hen in staat, als een bokaal, de glimmende asbak. Tante Bets zit tegenover hen, naast de schoorsteen. Op de mantel daarvan zie ik het stenen schaaltje met snoep, chocolade en koekjes al staan. Zij stopt met breien. Alle drie kijken ze me op een licht verontrustende manier aan.

Mijn kleffe hand glijdt langzaam van de deurkruk. Dan krijg ik een duwtje in de rug. ‘Goedemorgen,’ zegt mijn vader, op bijna zakelijke toon. De anderen groeten ook zogenaamd onaangedaan terug. ‘Morguh, Adri…’

Achter me sluit m’n vader de kamerdeur. Daar staan we. Even weet niemand iets te zeggen. Raar. Ome Thijs schraapt zijn keel en ome Jan laat de kat gaan. De wandklok tikt.

‘Goh, wat word je toch groot,’ merkt tante Bets op en ze knikt me allervriendelijkst toe. ‘Zes jaar en al een hele vent.’

Dan richt ze zich tot vader en vraagt: ‘Wil je koffie?’

‘Nee,’ antwoordt vader, ‘eerst maar es…’

Zij knikt en sluit geruststellend haar ogen even. Ze is een lieve vrouw. En ome Jan vind ik ook aardig, maar ome Thijs is op de een of andere manier altijd wat chagrijnig. Ik kijk naar het fotoportret van de man die mijn opa was, dat op een bijzettafeltje staat. Ik zie een man met een joviale snor en een guitige twinkeling in z’n ogen. Niet zo’n koude, harde blik als oma. Ik kan me niets van hem herinneren.

Opnieuw geeft vader me een duwtje in de rug.

‘Adri, zou je dat nou…’ Tante Bets maakt haar vraagzin niet af. Ome Jan zucht.

Met zijn handen op mijn schouders word ik richting de zijkamer gedirigeerd.

Daar brandt een kaars en daar ruikt het ook naar. Maar ook naar nog iets anders. Het is er schemerig, want de gordijnen van het kleine raam zijn dichtgetrokken en die kaars is de enige verlichting. Dan knipt mijn vader het licht aan en zie ik opeens, vlak voor me, als was het een explosie, het bed met oma erop: alles wit en strak, zelfs haar gezicht.  Ik schrik en slik. Haar ogen zijn gesloten en haar kin puilt naar voren, of eigenlijk: naar boven. Ze ligt er onbeweeglijk en onecht bij. Tussen haar gevouwen vingers kronkelt een rozenkrans. Haar huid is niet wit, zie ik dan, maar geel. En ze heeft minder rimpels nu. Met moeite kan ik mijn tranen bedwingen. Niet van verdriet, maar omdat ik bang ben. Ik wist dat ze dood was, het was me verteld, maar dat was voor mij nog een leeg woord. En nog steeds eigenlijk nu ik het dan zie. Ik vind het alleen maar vreemd zoals ze erbij ligt en iedereen doet ook zo… anders.

‘Doe maar een weesgegroetje,’ fluistert m’n vader me dan toe. Hij staat vlak achter me. Ik voel de tocht van zijn adem.

Ik kan het niet. Mijn ogen knijpen zich even dicht.

‘Toe dan,’ spoort hij me aan en geeft me een duwtje tussen m’n schouderbladen.

‘Dag oma…’ piep ik.

‘Nee, stommerd! Een weesgegroetje!’

Waarom doet hij dat zelf niet? Hij kan het ook veel beter dan ik. En nu kan ik al helemaal niet op de woorden komen… Ik begrijp er ook niks van, van dat rare rijmpje, die wonderlijke spreuken. Vrucht van uw schoot en zo.

En dan begint hij warempel, m’n vader: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met u…’

Ik val in en brabbel wat mee, ik doe echt mijn best.

Maar hij werkt het staccato af, ongeduldig ook: ‘…Gij zijt de gezegende onder de vrouwen. En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood…’ Hij klinkt opeens hees… ‘Amen.’

Ik kijk naar oma, naar haar neus en de haren daarin. Ze is heel anders. Maar wat is er, behalve dat ze zo stil ligt, verder toch zo vreemd aan haar?

Vader is begonnen met het Onzevader op te dreunen Mij gaat het te snel, maar ik hoor mee brommende stemmen uit de andere kamer.

Ik weet het: ze heeft geen bril op! En juist die bril gaf haar ogen iets zachts. Ik wil het tegen m’n vader zeggen, maar durf het niet goed. Bovendien is hij nog bezig met het Onzevader.

‘…behoed ons voor het kwaad,’ briest hij en dan zwijgt hij en ademt uit zijn mond, alsof hij zich net heel erg heeft ingespannen. Verder hoor ik alleen het tikken van de klok in de andere kamer. Waarom maken klokken eigenlijk altijd geluid, vraag ik me opeens af. Ja, zelfs horloges maken geluid als je je oor ertegen drukt, zoals ik wel eens deed met mijn vaders horloge. Ik moest het hem eens vragen, maar niet nu. Ik kon het trouwens beter aan mijn moeder vragen, of aan m’n zus of een van m’n broers.

‘Móéduhhr!’ roept mijn vader opeens uit. Ik schrik ervan. Hij begint ook nog eens te huilen, daar kan ik al helemaal niet tegen. Het zweet breekt me uit. Weglopen kan ik niet want vader houdt me bij mijn schouders beet. Hij knijpt erin, hàrd, alsof hij zich aan mij vastklampt.

Ik hoor tante Bets in de andere kamer iets zeggen. En daarna ome Jan: ‘Wàt dan?’ Kennelijk staat hij op want ik herken het geluid dat de stoel maakt, een soort van knerpen. Ome Jan heeft wel eens verteld dat dat komt omdat het leer van varkenshuid is gemaakt en dat het knorren daardoor knerpen is geworden. Ome Thijs zei toen geërgerd dat dat ‘klinkklare nonsens’ was. ‘Ze zijn van imitatieleer,’ zei hij. ‘Namaak. Wat jij zegt is klinkklare nonsens. Klinkklare nonsens!’ Hij leek opeens wel boos. Ja, hij wàs boos. Maar eigenlijk is hij altijd boos.

 Ik spits mijn oren en hoor zelfs ome Jan’s schoenen kraken, maar dat duurt maar kort. Hij komt me kennelijk niet te hulp. Wat let hem?

Plotseling voel ik de hand van mijn vader in m’n nek en hij duwt me naar voren. Hij is opgehouden met snikken en brengt mijn gezicht tot vlak bij dat van oma. Hij doet me pijn. Ik zie haar huid, de blauwige vlekken eronder, de pukkel naast haar neus, haar neusharen. Ik kan haar ruiken, al is het anders dan anders en het allergekste is: ze is volkomen bewegingsloos, ze ademt niet. Doodgaan, had moeder gezegd, betekent dat je geen adem meer haalt.

‘Kus haar,’ zegt hij streng en knijpt me nog harder, drukt mijn hoofd naar beneden.

Ik sta duizend angsten uit maar kan geen kant op. Ik sluit mijn ogen. Mijn lippen raken haar lippen, die koud, stijf en droog en naar aanvoelen. Ik word misselijk en draaierig. Het lijkt eeuwen te duren. Zijn hand omklemt me mechanisch, ik kan geen kant op. Maar dan laat hij los en meen ik hem sorry te horen zeggen, heel zachtjes. Hij aait me over m’n bol. ‘We gaan, jongen,’ zegt hij. En dan, snikkend: ‘Ik kon het niet...’

Kokhalzend sta ik naast haar doodsbed. Ik vind normaal gesproken de kussen van mijn tantes al vies, maar dit slaat alles en dit kàn ik niet ontwijken. Ik ben zo gefocust op mijn lippen, dat ze wel lijken te branden, alsof er blaren op zitten. En het bonst in mijn hoofd. Ik zie er scheel van. Oma’s lippen voelden onaangenaam, ja, huiveringwekkend koel aan, en droog, droog als zeem. Het vreemde is dat ik eigenlijk wil spugen – gewoon op de vloer, kan me niks schelen – maar zelf ook opeens een droge mond heb. Terwijl ik me daar zorgen over maak (zoiets is toch niet besmettelijk?!), legt mijn vader zijn hand op mijn schouder en dirigeert me terug naar de woonkamer.

Daar zie ik de verschrikte gezichten van mijn ooms en tante. ‘Mijn god, Adri, wat dééd je?’ zegt tante Bets. Ome Jan draait zich om en kijkt naar buiten. Het is somber weer, grijs maar rustig. Ome Thijs blaast rook uit en kijkt die glazig na.

‘Man man man man…’ zegt ome Jan hoofdschuddend en hij kijkt over zijn schouder naar zijn jongste broer. ‘Wat heb je ons weer laten schrikken.’

Ons? Mij, zul je bedoelen! Want wie is hier nou geschrokken? Ze vergeten je waar je bij staat, die volwassenen. Zó stom.

Op dat moment vraagt tante Bets met een heel lieve stem: ‘Cor, wil je een snoepje?’ Ze houdt haar armen open, maar ik bewaar toch een beetje afstand. Je weet maar nooit. Een snoepje wil ik wel. Liever nog twee, een heleboel. Ja, ik wil héél graag iets zoets proeven, weer iets van smaak in mijn mond gewaarworden, want dat droge voelt helemaal niet goed.

‘En Adri dan maar een kopje koffie?’ klinkt het welwillend.

Ze gebaart dat ome Jan er een stoel bij moet halen uit de keuken.

M’n vader gaat zitten en verbergt zijn gezicht in z’n handen. Opeens kijkt hij op en zegt: ‘Maar ze ligt er wel mooi bij. Dat wel.’

Instemmend gemompel. Tante Bets schenkt hem koffie in. Het lijkt erop dat hij opnieuw gaat dreinen en ze geeft hem een bemoedigend schoudertikje. Ik sta er maar zo’n beetje bij, sabbelend op m’n frambozensnoepje. Lekker zoet en zuur tegelijk. Ik kijk naar mijn ooms. Die ochtend hebben m’n broers me uitgelegd, en ook laten zien, wat een uitroepteken is. De stropdassen van mijn ooms, met de knoop als punt, zijn omgekeerde uitroeptekens, zie ik nu. Zij beginnen te praten over allerlei zaken waar ik niks of weinig van begrijp. Allemaal saaie zaken. Ik vraag waar de poes is. ‘Buiten.’ Ik durf niet te vragen of ik ook naar buiten mag.

Mijn vader neemt slobberend en plotseling ongeduldig een slok van zijn koffie, bedankt, staat op en neemt me mee. Naar huis.

‘Maar je koffie…’ probeert tante Bets nog.

‘Sorry Bets, ik moet gaan, ik heb nog werk te doen.’

‘Je kent hem toch,’ zegt ome Thijs.

--

De volgende aflevering:

In hoofdstuk 1 kan de jonge Cor zijn geluk niet op als hij een prijs wint. Maar zijn broers gaan ermee aan de haal.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af.

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen