Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Nieuws

Letterenfonds en De Schrijverscentale komen met nieuwe steunmaatregel voor schrijvers

Letterenfonds en De Schrijverscentale komen met nieuwe steunmaatregel voor schrijvers


Schrijvers hebben tijdens de lockdown moeite om hun lezers te ontmoeten via de fysieke boekhandel, bibliotheken en scholen. Om deze reden komt het Nederlands Letterenfonds in samenwerking met De Schrijverscentrale en de Koninklijke Boekverkopersbond met een nieuwe steunmaatregel. Daarmee wordt dit voorjaar een groot aantal (online) publieksactiviteiten mogelijk gemaakt.

Via De Schrijverscentrale kunnen Boekhandels, bibliotheken en scholen in Nederland een schrijversoptreden boeken, waarbij het letterenfonds het honorarium voor de schrijvers subsidieert tot 500 euro. Ook ontvangt de boekhandel via de Boekverkopersbond een bijdrage van maximaal 500 euro voor de (extra) organisatiekosten. Zo wordt de drempel verlaagd voor het organiseren van (online) optredens en publieksactiviteiten van schrijvers die – afhankelijk van de dan geldende mogelijkheden – online, hybride of kleinschalig zijn en plaatsvinden tussen 1 maart en 1 juli 2021. Iedere denkbare publiekspresentatie komt in aanmerking. 

“Dit initiatief maakt deel uit van een groter pakket aan steunmaatregelen waar het Letterenfonds dit voorjaar mee naar buiten treedt. Dat het belangrijk was om iets te bedenken waarmee nu kleinschalige schrijversoptredens kunnen worden gestimuleerd, schrijvers een goed honorarium ontvangen en ook de boekhandel een steun in de rug krijgt, was voor het fonds direct duidelijk. Ik ben blij met deze samenwerking met De Schrijverscentrale en KBb.” Aldus Tiziano Perez, directeur van het Nederlands Letterenfonds (De schrijverscentrale)

Anne Zeegers, directeur van De Schrijverscentrale: “Lezingen en schoolbezoeken zijn onmisbaar voor een vitale leescultuur, ze vormen ook een belangrijke inkomstenbron voor auteurs. Jaarlijks keren we € 2 miljoen uit aan schrijvers, maar vorig jaar was dat vanwege de coronamaatregelen slechts € 1 miljoen. Ook nu zien we de trend dat lezingen verplaatst worden naar het najaar of zelfs 2022. We zijn dan ook heel blij met deze steunmaatregel, waardoor we ons netwerk van 5.000 schrijvers voor een aantrekkelijk tarief onder de aandacht kunnen brengen. Met elkaar zorgen we ervoor dat schrijvers hun verhalen blijven vertellen, hun lezers ontmoeten en hun boeken promoten.”

Anne Schroën, directeur van de Koninklijke Boekverkopersbond: “Uit onderzoeken bleek al eerder dat boekhandels cruciaal zijn in het onder de aandacht brengen van nieuwe schrijvers en boeken. Dat heeft de lockdown van de afgelopen weken ook pijnlijk en onmiskenbaar bevestigd. Een boekverkoper inspireert en verrast de lezer. De Koninklijke Boekverkopersbond is het Letterenfonds zeer erkentelijk voor het ondersteunen van initiatieven om de boekverkoper in deze omstandigheden zo veel mogelijk die onmisbare schakel te laten vormen tussen schrijver en lezer.”

--

Sabine Bunschoten

Longlist Libris Literatuur Prijs 2021

Longlist Libris Literatuur Prijs 2021


De longlist van achttien titels voor de Libris Literatuur Prijs 2021 voor de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar is gisteren bekendgemaakt. Uit de onderstaande titels kiest de jury op 1 maart zes boeken voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. De zes genomineerden ontvangen elk 2.500 euro. De uiteindelijke winnaar ontvangt  50.000 euro.

De jury onder leiding van Lilianne Ploumen (Lijsttrekker van de PvdA, oprichter SheDecides) heeft achttien romans uitgekozen voor de longlist Libris Literatuur Prijs 2021. Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen stuurden gezamenlijk 214 titels in, waarvan ruim een derde geschreven is door vrouwelijke auteurs. Opvallend dit jaar is het grote aantal romans geschreven door jonge auteurs.

Longlist Libris Literatuur Prijs 2021:

- Simone Atangana Bekono, Confrontaties - Lebowski

- Gerda Blees, Wij zijn licht - Podium

- Merijn de Boer, De Saamhorigheidsgroep - Querido

- Jeroen Brouwers, Cliënt E. Busken - Atlas Contact

- Matthijs Deen, Het lichtschip - Thomas Rap

- Arnon Grunberg, Bezette gebieden- Lebowski

- Laura van der Haar, Een week of vier - Podium

- Thomas Heerma van Voss,  Condities - Das Mag

- Stefan Hertmans, De opgang - De Bezige Bij

- Cindy Hoetmer, Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar - Meulenhoff

- Raoul de Jong, Jaguarman - Bezige Bij

- Herman Koch, Finse dagen - Ambo Anthos

- Alma Mathijsen, Bewaar de zomer - De Bezige Bij

- Erwin Mortier, De onbevlekte - De Bezige Bij

- Marieke Lucas Rijneveld, Mijn lieve gunsteling - Atlas Contact

- Lize Spit, Ik ben er niet - Das Mag

- Ernst Timmer, Magma - Prometheus

- Sien Volders, Oogst - Hollands Diep

De juryvoorzitter maakt op 10 mei de winnaar bekend in het Amstel Hotel, live in het Nieuwsuur op onder andere NPO2.

--

Sabine Bunschoten

Dit zijn de nieuwe stadsdichters van Nederland

Dit zijn de nieuwe stadsdichters van Nederland


Het is poëzieweek, ook al gaat het dit jaar misschien toch wat ongemerkt voorbij door de corona, optredens zijn fysiek niet mogelijk. In deze week worden  er elk jaar de nieuwe stadsdichters bekend gemaakt. Zo is sinds 28 januari 2021 Heidi Koren verkozen tot nieuwe stadsdichter van Nijmegen. Heidi debuteerde in 2015 met haar eerste bundel Gedachten over een mogelijk einde. Hierna ronde ze de schrijversvakschool in Amsterdam af. In 2019 verscheen haar debuutroman Hawaï 2000 en kort hierop volgde haar tweede poëziebundel Wie dit leest is gek. Met haar stadsdichterschap wil Heidi het belang van de kunsten uitdragen. “We hoeven niet allemaal kunstenaar te worden maar kunnen wel allemaal leren van de kunsten,” aldus Heidi (Tzum)

Myron Hamming is de nieuwe stadsdichter van Groningen. Renée Luth droeg op 29 Januari 2021 zijn titel over aan Myron. Hij is al vele jaren actief in Groningen als dichter. Op dit moment werkt hij aan zijn eerste poëziebundel. Hamming kwam onlangs in de publiciteit, met zijn video om Groningen en haar inwoners een riem onder het hart te steken in deze moeilijke tijd. Laaggeletterdheid en de dalende leesvaardigheid onder jongeren is een van de aandachtspunten waar hij zich tijdens zijn dienst als stadsdichter mee bezig wilt houden. In deze corona tijd ziet hij een heleboel mogelijkheden om taal en poëzie een positieve rol te laten spelen, zeker ook voor kwetsbare groepen. (Tzum)

In Rotterdam is Anne Vegter de nieuwe stadsdichter. Ze neemt het poëtische stokje van Dean Bowen over. Anne is dichter, prozaïst en toneelschrijver. In 1989 debuteerde zij met het kinderboek De dame en de neushoorn, waarvoor ze meteen de Woutertje Pieterse Prijs ontving. Haar tweede boek, Verse bekken (1990), geïllustreerd door Geerten ten Bosch, was het eerste kinderboek in de geschiedenis dat voor de AKO Literatuurprijs werd genomineerd. In 2011 verscheen het lovend ontvangen Eiland berg gletsjer, met illustraties door haarzelf, dat werd bekroond met de Awater Poëzieprijs. In 2008 werd Spamfighter genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, waarbij de bundel bekroond werd met de Publieksprijs. Van 2013 tot 2016 bekleedde Anne Vegter het ambt van Dichter des Vaderlands. Zij was na Gerrit Komrij, Driek van Wissen en Ramsey Nasr de eerste vrouwelijke dichter met deze eretitel.

“Ik wil mij profileren als stadsnomade die de verschillende ‘ritmes’ van de wijken waarneemt. Stads Poëzie ontstaat door luisteren, kijken en nadenken. Een stadsdichter zoomt uit en schrijft over de plek waar we leven en de kwetsbare tijd waarin we ons bevinden,” aldus Anne Vegter (Tzum)

Sarah Lucassen is de nieuwe stadsdichter van Zwolle, de jongste ooit. De 23-jarige Sarah Lucassen is sinds 25 Januari 2021 de nieuwe stadsdichter van Zwolle. Ze volgt Jeroen Kraakman (40) op. “Ik wil mensen weer een glimlach op het gezicht geven. Ik hoop om als dichter meer bewustzijn te creëren over de maatschappelijke issues in de stad. Dat iemand die veel van poëzie houdt, maar niet op de hoogte is van het nieuws in Zwolle, daar toch iets van meekrijgt.” Aldus Sarah Lucassen (de Stentor) 

--

Sabine Bunschoten

Bazarow Magazine

Ontvang ons magazine in je mailbox.


Je aanmelding kon niet opgeslagen worden, probeer het opnieuw.
Je aanmelding was succesvol.
Hoppa, kinderen en jongeren gewoon meedoen aan de Poëzieweek

Hoppa, kinderen en jongeren gewoon meedoen aan de Poëzieweek


Hoppa, kinderen en jongeren gewoon meedoen aan de Poëzieweek 

Beetje laat misschien om aan te haken, de Poëzieweek is van 28 januari tot 3 februari. Maar hier geldt de aloude wijze raad “Beter laat dan nooit.” Omdat we eigenlijk wat laat zijn met tips over poëzie voor kinderen en jongeren geven we slechts enkele boekentips.

We haken eerst aan bij Ted van Lieshout. Wie kent niet de serie van Boer Boris? En zijn Kunstprentenboek? Een veelzijdig man, schrijver, beeldend kunstenaar, illustrator èn dichter. Nu deze dagen de aandacht gaat naar poëzie kun je niet om Ze gaan er met je neus vandoor.  Een heel bijzondere poëziebundel.

We haken aan bij een heel klein zeer handzaam boekje Bijna jarig. Het eerste gedicht gaat zoals de titel verraadt over je verjaardag. Maar lees verder en je komt zulke verrassende kleine juweeltjes tegen. Poëzie voor kinderen, onmiskenbaar. Vooral aan te bevelen om kinderen kennis te laten maken met poëzie. De gedichten zijn kort, heel origineel en het boekje nodigt uit om verder te lezen, het is een dun boekje. We haken verder aan bij één van de dichters uit deze bundel, Bette Westera. Ook zo’n veelzijdig iemand. Lees vooral Loslaten van Westera in deze bundel.

We haken aan bij Stijn de Paepe met Het lijkt wel een feestje. Een boek met  leuke versjes over alledaagse dingen, heel herkenbaar voor de jongere lezers.

We haken aan bij Harmen van Straaten met Wat rijmt er op stoep? Om lekker te rijmen met jonge kinderen. Bovendien is er een rijmwedstrijd gebonden aan dit boek, klik op Rijmwedstrijd.  Let op! Haast is geboden, vóór 15 februari inleveren! Wel klikken op de link voor deelname.

Natuurlijk zijn er zo veel meer poëziebundels, rijmboeken, versjesboeken voor de niet volwassenen onder ons. We hebben gewoon een keuze gemaakt.

Als laatste haken we nog even aan bij Jet Kats met haar allernieuwste Niemand gelooft in mij. De eerste van twee delen kindergedichten geschreven voor 9+. Recensie volgt binnenkort op De Leesclub van Alles.  

--

Door Rita Pontororing

Uit de hoek deel 2. Stenen op het vuile graf van de taal

Uit de hoek deel 2. Stenen op het vuile graf van de taal


Marc Schoorls brute vrijplaats

[Column] Frénk van der Linden, dat is een echte journalist. Hij heeft een goede naam als het gaat om interviews. En ik wil best geloven dat hij die faam verdient. Ik voor mij kan me geen onderscheidend interview herinneren dat door hem geschreven is. Maar dat kan aan mij liggen. Het zal aan mij liggen. Prima. En ik heb ook nooit een interview van hem gelezen dat ik minder goed of zelfs slecht vond. Nee. Hij is een vakman.

In 1984, nog geen dertig jaar oud won hij al Het Gouden Pennetje, een prijs die het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren jaarlijks toekent aan jong journalistiek talent. Daarna timmerde hij ijverig aan de weg. In 2006 heeft hij zelfs een roman doen verschijnen. De steniging. Ik heb het niet gelezen. Niet eens omdat het, zoals ik begreep, geschreven is in snelle turbotaal en gaat over "het multiculturalisme en het integratiedebat in Nederland". Maar gewoon omdat ik zoveel andere romans op voorhand prefereerde. Best besproken werd zijn roman trouwens niet. Het wilde, begreep ik uit wat recensies, maar geen literatuur worden.

Wat precies literatuur is, dat weet ik niet. Maar dat Van der Linden matig schrijft, dat weet ik wel. Hij is dan ook geen schrijver, maar een journalist en die twee bedienen zich helaas van hetzelfde medium.

Voor een journalist zijn de woorden middel, wegwerpartikelen bijna, ten einde de boodschap over te brengen, bijvoorbeeld over zoiets als het multiculturalisme. En dat mag, dat is zelfs loffelijk.

Maar een beetje schrijver beziet de taal als een machtig mooi medium dat je met zorg behandelt, dat je veel aandacht geeft en vertroetelt. Dat je kneedt, laat rusten en nog een keer doorkneedt. Waar je je liefde in steekt en je persoonlijke saus over giet, om het uiteindelijk als smakelijk leesvoer met trots te presenteren. Tuurlijk, het kan wel eens misgaan, maar de opzet is om dat te voorkomen. De opzet is om er iets moois van te maken.

Nu heeft Van der Linden een boekje doen verschijnen over de scheiding van zijn ouders en de lange nasleep daarvan. En altijd maar verlangen – De liefdesoorlog van mijn ouders. Het gaat over, dat moet gezegd en ik meen het ook echt, een regelrecht menselijk drama, met moord en doodslag en wat niet al. Eén en al narigheid. Prachtmateriaal dus voor een roman waar de schrijver eens goed voor kan gaan zitten.

En dat al helemaal omdat de journalist-schrijver in kwestie in de maag zit met de hele affaire. Al op jonge leeftijd kozen hij en zuslief in die oorlog namelijk eenzijdig voor hun vader. En daar heeft hij spijt van. Want zo zwart-wit was het niet. Evenmin als dat zo was in de Tweede Wereldoorlog. Dat weten we al een tijdje, dat goed en fout lastig te meten grootheden zijn. Vaak vloeien ze zelfs op de meest merkwaardige manieren in elkaar over. Zijn bijna leeftijdgenoot Chris van der Heijden schrijft al decennia over ons ook in dat opzicht grijze verleden. En Simon Vestdijk en W.F. Hermans lieten in hun romans al meteen na de oorlog de ambivalente waarheid toe. 

Die speelse romanvorm laat veel toe en léént zich daar ook goed toe.  Maar Van der Linden goot zijn verhaal in de vorm van brieven aan zijn ouders. Dat is niet meteen de weg van de minste weerstand, maar het is wel een meer journalistieke benadering die minder van de verbeelding vraagt en wellicht iets gemakzuchtiger is. Meesterinterviewer Ischa Meijer ging hem daarin al voor met zijn Brief aan mijn moeder. Ook een boek om van te smullen, maar literatuur is het niet echt.

Enfin, het boek is daar en journalist Frénk van der Linden kreeg van tenminste drie kranten de gelegenheid zijn boek helemaal zelf eens goed voor het voetlicht te brengen. De mazzelpik. Nou, daar zal hij dan wel eens even goed voor zijn gaan zitten dan. Maar nee. Want echt waar, als je dat leest, die samenvatting, vergaat je de lust in dat brievenboek wel. Mijn god, wat een proza. Ik citeer, uit het Algemeen Dagblad: "Had ik een ontaarde moeder? (…) Verre van. Ze belichaamde het begrip 'warm bad'."

Een moeder die een warm bad belichaamt?

Okay, nou vooruit, dat was dan dat ene ‘stijlfoutje’ dat iedereen wel eens over het hoofd ziet.

We lezen door: "Iedereen roemde de stralende ogen waarmee ze je luisterend aankeek, de handen die ze even op de jouwe kon leggen, haar koesterende lichamelijkheid." Stralende ogen waarmee ze luistert en een koesterend lichaam: ze is inderdaad wat ontaard, een freak bijna, zo lijkt het wel.

Een nare geschiedenis intussen is het zéker: "Ze verdween een maand of wat in een gesloten zenuwinrichting. Elektroshocks. Isoleercel. Kalmerende injecties. Vervolgens keerde zij terug bij pa, Désirée en mij – om korte tijd later de draad van haar verhouding met John op te pikken. Een familielid haalde haar van een spoorlijn bij Bennebroek, waar ze met suïcideplannen naartoe was gefietst. Wéér opgenomen tussen psychiatrische patiënten."

Het is een samenvatting van een samenvatting van een ernstig psychiatrisch geval. Dat begrijp ik. Maar schutterig verwoord is dit ook. En hoe vergaat het de rest van het gezin?

"Huilend kroop hij op zijn knieën door de woonkamer, om zijn hoofd tot bloedens toe tegen de ribben van een cv-radiator te slaan. Désirée en ik deelden zijn gevoelens." Ja, want dat doet pijn, je hoofd tot bloedens toe tegen de cv slaan. Maar zijn zoon en dochter delen die gevoelens, dus dat scheelt. Gedeelde smart is halve smart, zeggen ze. En één plus één is twee. 

Iets verderop vraagt Frénk zich af: "Hoe vielen me de schellen van de ogen?" Ja, hoe? Daar ben ik ook benieuwd naar. Ik heb nog nooit van iemand gehoord hoe de schellen van zijn ogen afvielen. Wel waardoor. En het verhaal krijgt meteen nog een extra tragische dimensie: "Benno, het kind dat Greet en hij samen kregen, werd achter ons huis doodgereden door een vrachtauto van zijn eigen transportbedrijfje. Het vergrootte de rancune jegens onze moeder. Zij en John hadden inmiddels twee kerngezonde dochtertjes."

Frénk concludeert: "Désirée en ik hadden een vader en een moeder die beiden op hun eigen manier 'schuldig' waren aan hun amoureuze mislukking." Dat nu valt onder het kopje volkswijsheid: waar twee kijven hebben twee schuld. Dat is al net zo’n wijsheid als: gedeelde smart is halve smart. Het zijn de wijsheden van iemand die niet tot drie kan tellen. Of weet wat tweeënhalf is, wat breuken zijn, decimalen.

Maar Frénk dendert al weer voort: "Het is makkelijk om je ouders achteraf de maat te nemen. Het is moeilijk om hun schoenen aan te trekken en met hen mee te voelen." Hier wordt gevoeld door iemand anders schoenen aan te trekken: ook best bijzonder. En er is bovendien sprake van "die noodlottige brief richting de rechter". Niet aan, maar richting. Een kwestie van goed mikken denk ik dan. Of van een richtingaanwijzer.

Frénk besluit in het AD met: "Tijd is de grote heelmeester, heb ik aan den lijve ondervonden. Maar zo nu en dan legt hij pijnlijke dingen bloot." Ik vind het twee heel knappe constateringen. Over de tijd, over pijn en over bloot. Het is dat de dood er nog maar aan ontbreekt. Maar de deur staat wagenwijd open met zulke clichés. Met zulke verweerde verwoordingen. Daar ontbreekt leven aan.

Het verhaal zoals Frénk dat in de kranten vertelt krijgt een tamelijk sentimenteel afloop. En zijn conclusie luidt: "We blijven allemaal tot onze laatste ademtocht in gesprek met onze ouders, of we het willen of niet, en misschien leren we nog het meest van hen als ze er niet meer zijn." Dat eerste is uiteraard waar, maar zou het niet veel mooier zijn geweest als hij schreef tot onze laatste snik in plaats van die steriele, stijve ‘laatste ademtocht’? Dat is ijdel stijlvertoon van iemand die dat niet kan. Dat we nog het meest van onze ouders leren "als ze er niet meer zijn", lijkt me klinkklare nonsens. Zoals een oude buurman eens tegen mij zei: "Van de doden niets dan goed, maar veel van ze leren kèn je niet."

De schrijver, gramstorig als hij is, haat de wereld en klampt zich vast aan zijn liefde voor de taal. De journalist, edelmoediger, wil de wereld verbeteren en verramponeert daarbij zijn medium.

In de Volkskrant doet hij hetzelfde verhaal in net iets andere bewoordingen. Beter is het niet. Hierin spreekt hij van een "een catch-as-catch-can-achtige scheiding". Hoe krijg je het uit de je gouden pennetje? Hoe lelijk is dat! En hoe onnodig. In het Nederlands hebben we daar de inventieve en zeer bruikbare benaming vechtscheiding voor. Enfin. De beide, arme kinderen, want dat zijn ze zeker, Frénk en zus Désirée, met zo’n moedertje lief, schreven als pubers "een brief aan haar advocaat, waarin we haar even ijskoud als witheet dood verklaarden". IJskoud èn witheet: het is een knappe brief van de pubers in kwestie.

Er volgt nòg meer dramatiek: "Niet veel later draaide pa op een avond de gaskraan in de keuken open. Désirée en ik lagen boven te slapen. 'Ik dacht: ik neem jullie mee', zou hij me op zijn oude dag vertellen. 'Dan waren we allemaal in één keer van de narigheid af. Maar onze benedenbuurman belde aan om te vragen of ik een biertje kwam drinken. Vandaar dat we hier nog zitten. Weet je trouwens dat hij voor de nazi’s had gevochten bij Stalingrad? Ja jongen, jij dankt je leven aan een SS’er.'"

Wat een verháál! Het is echt zó jammer dat hij het taaltechnisch totaal verknoeit. Want moet je de volgende zin ook eens lezen: "Toen ik zelf een serieuze relatie kreeg, (ondervond ik) aan den lijve dat de liefde een tango is die je automatisch medeverantwoordelijk maakt voor de plek waar je op de dansvloer van het leven belandt." Wat een volzin! Een automatische tango en de (mon dieu) plek "op de dansvloer van het leven". Dat is geen metafoor meer, dat is taalvervuiling waar straf op moet staan. En wat een belabberde onzin trouwens ook. De liefde als tango die je medeverantwoordelijk maakt voor de plaats die je in het leven inneemt. Of zoiets.

En het gaat maar door: "Het verhaal over de herontmoeting van mijn ouders is in alle eerlijkheid volkomen ongeloofwaardig." Hoezo: in alle eerlijkheid? Is de rest niet als dusdanig geschreven dan? Ik heb juist de indruk dat Van der Linden best eerlijk is. Moet ik daar nu aan gaan twijfelen? Dat zou jammer zijn. "Niemand zal begrijpen hoe het kan dat die twee in 2009 op een avond binnen twee minuten als tortelduiven après la lettre hand in hand op de bank zaten."

Het getal twee, daar is iets mee: verder komt Frénk niet.

En: "Tortelduiven après la lettre". Wat dáár nu weer van te denken? Is dat geen taal van een ongeletterde? Ik weet niet wat literatuur is, maar dit is het niet.

"Maar Désirée en ik hebben het zelf gezien: vergeving kan à la verliefdheid een blikseminslag zijn." Opgelet: vergeving kan à la verliefdheid een blikseminslag zijn. Wees op uw hoede! Dat kan nog slecht aflopen.

Maar alla. En gelukkig liep deze hele sprookjesachtige en grimmige geschiedenis tòch nog goed af: "De laatste jaren van mijn moeders leven gingen mijn ouders teder met elkaar om. Na haar overlijden legde mijn vader een rode roos op de kist."

En ze leefden niet meer samen, maar ze waren wel gelukkig.

En mij is de lust tot lezen, de zin om dat boek te savoureren wel vergaan.

--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De GidsVrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

Boekenweek 2021 mogelijk uitgesteld

Boekenweek 2021 mogelijk uitgesteld


De CPNB, de belangenorganisatie voor de boekhandels, is in beraad met de boekhandels over het al dan niet door laten gaan begin maart van de Boekenweek. De boekhandels zijn vanwege de huidige lockdown gesloten. Veel boekhandels zijn van mening dat de Boekenweek met gesloten boekhandels geen enkele zin heeft. Ze pleiten ervoor  om de Boekenweek alleen te organiseren op het moment dat winkels weer open zijn. Anderen willen het wel door laten gaan.

De 86ste Boekenweek zou plaatsvinden van zaterdag 6 t/m zondag 14 maart. Het thema van de boekenweek 2021 is ‘Tweestrijd’. Het bestuur van de CPNB heeft besloten toch gehoor te geven aan het verzoek tot uitstel van de week en de week pas te organiseren als winkels weer open zijn.

De Boekenweek is de belangrijkste week in het jaar voor het boekenvak. Dan worden er de meeste boeken verkocht. Het verplaatsen van de boekenweek heeft gevolgen voor onder andere media en auteurs. 

--

Sabine Bunschoten

Open brief Nederlandse schrijvers aan Mark Rutte: de boekhandels moeten weer open!

Open brief Nederlandse schrijvers aan Mark Rutte: de boekhandels moeten weer open!


Deze week stuurden meer dan 100 schrijvers een open brief aan demissionair minister-president Mark Rutte. Hierbij de volledige tekst van de brief met alle ondertekenaars!

--

Aan de minister-president
De heer Drs. M. Rutte
Amsterdam, 27 januari 2021

Geachte heer Rutte,
In een rechtsstaat die vrijheid, overleg en redelijkheid nastreeft vervullen boekhandels niet alleen een commerciële, maar ook een democratische functie. In tijden van polarisering, complotdenken en filter bubbles zijn ze noodzakelijker dan ooit. De boeken, maar ook de kranten en tijdschriften die ze verkopen, brengen vaak inzicht, nuance, wijsheid en schoonheid. Koning Willem-Alexander zei in een recente Zoomvergadering met vertegenwoordigers uit het boekenvak dat een gezonde boekenbranche
"essentieel" is "voor het in stand houden van de Nederlandse cultuur". Graag zouden wij u en uw kabinet een gelijkluidend standpunt horen uitdragen.
Nederland hanteert een van de strengste regimes van Noordwest-Europa als het op boekverkoop aankomt, zo blijkt uit een recent overzicht van internationale brancheverenigingen van uitgevers en boekverkopers. Uiteraard dwingt corona tot scherpe, pijnlijke beslissingen, maar dat betekent niet dat er helemaal geen keuzeruimte is. In België gelden boekwinkels sinds de tweede coronagolf als "essentiële handelszaken".

In oktober was het land een van de zwaarst getroffen lidstaten van Europa, maar het pakte corona vervolgens kordaat aan en werd een van de betere leerlingen van de klas terwijl de boekhandels aldoor openbleven.
In Frankrijk zijn de boekwinkels sinds eind november weer open. President Macron, van wie bekend is dat hij slechts vier uur per nacht slaapt en de rest al lezend doorbrengt, zei bij die gelegenheid: "Cultuur is essentieel voor ons leven als vrije burgers. Ik wil hier mijn dank en steun betuigen aan alle culturele spelers aan wie we, ik besef het, zoveel hebben gevraagd. We hebben hen nodig."
In Duitsland is het beleid per deelstaat geregeld: in heel Berlijn en Brandenburg is alles gewoon open, enkel in Thüringen en Saksen zijn de winkels dicht, elders kun je minstens op afspraak boeken gaan afhalen zelfs in de deelstaten die direct aan Nederland grenzen. Dat afhalen betekent een aanzienlijke verbetering. Dan verliest de boekhandelaar immers geen geld of tijd aan het versturen of rondbrengen van pakjes.

Het klinkt sympathiek, zo¶n boekenboer met bakfiets, maar een verdienmodel is het niet, noch voor de betrokken boekverkoper, noch voor schrijvers.
In Nederland gingen boekhandels op 15 december rücksichtslos dicht. Zelfs een afhaalloket is niet toegestaan. Twee weken geleden kregen auteurs uit Nederland en Vlaanderen het verzoek om lezers op te roepen boeken vooral lokaal te blijven bestellen. Velen van ons hebben aan die campagne meegewerkt. Maar een structureel probleem lossen we niet enkel op met een beroep op de goodwill van de individuele lezer. Ook de Nederlandse regering moet op haar keuzes worden aangesproken. 

Voor alle duidelijkheid: wij vragen geen voorkeursbehandeling, wij willen niet dat de boekhandel betere voorwaarden krijgt dan andere retailsectoren. Wij willen slechts dat de boekhandel hetzelfde als de rest behandeld wordt. Want waarom mogen bloemen, pralines, pizza¶s, boormachines, gerepareerde schoenen, hondenvoer, rum, calvados en wiet wél worden afgehaald, en boeken niet? Het toestaan van een loketfunctie is wel het minste dat uw regering mogelijk moet maken. Zo voorkomt u dat de nacht valt over een
kunstvorm die ook u, als groot liefhebber van Thomas Mann, zo dierbaar is. Dan rest ons nog enkel, zoals het in Der Zauberberg heet, "so ein Menschenthorax, der keiner mehr ist".
Samenvattend: wij vragen u om op de kortst mogelijke termijn tot een verantwoorde heropenstelling van de Nederlandse boekhandel te komen, op zijn minst door het toestaan van een afhaalmogelijkheid.

In afwachting van uw reactie zullen we voor de inhoud van deze brief ook publiekelijk de aandacht vragen.


Hoogachtend,
Kader Abdolah, Karin Amatmoekrim, Maarten Asscher, Abdelkader Benali,
Hanna Bervoets, Alfred Birney, Marion Bloem, Onno Blom, Oscar van den Boogaard, Conny Braam, Rutger Bregman, Hans Maarten van den Brink,
Charlotte Van den Broeck, Jan Brokken, Jeroen Brouwers, Tsead Bruinja, Ian Buruma, Peter Buwalda, Remco Campert, Sinan Çankaya, Joris van Casteren, Bart Chabot, Jan Cremer, Adriaan van Dis, Martin Michaël Driessen, Jessica Durlacher, Anna Enquist, Rob van Essen, Radna Fabias, Maxim Februari, Esther Gerritsen, Ronald Giphart, Arnon Grunberg, Wessel te Gussinklo, Sanneke van Hassel, Daan Heerma van Voss, A.F.Th. van der Heijden, Bas Heijne, Joke J. Hermsen, Stefan Hertmans, Bregje Hofstede, Auke Hulst, Roxane van Iperen, Murat Isik, Arthur Japin, Oek de Jong, Raoul de Jong, Lieve Joris, Mensje van Keulen, Herman Koch, Sander Kollaard, Kees van Kooten, Ernest van der Kwast, Tom Lanoye, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Bart Van Loo, Marcia Luyten, Joris Luyendijk, Geert Mak, Lieke Marsman, Vonne van der Meer, K. Michel, Bart Moeyaert, Marente de Moor, Margriet de Moor, Marcel Möring, Erwin Mortier, Jan Mulder, Charlotte Mutsaers, Ramsey Nasr, Nelleke Noordervliet, Saskia Noort, Cees Nooteboom, Jeroen Olyslaegers, Christine Otten, Willem Otterspeer, Jamal Ouariachi, Connie Palmen, Gustaaf Peek, Ilja Leonard Pfeijffer, Wanda Reisel, David Van Reybrouck, Marieke Lucas Rijneveld, Jaap Robben, Thomas Rosenboom, Eva Rovers, Mark Schaevers, Alfred Schaffer, Marijke Schermer, Xandra Schutte, Jan Siebelink, Hubert Smeets, Philip Snijder, Lize Spit, Chris De Stoop, Abram de Swaan, Manon Uphoff, Margot  Vanderstraeten, Anne Vegter, Coen Verbraak, Peter Verhelst, Esther Verhoef, Dimitri Verhulst, Carolijn Visser, Joost de Vries, Pieter Waterdrinker, Niña Weijers, Tommy Wieringa, Jolande Withuis, Maartje Wortel, Annejet van der Zijl en vele, vele andere schrijvers

--

 

Genomineerde schrijvers NKV-Homerusprijs 2021

Genomineerde schrijvers NKV-Homerusprijs 2021


De NKV-Homerusprijs is een jaarlijkse prijs en wordt uitgereikt aan de schrijver(s) van een Nederlandstalig werk (boek/vertaling) dat het beste een brug slaat tussen de Klassieke Oudheid en het heden. De prijswinnaar ontvangt een linoleumsnede (van kunstenaar Joep Beijst).

Alexander van de Bunt met het boek Wee de overwonnen, Wim Jurg met zijn boek Onder dezelfde sterren en Jona Lendering met haar boek Bedrieglijk echt zijn genomineerd voor de Homerusprijs 2021. Het Nederlands Klassiek Verbond reikt deze prestigieuze prijs uit. Piet Gerbrandy won de Homerusprijs 2020 met zijn vertaling van Boëtios’Troost in filosofie.

Eerdere winnaars zijn:

  • 2010 René Veenman - De klassieke traditie in de lage landen (postuum)
  • 2011 Jona Lendering & Arjen Bosman - De rand van het rijk, De romeinen en de lage landen
  • 2012 Jeanine De Landtsheer - Desiderius Erasmus: Spreekwoorden (adiaga)
  • 2013 Jan-Maarten Bremer & Ton Kessels - Aristoles: Politica 
  • 2014 Daan den Hengst - Ammianus Marcellinus, Julianus, De laatste heidense keizer
  • 2015 Christian Laes - Beperkt? Gehandicapten in het Romeinse Rijk 
  • 2016 Toon van Houdt - Mietjes, Monsters en Barbaren. Hoe we de klassieke oudheid gebruiken om onszelf te begrijpen 
  • 2017 Patrick Lateur - Homeros, Odyssee. Een zwerver komt thuis
  • 2018 Arjen van Veelen - Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken
  • 2018 Maarten Asscher - De ontdekking van Rome
  • 2019 Patrick Lateur - Europa. Mythologisch continent in eeuwige beweging
  • 2020 Piet Gerbrandy - Boëtios’ Troost in filosofie 

--

Sabine Bunschoten

 

Vandaag start de poëzieweek 2021 met het thema ‘samen’

Vandaag start de poëzieweek 2021 met het thema ‘samen’


Poëzieweek (28 januari tot 3 februari) is het grootste en meest laagdrempelige initiatief voor poëzie in de Lage Landen. Literaire organisaties, scholen, bibliotheken, boekhandels, media, … Iedereen doet mee! Elk jaar staat poëzie centraal tijdens de laatste week van januari.

Door het grote succes van de Gedichtendag werd in 2013 beslist om Gedichtendag uit te werken tot een volledige Poëzieweek. Hierbij aansluitend werd de Gedichtendagbundel omgedoopt tot het Poëziegeschenk. Met een bundeling van grote en kleine poëzie-activiteiten willen de organisatoren een groter bereik creëren voor poëzie.
Het thema van de Poëzieweek 2021 is ‘Samen’! Het Poëziegeschenk is om die reden dit jaar geschreven door het duo Maud Vanhauwaert & Rodaan Al Galidi. Over heel Vlaanderen en Nederland vieren bibliotheken, scholen en boekhandels een week lang samen de poëzie.

“We leven in tijden van grote verschillen, het eigen gelijk, de een tegen de ander. Tegelijk is er ook samenhorigheid en zijn er verbindende initiatieven van onderuit, wereldwijd. Digitaal of op straat, stil of luidkeels, rond grote thema’s of kleinere, lokale projecten. En dat willen we in de kijker zetten met het thema ‘samen’.” aldus de organisatie van de poëzieweek 2021.

De poëzieweek wordt afgetrapt met een groot aantal dichters. Hoewel die wegens de corona maatregelen het podium niet kunnen delen, maken ze aan de vooravond van Gedichtendag toch samen deel uit van de startshow. Live vanuit de Arenberg presenteren Poëziecentrum, Antwerpen Boekenstad en Arenberg Samen Al t’hope: 14 dichters lezen voor vanuit Arenberg en hun optredens worden afgewisseld met 16 dichters die een videoboodschap brengen.
Voor meer informatie over alle activiteiten rondom de poëzieweek, ga je naar de website van de poëzieweek.

--

Sabine Bunschoten

Peter Verhelst wint Awater Poëzieprijs 2020

Peter Verhelst wint Awater Poëzieprijs 2020


De dichtbundel Zon van dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst wint op 22 januari 2021 de Awater Poëzieprijs 2020. Negenentwintig Nederlandse en Vlaamse beroepslezers (poëziecritici, -docenten en -bloemlezers) kozen uit het poëzieaanbod van het afgelopen jaar de bundel die zij het meest waarderen.

 
De Awater Poëzieprijs is de jaarlijkse poëzieprijs van poëzietijdschrift Awater en heeft een waarde van 500 euro. Dit bedrag is weliswaar bescheiden, maar de symbolische waarde van de prijs is groot. De prijs representeert de waardering van de gezamenlijke poëziekritiek. Voor de toekenning van de prijs is een keur aan beroepslezers (medewerkers van o.m. de Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, De Standaard, Het Liegend Konijn, Poëziekrant en Awater) gevraagd een top-3 samen te stellen van dichtbundels uit het afgelopen jaar. Aan de hand van deze lijstjes krijgen de bundels punten toegekend. Na deze telling eindigde Peter Verhelst op nummer 1. 
Een aantal citaten uit de meegeleverde begeleidende juryverslagen: “Verhelsts lyriek is van een messcherpe sensualiteit en lichamelijkheid.” “Hij wijst op de gevaren van de taal wanneer ze een machtsinstrument wordt.” “Zinderende regels vol melancholie en hoop.’ ‘Een complete bundel, meeslepend en overtuigend.’ Eerder werk van Peter Verhelst werd bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs.


Eerdere winnaars van de Awater Poëzieprijs zijn:
2019: Mischa Andriessen – Winterlaken 
2018: Radna Fabias – Habitus 
2017: Marije Langelaar – Vonkt 
2016: Eva Gerlach – Ontsnappingen 
2015: Ilja Leonard Pfeijffer – Idyllen 
2014: Alfred Schaffer − Mens Dier Ding
2013: Mustafa Stitou − Tempel 
2012: Menno Wigman – Mijn naam is Legioen 
2011: Anne Vegter – Eiland berg gletsjer 
2010: K. Michel – Bij eb is je eiland groter 
2009: Arjen Duinker – Buurtkinderen 
2008: Tonnus Oosterhoff – Ware grootte

--

Sabine Bunschoten

Jo Nesbø schrijft het Zomerlezengeschenk 2021: De jaloezieman

Jo Nesbø schrijft het Zomerlezengeschenk 2021: De jaloezieman


De jaloezieman, zo gaat het Zomerlezengeschenk 2021 heten, geschreven door Jo Nesbø. Het geschenk wordt naar het Nederlands vertaald door Annelies de Vroom. In juni, de eerste maand van Zomerlezen (juni, juli en augustus) geeft de boekhandel het geschenk De jaloezieman cadeau aan haar klanten bij besteding van minimaal € 15 aan Nederlandstalige boeken. Jo Nesbø komt tijdens Zomerlezen naar Nederland voor een tournee langs boekhandels door het hele land. 

Jo Nesbø (1960) is de succesvolste thrillerauteur van Noorwegen. Zijn werk wordt in meer dan vijftig landen uitgegeven, is meermalen onderscheiden en van verschillende boeken zijn de filmrechten verkocht. Wereldwijd verkocht hij meer dan 45 miljoen exemplaren. Hij schreef naast de wereldberoemde Harry Hole-serie diverse standalone thrillers en de kinderboekenserie Doktor Proktor. Zijn laatst verschenen boek Het mes (2019) is door The Times verkozen tot een van de top 10 thrillers van het afgelopen decennium. Naast zijn schrijverschap heeft Nesbø succesvolle carrières gehad als profvoetballer, beurshandelaar, musicus (hij is de leadzanger en gitarist in de populaire Noorse band Di Derre), componist en wereldreiziger. Aan de vooravond van zomerlezen, medio mei 2021, ligt zijn nieuwste thriller Koninkrijk in de boekhandel. Zijn boeken worden uitgegeven door Uitgeverij Cargo.

 


De jaloezieman

Op het kleine Griekse eiland Kalymnos in de buurt van Kos verdwijnt een Duitse toerist spoorloos nadat hij vroeg in de ochtend is gaan zwemmen in zee. Getuigen verklaren dat de man de avond voor zijn verdwijning gevochten heeft met zijn tweelingbroer. De plaatselijke politie staat voor een raadsel; er is geen lijk, en geen spoor van vuil spel. Toch vertrouwen ze de zaak niet en ze roepen de hulp in van inspecteur Nikos Balli. Hij staat bekend als De Jaloezieman, en is gespecialiseerd in het oplossen van moorden waarbij jaloezie het hoofdmotief lijkt te zijn.
Nikos vliegt naar Kalymnos en ondervraagt Franz Schmid, de broer van de vermiste Julian. De mannen zijn naar het eiland gekomen om te klimmen, een sport waar de inspecteur zeer bekend mee is. Nikos raakt in de ban van het mysterie. Wat is er misgegaan tussen de broers? En waarom doet het hem zo sterk denken aan een duister geheim uit zijn eigen leven?

Hebban – De Week van het Spannende Boek

Begin dit jaar werd bekend dat Stichting CPNB de nieuwe eigenaar van lezerscommunity Hebban.nl is geworden. Als opvolger van de Spannende Boeken Weken organiseert Hebban in juni De Week van het Spannende Boek (7 t/m 13 juni), waarin onder andere de Hebban Thrillerprijs en de Gouden en Zilveren Strop worden uitgereikt.

--

Kijk voor meer informatie bij het CPNB

Lieke Marsman nieuwe dichter des vaderland

Lieke Marsman nieuwe dichter des vaderland


Lieke Marsman (1990) schrijft al ruim 15 jaar poëzie. Marsman won in 2010 de C.Budding-prijs, de Lucy B en C.W der hoogtprijs en de Liegend Konijn Debuutprijs met Wat ik mijzelf graag voorhoud. Lieke Marsman is voor de komende twee jaar de nieuwe Dichter des Vaderlands en neemt deze eretitel over van Tsead Bruinja.

Marsman is gekozen door een comité van dichters en poëzie kenners, dat haar prijst om haar “eigen toon, poëtische kracht en aansprekende strijdvaardigheid.” Het persoonlijke en politieke gaat hand in hand in de werken van Marsman, aldus het comité. “Marsman weet altijd haar vinger op de zere plek in de samenleving te leggen.” Marsman wil dit nu ook verder in het maatschappelijk debat doen, vertelt ze in NRC, een van de partners van het dichtersiniatief. Deze wens is onder meer ingegeven door haar ziekte, kraakbeenkanker. “Het is een tijd van ziekte, en alle zieke en zwakke mensen zijn het afgelopen jaar nagenoeg afgeschreven, als ‘dor hout’. Als ik als Dichter des Vaderland een rol kan spelen in het maatschappelijke debat, dan zal ik de stem zijn van het dorre hout.”

Marsman over In mijn mand in NRC:

“De tussenstand van dat denken is In mijn mand, een even gevoelige als contemplatieve bundel, die gaat over genade (‘Is genade dat je gegeven wordt dat je niet sterft/ vandaag of dat je je aanstaande dood leert aanvaarden?’) en over ‘het sublieme. Dat magisch mooie/ dat steeds tussen je vingers vandaan glipt’. Over de dood, maar ook over wat het leven te bieden heeft in het aanschijn van het einde.”

Vorige week verscheen de nieuwe dichtbundel van Marsman In mijn mand 

Sinds 2000 heeft Nederland een Dichter des Vaderlands, wiens taak het is om duidelijk te maken dat poëzie iets bijzonders is en de dichtkunst toegankelijk te maken voor een groter publiek.

--

Sabine Bunschoten

Succesvolle crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs 2021

Succesvolle crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs 2021


De J.M.A. Biesheuvelprijs is de eerste en enige prijs voor de beste Nederlandstalige korte verhalenbundel. Het is bovendien de enige literaire prijs die geheel wordt gecrowdfund. Voordekunst doneert het totale bedrag en dit gaat vervolgens naar de winnende schrijver. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel, een van de grootmeesters van het korte verhaal.

De uitreiking van de J.M.A Biesheuvelprijs 2021 aan de schrijver van de beste verhalenbundel van het afgelopen jaar, is op 14 februari 2021. Via crowdfunding is al ruim 4000 euro binnen, maar je kunt nog steeds doneren .

Afgelopen jaar kon de jury geen winnaar aanwijzen. Dit jaar bestaat de jury uit Bo va Houweling, Christine Otten, Dirk-Jan Arensman, Icona Smeets en Ronald Soetaert. Jurylid Icona Smeets Belooft dat er dit jaar wel een winnaar gekozen zal worden. Eerdere prijswinnaars zijn Marente de Moor, Maarten ‘t Hart, Rob van Essen, Maria Vlaar en Annelies Verbeke.

Dit jaar komen de volgende schrijvers in aanmerking voor de J.M.A Biesheuvelprijs 2021:
L.H. Wiener – De zoete inval (Pluim)
Marijke Teeuw – Muur van glas (Elikser)
Joost de Vries – Rustig aan, tijger (Das Mag)
Rob van Essen – Een man met goede schoenen (Atlas Contact)
Mensje van Keulen – Ik moet u echt iets zeggen (Atlas Contact)
Bertram Koeleman – Het dreigbed (Atlas Contact)
Marije Langelaar – In het jaar vande rode os (De Arbeiderspers)
Ineke Riem – Onderwaterverhalen (De Arbeiderspers)
A.L. Snijders – Doelloos kijken ZKV’s 2017-2018 (AFDH Uitgevers)
Lammert Voos – Canisius (AFDH Uitgevers)
Mohammed Benzakour – De ogen van Fadil (Ambo|Anthos)
Esther Verhoef – Labyrint (Ambo|Anthos)
Jaap Krol – De hond die overstak (Uitgeverij kleine Uil)
Lieven Tavernier – Tlieverdje (Borgerhoff & Lamberigts)
Alfred Birney – Drie rivieren (De Geus)
Herman Clerinx – Het oudste geheugen op aarde (De Geus)

--
Sabine Bunschoten

Longlist Socratesbeker bekend, recensenten gezocht

Longlist Socratesbeker bekend, recensenten gezocht


De Socratesbeker wordt ieder jaar uitgereikt aan de auteur van het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek. De jury selecteerde twintig boeken die kans maken op de prijs voor het beste filosofieboek van 2020.

De jury, bestaande uit Bastiaan Rijpkema (Universiteit Leiden), Paul Cobben (emeritus-hoogleraar Universiteit van Tilburg), Mariska Jansen (journalist), Marnix Verplancke (journalist De Morgen, Knack en De Leesclub van Alles) en Rosan Hollak (journalist NRC Handelsblad) selecteerde 20 filosofieboeken die in aanmerking komen voor de Socratesbeker.

Oproep: recensenten gezocht

Bij Nader Inzien, een blog over filosofie, is op zoek naar filosofen die hun academische expertise willen inzetten om bovenstaande boeken te recenseren. Wil je een recensie voor Bij Nader Inzien schrijven, neem dan contact met op via bijnaderinzienblog@gmail.com.

--

Uit de hoek, deel 1

Uit de hoek, deel 1


Marc Schoorls brute vrijplaats. "Zonder taal is er niets"

Column. Het feuilleton! Afgelopen! Nog voordat het boek waar het deel van uitmaakte goed en wel op gang was gekomen. Best jammer hoor. Want het was een mooie traditie. Vroeger dan. Het feuilleton: van oorsprong een vervolgverhaal in een krant of tijdschrift. Het woord verwijst naar het Franse woord feuille, dat blad of blaadje betekent. De oorspronkelijke feuilletons waren dan ook losse velletjes die samen met een krant of periodiek werden verkocht. De bedoeling was de lezer te binden en aldus de verkoop te stimuleren.

Maar aan alles komt een eind. In de 21e eeuw betekent feuilleton in geboorteland Frankrijk weinig meer dan wat wij een soapserie noemen, omdat de Amerikaanse zeepfabrikanten er als eerste mee zijn begonnen.

Een zeperd werd dat niet, nee, en een soepzootje is het ook niet: het zijn vaak uiterst professioneel gemaakte dagelijkse vervolgtv-programma’s over het leven van alledag. In  Frankrijk is Plus Belle la Vie al zo’n dertig jaar draaiende als dagelijks programma over de beproevingen van een groep gewone mensen in het zonovergoten Marseille. Zulke series worden er ook wel ‘téléromans’ genoemd, wat heel veel, zo niet alles zegt. Maar over het fenomeen feuilleton is heel veel te vertellen, genoeg voor… een heel feuilleton.

Maar dat gaat hier dus níét gebeuren, nee.

Dit is iets nieuws.

Dit is een brutale vrijplaats, een terzijde als schot voor de boeg voor van allerlei. Dit is een schotschrift van hagel.

Uit de hoek, zo heet deze nieuwe rubriek dus. En op deze bescheiden plaats zal ondergetekende elke zondag tot u spreken. Maar niet op zalvende toon, nee. Ik ben geen predikant, ha! En ik wil dat ook helemaal niet zijn. Alsjeblieft zeg. De toon zal vrolijk zijn, ondeugend, ietsje gemeens soms, laten we zeggen: amusant prikkelend. Saai en naar nieuws is er al genoeg.

Maar we moeten ook weer niet onze ogen sluiten voor alle ellende. Want ellende kan ook mooi zijn, fascinerend. In ons hart zijn we stiekem allemaal ramptoeristen. Om het dan toch voor één keer op zijn Zondags te zeggen: aan de ellende kun je de oneindige scheppingskracht van God aflezen. Dus ik hoop en probeer een kijkersfile van zondagsrijders te veroorzaken.

Nou ja, goed. Dat dus. Elke zondag zal ik uw rust verstoren met opmerkelijke anekdoten, schunnige waarheden, decadente overpeinzingen en wat dies meer zij. Lieve berichten bijvoorbeeld. Ja hoor, die ook. Dus deze rubriek had ook Velerlei kunnen heten.

De voorwaarde van de opdrachtverlener was wel dat het op de een of andere manier met boeken te maken moest hebben. Maar ja, dat is natuurlijk te breed gedacht: ik kan het niet terugvinden, maar wie schreef ook alweer dat alles gebeurt om in een boek terecht te komen? Er zijn ook maar zat boeken die te maken hebben met esoterie of management, dan wel met wortelkanaalbehandelingen. Dus boeken: dat overdekt de lading met een veel te groot spanzeil.   

Nee, het moest gaan om Literatuur, woord dat ik voor deze zondagse gelegenheid ook maar even met een hoofdletter schrijf.

En héél onterecht is dat niet. Want literatuur is de koningin van de kunsten. Al was het maar omdat het de enige kunstvorm is die iets fatsoenlijks kan zeggen over andere kunstvormen. En óók over het eigen genre. Literaire kritiek die zelf geen literatuur is, zou zo niet genoemd mogen worden. Want dat is journalistieke boekenkritiek, ook heel nuttig, maar niet hetzelfde en ook van lager allooi. Al zal het qua loon misschien wel wat beter betaald worden, daar wil ik vanaf zijn.

De koningin van de kunsten. De literatuur overziet het hele spectrum aan menselijke, en vaak al te menselijke pogingen om tenminste nog iets van dat leven van ons te maken. Pogingen die tot de cultuur horen en er het summa van uitmaken. De schone kunsten.

Zo is er prachtige literatuur geschreven óver schilders en hun kunst. Neem Vasari’s boek of de Nederlandse evenknie daarvan, Het Schilder-boeck van Karel van Mander uit 1604.  Maar wis en waarachtig, dat wat Nescio schreef over de schilder Bavink is me al net zo lief. "Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep." Maar Bavink wilde vooral die ondergaande zon schilderen en als dat hem niet lukt wordt hij gek. Mooi is dat. Poésie pure.

Omgedraaid hebben sommige schilders een mooi boek geschreven. En de brieven van schilder Vincent van Gogh zijn uitzonderlijk goed. Of neem de dichter-schilder Lucebert. Of Jan Cremer. Of Wolkers, die zichzelf trouwens in eerste instantie als beeldend kunstenaar beschouwde. En dat gaat ook op voor musici. André Hazes was volgens bijna onze hele volksstam een voorbeeldig dichter, ha! Songwriter Nick Cave schreef met And the Ass Saw the Angel wat mij betreft een overrompelend fraai boek. Ik vermeld de Engelse titel niet uit interesantdoenerigheid, maar omdat die net wat mooier allitereert dan de Nederlandse titel En de ezelin zag de engel. O, oeps, nou rolt die er alsnog uit… Somber is deze roman, en hardvochtig, grotesk bijna, en oudtestamentisch van stijl. De Bijbel als crystal meth mythe. The hell on Ice Show.

En de grapjas Mozart schreef erg vermakelijke brieven vol pies- en poepgrapjes. C’est vrai, c’est joli, c’est drôle!

Wat dat betreft is de muze een heilige hoer. Ze laat zich voor werkelijk alles lenen.

En dan zijn de boven vermelde kunstenaars ontrouwe hoerenlopers, voeg ik daar dan haastig en politiek correct aan toe. Want voorwaar, man en vrouw zijn op alle gebieden aan elkaar gewaagd. Het zijn net mensen.

Maar jaha, zelfs politiek kan bij hoge uitzondering samengaan met literatuur. Je mag ervan vinden wat je wil, maar Winston Churchill won wel mooi de Nobelprijs voor Literatuur.

Hij is wel de uitzondering die de regel bevestigt dat politici niks met literatuur of iets van Bildung hebben, en dat lijkt eerst en vooral voor Nederlandse politici te gelden.

Wim Kok was een grijze gehaktbal en zijn zaak ontrouw, Jan-Pieter Balkenende was een braaf christenman die een zo mogelijk nòg groter gebrek aan verbeelding had en alleen iemand als God voor zich zag. Cultuur bestond voor hem uit die goeie ouwe VOC-mentaliteit.

En tja, onze eigen antiaanbakpremier Mark Rutte, die zei met een stalen gezicht: "Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert." Zelf bleek hij leiding te geven aan een paar kabinetten die omgingen met kunst en cultuur zoals zo’n vriendelijke dikhuid kan huishouden in een porseleinkast. Er bleef weinig van over. En toen moest moedermammoet Corona nog komen…

Nee, Mark gaat het om de winsten van ondernemingen en verder ehh… weet hij het niet. Mark is geen Winston.

Hij is nu eenmaal van de VVD. De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Goeie naam! Een die getuigt van goeie marketing. Helemaal Mark zijn ding. Want hoe kun je daar nou in godsnaam tegen zijn? Tegen Vrijheid en Democratie. Nee, dat gaat niet. Want daarin, en alleen daarin,  zijn alle volkeren ter wereld wel verenigd, daar zijn ze het allemaal wel me eens. Er bestaat op de hele wereld dan ook geen Partij voor Censuur en Dictatuur. Of nou ja, die bestaan er genoeg, maar zo noemen ze zich niet. Ze noemen zich gewoon De Partij. Het enige wat de VVD met zulke partijen gemeen heeft is dat ze er niet voor het volk zijn. Wat altijd nog beter is dan menige linkse partij die niet eens meer weten wat het volk is. En ook niet meer weten wat ze zelf nou eigenlijk willen.

Maar ho, wacht even, dit wordt geen politieke rubriek hoor. De hoek in met al dat geouwehoer! De hoek van de Tweede Kamer desnoods. Best een goed idee trouwens: wie te veel kletst moet daar net als een schooljongen de hoek in.

‘Thierry stil! En blijf van het haar van Wilders af, rotjongens!’

Enfin.

De politiek heeft geen stijl, dat is ’t hem. Dàt ontbreekt eraan. Zoals Geen Stijl totaal stijlloos is.

En ik? Ik ben alleen, en tegen alles en iedereen. Ook en vooral tegen mezelf. En dat omdat ik het heel vaak niet eens ben met mezelf. Bijvoorbeeld over het feit dat ik het al dan niet te vaak over mezelf heb, begrijpt u wel, o ironie?

De onderwerpen voor deze rubriek komen dus uit alle hoeken en gaten. En misschien laat ik wel eens een keer een gat vallen. Maar àls het om literatuur moet gaan en ook daadwerkelijk gaat, dan staat de taal voorop. Laat dat gezegd zijn.

Leve de taal! Het is prachtmateriaal. Echt. Het is bruikbaarder dan klei, het kan harder zijn dan het mooiste Carrara-marmer, het is zo veel zachter dan babybillen, soepeler nog dan water, lekkerder dan het knapperigste brood, warm nog, zo uit de oven…

Ach, de taal. De schrijver moet haar woorden bij elkaar zoeken, hij moet ze mengen, kneden, ze desnoods ophakken, ze laten rusten enzovoort, enzovoort. Het is zijn middel èn zijn doel. Eigenlijk, heel eigenlijk doet het verhaal, de inhoud er niet eens toe. Voor hem dan.

Voor de lezer natuurlijk wel. O zeker! Die krijgt het verhaal, of welke vorm van literatuur dan ook, opgediend in de schrijver zo eigen, karkteristieke magische pilvorm. Misschien wel daarom spreekt de volksmond van een dikke pil van een boek. En ja, een pil kan bitter zijn. Voor zoete koek moet je immers bij journalisten zijn. En voor taaie kost bij politici. Want ja, die beroepsgroepen bedienen zich ook van taal. Helaas. Of althans: van iets wat op taal lijkt. Of moet lijken. Of over lijken moet gaan.

Maar de schrijver, die wil graag toveren met het wonder dat taal heet. Zonder taal is hij helemaal niets. Het is het enige wat hij heeft. Een schrijver handelt niet in hoop: daar zijn andere bedriegers voor. Politici weer bijvoorbeeld. Maar voor de schrijver als goochelaar is taal zijn allerlaatste illusie.

Voor mij als sinds kort zelfbenoemd schrijver betekent deze vrijplaats dan ook vooral een stijloefening. Ja, ik probeer dingen op u uit. Dat u het weet. Ik voorzie u net zo stiekem als Bill gates dat volgens de wappies doet van een vaccin met iets erin. En als u echt een pil wil, kan ik u mijn boeken uit de reeks ‘Autobiografie van een romanpersonage’ aanraden. Deel 1 daarvan, Zes broers en een zus, is nog maar net uit en nog helemaal onontdekt.

Volgend week meer & weer heel anders.

Graag tot dan!

 

Marc Schoorl
--

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verscheen. Het werd deels als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

 

 

Lancering van nieuw programma  'De Grote Vriendelijke Update'

Lancering van nieuw programma 'De Grote Vriendelijke Update'


Jaap Friso en Bas Maliepaard, de makers van De Grote Vriendelijke Podcast lanceren een nieuw programma, genaamd De Grote Vriendelijke Update. In dit programma zetten zij de laatste ontwikkelingen en het nieuws rond jeugdliteratuur op een rij. De Grote Vriendelijke Podcast bestaat sinds oktober 2018 en won vorig jaar een Dutch Podcast Award in de categorie Cultuur & Muziek. 

Het nieuwe programma gaat over nieuws, trends en opvallende ontwikkelingen uit de kinderboekenwereld. Het programma is een aanvulling op de podcast en zal maandelijks verschijnen. Friso en Maliepaard vinden dat de reguliere media te weinig aandacht besteden aan kinderboekennieuws.”In De Grote Vriendelijke Update laten we zien dat er veel gebeurt in de kinderboekenwereld dat het vermelden waard is. Of het nu gaat om bijzondere initiatieven, het overlijden van schrijvers of de verschijning van opvallende boeken, wij vermelden het allemaal,” aldus Jaap Friso. 

Bert Kranenbarg (NPO Radio 5) is de nieuwslezer van het nieuwe programma en leest de journaals. Friso en Maliepaard bespreken daarna samen het nieuws, ook met eventuele telefonische gasten. In de eerste aflevering spreekt het duo met illustratrice Loes Riphagen over De Nationale Voorleesdagen. Daarnaast staan ze stil bij de dood van kinderboekenschrijfster Yvonne Brill, bekend van de populaire Bianca-paarden boekenreeks. 

De Grote Vriendelijke Update is te beluisteren in de feed van De Grote Vriendelijke Podcast op Spotify, in alle podcast-apps of op www.degrotevriendelijkepodcast.nl. De Grote Vriendelijke Podcast en De Grote Vriendelijke Update worden in 2021 mede mogelijk gemaakt door Stichting Lezen, De Versterking, de JC Ruigrok Stichting en het Prins Bernhard Cultuurfonds.

--

Door Sabine Bunschoten

Schrijver Abdelkader Benali houdt op 4 mei de voordracht tijdens de Nationale Herdenking

Schrijver Abdelkader Benali houdt op 4 mei de voordracht tijdens de Nationale Herdenking


De Marokkaans-Nederlandse schrijver en tv-presentator Abdelkader Benali houdt op 4 mei de literaire voordracht tijdens de herdenkingsdienst in de Nieuwe Kerk voorafgaand aan de herdenkingsplechtigheid op de Dam in Amsterdam, zo maakte het Nationaal Comité deze week bekend.

Benali werd geboren in Marokko, en kwam op vierjarige leeftijd naar Rotterdam. Later verhuisde Benali naar Amsterdam. Hij schrijft behalve romans en toneel ook artikelen en recensies voor onder meer Algemeen Dagblad, De Groene Amsterdammer, Esquire, de Volkskrant, Passionate Magazine en Vrij Nederland. Benali is ook columnist voor Trouw. Voor zijn romandebuut Bruiloft aan zee werd hij in 1997 genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, die hij in 2003 kreeg voor zijn tweede roman, De langverwachte. Afgelopen jaar ontving Benali de Gouden Ganzenveer vanwege zijn grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal.

In samenwerking met CPNB wordt sinds 1992 op 4 mei de voordracht gehouden. De komende 4 mei-voordracht van Benali heeft de titel: De Stilte van de ander en verschijnt in een dubbeluitgave met een bloemlezing van tien gedichten over vrijheid. De voordracht is vanaf begin april verkrijgbaar in de boekhandel.

--

Sabine Bunschoten

Geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu

Geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu


Vorige week stuurde Anne Schroën Anne Schroën, Directeur Coöperatieve Koninklijke Boekverkopersbond, een brief aan alle lezers in het Kabinet, in de Tweede Kamer, in heel Nederland. Omdat het belangrijk is dat de boekhandels weer open mogen, publiceren we integraal de hele tekst:

Geachte lezers in het Kabinet, in de Tweede Kamer, in heel Nederland,

Lezen biedt ontsnapping, troost en – vooral nu – hoop. Dat we door een ongekende crisis gaan, daarvan zijn we ons allemaal bewust. En dat het langer gaat duren dan we allemaal hoopten, is nu ook duidelijk. Daarom doe ik een dringend beroep op u.

Schrijvers, uitgevers en boekverkopers willen allen helpen om Nederlanders perspectief te bieden. Want we komen door deze crisis heen, maar we moeten elkaar wel bijstaan. En een boek geeft kennis en inzicht, maakt toleranter en voedt onze geest. Verhalen zijn belangrijker dan ooit.

Maar de boekhandels zijn dicht. De sluiting leidt tot scheefgroei: online retailers maken een ongekende groei door. De verwachting is dat deze ontwikkeling het einde kan inluiden van ons rijke netwerk van boekhandels, uniek in de wereld. Wellicht denkt u: maar je kunt toch online boeken kopen? Vraag u dan af: is dat hetzelfde als boekverkopers die individueel advies geven en bijdragen aan de bestrijding van leesachterstanden, de aantrekkelijkheid van winkelstraten, de kenniseconomie en de leescultuur? Helpt het debutanten aan publiek? Wat voor land willen we zijn na de lockdown?

Mijn organisatie vertegenwoordigt bijna 1.500 winkels die boeken, kranten en tijdschriften beschikbaar maken in dorpen en steden. Zo essentieel als de kaasboer is voor de boterham, zo essentieel is de boekhandel voor onze geest. Mijn oproep aan u allen is: geef de Nederlanders hun boekhandel terug, juist nu. Onze buurlanden kiezen ervoor hun boekhandels open te houden. Natuurlijk willen ook wij het allerliefste open, op zijn minst met een afhaalloket.

Maar als dat nu niet kan, dan zullen de boekhandels, zodra er weer enige bewegingsvrijheid is, doen wat zij het liefste doen: verhalen onder de mensen brengen. Verhalen van schrijvers uit Nederland en daarbuiten, romans en spannende boeken, kinderboeken voor alle leeftijden, kookboeken, biografieën en boeken over hoe-overleef-ik-deze-crisis.

Deze crisis overleven, dat is nu ons kernprobleem. In april 2020 waarschuwde ik voor sluiting van 1 op de 3 boekwinkels bij aanhoudende crisis. Het zorgde voor een schokgolf in het land. Dit gevaar is niet geweken, het is zelfs reëler dan ooit, al blijf ik vurig hopen dat ik ongelijk had. Boekverkopers leven niet van subsidie, zij zijn retailers, met doorlopende vaste kosten, bancaire verplichtingen en het uitblijven van huurcompensatie. Dit alles bezorgt veel boekverkopers slapeloze nachten, juist omdat het perspectief ontbreekt.

Daarom is mijn oproep: laat zien dat u geeft om een geletterd land. Neem een voorbeeld aan de landen om ons heen. Verhalen, informatie en ontsnapping zijn nu voor velen hoognodig. Dat gaat op voor alle culturele sectoren. Die worden echter al geholpen met leningen en steunmaatregelen waarvoor boekhandels niet in aanmerking komen. U kunt hier het verschil maken, uw geloof in het geschreven woord kan de boekhandel in leven houden. Mits u een daad stelt.

Mijn oproep aan alle lezers: vind uw boekverkopers en bel, app, mail of bestel via hun website: ze staan voor u klaar. Zij helpen u aan nieuwe en verrassende schrijvers, adviseren u en geven verstrooiing. U allen kunt zorgen dat ons prachtige landschap van boekhandels, voor iedereen dichtbij en liefst op loopafstand, ook na de lockdown nog bestaat.

Met vriendelijke groet,

Anne Schroën
Directeur Coöperatieve Koninklijke Boekverkopersbond U.A.

 

Nog een laatste keer Zes broers en een zus

Nog een laatste keer Zes broers en een zus


Woensdag jl. verscheen bij Bazarow de laatste aflevering van het feuilleton Zes broers en een zus. Maar de schrijver gaat hier wel gewoon door en komt wekelijks ‘Uit de hoek’ met een bijdrage uit zijn literair angehauchte notities. Leuk, origineel, anders, satirisch en erudiet. Onthouden dus! En in de gaten houden: ‘Uit de hoek’…

‘En nou is het afgelopen uit!’ zou de moeder in het boek Zes broers en een zus uitroepen. Ik roep het haar na. Want het is mooi geweest. Met dat feuilleton. Mocht u er plezier in hebben gehad, dan verzoek ik u het boek aan te schaffen. Want deze schrijver moet verder. En er moet brood op de plank. Zo ordinair is het. Zo banaal kan het leven zijn. Zeker in coronatijd. Want het werk waar ik eigenlijk mijn brood mee verdien ligt helemaal stil en een uitkering geniet ik niet.

Maar ik geniet wel van schrijven. En als het goed is heeft u dat gemerkt, want ik heb van alle kanten gehoord dat het boek zelf ook zeker zijn vermakelijke kanten heeft. En de meesten zijn ook nieuwsgierig hoe het de personages verder afgaat in het leven.

Ik zal een tipje van de sluier oplichten.

In deel 2, Zo vader, zo zoon getiteld, wordt Cor snel groot en (bijna) volwassen. En datzelfde geldt voor zijn broers en zus. Jong-volwassenen zijn het.

En de vader gaat onverstoorbaar verder als… gestoorde stoorzender. Want beter maakt hij er het in de volgende delen zeker niet op. Onder veel meer speelt zijn geheel eigen godsdienstwaanzin daar een rol in.

De bloei van de popmuziek komt wat nadrukkelijker aan bod. Inclusief de oude platenzaken, het tv-programma Toppop (‘Yeah!’) en een nieuw fenomeen als Jesus Christ Superstar. Maar het zijn vooral de hormonen die de jonge gebroeders Van Hargen en hun vriendenkliek een eh… worst voorhouden. En op de achtergrond speelt nog steeds de oorlog – en daar weer achter iets nòg wereldomvattenders: de dood. Maar een somber boek is het niet. Wel levendig.

Om de moed erin te houden krijgt u gratis en voor niks een fragment uit deel 2.

Zie hieronder.

--

Een hoogoplopend gesprek tussen jongens over brommers, muziek, film & nog zo wat. Vader voert natuurlijk het allerhoogste woord. Maar is God nu een open vraag of multiple choice? ‛Want je hebt Jahweh, God, Allah, Boeddha... en noem maar op.’

Ramon zei dat Zundapp wél een heel goed merk was. Maar daar waren de meningen over verdeeld. En toen ging het een tijd lang over de kwaliteiten en voor- en nadelen van de Puch, Zündapp, Kreidler en de Tomos.

Een voor een dropen mijn vrienden af. Ze hadden nog wat anders te doen.

En daarna ging het over Honda, Suzuki en Kawasaki.

Toen ging Daan er ook vandoor. Ook met een smoes: hij moest zijn vader’s auto nog wassen. Want dat was ie vergeten. Zogenaamd.

Vader was intussen beneden gekomen en merkte bijna en passant op dat al die merken afkomstig waren van Japan en Duitsland. ‛De grote agressors van de Tweede Wereldoorlog. Hoe kan dat?’

‛Agressie is kracht,’ zei ik voordat ik het wist.

‛Hoe bedoel je?’

Ja, nou, dat wist ik niet precies. ‛Voor een motor heb je kracht nodig. En dus agressie.’

‛Interessant,’ zei vader. Hij was in een goeie bui. Een zeldzaam goeie bui.

‛Dat ben ik niet met u eens,’ zei Mirjam. ‛Liefde is kracht. Maar een zachte kracht. Henriëtte Roland Holst heeft daar een prachtig gedicht over geschreven.’ Ze declameerde een beetje plechtig, ouderwets bijna: ‛De zachte krachten zullen zeker winnen.’

‛Ach jij,’ merkte Pim op, ‛jij bent gewoon verliefd.’

‛Nou, en wat is daar mis mee?’

‛Daar is niks mis mee,’ antwoordde moeder streng.

Mirjam, op diezelfde wat plechtstatige toon: ‛Liefde is de zin van ’t leven der planeten... Uit datzelfde gedicht,’ knikte ze vol overtuiging.

‛Onzin kost honderd scheten,’ zei Geerie opeens.

Geniaal! Iedereen lag dubbel. Hij schrok ervan en werd helemaal rood, wat aanleiding was voor een nieuwe lachsalvo.

‛Henriëtte Roland Holst, die Mina maakt het werkelijk het dolst,’ zei vader.

En daar gingen we weer. Mijn vrienden waren te vroeg weggegaan!

En toen kwam het gesprek alsnog op muziek. Verdorie!

De vraag was wat het toppunt van pompeusheid was in de muziek. Want Pim vond Genesis, Yes, Focus allemaal overdreven gedoe. ‛Bowie ook trouwens. Geef mij maar de Raw Power van Iggy Pop en The Stooges. Als je het nou over echte pop wil hebben.’ 

‛Wagner!’ zei vader. ‛Wat dacht je daarvan? Totaal overspannen werk.’

‛Dat vind ik juist wel wat voor u,’ antwoordde Pim.

‛Voor mij? Hoezo?’

‛Nee, Deodato,’ oordeelde Henry van Tricht. ‛Van die Silan-wasverzachter-reclame. Dat is wel het toppunt.’

‛O, dat vind ik juist wel mooi,’ bekende vader.

‛Zie je wel!’ reageerde Pim meteen. ‛Pure bombast. Een nepbom vol ballast.’

‛Heb je last van je ballen?’ gekscheerde Wim.

Helaas was zijn broertje Ben al weg, want anders had hij ook zoveel plezier kunnen hebben over die opmerking.

‛Maar dan moet je niet vergeten,’ zei Ramon serieus, ‛tot het een bewerking is van klassieke muziek...’

‛Klopt,’ zei vader, ‛van Richard Strauss. Kom, hoe heet dat stuk ook alweer?...’

‛Dat weet ik niet, meneer Van Schagen, maar wat ik wel weet is dat Deep Purple het ook gebruikt in het nummer River Deep en dan is het helemaal niet zo pombastisch... uuhhh...’ In zijn enthousiasme struikelde hij over zijn eigen woorden. ‛En het is ook de openingsmuziek van A Space Odyssey, de film van Kubrick.’

‛Van een koekblik?’ probeerde Geerie leuk te doen, dit keer zonder succes. Niemand lachte of ging eropin. De angst spatte van zijn ogen, maar niemand die erop lette. Behalve ik.

Ramon ging verder: ‛Met dat begin, als die apen ruzie krijgen. De opkomst van de mensheid heet dat.’

‛Geef mij maar Planet of the Apes.’ Sylvain. ‛Veel leuker en niet van dat moeilijke gedoe, maar wel spannend en sensationeel.’

‛Precies: Kubrick is ook bombast,’ viel Pim hem bij. 

‛Zó, jij durft. Maar dat begin is niet minder dan geniaal! Tot die aap het gereedschap uitvindt: een oud bot. En tot ie dan een ander er de hersens mee inslaat. Dank je de koekoek!’

Vader, hardop peinzend: ‛De geboorte van de cultuur uit een doodsbeen. En dat die ellepijp dan gebruikt wordt als gereedschap voor moord... Ja, het is wel een visionair, die Kubrick.’

‛Maar orang-oetans bijvoorbeeld moorden niet,’ wist Johan. ‛Dat zijn vredelievende apen.’

‛Ja, dan ben jij ook. Maar ik niet.’ Pim.

Johan: ‛Precies. Dat is het verschil tussen jou en mij.’

Pim: ‛Dus je bent het ermee eens dat jij een aap bent en ik een mens? Interessant.’

Johan: ‛Nee, ik ben een mensaap en jij wellicht een aapmens. Of nee omgedraaid.’ Zijn vergissing deed zijn wangen opgloeien. Pim lachte hem recht in zijn gezicht uit.

Ramon: ‛The Kinks! Het nummer Ape Man.’

‛Ja, dank je wel, dat bedoel ik,’ zei Johan snel. ‛De drukte op straat, al die mensen en auto’s, de luchtvervuiling de atoomoorlog... je kunt maar beter een aapmens zijn.’

‛The Eve of Destruction: in die song zit alles al. We gaan er aan,’ zei ik.

‛Het is maar popmuziek, hoor,’ zei Pim.

‛Máár?!..’ riep Ramon verontwaardigd uit. ‛Het belang van pop mag niet onderschat worden.’

‛En wat is dat belang dan?’ vroeg vader. ‛Wat heeft de popmuziek te betekenen voor, nou ja, de cultuur?’

‛Het belang van pop,’ zei Frans, ‛is de elektrificatie van de muziek. Toch? Want dat is nog nooit eerder gebeurd en zeker niet op deze schaal. Het is een ontsnapping aan, als ik het zo mag zeggen, de akoestische beperktheid. Niet dan?’

‛Ja, als een verkenning van watt en voltages!’ riep Ramon uit. ‛Geweldig toch?! Een ontdekkingsreis is het. En al die effecten die je ermee kunt maken: ongehoord. Letterlijk!

‛Ja,’ beaamde ik. ‛Popmuziek is geboren uit het stopcontact.’

Ramon weer: ‛En elektronica is de geest uit het flesje van de elektriciteit.’

‛Het flesje van de elektriciteit? Hoe zie je dat voor je?’ wilde Pim dan wel eens weten. ‛Wat een hoogdravend gelul! Over bombast en poeha gesproken.’

‛Het is vooral herrie. Vind ik dan.’ Moeder mengde zich ook in het gesprek, waarschijnlijk aangemoedigd door vader’s tamelijk ongewone bereidheid tot een echt gesprek.

‛Debilisering als gevolg van te veel decibellen, als je het mij vraagt,’ zei vader.

‛Daar ben ik het nou eens hartgrondig mee eens!’ riep moeder uit.

‛O. Zo. En was betekent dat dan: decibellen?’ vroeg Frans.

‛Dat weet ik niet precies, maar dat doet er ook niet toe.’

‛Jullie moeder is meer van de debilisering,’ grapte vader.

‛O, krijgen we dat weer. Nou, dan ga ik maar eens naar de soep kijken. Want dat kan jij weer niet, soep koken.’

‛Wat voor soep?’ vroegen Frans en Geerie als uit één mond. En ook in unisono zeiden ze ‛lekker’ toen moeder had geantwoord dat het om tomatensoep ging.

‛Maar het gaat ook om volume en massa,’ vervolgde vader zichtbaar nadenkend. ‛Heel lang geleden moet het zangkoor de machtigste muziek hebben voortgebracht, vooral bij gebrek aan goede instrumenten. Heel veel later was er het orgel, dat óók als het als enige opklonk hemelbestormend is geweest. Bach is het bewijs. En zijn zoon Johann Christian schreef als eerste concerten voor de pianoforte: die naam zegt genoeg, nietwaar? Helaas bezigen we tegenwoordig slechts de helft ervan: piano. Maar het ging natuurlijk óók om het forte! Ja, nee: om de dynamiek. De concerten veroorzaakten grote beroering in die tijd en toen werd de piano het instrument waarop grote componisten zoals Haydn, Mozart en Beethoven hun werken componeerden.  Ja, vergeet die Haydn niet. Die is van enorm belang geweest. Als je het heel strikt neemt, was hij de eerste echte klassieke componist. Enfin, dat interesseert jullie toch geen fluit, dus laten we het maar weer hebben over de piano! Al die beroemde Duitstalige componisten noemden de piano heel terecht das Hammerklavier, want het werkt met hamertjes.’

‛Hamertje tik!’ riep Bassie.

Wát? Zei hij dat werkelijk? Die kleuter? Hij zat nog niet eens op de lagere school!

We keken er lachend van op. Dit was de eerste grap ooit die hij maakte, ons Bassie.

 ‛Nu hoor je erbij!’ jubelde Mirjam en ze bedekte haar broertje onder de kussen.

‛Ja, zeg, ík ben hier aan het woord,’ brulde vader, ‛dus luisteren nu! Want ik was nog niet klaar. Waar was ik eigenlijk?... O ja, bij de piano natuurlijk. Nou, en toen ontstonden de orkesten die gewicht gaven aan de muziek. En nu is het de elektriciteit. Wonderlijk wel, vinden jullie ook niet?... Wel?’

Ja, nou, dat waren we wel met hem eens. Als hij dat per se wilde weten.

‛In een luidspreker,’ zei Johan, ‛hoe klein ook, zit meer technologie dan in een kerkorgel, hoe groot ook.’

‛Hohoho,’ antwoordde vader. ‛Dat kan zo zijn, maar is technologie dan beter dan God?’

‛Je hebt er in ieder geval meer aan, als je het mij vraagt,’ merkte Pim schouderophalend op.

‛Wijsneus! Ik zeg je: God is een open vraag.’

‛Multiple choice dan,’ bracht Johan in het midden. ‛Want je hebt Jahweh, God, Allah, Boeddha... en noem maar op.’

‛Wodan ook!’ riep Geerie.

Konden we weer even lachen met z’n allen.

‛En toen kwam er een olifant met een slurf en die blies het hele verhaal uit,’ haastte moeder zich, met een bange blik op vader, te zeggen.

‛Ganesha!’ riep Johan lachend, ‛de god met de slurf. Uit het hindoeïsme! De god van de kennis en wijsheid nota bene. Wat een toeval!’

‛Komt hij ook weer met al z’n exotica,’ smaalde Pim. ‛Holy cow!’

Je kon erop wachten. Toch moesten we wel lachen, behalve Johan zelf dan. Maar  vader lacht nu wel mee. Holy cow: dat vond hij wel een goeie, want in India...

‛Ja, hèhè,’ kreeg hij nu zelf onder uit de zak van zijn oudste zoon. ‛Daar heb je spuit elf ook.’

‛En toen,’ was de bijdrage van een enthousiaste Geerie, ‛kwam er een olifant met een lange snuit en die blies het verhaaltje uit.’ Hij was bang, dat kon je zien.

‛Heel goed!’ zei Mirjam, die de bui ook al zag hangen, terwijl de rest hem uitlachte. 

‛Een olifant hééft toch helemaal geen snuit, maar een slurf. Of ben ik nu gek?’ wilde moeder weten.

Dat was de verlossende opmerking voor ons allen. Want nu gingen alle monden wijd open voor een gulle lach. En zij, zij draaide zich om en ging direct weer terug naar de keuken. Tot onze extra vreugd mompelend: ‛Jullie ook altijd met jullie betweterigheid...’

‛Ja,’ sprak vader. ‛Het is mooi geweest. De koffie is op, heertjes. En de koek ook. Dus als ik jullie mag verzoeken...’

‛Of jullie willen oprotten,’ maakte Pim ervan.

Vader: ‛Dan doe ik eens beleefd... Sjonge-jonge.’

--

Door Marc Schoorl

 

 

VPRO start nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren m/v

VPRO start nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren m/v


Het belangrijkste boekennieuws tot nu toe dit jaar: De VPRO start met een nieuw boekenprogramma en zoekt redacteuren. Omdat we bij Bazarow het erg belangrijk vinden dat het programma er komt, hierbij de hele vacaturetekst. Wel hopen we dat het nieuwe programma ook non-fictie bespreekt. Heb je ondergenoemde talenten, snel solliciteren dan!

--

Gezocht Redacteuren m/v

32-36 uur

Partime  Hilversum

Heb jij een grote liefde voor boeken en lezen, ben je creatief en heb je redactie ervaring? Grijp dan je kans om deel uit te maken van een nieuw boekenprogramma!

We zoeken met ingang van maart 2021 meerdere:

REDACTEUREN

(32-36 uur per week, waaronder regelmatig de zaterdag)

Wat gaan we doen?
De VPRO komt vanaf april 2021 met een nieuw boekenprogramma. De ontwikkeling van het format is nog in volle gang. Je zult dus betrokken zijn bij de startfase van het programma, wat een inspirerende en kansrijke ervaring is. Hier kunnen we jouw kennis, inventiviteit en creativiteit goed bij gebruiken!

Wat ga jij doen?

Als redacteur denk je creatief mee over de invulling van het programma. Je volgt en signaleert interessante ontwikkelingen binnen de actualiteit en de literaire wereld, verbindt thema’s met elkaar en zet dit om in originele en interessante invalshoeken voor gespreksonderwerpen en programma-ideeën. Daarnaast ben je breed geïnteresseerd in maatschappelijke en culturele ontwikkelingen en volgt deze op de voet.

Je bereidt interviews voor en onderhoudt contact met de gasten voorafgaand aan de opnamedagen en tijdens de opnames zelf. Je overtuigt met verve gasten uit binnen- en buitenland, vaak ook via hun management, om deel te nemen aan het programma. Een uitgever bellen is voor jou gesneden koek.

Je neemt deel aan het redactieoverleg en doet voorstellen over de verdere invulling van het programma en de bijbehorende crossmediale uitingen.

Wie ben jij?
We zoeken redacteuren met HBO/WO werk- en denkniveau met een groot hart voor alle vormen van geschreven verhalen. We hebben ruimte voor meerdere collega’s op verschillende ervaringsniveaus.

  • Je hebt (ruime) ervaring als redacteur, ervaring met studioprogramma’s op TV is een pré.
  • Je kunt goed interviewen en bent creatief in het bedenken van (invalshoeken voor) gespreksonderwerpen.
  • Je hebt een grote kennis van en affiniteit met boeken en lezen.
  • Idealiter heb je al een relevant en goed netwerk in de boekenwereld of kun je dit snel opbouwen.
  • Je bent bereid in de weekenden te werken en hebt een flexibele werkmentaliteit.
  • Je houdt ervan om zowel de grote inhoudelijke klussen als het kleinere redactionele monnikenwerk met evenveel motivatie uit te voeren.
  • Je bent een teamspeler die stressbestendig, flexibel, opgeruimd en geordend is. Je weet onder tijdsdruk te presteren.
  • Je denkt in taal én in beeld: instarts, vormgeving, foto’s, actie in de studio.
  • Je beschikt over uitstekende communicatieve vaardigheden, in woord en schrift, zowel Nederlands als Engels. Kennis van een derde taal is meer dan welkom!
  • Je bent bekend met social media en weet welk medium je waarvoor kunt inzetten.
Wat bieden we?

Een dynamische en creatieve baan bij een grensverleggende omroep. Het betreft een tijdelijke arbeidsovereenkomst van 32-36 uur per week, start medio maart 2021 tot en met 31 december 2021. Het salaris is afhankelijk van kennis en ervaring en ligt tussen de € 2.450,- en € 4.500,- bruto per maand op basis van een 36-urige werkweek. De overige arbeidsvoorwaarden zijn conform de CAO voor het omroeppersoneel, waaronder 8% vakantietoeslag en 6% decemberuitkering.

Reageren?
VPRO stelt inhoud en vakmanschap voorop. Onze vacatures staan dan ook open voor elke kandidaat die zich in de vacature herkent.

Ben je enthousiast geworden? Stuur ons je motivatiebrief en CV uiterlijk 31 januari 2021 via onderstaande sollicitatiebutton.

Voor meer informatie over deze functie kun je contact opnemen met Jikke Wechgelaer, Eindredacteur via j.wechgelaer@vpro.nl.

Solliciteer hier

De Nationale Voorleesdagen, van een naar drie weken

De Nationale Voorleesdagen, van een naar drie weken


Op 20 januari beginnen de Nationale Voorleesdagen. Dit is een campagne van de CPNB om het voorlezen aan jonge kinderen die zelf nog niet kunnen lezen te stimuleren, baby's, peuters en kleuters. Een week lang organiseert de CPNB een voorleesontbijt waarbij bekende Nederlanders voorlezen. Dit jaar verloopt de week anders gezien de huidige covid maatregelen. Zo zal de week twee weken langer duren, om zo meer aandacht te creëren voor het voorlezen in een periode waarin positiviteit zo belangrijk is. De campagne loopt nu van 20 januari tot 13 februari.

Op 20 januari om 7.30 uur zal Prinses Laurentien de voorleesdagen openen in het programma Zin in Zappelin van de NPO.

Lees hier meer op de activiteiten en campagne van het CPNB

Oproep: Jaap Friso, kinderboekenrecensent en een van de mannen achter de Grote Vriendelijke Postcast laat op twitter weten: “In het kader van de @Voorleesdagen laten we luisteraars aan het woord over voorlezen. Heb je een anekdote, tip of vraag? Spreek een kort berichtje in op je telefoon, waarin je ook je naam zegt, en mail dat voor maandag aan info@degrotevriendelijkepodcast.nl.”

--

Door Renske Bakkenes

CPNB lanceert nieuwe campagne om de fysieke boekhandel te steunen

CPNB lanceert nieuwe campagne om de fysieke boekhandel te steunen


Vandaag start de nieuwe publiekscampagne ‘Steun je boekhandel’ van de CPNB, de belangorganisatie van het boekenvak. Advertenties in landelijke en regionale dagbladen, online advertenties en radiospotjes richten zich tot het publiek met de boodschap: koop nu een boek, anders is straks je favoriete boekhandel er niet meer. De campagne is volgens de CPNB hard nodig, omdat boekhandels door de coronamaatregelen gesloten zijn en vele op omvallen staan.

Adriaan van Dis, Roxane van Iperen, Simone van der Vlugt en Tommy Wieringa springen in de bres. Zij hebben de radiospotjes ingesproken met de boodschap ‘steun je boekhandel’. Vanaf vandaag te horen op Radio 1, 2, 4 en 5, twee weken lang.

In de landelijke dagbladen plaats de CPNB donderdag een paginagrote advertentie met dezelfde boodschap: koop nu een boek.

Kijk hier voor meer informatie:

--

Roeland Dobbelaer

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 20 en slot

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 20 en slot


Rotjes, gekken en atoombommen. En dan de ‘pliesie’.

Dit is de laatste aflevering van dit Bazarow Feulleton. De afgelopen 10 weken konden jullie elke woensdag en zondag genieten van de avonturen van de kleine Cor. Wil je weten hoe het afloopt. Koop dan nu Zes broers en een zus.

Anders dan anders werd er nu niet gevoetbald op het kleine speelplein bij het schooltje. Pim had er rotjes afgestoken, hij was net door zijn dagvoorraad heen, vertelde Frans. Het wachten was op Jos Strop, die met zijn broer verboden vuurwerk had gekocht in Leiden en dat nu bij hem thuis was gaan halen. Verder waren er nog een paar buurtjongetjes. En Wimie. Dat was onze buurtmongool, al mochten we hem van onze moeder geen ‘mongool’ noemen. Hoe dan? Hij was ‘ongelukkig’, liet ze weten. Maar dat waren wij helemaal niet met haar eens! O, hij kon er wel eens de smoor in hebben en het op een janken zetten, maar hij liet zich altijd verbazingwekkend snel troosten. Dan lieten we hem bijvoorbeeld een doelpunt maken en dan liep hij minutenlang juichend en gillend van enthousiasme over het pleintje – en wij maar lachen. Daarna peerde hij hem meestal om zijn moeder te vertellen dat hij weer een goal had gemaakt en dat hij echt bij Feijenoord ging voetballen. Ik was door hem gefascineerd. Hij was groot, log en dik, maar beresterk: soms tilde hij in zijn eentje drie, vier jongens op. Ik was altijd een beetje bang voor hem. Hij keek ook zo raar uit zijn hondenogen en aan zijn altijd openstaande mond hingen steeds dikke draden slijm. Verder stonk hij een uur in de wind, naar zweet en soms zelfs naar poep. Het mooiste was natuurlijk dat er bijna nooit een verstaanbaar en verstandig woord uit zijn mond kwam. Daarom vroegen we hem vaak wat, de gekste, moeilijkste dingen – om de soms vreemdste antwoorden terug te krijgen. ‘Hoe ver is de maan?’ vroeg ik bijvoorbeeld een keer. En toen antwoordde hij: ‘De maan is van de zon en de ster en is goud geverfd door de nacht.’ Af en toe geloofde ik dat hij over een speciaal soort wijsheid beschikte, maar meestal moesten we hikken van het lachen als die gek iets te berde bracht. En toch... Wimie was misschien wel gek of ‘anders’, zoals moeder ook wel zei, maar het gerucht ging dat hij sommige apparatuur altijd weer aan de praat kreeg. Voorheen waren dat oude horloges – hij droeg er zelf meestal een of twee aan elke pols – maar de laatste tijd waren het transistorradiootjes. Broer Pim had net een nieuwe voor zijn verjaardag gekregen, maar wist te vertellen dat een vriend van hem een tweedehands bezat die was gerepareerd door Wimie. Alleen zei Pim wel vaker wat... Ik twijfelde. Inderdaad had ik Wimie wel eens in die rommelige achtertuin van hun zien prutsen aan een radio, al leek het me dat hij die onherstelbaar uit elkaar gehaald had zoveel onderdelen als er in het grasperkje van hun armzalige achtertuin lagen. Toch kon je het niet weten.

En daar was Jos, een brede glimlach om zijn toch al brede mond. Ja, alles was breed aan die jongen. Hij had, vond ik, altijd iets vuils over zich. Een ongelikte beer was het. Hij had een paar grote rotjes in zijn stevige vuist.

‘Kijk,’ zei hij, ‘astronautjes zijn niks. Dat zijn babyscheetjes voor in de ruimte. Maar moet je deze zien.’ Hij hield zijn hand voor zich en toonde de lange rotjes, die er inderdaad indrukwekkend uitzagen. ‘Hartstikke verboden,’ liet hij trots weten. ‘En weet je hoe ze heten?’

Iedereen zweeg. Wimie stond een paar meter verderop en probeerde de bal tegen de muur te schieten, maar was ’m iedere keer kwijt omdat ie alle kanten opvloog. Je kon hem steeds bozer zien worden. Bozer en gefrustreerder. Het was heel zielig, maar we hadden nu even geen tijd voor hem.

‘Atoombommen,’ verbrak Jos toen de onderlinge stilte. En hij herhaalde het nog maar eens met die zware stem van hem: ‘Atoombommen.’

Opnieuw viel iedereen stil.

‘Zo, dat is niet mis,’ zei Pim toen. Hij klonk heel vlak. Was hij niet onder de indruk?

‘Ugh…’ antwoordde Jos met een boer. 

We lachten. Jos had een reputatie op te houden. Hij kon geweldig harde scheten en boeren laten en dat deed hij dan ook graag. Hij had er al vaak succes mee gehad. Net als met z’n gore grappen. Viezig en ruw was hij. In de omgang en in zijn taalgebruik. Hij deed me altijd aan een zeeman denken, hoewel hij nog een jongen was, hoe uit de kluiten gewassen ook. Hij had zelfs al zoiets als een snorretje.

‘Amerika heeft meer atoombommen dan Rusland,’ zei Pim. Het had weinig te maken met rotjes, maar het was wel een geregeld terugkerend onderwerp van gesprek. Iedereen had het er in die tijd over. Ook onze pappa’s en mamma’s. De wereld kon vernietigd worden, dat wist iedereen, en dat wel duizend keer! Je kon je er hoegenaamd niks bij voorstellen maar het was toch een raar en beangstigend idee. ‘Ik vertrouw die Russen voor geen cent, die communisten,’ zei vader vaak. ‘Die Breznjev, dat is toch gewoon een toendra-tijger, met die borstelige wenkbrauwen van hem. Wat ’n schobbejak! Ze hebben gewoon de kerk uitgeschakeld, die schoften!... Atheïsten zijn het! En die zijn nog erger dan Turken of Arabieren!... En moet je eens kijken wat ze met Israël doen! Nee, niet dat ik veel met die joden op heb, da’s een ander verhaal, maar die zijn al genoeg gestraft. Maar Rusland maar wapens leveren. Aan Syrië en Egypte en noem maar op.’ De wereldpolitiek was in vader’s ogen een groot complot. Alleen Amerika kreeg zijn zegen. Amerika, het land van onze bevrijders. ‘God’s home country,’ zei hij dan in een vreemd soort en totaal overdreven geaccentueerd Churchill-Engels.

‘Rusland kan de wereld wel drie keer kapotmaken,’ vulde mijn broer Pim zichzelf aan, ‘maar Amerika wel tien keer!’

 Ik vond het wel knap van hem, dat hij die cijfers zo uit zijn hoofd wist. Of verzon hij het maar?

‘Amerika beschermt ons,’ meende een ander zeker te weten.

‘Toch,’ antwoordde Joop, ‘kan Rusland ons dood bombarderen met hun atoombommen.’

Nu wilde iedereen er zijn zegje over doen en klonken alle stemmen door elkaar.

‘Ja, maar dan gaan ze zelf ook dood en dat willen ze niet, zegt mijn vader.’

‘En die bommen van hunnie doen het vaak niet, dat zegt mijn vader.’

‘En de Amerikaanse astronauten zijn ook beter,’ zei weer een ander.

Toen liet Jos een van zijn welbekende keiharde scheten en lag iedereen in een deuk, zeker toen een lachende Wimie ook een duit in het zakje wilde doen en helemaal rood aanliep. Er klonk een knetterende scheet en toen zette hij het op een hollen. ‘Poep! Ik heb poep! Mamma, poe-oep!...’ Tijdens het rennen hield hij met beide handen zijn broek aan zijn heupen vast. Nee, dat liep niet lekker, met je broek vol, dat wisten we allemaal nog wel. En dubbel lagen we weer.

Jos vond dat we nu genoeg gelachen en geouwehoerd hadden, het was tijd voor zijn demonstratie. Hij stopte de atoombom-rotjes in zijn ene jaszak en haalde uit de andere een astronautje en stak die aan. De knal klonk door de hele straat. Een man die zijn hond uitliet keek verstoord op, maar durfde er niks van te zeggen. Jos grijnsde. Dit was nog niks volgens hem. Nu haalde hij zo’n lang rotje te voorschijn en hield het voor zich als was iets magisch. Al net zo ceremonieel hield hij zijn aansteker erbij en liet het lontje vonkend ontbranden. Opzichtig stoer wachtte hij een paar spannende momenten voordat hij het rotje op straat gooide.

Daar was de knal. Enorm. Echt alsof er een bom ontploft was. De doffe klap weerkaatste tegen de huizen aan de overkant. Horen en zien verging je voor een moment. We vonden het allemaal geweldig en keken vol ontzag naar Jos en toen naar het geknakte rotje dat op de stenen lag na te smeulen en een merkwaardig zielige indruk maakte, als een dood dier, met de buik open.

Jos had de smaak te pakken en begon het ene rotje na de andere te ontsteken, hij raakte bijna letterlijk in vuur en vlam. De knallen volgden elkaar in hoog tempo op zodat je oren ervan begonnen te suizen. Het had iets krankzinnigs, zeker toen hij ermee om zich heen begon te strooien, het liefst vlak voor onze voeten. Het leek wel oorlog. In het begin vonden we het nog wel vermakelijk, maar algauw zagen de meesten van ons er de lol niet meer van in. Het was bloedlink. Maar Jos, die deed er nog een schepje bovenop. Hij stopte zo’n atoombommetje, brandend en al, eerst eens tussen zijn lippen, als was het een sigaar en hij een getikte generaal. En dan kwam hij op je af, met een grommend geluid, om het rotje vlak voor je te laten vallen. Gelukkig deed hij dat niet bij mij, wellicht omdat ik, samen met Ruud  Bellekom, de jongste van het stel was. Toch was ik op m’n hoede. Met Jos moest je uitkijken, dat had ik allang begrepen. Bij het voetballen op dat schoolpleintje ontweek ik hem altijd heel leep, want hij kon trappen als de beste – en geméén dat hij kon zijn. Ja, ergens was hij niet te vertrouwen, hij keek ook vaak gemeen uit zijn ogen, maar ondanks dat alles had hij ook iets meelijwekkends en, hoe groot en stoer hij verder ook was. O, hij piste gewoon op straat en toonde daarbij graag zijn snikkel, dik en vlezig als die was, en hij had daar ook al haren! Maar zijn trots was hem niet tot troost, dat kon je heel goed aan hem zien. Hij had altijd iets triestigs over zich heen en keek heel somber uit die donkere doppen van hem. Op de een of andere manier getuigde zelfs zijn lach van treurigheid. Onze moeder waarschuwde ons wel eens voor hem, mede omdat ze een nauw verholen hekel aan hem had. ‘Die groeit op voor galg en rad,’ zei ze dan. En het moet gezegd dat het slecht met hem is afgelopen. Want tijdens een eenzaam motorritje, toen hij effe in de twintig was en zijn motor zijn trots uitmaakte, kreeg hij ruzie in de Leidse binnenstad met een paar andere flink uit de kluiten gewassen bikers en toen hebben ze hem aan het mes geregen. Letterlijk. Zomaar op straat, hij viel er badend in het bloed bij neer, zo ging het verhaal. Er waren getuigen genoeg. De daders zijn nooit achterhaald.

De anderen sloegen op de vlucht, ook Frans. En zo bleven alleen een lachende Jos, en Ruud en ik achter.

‘Heb je dat gezien?’ zei Jos, ‘ze gingen er als hazen vandaar! Ja, ik ben de jager. Met mij valt niet te spotten!’ Toch wist ik zeker dat het niet zijn bedoeling was geweest om iedereen de stuipen op het lijf te jagen. Ik kon het aan hem zien. Hij begreep het gewoon niet. En dat gebeurde hem vaker, deze reus van eenzaamheid. Hij kon zijn eigen roekeloosheid niet aan, dat was het.

Hij had nog maar een paar rotjes over en wilde nog wel even laten zien hoe krachtig die waren. En ik mocht de kleintjes wel hebben, de babyscheetjes, want daar vond hij niks aan. Ik propte het handjevol lucifer dunne rotjes in m’n broekzak. Die ging ik later wel afsteken, stiekem, want van moeder mochten ik en Geerie nog geen rotjes. Intussen plaatste Jos drie van z’n atoombommen tussen de geplastificeerde metalen latten van de pas vernieuwde zitbanken. ‘Moet je nou es opletten,’ zei hij en hij bracht ze beng! tot ontploffing.

Ik hield mijn handen op mijn oren want die suisden nog steeds van de vorige knallen. Maar ik zag het gebeuren. De ontploffingen, de rook en de vernieling. De banken waren flink beschadigd, het plastic was helemaal opengebarsten en het metaal puilde eruit. We keken onze ogen uit. En we wisten niet zo goed wat we ervan vonden. Ja, de knallen waren prachtig en hadden hun uitwerking niet gemist. Maar of dit nou de bedoeling was?

Zelfs Jos was geschrokken, ook al stond hij er beteuterd bij te lachen,

‘De kit! De pliesie!’ riep Ruud toen en hij wees naar het einde van de straat.

En inderdaad kwam daar een politieauto aangereden.

We wisten niet hoe gauw we er vandoor moesten gaan, ieder z’n eigen kant op. Ik vluchtte een laantje in. Dat was wel een omweg naar huis, maar een auto kon er niet in en ik wist dat agenten altijd weinig zin hadden om achter ons aan te rennen.

Buiten adem kwam ik thuis.

‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg moeder snibbig. Ze stond in de keuken en was tot mijn verbazing nog steeds bezig met oliebollen bakken.

‘Van Frans zoeken,’ antwoordde ik.

‘Die is anders al lang thuis.’

‘Nou, al lang…’

‘Je moet uit de buurt blijven van die Jos Strop. Want die gaat nog naar de hel, dat weet je toch?’

‘Ja, mam.’

‘Goed, loop dan nu maar door naar de kamer en doe vooral de deur dicht.’

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 19 van Zes broers en een zus

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff pleiten voor meer diversiteit in de leeslijst voor jongeren

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff pleiten voor meer diversiteit in de leeslijst voor jongeren


Op 10 januari verscheen er in Trouw een essay van schrijfsters Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff over de leeslijst voor jongeren. Een onderwerp dat afgelopen jaren vele auteurs, journalisten en docenten bezighoudt. Spleet, Loontjens en Uphoff bespreken, niet verrassend, nogmaals het belang van diversiteit in het literaire vak. Een vak dat van oudsher gedomineerd werd door witte mannen. De leeslijst voor jongeren bestaat als het auteurs uit het verleden betreft nog altijd bijna volledig uit mannelijke auteurs. Vaak ouderwetse boeken waarin sociale constructies voorkomen die voor jongeren van nu bijna lachwekkend zijn. Maar ook meer recentere boeken van mannen bevatten volgens het drietal nog te veel stereotypen.

Volgens Spleet, Loontjens en Uphoff ontbreekt het de klassieke Nederlandse literatuur niet aan vrouwelijke schrijvers. Deze werken werden door de mannelijke collega’s van toen maar ook van nu vaak  als minderwaardig beschouwd of afgedaan als populair fictie. De drie schrijfsters beseffen dat destijds onze sociale maatschappelijke constructie erg vrouwonderdrukkend was, maar waarom, zo vragen ze zich af, is de nasleep hiervan nog altijd te vinden in de Nederlandstalige literatuur én in de leeslijst voor jongeren. Verrassend is dat ze pleiten voor een uitbreiding van de lijst met auteurs van een andere geslacht of andere afkomst, niet voor het schrappen of compleet vernieuwen.

Op het essay van het drietal en hun bevindingen is weinig aan te merken. Men kan zich wel afvragen of dit niet de zoveelste oproep tot verandering van de leeslijst is en van de wijze waarop we kijken naar literatuur. Hebben dit soort artikelen nog wel zin, want  waarom is er dan nog niks gedaan? Waarom zijn er geen concrete veranderingen zichtbaar, wanneer worden er nu echt stappen ondernomen?

Misschien dat 2021 het jaar van de waarheid wordt en er eindelijk concrete veranderingen worden doorgevoerd. Iets wat het literaire vak, de boekhandels, uitgeverijen, auteurs maar bovenal de (jeugdige) lezers alleen maar ten goede kan komen. 

--

Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff zijn lid van schrijverscollectief Fix dit, dat zich inspant voor meer diversiteit in de canon en het literaire veld. De website Fixdit.nu is vanaf 9 januari te bezoeken.

Lees hier het volledige essay.

--

Door Renske Bakkenes

Crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel 2021 van start

Crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel 2021 van start


Drie dagen geleden startte de jaarlijkse crowdfunding voor de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korte verhalenbundel in de Nederlandse taal. Er is een kleine 4.000 euro nodig.

Volgens de organisatie bestonden in Nederland en Vlaanderen talloze gerespecteerde prijzen voor romans, non-fictiewerk, thrillers et cetera. Een prijs voor de korteverhalenbundel ontbrak tot 2015. Om het korte verhaal de status te geven die het verdient en vooral om te laten zien dat het een volwaardig, prachtig genre is, is er sindsdien ook de J.M.A. Biesheuvelprijs. De prijs is genoemd naar de vorig jaar overleden meester in het genre Maarten Biesheuvel

De J.M.A. Biesheuvelprijs wordt volledig gefinancierd door middel van crowdfunding. Met de uitreiking van de prijs op 14 februari begint ook de jaarlijkse Week van het Korte Verhaal.

Vorig jaar werd de prijs niet uitgereikt, volgens de jury waren er toen te weinig inzendingen.

Wil je de prijs steunen: hier kun je je gift kwijt 

Er is al 800 euro binnen, maar dat is pas een kwart van het benodigde geld. Dus doneren is zeer welkom.

--

Door Roeland Dobbelaer

Afbeelding van Biesheuvelprijs

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 19

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 19


Vader is de duivel in persona. En Cor, die gooit een asbak naar het hoofd van zijn moeder. 

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

In voetballen had ik weinig zin. Ik was juist zo blij dat er zoiets als een winterstop bestond. Want ik voetbalde al genoeg, vond ik. Meer dan genoeg. Veel te veel eigenlijk. Ik zat er zelfs op, bij Blauw-Zwart. Dat was normaal, dat je op voetbal ging. Mij was nooit iets gevraagd. Je ging. Al m’n broers deden het ook en die, moet ik toegeven, waren er best goed in. Wijselijk hield ik het voor mezelf dat ik hen maar een stelletje fanatiekelingen vond. Ik, als enige bij ons thuis, begreep het gewoon niet. Sommige jongens trapten je verrot of haalden je lelijk onderuit. Wat was daar de lol van? Niks voor mij. Bovendien werd je er heel moe van. De meesten liepen vrijwillig hun longen uit hun lijf. Vanwege dat laatste speelde ik altijd rechts half. Ik had bedacht dat je dan het minste hoefde te lopen, dat ik dan een beetje op het middenveld hangend de bal uit de weg kon gaan zonder dat het al te veel opviel. Want dat zweten was niks voor mij. Ik rende zo nu en dan alleen maar om een beetje op temperatuur te blijven, want meestal was het verrekte koud op die open, winderige en vaak natte modderpoelen die voor velden moesten doorgaan. Vaak bood ik me ook, met gespeelde tegenzin of onder het voorwendsel van een vage blessure, als reserve aan, desgewenst twee helften. Laten die anderen het maar uitknokken tegen dat tuig uit de achterbuurten van Den Haag, dacht ik dan, want daar kwamen de meeste clubs vandaan die onze tegenstanders waren. Zoals die onfrisse jongens van V.V. Oranjeplein die je al voordat het fluitsignaal had geklonken meedeelden waar en hoe ze je zouden pakken. Ze speelden met ijzeren noppen onder hun schoenen! Die lieten ze dan meteen maar even zien. Een trap tegen je zakie, dat kon je ermee krijgen. Dus als ik al meedeed, wist ik niet hoe gauw ik de bal telkens weer moest afgeven. ‘Maak nou eens een actie!’ zeiden mijn teamgenoten wel eens tegen me. Maar dan had ik meteen mijn antwoord klaar: ‘Het is een teamsport, jongens, het gaat om het sámenspel.’ En meer van die flauwekul. Ik lulde me er altijd wel uit, maar goed voor m’n prestige was het niet. Nee, ik moest het niet van de voetballerij hebben, zoveel was wel duidelijk. Integendeel zelfs, ik mocht wel oppassen, want anders ging het zich tegen me keren.

Maar goed, ik ging Frans wel zoeken.

 

*

 

Ik vond hem bij het schooltje, dat wil zeggen op het speelterrein voor de zij-ingang van dat kleuterschoolgebouw, dat zich twee straten van ons woonhuis bevond. Bij ons thuis hadden we daar allemaal op gezeten, ook ik. Het was een tamelijk somber en wat log gebouw uit de jaren twintig of dertig, opgetrokken uit donkere bakstenen. Ik herinnerde me mijn eerste schooldag aldaar nog heel goed, want in de sombere hal barstte ik opeens van angst in huilen uit, overvallen door zoveel onverhoedse onzekerheid en bedreiging. Ik had een melkwagen voor mijn vierde verjaardag gekregen en die liet ik er pardoes uit mijn handen vallen. De melktonnetjes, wit met een blauwe sticker die de letter M voorstelde, tuimelden over de grijsbruine plavuizen vloer. Het maakte in mijn oren een oorverdovend geluid. Toen moest ik mee aan de hand van de juffrouw, terwijl ik over mijn schouder keek naar m’n zwaaiende mamma. Ze liet me mooi stikken! Daar was ik later die dag, toen ik samen met Frans thuiskwam, nog kwaad om. ‘Doe toch eens niet zo driftig!’ riep moeder, ‘ik heb zes kinderen. Je kan me niet in je eentje hebben, hoor,’ en ze nam een trekje van haar sigaret. Annie was op bezoek en ze rookten samen graag een sigaretje. Eentje of twee, dat kon geen kwaad volgens Annie, die moeder soms een handje hielp in de huishouding. Meestal hadden ze ook allerlei huishoudelijke dingen te bespreken – vooral het gedrag van vader. Zo’n gesprek begon meestal vrolijk en zelfs lacherig, om te eindigen met een huilbui van mamma. Ook deze keer hadden ze een hoop te kletsen. Maar ik mocht wel even vertellen hoe het was, mijn eerste schooldag. Nou, daar had ik mooi geen zin in, riep ik woest. ‘Want waarom bent u zomaar weggelopen?’ wilde ik weten. ‘Ik ben niet zomaar weggelopen,’ antwoordde moeder met een zucht. ‘Ik moest weg. Van de juffrouw. Zo gaat dat.’

‘Ik vind het gemeen!’ riep ik.

‘Het is niet gemeen. Het is zoals het is.’

‘Wat bedoelt u daar nou mee?’

‘Nou, dat het niet anders is.’ En vervolgens richtte ze zich, zichtbaar moe van mijn opstelling, doodleuk tot haar hulpje Annie. ‘’t Is soms net z’n vader,’ zei ze. Dat was wel zo ongeveer het ergste wat ze van je kon zeggen. Zeker als zij het zei, met de manier waarop. Mijn vader: de duivel in persona was er niks bij.

Maar dit pikte ik niet, o nee!

Terwijl zij weer druk in gesprek waren, pakte ik voorzichtig de asbak op en draaide me om. Ze hadden niks in de gaten, zo druk zaten ze te kleppen. Ik liep er de paar stappen mee naar een hoekje van de kamer en draaide me opnieuw om, maar nu vliegensvlug en op de manier van een honkballer. Ik strekte mijn arm uit en liet de asbak in een rechte lijn door de kamer vliegen, pal op mijn moeder af.

Het glazen ding miste haar op een haartje. Het knalde tegen de muur uit elkaar.

Annie en moeder verstijfden van schrik, ik zag het ze denken: wat was dat nou? En toen zagen ze mij daar staan in dat hoekje van de kamer. Hun monden vielen open, ze konden hun ogen niet geloven.

‘Ben jij nou helemaal?...’ zei moeder bijna apathisch.

Annie sloeg haar hand voor haar mond. ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt,’ fluisterde ze. Even dacht ik dat ze in lachen uit zou barsten. Maar ze hield zich in.

‘Kom hier,’ blafte mamma. ‘Ben je nou belatafeld… Wat bezielt jou?’ Haar ogen spoten vuur. Het was beslist de liefste moeder van de hele wereld, en makkelijk had ze het ook zeker niet, maar als ze kwaad werd, werd ze ook echt kwaad. ‘Maar zo zijn we niet getrouwd!... Meekomen!’ Ze wilde me in de keuken hebben, het was haar min of meer afgezonderde lievelingsplek om deze of gene eens hartig toe te spreken. Nu was het mijn beurt. Ik droop af, met m’n hoofd tussen mijn schouders. Het was vanzelf gegaan, dat gooien met die asbak. Of nou ja: zo leek het wel. Ik deed het ook voordat ik er erg in had. Maar hoe ging ik dat uitleggen?

Ze liep vlak achter me aan en ik voelde haar briesende adem in mijn nek.

Ik kreeg de kans niet om iets uit te leggen, ze begon meteen te slaan en te meppen. Wóédend was ze. ‘Waar heb ik dit aan verdiend!’ gilde ze. ‘En in het bijzijn van Annie nog wel! Je schaamt toch je oren van je kop! Is je vader in jou gevaren of zo? Heb ik soms niet genoeg ellende aan mijn hoofd, he, rotjoch?’ Ze sloeg me in haar drift de keuken uit. Met mijn opgeheven armen probeerde ik de klappen op te vangen en ik deinsde telkens een paar stappen achteruit. Tot ik tegen de muur van de doorgang stond en geen kant meer op kon. Ik maakte me kleiner en drukte mijn kin tegen m’n borstkas. Ik zonk ineen.

En toen begon ze me daar toch te schoppen. Nog een geluk dat ze pantoffels aan had. Maar voelen deed ik het wel.

Het was Annie die me bevrijdde. ‘Zo is het wel genoeg, mevrouw Van Hargen,’ zei ze terwijl ze m’n moeder bijna d’r schouders beetgreep. ‘Straks doe je hem nog wat aan…’

‘Ik moet wel, want Adri doet niks,’ piepte mamma toen huilerig. Ze was opgehouden met schoppen en verborg haar gezicht in haar handen. ‘Ik sta overal alleen voor. Met zes kinderen, da’s niet niks, hoor. Vijf van die jongens, die je soms het bloed onder je nagels vandaan halen…’

Ze begon echt te janken en viel in de armen van Annie, die verlegen met de situatie helemaal rood aanliep. ‘Toestanden!’ dat zei moeder graag en dat zou nu volledig terecht zijn. Maar ze zei niks.

Annie probeerde wat troostende woorden: ‘Engeltjes zijn soms ook bengeltjes, mevrouw Van Hargen, dat weet u beter dan wie ook.’ En ze voegde er, toen moeder niet reageerde, aan toe: ‘Zo is het maar net.’

Opeens keek mamma me weer aan en ze verhief haar wijsvinger: ‘En ik zal het morgen ook tegen de juffrouw zeggen. Want dit pik ik niet.’

Nou, zoveel was wel duidelijk.

Ik zag mijn kans schoon en droop af.

Later, toen Annie weg was, had mamma kennelijk spijt dat ze zich in haar frustratie en woede zo had laten gaan. Ze omhelsde me en overlaadde me met lieve kussen. Ze begon zelfs een beetje te grienen. ‘Oké, ik zal het niet tegen je vader zeggen en ook toch maar niet tegen je juffrouw. Dat beloof ik. Dit blijft tussen ons. Maar waag het niet nog een keer… Ik snap het ook niet, je bent anders zo’n lieve jongen. Echt, je bent een lekkere knul…’

Ik wist niet hoe gauw te zeggen dat ik het echt helemaal nooit meer zou doen.

De dagen erop hield ik me gedeisd en liet ik ook geen traan meer als ze zich in de hal van de school omdraaide en wegging. Ik slikte dat bittere zout wel weg. Maar minder verdrietig was ik er niet om.

M’n broers waren danig onder de indruk. Dat ik dat durfde, een asbak naar mamma gooien. En waarom eigenlijk? Met mamma was toch weinig mis? Iedereen vond onze moeder heel aardig en dat was ze ook. Ze liep over van liefde, dat zag je zo. Wat ze allemaal niet voor ons deed! Alles! Maar verder vonden m’n broers het wel van mijn lef getuigen. Ik was een beetje in aanzien gestegen in de pikorde thuis. Nou, dat was tenminste iets.

De volgende keer:

Rotjes en atoombommen

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 18 van Zes broers en een zus

Het CPNB neemt Hebban.nl over

Het CPNB neemt Hebban.nl over


Na een jaar nauw samenwerken met Hebban.nl neemt het CPNB, Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, het lezersplatform over. Het is de bedoeling dat Hebban.nl een apart onderdeel van het CPNB gaat worden. De in 2014 gestarte website van Hebban groeide snel uit tot een van de belangrijkste lezers platformen in Nederland. Met inmiddels meer dan 200.000 leden heeft het platform een groot aantal lezers aan boeken kunnen helpen. Dat is namelijk, net als van het CPNB, de grootste doelstelling van het platform. Zoveel mogelijk Nederlanders aan het lezen krijgen met boeken die hen raken en inspireren.

 

In 2021 gaat deze samenwerking dus verder met een officiële overname. Hebban blijft lezersacties aanbieden en juist door de nauwe samenwerking zullen deze nog beter zijn afgestemd op de andere campagnes van het CPBN. Denk hierbij aan reading challenges, boekennieuws, recensies en boekenclubs. Veel van deze activiteiten produceert Hebban nu al, maar zullen nu gecombineerd worden met de andere werkzaamheden van het CPNB. 

 

Lees hier het volledige bericht over de overname. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 18

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 18


Oudejaarsdag: vader’s auto wassen & de vlam in de pan

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

De dagen erop regende het vrijwel aan één stuk. We verveelden ons te pletter en gingen elkaar daardoor treiteren, wat vaak op een vechtpartij uitliep. Moeder werd gek van ons. Af en toe kreeg een van ons een draai om z’n oren. En als het even kon stuurde ze ons de straat op. ‘Buitenlucht is goed voor jullie. En kijk uit met die rotjes. Die rot-rotjes.’

Oudjaarsdag was al helemáál haar dag niet. Ze had een hekel aan oliebollen bakken, aan de stank, het gedoe. ‘Dan haal ik wel oliebollen,’ had vader aangeboden, maar dat wilde ze niet. Dat kostte geld en het was bovendien haar eer als huisvrouw te na.

Het was op een zaterdag, het was droog maar waaide flink en vader wilde die middag ook nog eens de auto wassen, de Daf, zijn trots. En wij jongens moesten helpen. Om een en ander in goede banen te leiden bood ik mijn hulp aan, ik zag de bui al hangen. Frans ook. Mirjam ging met Geerie boven op het bord letters krijten, wat moeder een goed idee vond want zijn motoriek was niet je van het. Johan voelde zich niet lekker en lag op bed, Pim was de hort op, die trok altijd zijn eigen plan.

Moeder had de twee kommen met beslag, een met en een zonder rozijnen, bij de kachel gezet om te rijzen. Kruidenier Kroon had de spullen gebracht en liet ook een zak soesjes achter. Het kon slechter.

Frans en ik kregen allebei een borstel om het ergste vuil van vooral de onderkant van de auto weg te vegen. Vader zelf ging in de auto zitten en rommelde in zijn papieren. De hele auto lag bezaaid met paperassen en oude kranten. Het was een rijdend kantoortje, een chaotisch kantoortje, hij was altijd papieren kwijt en er lagen ook meestal plastic zakjes met beschimmelde boterhammen. Elke ochtend maakte moeder boterhammen voor hem klaar, maar hij vergat ze soms. Zei hij. Zij wist wel beter: dan ging hij zeker weer ergens een kroket eten of een paar Marsen – er lagen ook altijd wel een paar Mars-wikkels in de auto. Dan lachte hij maar wat, ondeugend, ontwapenend zelfs, en moeder haalde haar schouders op.

Toen we klaar waren inspecteerde hij onze verrichtingen. Niet slecht, maar het kon beter. Nou, ga nu maar een emmer sop halen. Dus wij sop halen.

Stond moeder daar in de keuken. ‘Deur dicht!’ riep ze. De pan met vet stond op en zij wilde niet dat de baklucht de huiskamer in dreef en in de gordijnen ging zitten. ‘De voordeur ook?’

‘Nee, niet de voordeur, want dan wordt je vader weer boos.’

We waren op onze hoede.

‘Doe die emmer niet zo vol, anders knoeien jullie en dan wordt ie te zwaar. En doe er niet te veel sop in want dat kost alleen maar geld.’

Frans en ik sjouwden met ons tweeën de emmer via de huiskamer door de voordeur naar buiten.

‘Zo, zijn jullie daar,’ zei pa en stak zijn hoofd uit het wagentje. ‘Maar wat zit er weinig water in de emmer. En je moet er meer sop in doen. Jullie kunnen ook niks.’

‘Maar mamma zei…’

‘Wie wast hier nou de auto? Nou, beginnen maar. Eerst het dak.’ Hij boog zich weer over z’n papieren, hij had een pen in zijn hand.

Het water was te heet en Frans en ik wisten ons geen raad. Daar had je het al: ‘Wat staan jullie nou te dralen? Ik moet zo nog even een paar krantjes wegbrengen…’

‘Het water…’

‘Ja? Het water. Inderdaad, sòp kun je het niet noemen.’

‘Het is nog te heet.’

‘Ach, jullie met je kleine vingertjes ook. Stelletje tutjes.’

We pakten onze borstels aan het uiteinde van de steel en spatten het water boven het dak uit zodat de damp ervan afsloeg. Best leuk werk. Alleen konden we het midden van het dak niet bereiken, hoe hoog we ook op onze tenen gingen staan.

‘Misschien merkt ie het niet,’ fluisterde Frans.

Om het midden toch te bereiken plensden we de natte borstels over het dak uit. Het water droop er aan alle kanten af. Dat flikten we hem toch mooi.

‘Hee!’ riep vader. ‘Kunnen jullie niet uitkijken, alle papieren worden nat! Stelletje koekenbakkers ook.’ Hij stapte uit met een schrift in zijn hand, de pen zat nu in zijn mond. De harde kaft van het schrift was doorweekt. Vader was rood aangelopen en zei iets, een vloek. De pen viel op de grond en belandde in het overtollige lekwater. ‘Ook dat nog! Ik kan ook niks aan jullie overlaten! Moet je ’ns kijken. Mijn kilometerboek! Helemaal zeikie! Daar kan ik straks niet mee aankomen op de administratie! Nou, dan kan ik wel naar m’n centjes fluiten. Jullie worden bedankt.’ Hij smeet het schrift op de stoel en raapte de pen op. ‘Ook kaduuk. Godverdomme…’

Frans en ik stonden er bedremmeld bij. We deden toch ons best?

Hij beende naar binnen en keerde terug met een andere pen. Hij keek ons strak aan en vroeg bestraffend: ‘Wat moet ik nou met dat schrift?’

We keken naar hem met grote ogen van schuldbewustzijn.

‘Sjezus nog an toe… Wat staan jullie me daar aan te gapen? Dachten jullie dat benzine gratis was? Nou, niks is gratis, dat kan ik jullie wel vertellen. Ik zal jullie spaarpotten omkeren. En zeg maar niks tegen je moeder, want dan eh…’

We wisten niet wat we moesten doen.

‘Komt er nog wat van? Hup, een nieuwe emmer halen. Met sòp. Stelletje klunzen.’

Wij weer naar binnen, ik met de lege emmer in m’n hand. Frans opende de tussendeur naar de keuken. Daar was moeder begonnen met bakken. Ze liet net het deeg met een juslepel in het vet belanden. ‘Déúr dicht!’ snauwde ze. Met een ruk trok Frans de deur dicht en riep meteen ‘Au!’. Zijn vinger zat ertussen. Hij gilde het uit.

‘Doe dan ook niet zo wild! Kom hier, laat ’ns kijken.’

Ik zag spatten deeg van de lepel op de grond kwakken. Gelukkig zag moeder dat niet. Ze lette helemaal niet op die lepel in d’r hand.

Huilend hield Frans zijn vinger omhoog.

‘Cor, doe de deur dicht. Voorzichtig!’

Ze boog zich over Frans’ vinger. ‘O, dat valt wel mee. Dat gaat vanzelf wel weer over. Zo, een kusje erop en klaar is Kees.’

‘Nee, helemaal niet,’ kermde Frans, ‘het doet pijn!’

‘Zeg, stel je ’ns niet zo aan!’

‘Ik ga helemaal niet meer autowassen!’ riep mijn broer. Jankend opende hij de keukendeur naar het achtertuintje en rende weg, de schuur in.

‘Deur dicht!’ riep moeder, ‘ik sta hier in de tocht met dat raam open.’

Ik wist niet hoe snel ik die deur moest sluiten. En toch voorzichtig.

‘Nou Cor, dan moet jij het maar doen.’

Slik. De hele auto? Maar wat zat er anders op?

‘Wat is je vader eigenlijk aan het doen?’

‘Die is bezig met papieren.’

‘O, het zal eens niet zo zijn. Zeker weer wat kwijt?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Hè verdomme. Uitgerekend vandaag moet die auto gewassen. Nou, neem nog maar een soesje – niet tegen de anderen zeggen – en pak maar wat water.’

‘De emmer moet voller van pappa.’

‘Nou, dan komt ie het zelf maar doen.’ En toen riep ze: ‘De oliebollen!’ Ze draaide zich fluks om en keek in de pan. ‘Allejezus nog an toe! Helemaal verbrand!’ Ze had het nog niet gezegd of de vlam vloog in de pan. Vloehmm! Nog een geluk dat ze haar gezicht niet verbrandde. Het was op het randje. ‘Ik word gèk!’ riep ze en ze wist van narigheid en paniek niet wat ze moest doen. Op het plafond boven de pan ontstond algauw een zwarte plek. Toen kreeg ze weer de tegenwoordigheid van geest en draaide het gas uit en al even gezwind legde ze de deksel op de pan. ‘Zo,’ sprak ze, opmerkelijk kalm, ‘uit.’ Ze zuchtte. ‘Maar moet je dat plafond eens zien.’ De tranen sprongen in haar ogen. ‘Wat een gedoe ook allemaal…’ Ze schokschouderde, probeerde zich in te houden en beet op haar lippen. De hele keuken was gevuld met rook. Ik keek naar haar met intens medelijden. Zo ging het nou altijd. Nooit ging er iets echt helemaal goed. Hoe deden ze dat toch bij anderen? Waarom ging bij ons thuis toch altijd alles mis?

Ik was op van de zenuwen, zeker als ik dacht aan vader. Die stond natuurlijk ongeduldig te wachten tot wij weer op kwamen dagen met een emmer sop. Nou, Frans liet zich niet meer zien en ik wilde ook het liefst verdwijnen.

‘Doe de deur naar buiten maar open,’ zei mamma toen met zachte stem en opnieuw heel kalm eigenlijk. Ze zuchtte. ‘En nou moet ik nieuw vet gaan halen. Ook dat nog. Pak jij maar een emmer sop. En zeg alsjeblieft maar niks tegen je vader, het hele huis had wel in de fik kunnen vliegen. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen.’

Nou, daar dacht ik toch wel anders over. Maar goed, zij zei het.

Ze ging haar jas halen en met tranen in mijn ogen liet ik de emmer weer vollopen. Min of meer stiekem deed ik wat meer zeep erbij, maar ook weer niet zoveel dat het moeder zou opvallen als ze straks voorbij liep. Het was schipperen geblazen tussen die twee, tussen mamma en pappa. Ik vergat ook niet die spatten deeg op de vloer even weg te vegen die mamma niet gezien had. ’t Is eigenlijk nog goed afgelopen, echode het in mijn hoofd. Ik schudde die woorden erin weg.

Ik treuzelde een beetje totdat moeder weg was. Daarna deed ik er nog wat extra water bij, niet te heet, en sjouwde de emmer met al mijn kracht via de huiskamer naar de voordeur. In de kamer liep ik heel langzaam om maar niet te knoeien en het vloerkleed nat te maken. Dat konden we er niet bij hebben. Ik concentreerde me enorm op m’n klus, boos op Frans die me liet stikken.

‘Hèhè,’ zei vader. ‘Waar heb je dat water gehaald? Bij de dorpspomp? Je mag blij wezen dat je niet in Afrika woont. Weet je hoe ver die kinderen daar moeten lopen voor een beetje modderig water?’

Ik gaf wijselijk geen antwoord.

‘Zo en nu mag je dan de ruiten doen en dan de motorkap en de achterkant. Doe maar niet met de borstel maar met een doek, anders krijg ik dadelijk krassen.’

‘Maar ik heb geen doek.’

‘Dan ga je er een halen. In Swahili of zo. Of bij ome Gerlof in de Congo.’ Hij vond zichzelf kennelijk erg grappig, zo zat ie te lachen. ‘O nee, die zit tegenwoordig op Ceylon. Met z’n kop in de zon. Met die grote kop van hem…’

‘Wat voor doek?’

‘Wat voor doek? Wat denk je? Een theedoek? Of een zakdoek misschien? Zakdoekje leggen, niemand zeggen… Moet ik jullie nou alles voorkauwen?’

Dat kon hij wel vinden, maar ik wist toch echt niet wat voor doek ik gebruiken kon. Dadelijk was het toch weer de verkeerde, dat zal je altijd zien. ‘Een poetsdoek misschien?’

‘Een poetsdoek. Hoe kom je erop? Heel knap.’

‘Zo een als in de keuken ligt?’

‘Ja, gebruik maar een doek zoals in de keuken ligt, op het aanrecht. Een goeie dweil is ook goed. Beter zelfs.’

Aha, hij wist het zelf ook niet precies! Ik ging een dweil halen, die wist ik wel te liggen, in het schoonmaakkastje, het heiligdom van moeder.

Het water was niet te heet, precies goed en het sop rook lekker. Het wassen kalmeerde me, ja, ik vond het best een leuk karwei. Vader zat in de auto met de deuren dicht. Hij frummelde onrustig in al die papieren. Zeker weer wat kwijt, zoals moeder al veronderstelde.

Met een nieuwe emmer schoon sop begon ik aan de wieldoppen en daarna, op aanwijzingen van pappa, aan de onderkant. Dat moest weer met een borstel. ‘Als je klaar bent, krijg je een oliebol,’ grapte hij. Het warme water was wel zo aangenaam, want ik begon het koud te krijgen. Maar de auto glansde. Ik was er best trots op en vader vond ook dat ik het goed gedaan had.

‘De auto is schoon!’ zei ik tegen moeder die weer in de keuken bezig was.

‘Mooi zo, jongen. En laat mij nu verder maar met rust. Ga Frans maar zoeken buiten. Die zal wel ergens op straat aan het voetballen zijn. Ga zelf ook maar voetballen. Straks zijn er oliebollen.’

De volgende keer:

Vader: de duivel in persona – en Cor is, zegt moeder, al ‘net zo’.

--

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 17 van Zes broers en een zus

Ronald Giphart schrijft afscheidsboek directeur Hof van Saksen

Ronald Giphart schrijft afscheidsboek directeur Hof van Saksen


Vorige week verscheen van schrijver Ronald Giphart het boek Gast! over het Landal GreenPark Hof van Saksen in Drenthe. Veel over het boek is er nog niet te vinden. Op de Wikipediapagina van Giphart nog geen woord over het nieuwe boek. Ook op zijn eigen website niet. We vinden op twitter een foto van de achterflap en daar lezen we: “Gast! Beschrijft de metamorfose van Hof van Saksen nadat het begin 2012 wegens gebrek aan belangstelling moest sluiten. Verteld wordt met welk elan de nieuwe eigenaar, de nieuwe manager en de honderden medewerkers het prachtige maar zielloze resort nieuw leven inbliezen, en hoe ze de harten van de gasten wél wisten te winnen.”

Centraal in het boek staat de vorige week afgezwaaide directeur Roland Rozenbroek. Hij is er verguld mee. Hij laat aan een voormalige opperbaas van Landal op twitter weten: “[…] wat een geweldig afscheidscadeau en wat mooi dat het aan alle medewerkers van Hof van Saksen is opgedragen. […] Ronald Giphart heeft op een heerlijke uitdagende toon het succes van ons allemaal fantastisch verwoord.”

Vermoedelijk gaat het om een betaalde opdracht voor Giphart en je kunt afvragen door de stilte van Giphart over het boek, of hij zich schaamt. Dat lijkt me nou niet nodig. Het is algemeen bekend, om de bekende uitdrukking uit het satirische programma Promenade maar eens te gebruiken, dat er nauwelijks Nederlandstalige schrijvers zijn die van de pen kunnen leven. Ze moeten bijklussen met columns en artikelen. Nu door corona allerlei betaalde optredens niet doorgaan is het extra lastig. Er is niet mis mee dat schrijvers dit soort klussen doen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar dit boek. Ik liep een paar jaar geleden tijdens het wandelen van het Pieterpad langs het Hof van Saksen, het leek me er een troosteloze bedoening, maar ik kan me vergissen. Hoe kijkt Giphart tegen het Hof aan? Roemt hij de keuken daar, de man heeft immers ook verstand van koken, en hoe duidt hij dit soort resorts? Wat vindt hij van het fenomeen directeur? Het lijkt me heerlijk om te lezen. En als je dan toch een gelegenheidsboek wilt laten schrijven, waarom dan niet door een echte schrijver die geroemd door zijn taalgebruik en opmerkingsgave er vast iets bijzonder van weet te maken?

Ook vragen we ons af: is het boek voor het brede publiek beschikbaar? Bij Bazarow is het (nog?) niet te verkrijgen en bij de concullega’s ook niet. Gebeld deze vroege morgen naar het Hof van Saksen levert ook nog geen informatie op. De dame aan de telefoon wist te vertellen dat zij een exemplaar had ontvangen, het boek is immers opgedragen aan de medewerkers. Maar verder wist ze er niets van. We worden teruggebeld.

--

Tot zover uw verslaggever in Drenthe, Roeland Dobbelaer.

Wat wordt de beste vrouwenthriller van 2020? Stemmen kan nu

Wat wordt de beste vrouwenthriller van 2020? Stemmen kan nu


Sinds gisteren kan men stemmen op de beste vrouwenthriller van 2020. De regels zijn als volgt. De thriller moet in 2020 verschenen zijn en Nederlandstalig zijn. Daarnaast moeten de boeken minimaal vier of meer sterren hebben ontvangen. Het is mogelijk om meerdere boeken in de longlist op te geven voor de shortlist, wel is stemmen maar een keer per email adres mogelijk. 

De titel “beste vrouwenthriller” is een iniatief van vrouwenthrillers.nl, een website die zich volledig richt op psychologische en literaire thrillers die vooral een vrouwelijke doelgroep aanspreken. Het is echter niet zo dat alleen vrouwen deze boeken lezen of dat de auteurs allemaal vrouwelijk zijn. Vaak gaat het op sterke en herkenbare personages die in spannende situaties terecht komen. De website legt de nadruk op de breedste definitie voor vrouwenthrillers. Volgens de organisatoren is dit genre voor iedereen. 

Stemmen voor de shortlist kan tot 17 januari waarna de shortlist verschijnt. De shortlist zal uit tien titels bestaan en het is tot 24 januari mogelijk om te stemmen op de winnende titel. Na 24 januari wordt de winnaar zo snel mogelijk bekend gemaakt. 

 

Bekijk hier de de longlist en stem


--
Door Renske Bakkenes

Hoe zijn de schrijvers in Nederland en Vlaanderen aan het nieuwe jaar begonnen? En hebben ze een beetje hoop dat 2021 een goed jaar wordt?

Hoe zijn de schrijvers in Nederland en Vlaanderen aan het nieuwe jaar begonnen? En hebben ze een beetje hoop dat 2021 een goed jaar wordt?


Hoe brachten onze literaire helden oud en nieuw door? En hebben ze een beetje hoop op een goed 2021? Bazarow deed een rondgang op twitter en facebook.

Laten we positief😊 beginnen. Arnon Grunberg retweette een bericht van Samantha Rose Hill @Samantharhill: "I wish you benevolent demons for the New Year." Een citaat van de filosoof Walter Benjamin uit 1926.

Jan van Mersbergen postte op Facebook een foto van zijn broekriem met een hamer. “Goede voornemens”. De schrijver gaat aan de lijn doen. Wij dachten altijd dat hij een redelijk afgetrainde schrijver was. En hij blijft voorlopig bij Cossee. De voorspelling door Tzum van een jaar geleden dat Van Mersbergen zou overstappen naar De Bezige Bij is nog niet uitgekomen, zo laat hij weten.

Rob van Essen kreeg koffie op bed van zijn geliefde Lize Spit: “Koffie op bed van de liefste, gelukkig nieuwjaar iedereen.”

Een serieuzere noot, hoe kan het ook anders, van filosoof en denker des vaderlands Daan Roovers. Zij keek vooral terug op 2020: “Ik hoop dat we terugkijken op 2020 als het jaar waarin het kortetermijndenken definitief failliet bleek, en we langzaam weer oog kregen voor de lange termijn...” 

Griet op den Beeck plaatste foto’s van haar hond: “Soms ziet liefde en hoop er ook zo uit.” We rekenen dit goed als Nieuwjaarsgroet.

De kersverse schrijver Marc Schoorl was vooral bezig met zijn trilogie. Op oudjaar schreef hij op facebook: “40 jaar lang ging ik zwanger van een mooi monster. Het grote ei dat mijn trilogie is, is in pak ’m beet 10 jaar gelegd: circa 1800 pagina’s in boekvorm. De ontsluiting verliep aanvankelijk tergend traag, maar daarna klapte de cloaca echt open. Of er nu ook een mooi jong uitgekropen is, dàt is aan de lezer.”

Hans Vervoort plaatste een foto met daarop twee wat oudere mensen en de tekst “Hans en Maja Vervoort wensen je een mooi 2021”. Om misverstanden te voorkomen zei Hans erbij: “Vooruit dan maar. Hier onze kaart. En nee, we zijn het niet zelf. Gewoon twee oudjes, zo te zien nog redelijk monter, op weg naar het Grote Niets.”

Geen Nieuwjaarsgroet van Özcan Akyol, wel zijn commentaar op de jaarwisseling: “Vuurwerkverbod. Hahaha.”

Ook van Robert Vuijse geen nieuwjaarswensen, maar die had een ander feestje te vieren: “Eindelijk getrouwd,” postte hij op 26 december op twitter met een foto van hem en zijn geliefde.

Alleen Jeroen Olyslaegers had, voor zover ons kleine onderzoek laat zien, een opmerking over de wat lastige kanten van onze huidige staat van leven: “Gelukkig Nieuwjaar, iedereen!” schreef Jeroen op 1-1 op Facebook: “De afstand heeft me dieper doen voelen gisterenavond. De Nimf en ik waren met ons 2 en het was eigenlijk romantisch. We hebben gegeten en geklonken in de keuken, hartkamer van dit huis. Ik heb mijn familieleden en vrienden voor de geest gehaald en ze fonkelden allemaal, gelijk juwelen die ge hebt bewaard en nogmaals goed bekijkt in het licht. Dat deed deugd. Héél veel liefde voor iedereen. En nu ga ik terug naar mijn winter van boeken en de Nimf. XxX”

Tot slot nog enkele mooie nieuwjaarswensen:

Désanne Van Brederode: “Ik wens iedereen een verbeeldingsvol, innig en vurig 2021!”

Splinter Chabot: "Sterretjes mochten wel toch? Iedereen een schitterend, glitterend, huppelend, spannend, spectaculair, liefdevol en (hopelijk uiteindelijk) knuffelend nieuwjaar!!!"

Roos Schlikker: "Goedemorgen! Ik ging geloof ik best lekker gisterenavond. Dansende vrouw. Ik wens jullie allen een heel fijn zalig 2021 met veel eigenaardige dansmoves!”

En de grappigste tweette Saskia Noort: “Zo jongens, ik ga in slokdown. Gelukkig Nieuwjaar!”

Samenvattend mogen we concluderen dat de meeste schrijvers in onze lage landen zich weinig zorgen lijken te maken over 2021, ze waren net als de gewone stervelingen gewoon feest aan het vieren.

We wensen iedereen een goed en gezond 2021! En laten we besluiten met de nieuwsjaar groet van veellezer Jurgen Timmermans (132 boeken in 2020!): "Twintig-eenentwintig dan maar. Mooier en fijner en beter en blijven lezen, hè."

--

Redactie Bazarow / De Leesclub van Alles

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 17

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 17


De dokter op bezoek. En een echtelijke ruzie. Maar niet heel echt, dit keer

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

Onze dokter, Westerbaan heette hij, was zeer geliefd. Hij kwam af en toe ook zomaar even langs. Om te kijken hoe het ging, zei hij dan. En dan dronk hij een kopje thee met onze moeder. De eerste de beste keer dat hij bij ons aan huis kwam was met de bevalling van Pim, bij Mirjam d’r geboorte was zijn voorganger erbij geweest, een kleurloze man, vakkundig, maar saai. Pim wilde er niet uit, hoe symbolisch! Z’n hoofd was te groot. De dokter heeft staan sjorren en trekken tot hij erbij neerviel. Letterlijk. Het duurde uren. En toen het joch er eenmaal uit was, is de dokter op de vloer gaan liggen om bij te komen.

En moeder gaf geen kik. Nu ja, bij wijze van spreken dan. Ze zal best wel gekermd hebben, maar Westerbaan liet nooit na zijn bewondering voor haar volharding te uiten. Hij èn zijn collega’s, dat verzekerde hij, hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Ze had natuurlijk in het ziekenhuis moeten bevallen, maar dat was achteraf gepraat. En al haar volgende kinderen werden trouwens ook thuis geboren.

De enige die het echt niet kon verdragen, was vader. Die is de krant gaan lezen.

‘Je bent toch niet weer zwanger, he, mevrouw Van Hargen?’ vroeg Westerbaan vaak. ‘Het is wel goed zo, met die zes kinderen van je. Ik kan je er bij helpen, he?’ Dan volgde een veelbetekenende knipoog.

‘Dat hoeft niet, dokter. Dank u.’ Moeder klaagde nooit en verzekerde de dokter dat alles in kannen en kruiken was. Soms, heel soms, brak ze en begon ze te jammeren, om plots en even onverwacht haastig op te staan en te zeggen dat haar huishouden wachtte. Hoofdschuddend verliet de dokter dan ons huis. Onder protest. En met de belofte dat hij morgen wel weer even aan zou komen. Maar daar had de beste man een veel te drukke praktijk voor. Zeker met onze vader erbij.

‘En Adri?’ vroeg hij vaak, ‘gedraagt die zich de laatste tijd nog een beetje?’

‘Het gaat,’ antwoordde moeder steevast en ietwat lijzig. ‘Het gaat.’

Hij had altijd goede raad, die dokter met z’n kalende kop. Hij vroeg ons één voor één of er nog wat was, want, wist hij, er is altijd wel wat, maar bijna alles ging vanzelf wel weer over, dat verzekerde hij ons – waarschijnlijk had moeder die woorden en dat geruststellende toontje van hem overgenomen, omdat het zo goed hielp. Wij, de kinderen, waren altijd rustiger als de dokter langs was geweest, dat viel moeder wel vaker op. Later dacht ik soms wel eens dat zij verliefd op hem was, maar daar heb ik nooit een bewijs van gezien, toch zou het helemaal niet zo gek zijn. Die dokter was in bijna alles de antipode van onze vader. Rustig, kalm, vriendelijk, en in anderen geïnteresseerd. Hij woonde in een grote villa aan de Prinses Marielaan. Als je daar kwam was je meteen onder de indruk. Die man moest wel razend knap zijn! Zelfs mijn vader vond hem sympathiek. Nu had vader toch wel ontzag voor artsen, omdat ze zo geleerd waren en, belangrijker, een eind met hem meedachten en luisterden. Maar als vader thuis was bleef dokter Westerbaan nooit lang. Zoals niemand langdurig met m’n vader wilde verkeren, ook wij niet, maar wij hadden nu eenmaal de pech dat we met hem in huis woonden, zijn kinderen waren. Een voorbeeldige huisarts was het, onze dokter Westerbaan. Toch is het niet goed afgelopen met hem. Nog geen vijftig jaar oud kreeg hij kanker en moest er een been afgezet worden. Hij verhuisde naar Canada en verloor daar aan dezelfde ziekte ook zijn andere been. Nee, niet alles ging vanzelf weer over. Onze moeder wilde het er niet over hebben. Het deed haar zichtbaar verdriet.

 Mirjam babbelde wat met tante Tonnie – het ging volledig langs me heen.

Ik heb een shock gehad, kon ik alleen maar denken. Maar dat was geweldig, iets unieks. Ik voelde me altijd al speciaal, specialer dan de anderen, maar dit was een bevestiging, dit namen ze me niet meer af. Nu had ik een keer de touwtjes in handen! Als iedereen een vorm van toneel speelde, nou, dan waren ze nog niet klaar met me. Ik speelde geen toneel, ik was echt, honderd procent echt. Ik zou ze de stuipen op het lijf jagen. En ik maakte er een verhaal bij. Ik zou ze allemaal wel eens vertellen hoe het werkelijk in elkaar stak. Mij konden ze niet langer voor de gek houden!

‘Kom je weer mee naar huis?’ vroeg m’n zus. ‘Mamma is weer oké en rustig. Er is nu niks meer aan de hand.’

‘Nee, ik blijf nog even hier.’ Ik was ergens bang dat mamma boos zou zijn dat ik een heisa gemaakt had.

‘Dat is goed, hoor,’ zei tante Tonnie.

Pas een uur, twee cola en nog een bakje chips later, toen hun vader ome Jan thuiskwam, ging ik ervandoor. Ome Jan wankelde een beetje, keek glazig uit z’n ogen en brabbelde onverstaanbare woorden. Dat vond ik een beetje eng, ook al was hij de vriendelijkheid zelve. Hij had ook meteen weer een mop paraat. Over een Fransman, een Belg en een Duitser, die mochten zeggen waar ze een zwembad mee wilden vullen. Met champagne! riep de Fransman en nam een duik in de bubbels. Met bier, zei de Belg en dook in het schuimende vocht. Dat wilde de Duitser daarna ook wel, maar hij gleed uit op de rand van het zwembad en riep: Scheisse!...

Ome Jan moest er zelf langdurig om grinniken en z’n ogen werden er helemaal vochtig van. Die grappen deed hij in de kroeg op.

Mamma was niet boos, integendeel zelfs. Ze omhelsde me en gaf me een dikke zoen. ‘Ik liet me even gaan,’ sprak ze, ‘maar het ging vanzelf weer over. Heb ik je zo laten schrikken? Je hoeft niet bang te zijn. Waarom zou je bang zijn? Ik ben er toch, gekkie?’

‘Ik heb lekker cola en chips op,’ zei ik.

‘Dat dacht ik wel,’ klonk het zo neutraal mogelijk.

Toch eindigde die dag nog in mineur. Vader kwam thuis toen wij al op bed lagen en dat zinde moeder niet. ‘Op tweede kerstdag, ben je helemaal?! We hebben een gezin hoor, en die jongens hebben een vader nodig… Je gaat altijd maar de hort op. Lekker makkelijk!’

‘Ach wat, ik ben altijd aan het werk!’

‘Op tweede kerstdag?’

‘Nee, vandaag niet. Mag ik ook eens een keertje?’

‘En ik dan? Ik zit altijd met die jongens. Hoe denk je dat dat voor mij is?’

‘Je geeft meer om de jongens dan om mij. Altijd de jongens…’

‘Vind je het gek?’

‘Dus het is zo! Je ontkent het niet eens!’

‘Ach man, met jou valt niet te praten…’

‘Daarom vind je het ook fijner als ik weg ben. Ja, geef het maar toe!...’

Ik wilde het niet horen, maar hun twee stemmen botsten in mijn hoofd en dat deed pijn. Ik was meteen klaarwakker en sloop de gang op. Boven aan de trap ging ik met opgetrokken knieën en eigenlijk tegen mijn zin zitten luisteren. Raar vond ik dat ergens, dat ik het dan toch deed, maar ik moest weten wat er speelde, anders zou ik de situatie ook nooit kunnen bezweren, want daar was ik op uit, al wist ik absoluut niet hoe: bidden hielp niet erg. Hoe vaak had ik God ’s avonds in m’n bed al niet gevraagd dit in Zijn naam te laten ophouden? We gingen toch naar de kerk en zo? Ik bad toch ijverig? Waarom greep Hij dan niet in?

Even later voegde Frans zich bij me. Hij keek droevig en bezorgd uit zijn ogen en had zijn onderlip over zijn bovenlip gedaan – dat was een van zijn zenuwtrekjes.

‘Ik ben bij Niek geweest,’ zei vader doodleuk. Ome Niek, die in Den Haag woonde, was getrouwd met zijn zus Connie, maar die door iedereen altijd Zus werd genoemd. Ome Niek was een echte Hagenees, joviaal, getapt, maar tante Zus, dat was een geval apart – zoals al zijn zussen een geval apart waren. Tante Zus had een mager bekkie met te grote grijze tanden en kneep je helemaal fijn als ze je te pakken kreeg om je een dikke smakkerd te geven. Dus haar ging je wel uit de weg. Als een echte Haagse tante was ze steevast omgeven door een wolk parfum – en niet de slechtste, want ze had zo haar verlangens – en stak zichzelf in nette maar ietwat ordinaire kleren. Zo droeg ze altijd gouden bedeltjes, waardoor haar bewegingen, net als bij een kat met een belletje, steeds gepaard gingen met gerinkel. Die had ze van ome Niek gekregen, vast als grap: kijk uit, daar komt ze aan! O, hij gaf haar alles wat ze wilde – en dat was nogal wat. Hij vond dat een man dat moest doen. Zijn vrouw, wat een verschrikkelijk loeder het verder ook kon wezen, mocht niks tekortkomen. En zij liet daar geen gras over groeien.

‘Wat heb je er al die tijd gedaan dan?’ wilde moeder weten.

‘Nou, zitten ouwehoeren. Wist je dat ze weer een nieuwe keuken hebben? Die zus van mij weet wel wat ze wil. Ook al heeft ze een hekel aan koken. ’t Is niet te geloven… Niek heeft gister ook weer in de keuken gestaan. Ze voelde zich niet goed. Of misschien voelde ze zich daar wel te goed voor, die zus van me. Je kent d’r. Nou ja. Niek had een haas geregeld bij een vriend van hem. Nou, dan weet je het wel...’ Voor mijn geestesoog zag ik mijn vader knipogen. ‘…Ja, gebraden en al. En ik moet zeggen: het was mals vlees. Veel lekkerder dan konijn eigenlijk.’

‘Maar ook veel duurder,’ zei moeder. ‘En jij wil zelf altijd konijn. Zit ik me daar met dat konijn…’

Gestommel. Wat gebeurde er? Wat deed moeder of was het vader?

‘O, die eet ik morgen wel op.’

‘Je moet niet zoveel eten, je wordt veel te dik.’

‘Nou en dan nog? Gun me mijn pleziertje. Kom op, zeg. Jij ook altijd.’

‘Moet jij nodig zeggen.’

‘Wat dan? Wat?!’

Nee, daar gingen ze… Ik huiverde, Frans kneep in zijn handen.

Stilte. Een lange, spannende stilte.

‘We hebben plaatjes gedraaid. Jaap heeft een prachtige pick-up.’

Moeder zei iets. Onverstaanbaar.

‘Bach natuurlijk. Ja, en dat plaatje wat die jongens hebben. Hoe heet het? Shiter wait pil of zoiets. Dat is gewoon Bach! Die langharigen hebben dat gewoon gejat. Kijk, die Beatles, dat is misschien nog wel aardig. Liefdesliedjes. She loves you… Nou, m’n reet! Dat gaat allemaal over. Maar daar zijn ze jong voor.’

Gemompel van moeder.

‘En Jaap heeft heerlijke sigaren. Van die dikke. Ik heb er drie op. Zalig. Maar daar heb ik het geld niet voor.’

‘Ik ruik het. Je stinkt een uur in de wind. Ga maar douchen.’

‘Nu? Ik ga nu niet meer douchen. Wat een flauwekul. Vroeger douchten we nooit. Daar hadden we niet eens van gehoord.’

Stilte.

‘Dus je hoeft met de kerst geen konijn meer?’

‘Ach, jij met je konijn!’

‘Ik? Jij! Dat moet altijd van jou! Nee, nou wordt ie mooi.’

‘Verdomme, is dat nou zoveel gevraagd?! Zo’n mager konijn. Sjonge-jonge…’

‘O, dan koop ik wel haas. Maar dan moet jij niet meer zeuren over de rekening van de slager.’

‘Hou maar op, ’t is al duur genoeg deze maand.’

‘Precies.’

‘Ik ga de krant lezen. Laat je me?’

‘Je zoekt het maar uit. Ik ga naar bed. De kinderen hebben vakantie.’

‘Zij wel.’

‘Ach man.’

Frans en ik haalde opgelucht adem. De echte storm bleef uit dit keer. ‘Het valt mee,’ fluisterde Frans. Ik knikte. We stonden vlug op en slopen zachtjes naar onze kamer.

 

De volgende aflevering:

Oudejaarsdag: de vlam in de pan

 

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 16 van Zes broers en een zus

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 16

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 16


Cor beleeft de schrik van zijn leven en bedenkt zijn eerste verzinsel

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow

Maar op dat moment stond ik heel anders in die naargeestige schuur. De zenuwen gierden door m’n keel en ik trilde over mijn hele lijf. Ik durfde eigenlijk niet bij de Beinmannetjes naar binnen te gaan. Ik boog voorover en pakte mijn hoofd tussen mijn handen. Ik moest verder, anders werd ik gek.

Een paar tellen later vloog ik bij de Beinmannetjes naar binnen. ‘Mamma is gek geworden!’ riep ik, ‘ze wil Pim steken met een mes!... Ze wil hem vermoorden!’

‘Wat zeg je me nu?’ vroeg tante Tonnie een beetje lodderig. Ze zat als zo vaak aan tafel een puzzel te maken. Onder de tafel, tegen een poot, stond de fles zoete Duitse wijn. Zij hadden al gegeten, het rook er naar friet en ik had de lege, verfrommelde zakjes in de keuken zien liggen. Patat eten op tweede kerstdag, uit een zakje van de frietkraam nog wel, dat was – bij ons thuis – onbestaanbaar! En de Beinmannetjes waren ook heus niet naar de kerk geweest, daar sprak vader wel vaker schande van. ‘Maar wel Liebfraumilch drinken!’ riep hij dan. Als ome Jan Beinman dat bij uitzondering eens hoorde, riep hij over de heg terug: ‘Dat komt omdat wij wijwater zo flauw vinden!’ Nou, dan hield m’n vader zich wel weer even koest. Want ome Jan was ook niet op z’n mondje gevallen.

Ome Jan was er niet, Reinier, Tanja en Truus zaten voor de televisie, want het mocht verder een wat armetierige bedoening zijn, dat huis van hen, ze hadden wel een mooie televisie.

‘Ik ga er wel even heen...’ zei tante Tonnie, terwijl ze me bij de schouders greep. Ik rook haar adem, die op een vreemde manier zoetig rook. ‘...Maak je maar niet ongerust…’ En ze verdween, die kleine vrouw, op d’r sloffen, die versleten waren en een paars, piekerig bontrandje hadden op de wreef. Ze was er zelf duidelijk niet gerust op en dat stemde me tevreden.

‘Kom maar zitten, Cor,’ zei Tanja en ze wees naar een vrije leunstoel. Ze kwam op me af en aaide me over mijn hoofd. Ik kon er niks aan doen, maar opeens moest ik heel erg huilen. Ik schaamde me ervoor, heel erg zelfs, maar kon er niks aan doen. Tanja zei tegen Truusje dat ze iets te drinken voor me moest pakken.

Ik kreeg een glas cola, goedkope, maar toch: thuis kregen we dat bijna nooit. Het deed me goed, al bleef ik erg rillerig. Ik dronk het glas in een paar teugen leeg.

‘Wat is er dan precies gebeurd?’ vroeg Tanja.

‘Ik weet het niet precies. Mamma werd opeens heel erg boos.’ Ik moest een boer laten en probeerde dat te onderdrukken.

‘Ach joh, dat gebeurt altijd wel eens.’

‘Ja, tuurlijk, mamma is wel eens vaker boos, vooral op Pim, maar nu was het wel heel erg.’

‘Dat is de spanning,’ zei Tanja.

Ik begreep niet zo goed wat ze daar nou mee bedoelde, maar het klonk wel geruststellend. Het hield iets in dat wel weer over zou gaan, maakte ik er uit op. En dat klopte met wat mamma vaak zei, als je pijn had of verdriet: ‘Ach joh, dat gaat vanzelf wel weer over.’ Vooral dat ‘vanzelf’ was geruststellend. Maar wat nou als het nu eens een keer niet vanzelf over ging? O, jeetje, nee! Ik voelde meteen een nieuwe vloed van tranen opwellen.

‘Is je vader niet thuis?’ wilde ze toen weten. Ze nam mijn gezicht in haar handen en wiste heel lief mijn tranen weg.

‘Nee.’

‘Die gekke vader ook van je…’

Maar dit had niks te maken met mijn vader! Ze begreep het niet! Dit was mijn grote broer Pim. En dadelijk liep mijn moeder weg. Voorgoed dit keer. En niet alleen maar demonstratief tot in de schuur,  om even later met betraande ogen terug te keren en ons te omhelzen.

‘Wil je chippies?’ vroeg Truus.

Ja, dat wilde ik wel.

Ik keek naar de vloer met het vlekkerige kleed en allerlei klein vuil: haren en draadjes, propjes en stukjes van dorre blaadjes. Tante Tonnie hield niet zo van stofzuigen en schoonmaken maar, zei moeder wel eens, ook dat maakte haar er niet minder aardig om.

Op dat moment liet Reinier een keiharde scheet.

‘Reinier! Nu even niet…’ riep Tanja boos.

Maar ik kon er wel om grinniken en weinig later zaten we alle vier te grinniken. Kort, want ik verviel algauw weer in mijn zenuwachtige verdriet en de rillingen kwamen ook meteen weer terug. Truusje gaf me een bakje met chips.

‘Zullen we ergens anders naar kijken?’ stelde Tanja voor, ‘want dit is saai.’ En ze stond op om een knop op de tv in te drukken. Op het andere net was er muziek.

We zagen twee mannen op een barkruk met allebei een gitaar in hun handen. Op de een of andere manier zagen ze er wat armoeiig uit. Ze zongen, in het Engels, een even meeslepend als treurig liedje, over iets wat hun kennelijk heel erg bezighield. De ene met het baardje zong het hele lied, de ander zong alleen het refrein mee. Die met dat baardje haalde steeds langer uit en klonk ook steeds wanhopiger. Ik keek er meteen gebiologeerd naar. Ik verstond er natuurlijk geen woord van maar begreep het helemaal. Het maakte me rustiger.

‘Dit zijn twee zwervers,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Dit zijn twee zwervers,’ herhaalde ik. ‘Ze zijn de hele wereld over geweest. Op zoek naar hun vader en moeder…’

‘Wat? Wat zeggie nou?...’ Tanja. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik weet het,’ antwoordde ik volkomen zelf overtuigd. ‘Ze hebben ze nooit gevonden. Ze moesten naar een tehuis en vonden daar op zolder die gitaren. En toen hebben ze dat lied gemaakt en nou zijn ze beroemd.’

Tanja, Reinier en Truus keken me alle drie verbaasd aan. Misschien wilde ze me wel uitlachen, maar dat konden ze niet, hun verwarring was te groot. De Beinmannetjes konden iets minder goed meekomen op school. Als we het daar bij ons thuis wel eens over hadden, zei mamma er altijd bij dat ze wel heel aardig waren en dat dat veel belangrijker was. Al leek ze dat zelf toch niet helemaal te geloven.

‘Is dat echt waar?’ vroeg Truus.

‘Zo waar als ik hier zit,’ antwoordde ik zonder een spoortje twijfel.

‘Maar jij kan toch geen Engels?’ merkte Tanja oprecht verbaasd op.

‘Maar mijn broer Pim wel en die heeft het me verteld.’ Pim kende misschien drie woorden Engels maar ik geloofde mijn verzinsel zelf, al was het maar omdat het me een goed gevoel gaf. Ik had medelijden met die twee mannen op hun barkruk, ze hadden het nog veel slechter getroffen dan ik. En wat me een nog beter gevoel gaf, was dat die drie Beinmannetjes me het voordeel van de twijfel gaven.

‘Maar dat is toch hartstikke zielig!’ vond Truus.

‘Ja, dat is ook zo. O, en het is nog veel erger. Erger dan ik je zeggen kan…’

‘Nu maak je me een beetje bang,’ zei die lieve Truusje. Ze keek een beetje beteuterd uit haar ogen.

‘Ze zijn in dat tehuis, wat een soort school is, een paar keer in elkaar geslagen. Ik weet niet precies door wie, door andere jongens of door de meesters, ja, sorry, dat weet ik niet precies. En toen zijn ze ’s ochtends ontsnapt, in hun pyjama, in de regen. De politie heeft ze toen wat kleren gegeven…’

‘Dat doet de politie niet,’ zei Reinier.

‘O, zeker wel. Als het zo erg is, dan helpen ze je heus wel. Nou, en toen zijn ze weer gaan zwerven en hadden ze hele erge honger. Ze dronken water uit de plassen op straat, want anders zouden ze doodgaan van de dorst.’

‘Echt?’ gilden Tanja en Truus.

‘Echt.’

‘Maar ze zien er niet echt uit als zwervers,’ vond Reinier nu weer.

‘Ja, logisch. Dat komt omdat ze veel geld krijgen voor dit liedje. Ze zingen het overal, in Parijs en Londen, en dan krijgen ze geld. Daarom zijn ze nu ook op televisie.’

‘Ja,’ zei Reinier nu, ‘Cor zou best eens gelijk kunnen hebben.’

‘Ik weet het gewoon zeker,’ zei ik, elke twijfel van hen in de kiem smorend opdat ik mezelf overeind kon blijven houden. Dit was een waar verhaal, een waar verhaal, omdat het zo goed was. Het klopte. Daar was ik helemaal zeker van. Ik kon het gewoon niet mis hebben. En als zij me nu maar zouden geloven, dan zat ik goed. Er rees een soort trots in me op, als een zon die alles in een nieuw daglicht zette. Er was nog hoop. Je moest er alleen een beetje fantasie voor hebben. Ik had hen geïmponeerd en dat deed me goed.

‘Engels is best een moeilijke taal,’ merkte Tanja nog op.

‘Daarom juist,’ antwoordde ik. Nee, ik gaf geen duimbreed toe.

Het liedje was afgelopen en er kwam een ander liedje voorbij, maar dat maakte helemaal geen indruk op mij. Ik staarde naar de tv maar zag eigenlijk niks.

Toen kwam Mirjam binnen, m’n zus, met in haar kielzog tante Tonnie.

‘Cor!’ riep m’n zus. ‘Hoe gaat het?...’ Ze nam me bezorgd en verbaasd op.

‘Goed wel. Goed weer.’ Ik voelde nog de spanning in m’n gezicht, rond mijn ogen. Maar met m’n gedachten was ik ergens anders.

‘Je hebt een shock gehad,’ verklaarde m’n grote zus. ‘Maar alles is in orde.’

‘Ja hoor,’ zei tante Tonnie. ‘Blijf nog maar even zitten, maar alles is in orde.’ Ze schonk zichzelf een glaasje zoete wijn in, tot de rand toe.

Een shock. Zo, dat klonk interessant. Ik had nog nooit van dat woord gehoord, maar het sprak me wel aan. Het was tenminste iets groots, want ze spraken dat woord me een zeker ontzag uit.

‘Je bent ook zo gevoelig,’ vulde Mirjam aan. Het klonk, gelukkig, niet als een verwijt. ‘Hij heeft de laatste tijd ook weer veel nachtmerries. Of nee, dan denkt ie dat er spoken zijn in de gang, boven in het trappenhuis.’

Dat was waar. Soms durfde ik niet naar boven omdat ik dacht dat ze daar op me lagen te wachten, die spoken, een soort witte wolkachtige creaturen die hun lange armen als flarden konden uitstrekken, als kwamen ze uit vlammenwerpers te voorschijn. En het leek wel of ze het speciaal op mij hadden gemunt. Soms kon ik ze ook horen, maar ik was de enige. Gelukkig mocht ik van moeder een lampje laten branden boven mijn bed. Ik wiegde mezelf in slaap door met mijn hoofd in rap tempo heen en weer te gaan op het kussen. Ik had mezelf wijsgemaakt dat de spoken daar niet tegen konden. ‘Onze nee-schudder,’ grapte vader wel eens. De dokter had gezegd dat het geen kwaad kon, dat hoofdschudden.

De volgende aflevering:

De dokter op bezoek en ruziënde ouders

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 15 van Zes broers en een zus

Mogen bekende Nederlanders kinderboeken schrijven?

Mogen bekende Nederlanders kinderboeken schrijven?


Alleen die het kunnen, leert een recente discussie in de Volkskrant en op internet. En uitgevers én de media deugen niet.

Vorig week schreef de Volkskrant journalist Julien Althuisius in zijn krant een opiniestuk waarin hij zich keert tegen het schrijven van kinderboeken door BN’ers. Hij zag het programma Margriet waar in Patty Brard aan een miljoen Nederlanders vertelde dat ze op Ibiza was en haar honden met een kat zag spelen. En toen was er een kinderboek bij. Althuisius moet er niets van hebben:

“Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar als deze boeken nooit waren geschreven, was geen kind er rouwig om geweest. Inmiddels zijn er bijna meer BN’ers met een kinderboek dan zonder. En elke keer als zo’n bekende Nederlander met een kinderboek komt, springen media er weer gretig bovenop. Wat las je als kind? Wat heb je meegemaakt dat je in dit boek verwerkt hebt? Wat is de les die je wil meegeven? En elke keer zeggen de BN’ers weer dat ze het zo leuk vinden en dat ze er zo veel tijd en zo veel moeite in hebben zitten, etcetera, etcetera. En dat zal allemaal best, maar steek je liefde, tijd en moeite liever in iets anders.”

Hij noemde ook de succesvolle Jochem Myjer met zijn Gorgels en wijlen Martine Bijl.

In de ingezonden brievenrubriek reageerde enkele dagen later kinderboeken redacteur bij uitgeverij Leopold Ria Turkenburg: “Kunt u voordat u BN’ers van broodroof beticht hun boeken lezen? Neem Jochem Myjer, geliefd theatermaker die zijn eigen shows schrijft. Bekend van De Gorgels, waarvan beide boeken zijn bekroond door de Nederlandse Kinderjury. Boeken die in vele gezinnen met veel plezier worden (voor)gelezen. Boeken die vertaald zijn in meerdere landen waar men nog nooit van hem heeft gehoord en van waaruit ontroerende lezersbrieven komen. Of Martine Bijl, die een van onze geestigste tv-makers was, talig, een verteller.”

Op internet ging de discussie verder. De gevierde kinderboekenschrijver Marco Kunst, maar geen BN’er, reageerde op Facebook op Turkenburg:

“Het is vast waar dat er ook wel een paar boeken van bn’ers zijn die niet zo slecht zijn, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de algemene cynisch-commerciële insteek waarmee sommige uitgevers alles uitgeven als er maar een bekende naam op gezet kan worden. Heel wat van die boekjes stellen niets voor, maar het is zoooo makkelijk om ze te verkopen... […]

Twee voorbeelden van BN’ers die hun boeken zeker niet even uit de mouw hebben geschud, maar daar serieus aan gewerkt hebben. En zo zijn er vast meer namen in Julien Althuisius’ rijtje die deze column niet verdienen. Ja, ze hebben het voordeel van hun bekendheid (ook met hard werken verdiend). Maar een boek wordt alleen geliefd als het mensen echt raakt. En dan mag een boek er zijn.”

Voor Thille Dop, kinderboekenredacteur bij Luitingh-Sijthoff heeft het fenomeen vooral te maken met de werking van de media. “Ik schreef dit al eerder en het gaat volgens mij om iets anders. En dat zijn de kwaliteit en de media. En Jochem Myjer is een voorbeeld van een BN’er die kan schrijven. Iedereen mag natuurlijk schrijven wat hij/zij wil, maar uitgevers denken dat ze een commercieel succes binnenhalen in plaats van naar de kwaliteit te kijken en het is vooral de media die aandacht geeft aan deze BN’ers en dat is zo jammer omdat er verder zo weinig aandacht in de media is voor goede, vrolijke, spannende, humoristische maar goed geschreven kinder- en jeugdboeken. Wanneer besteedt een goed tv-programma hier nu eens aandacht aan? Iedereen is erbij gebaat als kinderen (weer) goed kunnen lezen en daar plezier aan beleven.”

Met deze laatste aanbeveling kunnen we het alleen maar eens zijn. Gelukkig worden kinderboeken in diverse media nog steeds kinderboeken besproken, al neemt het wel af. Met name Trouw heeft een goede kinderboekenrubriek. Ook op De Leesclub van Alles / Bazarow verschijnen elke week ca. zes recensies van kinderboeken. Daar gaat gelukkig alleen om kwaliteit, niet of de auteur BN-er is of niet. En dat geldt ook bij het toekennen van prijzen natuurlijk. We kunnen concluderen: alleen BN-ers die kunnen schrijven mogen dat ook doen. Maar wie vertelt het al die anderen?

--

Door: Roeland Dobbelaer

 

Goed schrijven betekent ook goed kunnen schrappen De tips van tijdschrift Schrijven.

Goed schrijven betekent ook goed kunnen schrappen De tips van tijdschrift Schrijven.


Schrijven is een magazine en een website voor iedereen die interesse heeft in het schrijversvak. Naast het magazine dat zes keer per jaar uitkomt staan er ook tips en blogs op de website. Zo ging een van de laatste artikelen over een bekend fenomeen in de schrijverswereld: schrappen. Schrijven zette de drie beste tips op een rij om goed en kundig te kunnen schrappen zonder te veel weg te halen. 

1. Kijk naar je beschrijvingen.

Een van de makkelijkste manieren om een bladzijde te vullen is door te omschrijven. Veelvoudig of in detail, in beide gevallen kan het zomaar meerdere regels aan tekst opvullen. Je kan ook te veel omschrijven […] Als veel uitgebreide omschrijvingen hebt, schrap je zo makkelijk duizenden woorden op je volledige manuscript!

 

2. Deel niet alles wat je weet

Als je personages gaat ontwikkelen, leer je ze kennen als je beste vrienden. Daardoor kom je bijvoorbeeld te weten wat kun lievelingskostje is. In je enthousiasme wil je dat ook graag met je lezer delen. Maar soms zijn dit soort leuke feitjes eerder onnodige opvulling van papier.

3. Maak een dialoog wat minder waarheidsgetrouw

Personages praten niet zoals echte mensen dat doen. Let er voor de grap eens op hoe vaak iemand in een gesprek stopwoordjes en tussenwerpsels als ‘uhm’, ‘uhh’ of ‘nou’ in een zin zegt, ook als diegene niet aarzelt of verlegen is. In een boek geven deze woordjes al zo’n soort betekenis aan. Houd dit in gedachten en neem je dialogen nog eens goed onder de loep. 

 

Deze drie tips sluiten mooi aan bij een van de goede voornemens die het magazine voorstelt voor het nieuwe jaar. “Ga eens een paar dagen offline en schrijf.” Door volledig offline of weg te gaan voor een paar dagen kun je je volledig focussen op je schrijfwerk. 

 

--

Door Renske Bakkenes

De thriller Daglicht verfilmd tot amerikaanse televisieserie

De thriller Daglicht verfilmd tot amerikaanse televisieserie


Daglicht, de thriller van Marion Pauw krijgt een amerikaanse televisie verfilming. Studio Fox Entertainment werkt momenteel aan een televisieserie gebaseerd op het boek van Pauw. Scenarist Denise Hahn, bekend van hits als Grey's Anatomy en CSI: Cyber, wordt uitvoerend producent, meldt Deadline, een nieuwsblad voor Hollywood nieuws. Ze verwerkt haar Koreaans-Amerikaanse achtergrond in het verhaal. De hoofdpersoon Iris krijgt dezelfde achtergrond als Hahn. 

 

Dit is niet de eerste keer dat Daglicht verfilmd wordt. In 2013 kwam er al een Nederlandstalige speelfilm uit. Met in de hoofdrol Angela Schijf, bekend van Flikken Maastricht. 250.000 mensen bezochten destijds de film. 

 

"Ik ben ontzettend blij en trots. De kans dat een Nederlands boek in Amerika tot serie bewerkt wordt, en dan ook nog door een partij als Fox, is ontzettend klein," aldus Pauw. Ze zal tevens als executive producer meewerken aan de televisieserie. 

 

Het is nog niet duidelijk wanneer de serie zal verschijnen. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Top 20 beste verkochte boeken 2020 op Bazarow.com. Rutger Bregman op nr. 1

Top 20 beste verkochte boeken 2020 op Bazarow.com. Rutger Bregman op nr. 1


Het einde van het jaar nadert, dus maar eens kijken welke boeken er het beste verkochten op Bazarow.com dit jaar. Verrassend is het niet, maar Bazarow.com klanten blijken serieuze lezers te zijn. In de top 20 vooral veel non-fictie. Geen Lucinda Riley in de top tien, zelfs geen thrillers in de top 20. Vooral veel non-fictie dus: sociologie, geschiedenis, management en filosofie. Op 4 pas de eerste roman, en op 8 de tweede. Respectievelijk De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld en Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Een kinderboek en wel op nr. 7, het overal positief besproken De jongen, de mol, de vos en het paard. Ook boeken over racisme of liever tegen racisme zijn populair op Bazarow. Met de Black Lives Matters beweging dit jaar bij een kritisch lezerspubliek niet verwonderlijk.

De laatste maand was Revolusi van David Van Reybrouck het meest populaire boek op Bazarow, alleen dat boek is pas net uit. Zo te zien zal dat wel een kanshebber worden om in 2021 op nr. 1 te eindigen. 

Top 20 best verkochte boeken op Bazarow.com: 

  1. De meeste mensen deugen - Rutger Bregman
  2. Hallo witte mensen - Anousha Nzume
  3. Ogenblik & eeuwigheid - Joke J. Hermsen
  4. De avond is ongemak - Marieke Lucas Rijneveld
  5. Witte onschuld - Gloria Wekker
  6. 't Hooge Nest - Roxane van Iperen
  7. De jongen, de mol, de vos en het paard - Charlie Mackesy
  8. Uit het leven van een hond - Sander Kollaard 
  9. De lege hemel - Marjan Slob
  10. Help de energie transitie - Marco Bijkerk
  11. Het zoutpad - Raynor Winn
  12. Schaduw - Lucinda Riley
  13. De pest - Albert Camus
  14. Max, Mischa & het Tet-offensief - Johan Harstad
  15. Vietnam - Max Hastings
  16. Atomic Habits - James Clear
  17. Mijn lieve gunsteling - Marieke Lucas Rijneveld
  18. Vier vragen die je leven veranderen - Byron Katie
  19. De Tao van leiderschap - John Heider
  20. De zeven zussen - Lucinda Riley
Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 15

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 15


Moeder dreigt met een mes & lekker doktertje spelen met de buurmeisjes. ‘Smells like teen ass!’

De tweede kerstdag moesten we weer naar de kerk, al ging vader zelf niet mee. In de kerk zag ik Susanne met haar ouders, dat was voor het eerst. Ik zwaaide voorzichtig. Ze zwaaiden niet terug. Zagen ze me niet? Dat kòn toch niet. Nou ja, het was wel heel druk.

Na onze thuiskomst was vader opeens weg. Niemand wist waar hij heen was, hij had ook niks aangekondigd. Dat gebeurde wel vaker. ‘Geniet er maar van,’ zei mamma met toch iets zorgelijks in haar stem. En dat deden we. De ton met Lego werd over de grote tafel leeg gekieperd, we maakten tekeningen en ruimden daarna alles op om een tafeltennistoernooi te houden. Allemaal dingen die vader hinderlijk vond. Vooral ook omdat we onderling overal ruzie over maakten. Mirjam ging daarom vaak naar een vriendin toe. Maar ja, dat had je, vond moeder, met zoveel jongens in huis. Af en toe zag ze zich gedwongen tussenbeide te komen of zelfs een flinke tik uit te delen.

Toch ging het ook die dag mis vlak voor het eten. Pim haalde dezelfde grap uit, ik vond het wel stoer, hij maakte weer een kruis met z’n mes en vork en toen ging moeder onverwacht helemaal over de rooie. ‘Hou daarmee op!’ riep ze ‘Je haalt het bloed onder m’n nagels vandaan, verdomme! Straks krijg ik het weer aan de stok met je vader en moet je dan eens zien. Maar jij, jij hebt ook overal schijt aan, hè?... Ik zal je… Wat? Ik rijg je aan het mes!’ riep ze en hield inderdaad haar tafelmes omhoog. ‘Kom hier… Ik zal je krijgen!’ riep ze en haar ogen schoten vuur.

We schrokken ons lam.

Pim deinsde achteruit en Mirjam riep moeder tot de orde, maar zij bleef als een waanzinnige voor zich uit staren. Naar haar doel. Naar Pim, de oudste en meest ongehoorzame zoon. In een totale concentratie, zoals je een kat wel eens ziet loeren. Het was heel eng.

Opeens sprong ik op en gilde: ‘Mamma is gek geworden! Mamma is gek geworden!’

Ik ontvluchtte het huis, rende door de schuur en liep het laantje in. Waar moest ik heen? Naar ome Jan en tante Bets? Maar daar was ik die ochtend nog geweest met Geerie. We hadden onze snoepjes al gehad. Ze zagen me al aankomen: zo, ben je daar nu al weer?... Nee, dat zou mamma ook niet goed vinden. Dan zou ze nog bozer worden en misschien nog wel gekker gaan doen! Bovendien, ’t was veel te ver weg, het hele laantje uit. Dat duurde minuten. Kostbare minuten. Levensgevaarlijke minuten.

Zonder er verder echt bij na te denken schoot ik de schuur van de buren in, één deur verder. Misschien kon tante Tonnie, de buurvrouw, mamma weer tot de rede brengen, flitste het door me heen. Want zij spraken elkaar nog wel eens over opvoeding en zo, over de heg heen, als echte buurvrouwen. Tante Tonnie had met ome Jan tenslotte ook een groot gezin. Dat was nogal vreemd. Wij hadden als oudste een zus en verder vijf broers, en zij hadden als oudste een zoon en verder vijf meiden. Wij wisten niet beter, maar iedereen begon daar altijd over. Dat twee van die grote gezinnen pal naast elkaar woonden en zo’n opvallende samenstelling hadden, precies gespiegeld! Iemand, een volwassene, een oudere man, ik was vergeten wie precies, had mij wel eens gevraagd of onze ouders de kinderen soms uitwisselden, om de meisjes bij de meisjes en de jongens bij de jongens te houden. Die figuur moest erg lachen om zijn eigen opmerking, maar ik was er een tijdje door van slag. Stel je voor dat het waar was?! Ja, zou dàt soms het grote geheim zijn, de reden van alle onbegrijpelijkheid? Van dat rare rollenspel. De enige echte, dat was ik. Daar was ik zeker van. Nu ja, bijna zeker. Want zelfs ik voelde me soms gedwongen me anders voor te doen. Als ik aardig wilde zijn bijvoorbeeld. Heel verwarrend was dat, als ik erover nadacht. Een beetje griezelig ook.

Waaròm moest die oudere man trouwens zo lachen om z’n vraag? Wist hij meer dan ik wist? Kijk, daar had je het weer! Want zo ging het toch altijd bij volwassenen? Het maakte me bang.

Het was m’n zus Mirjam, die me erover geruststelde. Het was echt niet zo, zei ze, het was gewoon toeval. En nee, de volwassenen bewaarden geen geheim over het leven. Wat dacht ik wel niet? ‘Je hebt te veel fantasie,’ zei ze. ‘Er is helemaal geen geheim.’ Maar ja, wat nou als zij ook in het complot zat? Als iedereen erin zat, zelfs Geerie. Iedereen. Behalve ik. Hoe kon je daar ooit achter komen? Want met Geerie had ik het er ook wel eens over gehad, maar die vond het flauwekul, die begreep niet eens waarover ik het had. Ja, eenzaam, dat voelde hij zich ook wel, buitengesloten ook zelfs. ‘Maar dat ligt aan mij, omdat ik anders ben. De jongste, minder.’ Hij wreef erbij over z’n neus en stond een beetje te schokschouderen. ‘De rest,’ zei hij, ‘verzin je.’ Het klonk als een verwijt. Er school ook agressie in zijn toon. Hij wilde er verder duidelijk geen woord meer aan vuil maken. Wat betekende dat ik hem er bij gelegenheid heel goed mee zou kunnen plagen. Zo leerde ik zijn zwakke plekken kennen. En dat waren er nogal wat.

 De Beinmannetjes, zo heetten de buren, terwijl het toch vooral vrouwspersonen waren. Maar het was nu eenmaal zo dat de vader Jan Beinman heette. Jan Beinman de bakker. We speelden wel eens met zijn kinderen, maar niet zoveel, niet veel meer dan met de andere buurtkinderen. Al had ik in dat najaar samen met m’n broer Johan doktertje gespeeld met onze buurmeisjes Truusje en Tanja. Dat was in hun schuur, waar van alles lag: oud tapijt, rollen behang waar de repen van af hingen, een kapotte huishoudtrap, een gammele schommelstoel, emmers, een zinken teil, wat hout en een heleboel lege flessen. Tegen een wand stonden een paar fietsen. Het rook er naar schimmel en het was er een altijd beetje donker omdat er vieze gordijnen hingen voor de ruit. Die dag was het trouwens zwaarbewolkt, met af en toe fikse buien, daarom gingen we spelen in hun schuur. De trap legde we op wat balken die we op hun beurt lieten rusten op de teil en de schommelstoel die we op z’n kant zetten.

Johan was de dokter van Tanja en ik van Truusje. Geerie was onze verpleegster. Hij moest de apparatuur aangeven: een knijper, een hamer en zo nog wat. Soms deden we maar of we iets in onze handen hadden. We deden hun truitjes omhoog en keken hun navel na. Volgens Johan zei de vorm daarvan wat over je gezondheid, zelf wist ik te vertellen dat sommige mensen – heel weinig maar en dan vooral in Afrika – geboren worden met een oog in dat kuiltje, maar de anderen weigerden dat te geloven ondanks mijn erewoord en stemverheffing. Daarna schoven we hun onderbroekjes wat naar beneden. ‘Interessant, interessant,’ zei Johan daarbij. Geerie, in verlegenheid gebracht, keek een beetje weg en bezag het uit zijn ooghoeken. De meisjes deden giechelig, en Johan en ik waren ook wel lacherig, maar meer vervuld van een vreemd soort opwinding. ‘Dit verdient nader onderzoek,’ zei Johan een beetje geleerd – het klonk heel echt. ‘Waarom dan?’ vroeg Tanja, de oudste en brutaalste, en ze proestte het uit. Ik vond Truusje veel liever, ze had van die leuke bolle wangen en mooie ogen. Ach, zoals ze keek naar de binnenkant van het pannendak terwijl mijn vinger over haar schaamlippen gleed, zo lief en rustig. Johan had me al verteld dat je vinger er een heel klein stukje in kon, maar dat vond ik te eng, dus vroeg ik Geerie om een stokje. Die kon inderdaad een klein stukje naar binnen, maar Truusje zei dat ze dat niet goed vond en dus trok ik het stokje meteen beschaamd weer terug. Ik hoorde Tanja zeggen dat ze niet wilde dat Johan de hamer op haar buik legde: dat vond ze te koud. Toen zei Johan dat we eraan ruiken moesten, want dat was ‘heel belangrijk’. Waarom, zei hij er niet bij. Desondanks rook ik aan Truusje d’r kutje. Het was een beetje viezig misschien, maar toch niet onaangenaam. ‘Wat ruik jij?’ vroeg Johan.

‘Een beetje eh… plaslucht en nog iets.’ Toen ik opkeek zag ik Truusje glimlachen.

‘Jaah, dat andere,’ zei Johan, ‘dat is interessant. Dat is vrouwelijkheid.’ Het klonk heel gewichtig en inderdaad machtig interessant. ‘Vrouwelijkheid.’ Alsof het iets magisch was, ook weer iets geheimzinnigs. O, natuurlijk wist ik al wel dat meisjes heel anders waren dan jongens, maar het was verdomd lastig om precies te zeggen waar hem dat nou in school. Bovendien rook m’n eigen piemel ook naar plas en nog iets anders. Lekker wel. Jammer dat het van moeder nooit mocht, d’r aan frummelen en dan ruiken.

‘Waaròm hebben zij eigenlijk geen piemel?’ wilde ik van Johan weten.

Tanja riep me lachend toe. ‘Omdat wij wel zonder zo’n slurf kennen! Ja, wie gaat er nou met een zak tussen zijn benen lopen? En die dan elke avond wassen! Jongens zijn zakkewassers!’ Ze gierde het uit.

Ook Truus moest erg lachen. Ik zag dat haar ogen er nat van werden en nòg groter leken.

En wij jongens stonden er maar een beetje bij. De regen kletterde op de pannen van het dak.

‘Jullie moeten jullie omdraaien,’ zei Johan toen. ‘We moeten jullie billen inspecteren.’

Tot mijn verbazing deden ze wat hen gevraagd werd en ik keek naar de blote billen van Truusje. Prachtig rond en vlekkeloos, maar wel met een mooie, ja levendige kleur. Gezonde billen, dat zag je zo. Ik liet mijn hand erover glijden en keek naar wat Johan aan het doen was: hij deed de billen van Tanja uit elkaar. ‘Hm,’ zei hij fronsend en met een prachtig gespeelde ernst, ‘hm.’

‘Is er iets mis met m’n reet?’ vroeg Tanja opnieuw lacherig met haar schelle stem, waar ik, besefte ik op dat moment weer eens, een hekel aan had.

‘Nee,’ antwoordde Johan, ‘al weet ik dat nog niet zeker.’ Hij richtte zich tot mij: ‘We moeten weer ruiken.’

Ik aarzelde, bleef liever over die mooie billetjes aaien, maar wat moest dat moest, dat was het spel, dus boog ik me opnieuw voorover en duwde m’n neus voorzichtig tussen haar billen.

‘Ruik jij ook een beetje poep?’ vroeg Johan toen aan mij.

We grinnikten en de meisjes bescheurden zich opnieuw.

Johan en ik wisten allebei niet zo goed wat we ermee aan moesten, keken elkaar wat verlegen in de ogen. Geerie was al weggegaan, dus moesten we uitkijken: stel je voor dat hij mamma erbij ging halen! Die jongen had altijd zo zijn eigen ideeën. Het was allemaal wat merkwaardig, het begon al met die schuur. Die halfduistere ruimte rook al zo vreemd, naar kelder en nat bos. Het was echt een geheimzinnige plek.

‘We zijn klaar met ons onderzoek,’ verklaarde Johan. ‘Jullie kunnen uh… De uitslag krijgen jullie volgende week.’ Wat kon hij dat toch goed, doktertje spelen, en als dokter praten.

Het was zachter gaan regenen, van drup-drup-drup, en het had ineens iets triestigs. Ook de zusjes zochten elkanders blikken. Zelfs zij leken nu toch even verlegen met wat er gebeurd was. Ja, ik meende zelfs iets van angst in hun ogen te zien.

‘Cor,’ zei Johan toen, met opeens ook iets ongemakkelijks in zijn stem, ‘en ik moeten naar huis, eten.’

Het is daarna nooit meer gebeurd en we hebben het er ook nooit meer over gehad. Want het was ‘ons geheim’ bezwoer Johan me. Maar in de maanden erna moest ik er nog vaak aan denken.

 

 

De volgende aflevering:

De eerste schrik van zijn leven en een verzinsel

 

 

 

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 14 van Zes broers en een zus

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 14

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 14


Kerstmis. God ziet alles, maar niet de humor van een godslastering

De kerstmis duurde altijd lang, te lang. Daarom mochten we boekjes lezen in de kerk. Maar vaak keken we ook naar de andere kerkbezoekers. Daar was altijd die vreemde man die wat verdwaasd uit z’n ogen keek en heel vaak zat te gapen. Hij deed ons denken aan Laurel, de dunne, hoewel deze man niet zo dun was, maar wel minstens zo sullig. Om te zien dan, gaf moeder toe, verder wilde ze er niets over horen en we mochten al helemaal niet om hem lachen, als we dat maar wisten! Dan liet je je blik maar langs al die andere gezichten dwalen, op zoek naar bijvoorbeeld klasgenootjes. Het viel nog niet mee anderen te ontdekken in de bomvolle kerk. Alleen de achterste banken waren leeg. Het viel wel op dat die lege banken in aantal toenamen. Dat vervulde vooral vader met bezorgdheid: waar moet het heen met deze wereld?

Als de verveling echt toesloeg en we begonnen te klieren, wierp vader ons een boze blik toe. Nou, dan hield je wel op. Zelf vond ik het kerkorgel altijd machtig, maar niet als erbij gezongen werd door het koor met al die oude vrouwen. Het lag niet eens aan de liedjes, die kon ik nog wel pruimen. Het jammere was dat met de kersthoogmis alles anders ging dan anders en het ook nog, zucht, allemaal langer duurde. Pas als de communie was geweest, schoot het op. De hostie halen was een verzetje en dit jaar mocht ik het voor het eerst omdat ik de eerste communie had gedaan. Daar was ik toch wel trots op en het deed me genoegen dat Geerie nog niet mee mocht, dat ik nu ergens heenging zonder dat moeder, of zus Mirjam, want die had daar ook nogal een handje van, zei dat ik hem maar moest meenemen. Als ik op het veld bij de Hofcampweg ging voetballen met vrienden, moest ik hem meenemen. Laat hem zijn eigen vriendjes zoeken! Maar nee, dat kon hij niet. Of hij deed dat niet – ik wist het niet, maar het gebeurde gewoon niet. Hij was mijn aanhangsel. Maar ik wilde wel eens van hem af. ‘Maar jullie hebben altijd samen gespeeld,’ bracht mijn moeder daar vaak tegenin. ‘Ja, vroeger,’ antwoordde ik dan. ‘Maar dat kwam omdat ik iets ging spelen en dan ging hij meedoen.’ ‘Nou en? Dat geeft toch niet?’ vond moeder. ‘Hoe meer zielen hoe meer vreugd.’ Zo won zij meestal het pleit.

Terug van de heilige communie liet ik Geerie triomfantelijk m’n hostie zien die plakte op mijn tong. Hij draaide zijn hoofd weg. Daarna keek ik gefascineerd naar de mensen die hun tong uitstaken zodat de pastoor daar de hostie op kon leggen. Ik vond dat altijd iets heel huiveringwekkends, al wist ik niet precies waarom. Nu ja, zo’n droge hostie op zo’n plakkerige tong, het had iets viezigs. Maar het was meer dan dat. Het had iets heel intiems. Het prikkelde op de een of andere manier.

Even later knarste het grind op het kerkplein onder de vele voeten. Veel kerkgangers schudden de hand en wensten elkaar ‘een zalig kerstfeest’. Moeder maande ons om door te lopen, maar bij het hek merken we dat vader ontbrak. Als op afspraak draaiden we ons half om. We zagen hem niet in de donkere menigte, maar we hoorden hem wel. ‘Die Jezus, toch!’ riep hij boven het geroezemoes uit. ‘Je zou toch elk jaar geboren worden? Nou, ik zou het niet willen!...’ Zijn lach klonk op, een raar keelgeluid, een soort van mekkeren. ‘…Maar alle gekheid op een stokkie: het was een mooie mis. En de kerk was prachtig versierd, zoals ’t hoort natuurlijk. Maar toch. Nou, dag!’ En toen zagen we hem even wegbenen met de hem kenmerkende korte, driftige pas, naar andere mensen die hij kende uit het dorp. Hij verdween weer in de massa. O, hij kende iedereen – en iedereen kende hem. En dat wilde hij weten ook. Daarom schoot het nooit op als je met hem over straat ging. Als ze hem aan zagen komen lopen, begonnen ze vaak al te lachen òf ze gingen er vandoor, veinzend dat ze hem niet gezien hadden. Slechts een enkeling slaagde erin hem kort te groeten en gewoon door te lopen. Hij was een bijtertje. En ja hoor, daar hoorden we hem weer, z’n stem schalde over het plein: ‘… Ik ben dan wel geen Messias, maar wel een acquisiteur! Een soort pasteur zeg maar. Haha! Ja, niet die van die enge beestjes… Wist u trouwens dat hij een zeer gelovig mens was, ondanks dat hij een excellent, ja, een prominent geleerde was?’ Hij hield ervan dure woorden te gebruiken, vader, zo was hij. We vingen weer een glimp van hem op, hij stond druk te gebaren. ‘Want dat hoeft elkaar helemaal niet tegen te spreken. Ach, welnee, laat je niks wijsmaken! Dat is mijn boodschap Ik breng de mensen het goede nieuws. Daarom moet u ook het Binnenhof lezen. Want dat is tenminste een echte katholieke krant. De Volkskrant is van het volk, maar het Binnenhof is van God, dat zeg ik altijd maar.’

Intussen stonden wij te vernikkelen bij het hek. Mirjam, de oudste tenslotte, had moeder al voorgesteld om gewoon door te lopen, maar dat durfde moeder niet. ‘Nou,’ zei Mirjam, ‘dan ga ik hem wel hálen.’ Moeder kon haar niet tegenhouden.

Weinig later kwam ze terug, met vader aan de hand.

‘Waar blijf je nou?’ schimpte moeder.

‘Ach, joh, even wat mensen gedag zeggen… Dat jij nou… Nou, laat maar ook. ’t Is tenslotte kerstfeest.’

‘Het is koud,’ antwoordde moeder.

‘Ach, ben je mal. Ik heb ’t juist warm.’

We liepen de Kerkstraat uit, en gingen via de Langstraat met al die winkels, naar de Berkheistraat waar het iedere dinsdag markt was onder de machtige kastanjebomen. Die oogden nu kaal en wat griezelig. We zwegen. M’n vingers en tenen deden zeer van de kou.

Maar thuis was het niet koud, de kachel werd opgepord en moeder had de tafel al van tevoren gedekt. Ze ging gauw thee zetten en ik en Geerie mochten de kaarsen aansteken. Vader deed de verlichting van de kerstboom aan. ‘Gezellig,’ zei mamma. Daarna gingen we allemaal aan tafel, wat eigenlijk alleen op zondag gebeurde, als vader vrij was. Maar deze maaltijd was nog specialer, al was het maar omdat het tegen middernacht liep. De tafel was gedekt met het dure servies dat voorzien was van een gouden randje en beschilderd met een heel fijn bloemenmotief. Het werd alleen bij gelegenheden als deze gebruikt. Maar wij kinderen hadden meer oog voor alle lekkernijen: echte boter, krentenbrood, puntjes, allerlei soorten vleeswaren en jam, hagelslag en vlokken. Ja, en zelfs beschuit met muisjes, die had moeder al gesmeerd. Maar eerst moesten we bidden. Vader nam het voortouw en als je niet meteen meedeed kreeg je een vuile blik toegeworpen of een uitbrander. Dus iedereen sloot z’n ogen en luisterde naar vader. Hij dankte God voor wat er nu allemaal op tafel stond, maar ook – o zeker! – voor de gewone doordeweekse maaltijd en wij kinderen moesten maar weer eens goed beseffen hoe ongewoon dat eigenlijk was in de wereld, want de meeste mensen hadden niet te eten. ‘Nog geen kakkerlak!’ riep hij uit. ‘En daarom bidden wij nu het onzevader en dan drie weesgegroetjes…’

Zat je daar met je honger. En je moest niet wagen je ogen te openen, want dan kon je een draai om je oren verwachten. Voor wat hoort wat. Voor niets gaat de zon op. Eerst bidden dan eten: we werden doodgegooid met die riedels.

‘…Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars. Nu en in het uur van onze dood. Amen.’

Pfff… Eindelijk.

We mochten eten, zei moeder. Vader stond op om een kerstplaat op te zetten en weinig later schalde er een kerstlied gezongen door een of ander Beiers koorknapenkoor door de huiskamer. Keihard en niet om aan te horen.

‘Adri, mag die wat zàchter?’ vroeg moeder voorzichtig, al klonk haar ergernis erin door.

‘Ach, wat, jij ook altijd met je…’ Hij ging weer zitten.

‘Met m’n wat?’

‘Moet je die kinderen soms horen. Die maken een lawaai, da’s niet normaal meer. Maar nee, daar zeg je nooit wat van! Dat mag ik doen. Want zij mogen alles. Maar als ik een keer naar een plaatje wil luisteren dan is het gelijk aufhören. Terwijl het toch om een wereldberoemd koor gaat, de Domspatzen. Maar dat zegt jou natuurlijk allemaal niks. Je weet niet eens waar Regensburg ligt….’

‘In Duitsland,’ zei moeder met een dunne stem.

‘Zozo, dat valt me weer van je mee. En hee, zeg, mag ik een koppie koffie, want in thee heb ik nu geen trek, zo midden in de nacht.’

Moeder stond op om koffie te maken. En wij, wij hielden ons doodstil.

Even, tussen twee liederen in, hoorden we alleen vaders kaken malen, hij kon snel eten. Heel snel. Maar niet zonder knoeien.

‘En dan nog wat: beschuit met muisjes. Dat geeft geen pas.’

‘Ach man, Jezus is toch gebòren. Wat geeft dat nou? Ik doe ’t voor de kinderen.’

‘Je doet al genoeg voor de kinderen. Alles doe je voor ze.’

‘Jongens, het is maar beter dat jullie naar bed gaan, het is tenslotte al laat.’

Wij begrepen het en deden gedwee wat we moesten doen. Een kwartier later lagen we in bed. Frans en ik sliepen in het stapelbed, ik boven. Ik vroeg Frans of hij dacht dat pappa en mamma gingen scheiden, want daar leek het soms op met al die ruzie en zo, en in mijn klas waren de ouders van een jongen ook pas gescheiden.

‘Nee, ik denk het niet,’ zei Frans. ‘Ga nou maar slapen.’

Die eerste kerstdag was er een zoals gebruikelijk. Het was grauw, saai weer, maar binnen werden we gek van onze vader die de hele dag plaatjes zat te draaien op zijn nieuwe platenspeler, sommige wel vier, vijf keer achter elkaar. En het hele huis rook naar gebraden konijn, want dat wilde pappa met kerst: konijn eten. Dus maakte moeder voor hem konijn, konijn met spruiten, die ook al zo stonken. Wij aten kip met gebakken aardappeltjes en erwtjes uit blik. Heerlijk. Daar konden we ons op verheugen. Maar aan tafel ging het toch weer mis. Vader wilde dat we bij het bidden voor het eten allemaal een kruis maakte en toen pakte Pim, de oudste broer tenslotte, z’n mes en vork en maakte dáármee een kruis. Vader ontplofte. Zulke humor, zulke godslasterlijke humor, want dat was het en niks minder, nou, dat was niet aan hem besteed, als die snotaap dat maar wist!

‘Zeg, Adri, overdrijf niet zo,’ merkte moeder hoofdschuddend en met zachte stem op. Het was alsof ze het met tegenzin zei, alsof haar mond uit zichzelf praatte, zonder haar toestemming. 

‘Waar bemoei jij je mee?’ vroeg hij. ‘Sinds wanneer kunnen de kinderen bij jou wat fout doen? Nou, zeg op!’

Moeder sloeg haar blik neer. Ze deed alsof ze hem niet gehoord had, wat ze wel vaker deed. Meestal kwam ze daar mee weg, maar deze keer niet. Het was doodstil in de kamer, ik geloofde zelfs dat ik moeder’s hart kon horen kloppen.

‘Zeg, wil je me aankijken als je tegen me spreekt…’ beet hij haar toe. ‘Die jongen, die lieve zoon van je, die hoort in een gesticht thuis, die moet ’ns flink op z’n donder krijgen, die groeit op voor galg en rad! En wat doe jij? Jij staat een beetje patat uit te delen...’

‘Wat moet ik anders?’

‘Wat moet je anders? Opvoeden natuurlijk! Ze op het rechte pad houden. Is dat zo moeilijk te bedenken? Op God’s weg, die trouwens ondoorgrondelijk is, zoals je weet, maar het is…’ (hij verhief zijn wijsvinger) ‘ons enige houvast en een beetje houvast kunnen we wel gebruiken. Houvast. Want dat is de macht van God. Een houvast. Een mast. Als die van een sierlijke kerstboom. Nou, wat denk je daarvan? Is dat niet mooi gezegd?’

‘Ach man, het is toch maar een onschuldig grapje van Pimmetje.’

‘Zo, is het maar een onschuldig grapje… Van Pimmetje.’ Het was duidelijk: die herhaling hield niet veel goeds in, pa laadde zich op. Hij liep ook helemaal rood aan. ‘Nou, de onschuld is het niet, die jongen! Hij wil niet eens misdienaar zijn! Mooi is dat. Maar of het een onschuldig grapje is, wat jij zegt, dat zullen we nog wel eens zien. Alle lijden wordt in onschuld geboren. Wat dacht je daarvan? En God ziet alles, vergeet dat niet!’

‘Nou, dan ziet Hij er misschien ook de humor van in,’ merkte Mirjam op.

‘Ja,’ beaamde moeder met een steelse, maar onmiskenbare trotse glimlach naar haar oudste, ‘lachen is toch niet verboden.’

‘Nee, lachen is niet verboden, maar een beetje eerbied zou geen kwaad kunnen, dunkt me. We hebben het hier niet over de buurman, Jan de bakker, die trouwens al helemaal geen eerbied kent, want die gaat niet eens naar de kèrk.’ Hij sprak zo snel dat hij bijna over zijn eigen woorden struikelde en z’n ogen vonkten. ‘ Ja, zo gaan we allemaal naar de verdommenis. Vind je het gek, al die ellende in de wereld? De mensen vergeten God. Nou en die kan zich wreken hoor! Maar naar mij wordt niet geluisterd. Nee, laat gekke Adri maar lullen. O, de wereld zal nog wat beleven!...’ Hij zette een stuk konijnevlees tussen zijn tanden en scheurde het van de bout af. Met volle mond oreerde hij verder. ‘Daar was de oorlog niks bij. Ja, dat was eigenlijk nog best een goede tijd. En toen gingen de mensen wèl naar de kerk. Maar moet je ze nu zien! Ze zitten zich alleen maar vol te vreten en aan geld en aan nog wat te denken. Verder deugt er niks aan, aan de mensen. Béésten zijn het… En dat konijn is niet te vreten. Veel te droog.’ Met een misprijzend gezicht schoof hij zijn bord van zich af. ‘Geef die patat maar hier.’ Aarzelend gaf Mirjam hem de schaal met friet. Hij kieperde de hele schaal leeg op zijn bord en begon er in hoog tempo van te eten, smakkend en knoeiend. Moeder schudde kort haar hoofd en verdween naar de keuken. We konden horen dat ze nieuwe friet in de pan deed. We moesten er maar even op wachten, riep ze. En ze had straks ook nog een lekker toetje, voegde ze eraan toe. Vla-flip. Vla-flip met hagelslag. Vla-flip de luxe.

De volgende aflevering:

Moeder dreigt met een mes & hoe ruiken meisjesbillen?

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 13 van Zes broers en een zus

Ruim een kwart miljoen beschikbaar voor debutanten

Ruim een kwart miljoen beschikbaar voor debutanten


De organisaties Nederlands letterenfonds en Prins Bernhard Fonds investeren in 2021 en 2022 meer dan een kwart miljoen in debutanten en bijzondere uitgaven volgens Boekblad. Na de corona uitbraak van afgelopen voorjaar sloegen de fondsen de handen ineen om zo meer geld beschikbaar te stellen voor jonge debutanten.

 

Het Nederlands Letterenfonds stimuleert, door middel van beurzen en subsidies aan schrijvers, vertalers, uitgevers en festivals, de kwaliteit en diversiteit in de literatuur. Het fonds draagt zo bij aan de verspreiding en promotie van de Nederlands- en Friestalige literatuur in binnen- en buitenland. Op deze manier hoopt het fonds een zo rijk en divers mogelijk literair klimaat te creëren. 

 

Het Prins Bernhard Cultuurfonds ondersteunt cultuur, natuur en wetenschap in Nederland.

Met financiële bijdragen, opdrachten, prijzen en beurzen stimuleren we bijzondere initiatieven en talent. 


In totaal is de aanvraag van 26 projecten voor de aankomende twee jaar goedgekeurd. Per project is 10.000 euro beschikbaar. De helft van dit bedrag is voor de auteur. De andere helft gaat naar de uitgeverij en moet ook deels besteed worden aan de promotie voor het project. 

 

--

Door Renske Bakkenes

Afbeelding van Nederlands Letterenfonds

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 13

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 13


De feestmaand begint met een ouderwets burgermansbacchanaal

Zes broers en een zus is nu te koop bij Bazarow.

Onze moeder haatte december sowieso, al zou ze dat nooit zo zeggen. Ze was meer van de milde bewoordingen. ‘Ja’, zou ze zeggen, ‘ik heb inderdaad wel een hekel aan die maand.’ Of zoiets. Het was haar te druk. Dat begon al met sinterklaas; een week erna, op de dertiende, was ze zelf jarig. Dan zat het huis weer vol met alle ooms en tantes. En dan moesten er dus inkopen gedaan worden. Veel inkopen, want iedereen dronk wel wat anders. Citroen-met-suiker en bessenjenever voor vooral de vrouwen, vieux of bier voor de mannen, de laatste al dan niet vergezeld van een jonge klare, en dan nog de niet-alcoholische drankjes, zoals de jus d’orange en het glaasje prik: gewone sinas of sjieke cassis. Verder werd er leverworst gepresenteerd en blokjes kaas, soms ook gevulde eitjes of rolletjes blikasperges met ham, en er kwamen bakjes met zoute stengels, chips en pinda’s op tafel. Voor de grijp stonden er ook altijd een paar glazen met daarin sigaretten en enkele sigaren. Het was me wat, ze had er haar handen vol aan. Bovendien werd het huis op z’n kop gezet, want alle stoelen werden verzameld en die moesten in een kring in de huiskamer worden opgesteld. Wij kinderen kenden het wel, het was ieder jaar hetzelfde ritueel.

En daar kwamen ze, hoor, al die ooms en tantes, de een na de ander. Ze waren bijna allemaal van vaders kant – van moeders kant kwamen alleen haar halfzussen tante Mie en tante Nina met hun mannen, want haar geliefde broer ome Gerlof zat in Afrika. Helaas voor ons kinderen, want dat was eigenlijk de enige die echt iets spannends te vertellen had. De meesten hadden een bloemetje bij zich, anderen een zeepje of een sjaaltje of, de meest tuttige tante, zelfs een zelfgebreid vestje. Moeder, de jongste van het hele stel, kreeg vele kussen op haar wangen.

Het bezoek zocht een stoel uit en daarna ging het los. Binnen de kortste keren waren alle stoelen bezet en stond de huiskamer blauw, want bijna iedereen rookte, ze staken het ene rokertje met de andere aan, en tussendoor namen ze een flinke slok – behalve onze vader. Na een uur of wat was het dan bal. Dan ging ome Leo Truk, de man van tante Addie, leuk doen, om de salontafel kruipen bijvoorbeeld en dan mocht zijn vrouw op z’n rug. Of, liever nog, een andere vrouw! En de rest maar lachen.

Jolijt alom. Zeker als de eerste schuine moppen over tafel gingen of vrolijke oude familie-anekdoten werden opgehaald. De enige die er chagrijnig bij bleef kijken was ome Thijs, maar daar was iedereen aan gewend. Verder was ’t altijd wel een feestelijke bende in die dagen en meestal droeg onze vader, met z’n rare verhalen die hij theatraal uit de doeken deed, ook een steentje bij aan de algehele feestvreugde, al was het maar omdat hij zelf nog het meest moest lachen om z’n grappen en grollen.

‘Jongens,’ merkte ome Lex bijvoorbeeld op, ‘dit is de eerste keer dat onze moeder er niet bij is, want voor de rest is iedereen erbij, beseffen jullie dat wel?’

‘Oooh,’ zei vader dan merkwaardig luchthartig, ‘dat zal nog wel vaker gebeuren!... Dat moeder er niet bij is, bedoel ik…’ Hij gaf die toelichting omdat iedereen hem opeens aangaapte en hij dacht dat ze zijn humor niet begrepen. En als ie dan een standje kreeg vanwege die in de ogen van zijn zussen en broers – hij was de jongste – onbetamelijke opmerking, dan deed hij er nog schepje bovenop.

 ‘Een retourtje zal ze in de hemel echt niet krijgen!’ Meestal kreeg de lach dan alsnog de overhand. Want het was gekke Adri maar die dat zei, hun lijpe broertje… En dan lagen ze ineens allemaal dubbel of klapten ze met hun handen op hun knieën, anderen (tante Zus en tante Mien) moesten hun neus dicht knijpen om hun slokje niet uit te proesten. Maar toch, zelfs als klein kind wist je, vóélde je dat het ergens niet klopte, die opgeklopte vrolijkheid, je begreep dat er meer aan de hand was, maar wat dan precies, dat liet zich nooit raden. O, soms zag je een paar van hen weleens met de koppen bij elkaar zitten te smoezelen. Maar het had er dan altijd veel van weg dat ze dat stiekem deden. Ze hadden hun geheimen, die volwassenen. Dat was het. Net als kinderen, maar dan andere, meer raadselachtige: Echte Geheimen.

Nou, dat was dan maar zo. Want voor ons kinderen was het ergste van zo’n avond dat al die tantes gekust wilden worden. Nee, met een handje namen ze geen genoegen. Ben je mal! Ze drukten je in hun omhelzing liever plat en gaven je van die natte zoenen zodat de lippenstift op je wangen brandde. ‘Heerlijk zijn die kinderen van je, echt om op te vreten!’ Ze zaten er voor in de rij, die tantes. Dus het was zaak om je zo snel mogelijk door die hysterische massa heen te wurmen. Dat ze je uitlachten om je meestal ijdele pogingen om aan hun vrijages te ontkomen, maakte ons kinderen geen fluit uit. Redden wie zich redden kan! Dan nog liever op tijd naar bed! Toch werd het, omdat moeder druk in de weer was met drankjes, hapjes en een vaatdoek voor dat omgevallen glas van ome Jaap (‘Geeft niks, Jaap, kan gebeuren, wil je er nog eentje?’), vaak alsnog laat, althans veel later dan je gewone bedtijd. Soms gingen de eerste gasten dan al weer weg en zag je zo’n oom op onvaste benen moeder vol op haar mond zoenen. ‘Hou je goed, Mar! En sterkte met Adri. En weet je: je blijft de mooiste…’ Vaak volgde dan nog een vette knipoog. Moeder was daar altijd een beetje verlegen onder. ‘Doe niet zo gek, joh,’ antwoordde ze dan met aangelopen wangen. ‘En dan, ik ben ook weer een jaartje ouder…’ Ze verschool zich wel vaker achter zulke bescheidenheid, hoe ijdel dat tegelijkertijd ook was, maar duidelijk was dat ze niet graag vol in de aandacht stond. Daar had ze haar man voor, die kon dat. Misschien was ze daarom wel op hem gevallen, ooit. Het was duidelijk dat ze daar wel van teruggekomen was. Want hij wilde altijd aandacht, hij lééfde ervan. En als ie geen aandacht kreeg, dan ging ie rare dingen doen. Daar was ze doodsbenauwd voor, want wat moesten de buren daar wel weer niet van zeggen? De buren, dat betekende: de buitenwereld, oftewel iedereen die niet bij ons in huis woonde… Het afscheid nemen van haar bezoek eindigde er meestal mee dat zo’n oom een zetje van zijn eega kreeg. Genoeg zo, betekende dat. Wegwezen.

De volgende ochtend was er vreemd genoeg nooit meer iets te bespeuren van het burgermansbacchanaal dat had plaatsgevonden. Je kon het alleen merken aan moeder zelf. Ze was prikkelbaar en kortaf, en je zag het ook aan haar: ze was doodmoe. ‘Ja, vind je het gek?’ zei ze dan snibbig, wat heel ongewoon voor haar was, ‘ik was al op voor dag en dauw en ik ging er als laatste in. Je vader ligt nog te snurken.’ Maar het resultaat was ernaar: de lucht was wonderbaarlijk fris, de stoelen waren opgeruimd, de flessen waren weg, er was gestofzuigd en de asbakken stonden weer blinkend in de kast. Ze had die rimpel in haar huishouden grondig weggewerkt. Zelfs de afwas was al gedaan.

Om een wit voetje te halen en om haar echt plezier te doen, merkten we dat dan allemaal op. Dan glom ze. Bijna als de godin van haar eigen huishouden. Van haar zoveelste herschepping. En ze zag dat het goed was: dat werk. Want ze hield, in al haar eenvoud, van eenvoud. Wat dat betreft was ze zo eendimensionaal als een streep.

 

*

 

En nog geen twee weken later had je dan weer kerst. Ook daar maakte ze altijd veel werk van, en ook dat omdat dat van haar, als katholieke moeder, werd verwacht. En anders zou pappa het haar wel inprenten, maar zo ver liet ze het echt niet komen. Op kerstavond gingen we met z’n allen in het donker naar de kerk, spannend was dat. Iedereen droeg dan z’n zondagse kleren, die ze voor haar kinderen vaak zelf maakte op haar naaimachine. Dat was haar lust en haar leven: lekker prutsen, zoals ze dat noemde. In haar jonge jaren was ze in het dorp naaister geweest bij een rijke familie die in een villa woonde aan de Konijnenlaan, volgens vader ‘de duurste straat van Nederland’. Ze deed er van alles: metershoge gordijnen maken, tafellinnen, beddegoed en veel verstelwerk, maar ook de strijk en wat er verder zoal te doen was. Ze vertelde er graag over. O, ze hield van aanpakken. Alles mooi maken. Na een compliment van de heer des huizes, een man met een imposante snor, kon ze er weer weken tegenaan. En ja, ze kreeg slecht betaald maar werd wel goed behandeld. En voor haar was het altijd weer een belevenis bij die mensen in huis te mogen komen, alsof ze een droom binnenstapte – bij haar thuis met d’r ziekelijke vader en lastige moeder was het tenslotte zo’n pretje niet. Daarom vertelde ze er bij tijd en wijle graag over. Voor de oorlog, sprak ze dan, hadden de rijke families nog echt een hele lading personeel. Een chauffeur, een kok, een heel stel dienstmeiden en ja, een naaister. Ze kon het goed met de anderen vinden en hielp hen graag. Ze vond het vooral ‘gezellig’, een woord dat haar in de mond bestorven lag. O, ze herinnerde zich de banketten, wanneer er hele hazen op tafel verschenen en de borden werden opgediend met een cloche. Moest je je voorstellen! En de kroonluchters in de hal met wel dertig kaarsen erin, de schouw met de open haard en al het zilverwerk, dat ze wel eens poetsen mocht. Zo mooi vond ze dat alles... Nu deed ze nog steeds wel eens klusjes voor de dochter van die familie, een vrouw die slechts een paar jaar ouder was dan zij en in een groot maar niet chic huis woonde – de echte sjeu was er wel af. En mijmerend zei moeder  dan dat vroeger alles anders was. O, niet beter, zeker niet, maar anders. ‘Begrijpen jullie wel?’ Het eindigde er meestal mee dat ze wat moedeloos haar schouders ophaalde. Daarna toog ze weer aan het werk en haalde weer een lap stof onder de ratelende Singer door. Als ze achter haar naaimachine zat was ze gelukkig leek het wel. Min of meer dan. Onze lankmoedige moeder.

 

 

 

De volgende aflevering:

Kerstmis met een godslastering 

 

 

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 11 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 12 van Zes broers en een zus

De nieuwe leeslijst: reacties

De nieuwe leeslijst: reacties


Drie weken geleden publiceerde Bazarow De nieuwe leeslijst Nederlands. Met daarop 25 boeken waarvan onze lezers ze geschikt vinden voor de jongeren van nu. We zijn nu drie weken verder, dus het is tijd om de reacties op de lijst door te nemen.

Kort gezegd kregen we ontzettend veel positieve respons. Zowel van auteurs, als van docenten Nederlands, bibliothecarissen als van literatuurwetenschappers. Marjan Brouwers, wiens boek Leegland op nummer 11 staat, schreef er een mooi blogbericht over. We kregen ook veel positieve respons op de YA-titels op onze lijst, van Rima Orie, Rianne Robben en Annet Hulst. Ook Splinter Chabot, wiens boek Confettiregen op nummer 3 staat was blij met de lijst, schreef hij op instagram.

Er kwam ook respons op twitter op het feit dat de leeslijst mensen het plezier in lezen had ontnomen toen zij jonger waren. Vanuit scholen hebben we nog niet veel reactie gehad, maar wel individuele docenten die opmerken dat ze wat in te halen hebben. We hopen dat onze lijst via docenten en leerlingen alsnog de scholen bereikt, en dat zij er dan ook echt wat aan hebben.

Ook kregen we de suggestie van Annet Hulst om samen met de scholen een actie te gaan doen en van de eerste boeken op de lijst onder deelnemende scholen een aantal exemplaren te verloten. Het lijkt ons leuk om dat bij de volgende editie op te zetten: meer de samenwerking zoeken met docenten Nederlands en middelbare scholen en dan samen met uitgevers dit plan uitwerken en groter maken. 

Inmiddels hebben we ook de winnaars van de boekenbon, Renate, Laurens en De heer/Mevrouw van Dijk gecontacteerd. Zij krijgen binnenkort een boekenbon ter waarde van 25 euro toegestuurd! We maken er een jaarlijkse traditie van. Dus iedereen bedankt voor het stemmen en tot volgend jaar!

--

Redactie Bazarow

Lees hier het artikel over De nieuwe leeslijst Nederlands

Bekijk hier de lijst

De beste boeken van 2020

De beste boeken van 2020


In de afgelopen weken publiceerde meerdere tijdschriften, kranten en websites de lijst van beste boeken uit 2020. De meeste lijsten bestaan uit tien boeken en sommige lijsten maken nog het onderscheid tussen fictie, non-fictie, young adult en vertaald. Het valt op dat in in veel lijsten bepaalde boeken herhaald worden. Zo komen in de Nederlandse lijsten, de volgende boeken meerdere keren voor, De avond is ongemak, De meeste mensen deugen, Uit het leven van een hond en het vertaalde werk Een beloofd land. De volgorde van de lijsten verandert vaak en zelden staat dezelfde titel bovenaan de lijst.

In de Engelse lijsten komen werken als Shuggie Bain, The vanishing half, Hamnet en Deacon King Kong meerdere malen voor. Ook hier geldt dat de volgorde per lijst verschillend is. 

 

Er is dus niet echt een nummer 1 uit te roepen uit deze lijsten als het beste boek van 2020. De lijsten zijn daarvoor te verschillend in volgorde.

Een overzicht van de top 3 van de lijsten van de 10 beste boeken van 2020

Hp/De tijd:

  1. Cliënt E. Busken - Jeroen Brouwers
  2. Uit het leven van een hond - Sander Kollaard
  3. Wij zijn licht - Gerda Blees

 

De volkskrant:

    1. Zomer - Ali Smith
    2. De jaren - Annie Ernaux
    3. De Effingers - Gabriele Tergit

 

 

Libris: 

  1. Een beloofd land - Barack Obama, vertaald door Bep Fontijn, Rebekka W.R Bremmer, Edzard Krol, Frans Reusink
  2. Revolusi - David Van Reybrouck
  3. De jonge, de mol, de vos en het paard - Charlie Mackesy

 

Bruna:

  1. Een beloofd land - Barack Obama, vertaald door Bep Fontijn, Rebekka W.R Bremmer, Edzard Krol, Frans Reusink
  2. De meeste mensen deugen - Rutger Bregman
  3. Martien - Jan Dijkgraaf

 

New York Times: 

  1. Hamnet - Maggie O'Farrell
  2. A children’s bible - Lydia Millet
  3. Deacon King Kong - James McBride

 

Los Angeles Times:

  1. Deacon King Kong - James McBride
  2. Leave the world behind - Rumaan Alam
  3. Luster - Raven Leilani

 

Vanity Fair:

  1. Clap when you land - Elizabeth Acevedo
  2. Inside story - Martin Amis
  3. The vanishing half - Brit Bennett

 

Time: 

  1. The vanishing half - Brit Bennett
  2. Shuggie Bain - Douglas Stuart
  3. The mirror and the light - Hilary Mantel

 

Publishers Weekly:

  1. The abstainer - Ian McGuire
  2. Beheld - TaraShea Nesbit
  3. Bluebird’s first wife - Ha Seong-nan


Dat 2020 een divers en vol literair jaar was, kan na alle lijsten, berichten en prijzen wel gezegd worden. Op naar een mooi literair 2021.

 

--

Door Renske Bakkenes

P.C. Hooftprijs naar dichter Alfred Schaffer

P.C. Hooftprijs naar dichter Alfred Schaffer


Alfred Schaffer is de winnaar van de P.C. Hooftprijs voor de letterkunde van dit jaar. De P.C. Hooftprijs voor de letterkunde is een van de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijzen. Hij ontvangt hiervoor een geldbedrag van 60.000 euro. Met zijn 47 jaar behoort Schaffer tot de jongsten die de P.C. Hooftprijs wonnen.

De jury prijst hem als “een dichter die zonder met de modes mee te waaien midden in deze tijd staat.” Dat uit zich in zijn “neus voor moderne communicatievormen, maar vooral ook in de oprechte betrokkenheid met de wereld die uit zijn verzen spreekt. [...] Schaffers gedichten laten zich in eerste instantie vaak lezen als willekeurige passages uit een oneindige stroom observaties - maar die willekeur is schijn. Zijn poëzie omvat zeer precies gekozen momentopnames, met zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen."

Schaffer publiceerde tien bundels, waarvan zijn laatste bundel Wie was ik in het afgelopen jaar verscheen. De prijsuitreiking is in mei 2021 in Den Haag. Het is nog niet duidelijk hoe de plechtigheid zal plaatsvinden.

--

Door Isolde Kors

 

CPNB verandert cadeau campagne en introduceert nieuwe corona campagne

CPNB verandert cadeau campagne en introduceert nieuwe corona campagne


Voor de komende feestdagen had de CPNB, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, een cadeau campagne opgezet. Deze is gisteren vanwege de nieuwe corona maatregelen aangepast. De organisatie paste de slogan “Ga naar je favoriete boekhandel” aan naar “ga online naar je favoriete boekhandel”. Deze aanpassing kon zo snel gemaakt worden omdat het CPNB al rekening hield met de mogelijkheid dat boekhandels zouden moeten sluiten. Daarom namen zij meteen al twee verschillende spotjes op. Een voor als de boekhandels open konden blijven, de andere voor als er een lock-down kwam. 

Tevens introduceerde het CPNB de website ikleesthuis.nl, waar de organisatie iedere dag nieuwe boeken aanraadt, die mensen thuis kunnen lezen. De slogan is “Hoeveel bladzijden nog tot 19 januari?”. CPNB-directeur Eveline Aendekerk: “We benadrukken dat bestellen óók kan bij je favoriete lokale boekhandel. Wij kiezen voor deze focus omdat de boekhandels op dit moment de steun het hardste nodig hebben. Ik vind het verschrikkelijk dat ze dicht moeten.”

--

Door Isolde Kors

 

Nieuwe lockdown: boekhandels moeten sluiten. Reacties vanuit de boekenwereld

Nieuwe lockdown: boekhandels moeten sluiten. Reacties vanuit de boekenwereld


Gisteravond kondigde premier Rutte nieuwe strenge maatregelen aan voor de bestrijding van het coronavirus. Sinds black friday liep het aantal corona besmettingen sterk op, waardoor Nederland voor een periode van vijf weken in een strenge lockdown gaat. De betekenis hiervan is dat tot en met 19 januari alle niet-essentiële winkels dichtgaan. Hieronder vallen ook de boekhandels. Geen leuk nieuws om te horen, zo’n lockdown vlak voor de kerstperiode.

Het nieuws dat boekhandels moeten sluiten veroorzaakt dan ook veel reacties op social media. Gisteren stonden er voor meerdere boekhandels rijen van mensen die nog snel hun kerstinkopen wilden doen, schrijft een aantal twitteraars. Boekhandelaren worden met deze maatregelen hard geraakt. De kerstperiode is doorgaans de tijd waarin de meeste omzet gedraaid wordt, soms wel 20%, meldt Boekblad.

Veel boekhandelaren wijzen op twitter en facebook naar ons buurland België en naar Berlijn, waar ze boekhandels en bibliotheken wel als essentieel zien. Ook zijn er vragen of afhaal loketten wel mogen openen. Deze zijn echter vooralsnog niet toegestaan, aldus Boekblad. Er is tevens veel verbazing over het feit dat in boekhandels die een post of pakketpunt hebben wel open mogen blijven voor die diensten. Eric Henri van The Read Shop aan Boekblad: 'Ze mogen niet, als ze in de lange rij met post versturende en pakketjes ophalende mensen op hun beurt wachten, even een boek afrekenen. Die moeten ze online bestellen.... en de volgende dag als pakketje bij mij afhalen. Ik ga dus vijf weken mijn klanten in mijn boekwinkel hun boeken zien kopen bij Bol en Amazon.' Of de regering de maatregelen gaat aanpassen is nog maar de vraag. Desondanks kan je je lokale boekhandel nog blijven steunen.

Veel boekhandels besluiten hun verkoop nu 100% online verder te zetten. Boeken die ze dichtbij verkopen kunnen ze veelal nog dezelfde dag langsbrengen, soms per fiets. Door deze initiatieven kun je jouw lokale boekhandel blijven steunen, en hoef je niet meteen naar de giganten voor je leesvoer of kerstcadeau’s. Wanneer je dit doet draag je niet alleen bij aan het vergroten van de overlevingskans van deze winkels na de crisis, maar je hebt je boeken vaak ook nog sneller in huis. Bol.com heeft er namelijk voor gekozen de boekenverkoop tijdens de feestdagen afremmen, aldus Tzum. ZIj gaven eerder al aan voorrang te geven aan bestsellers, en veranderen dat nu in een voorrang voor corona- en feestdagen bestellingen. Hierdoor wordt het kopen van boeken via Bol.com onaantrekkelijker, wat de individuele boekhandels hopelijk zal helpen de lockdown door te komen.

Natuurlijk kan je je boeken ook altijd bij Bazarow bestellen, waarmee je schrijvers en vertalers ook extra steunt.

--

Door Isolde Kors



Tzum start samenwerking met Bazarow.com

Tzum start samenwerking met Bazarow.com


Sinds afgelopen donderdag gebruikt Tzum Bazarow als aanrader voor boekenverkoop. Dit bekent dat bij verwijzingen naar boeken in recensies en nieuwsberichten voortaan een link staat naar Bazarow.com voor de boekenverkoop. Tzum is zo onderdeel geworden van het vriendenprogramma van Bazarow, ook wel affiliate genoemd. Eerst verwees Tzum door naar Bol.com.

Schrijver Coen Peppelenbos startte Tzum als literair magazine in 1998. Sinds 2010 is het een literair webblog en groeide Tzum uit tot de grootste onafhankelijke boekenblog met een groot team van recensenten. Peppelenbos is de hoofdredacteur.

 

Bazarow heeft inmiddels met meer dan 150 websites een dergelijke samenwerking via affiliate. Affiliate marketing houdt in dat iemand een banner van een verkopende boekensite  op zijn of haar eigen site plaatst. Komt iemand via deze banner op bijvoorbeeld Bazarow terecht en koopt deze persoon vervolgens een boek? Dan gaat een deel van de opbrengst  naar de site-eigenaar. Roeland Dobbelaer is verheugd over de komst van Tzum. “Deze samenwerking is belangrijk voor ons, dat de grootste boekenblog nu voor ons kiest betekent dat we meters maken.” Bij de redactie van Bazarow zijn we dankbaar voor de steun van Tzum. 

 

Wil jij je ook aansluiten bij het vriendenprogramma van bazarow, kijk dan hier

 

--

Door Renske Bakkenes

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 11

Bazarow feuilleton: Zes broers en een zus. Hoofdstuk 11


Kleine pikkies & Het troebele plezier van een ontgroening

Op school was alles in orde. Ik lag goed in de klas, zowel bij de jongens als bij de meisjes, al had ik er wel een dagtaak aan. Het hielp ook wel dat ik oudere broers op school had rondlopen, al wist ik dat die niet gauw een poot voor me zouden uitsteken, wat ik natuurlijk voor me hield.

Han Blauw was een van m’n nieuwere vrienden, hij woonde een eind verder bij ons in de straat, helemaal aan het begin. Hij was een stotteraar, vooral met de p en de b had hij het moeilijk. Ik hielp hem vaak, omdat ik heel goed was in het raden van de woorden die hij wilde uitbrengen. Soms vroeg hij me, dat moest van zijn ouders of eigenlijk van zijn spraakleraar, dat niet te doen, want wij moesten gewoon het geduld opbrengen totdat hij z’n gebrek weer voor even overwonnen had. Maar zo werkte het niet. Als het te lang duurde voordat hij een woord had uitgebraakt, schoten de jongens in de lach. Dus maakte ik zijn zinnen af en verzon ik zijn bijnaam: Beetje. Eerst was het nog Peetje en Beetje, maar dat was te lang. Ik was wel trots op die vondst, zeker toen ik zelfs zijn ouders die bijnaam hoorde gebruiken. Doordat ik hem hielp stond Han bij mij in het krijt en zo had ik er weer een handlanger bij. Overigens vond ik het heel leuk om bij hem thuis te spelen want als jongste had hij veel speelgoed en zijn moeder was ook altijd erg aardig tegen mij.

Er was nog een jongen, Klaas van Blaricum, die er ook bij wilde horen. Wel, dat kon geregeld worden. Maar hij moest er wel wat voor doen, vonden wij, de zelfbenoemde leiders van de klas. Maar wat? We zouden hem koning van het landje maken, stelde ik voor. En een koning werd gekenmerkt door moed, nietwaar? Dus dat moest hij dan maar tonen in een soort van proef.

We spraken af op een woensdagmiddag. Het kwam met bakken uit de lucht, maar daardoor lieten we ons niet weerhouden. We lachten van de voorpret en iedereen keek naar mij, want ik nam het voortouw hoewel het eerder Pieter-Bas’ landje was omdat hij in een van die aangrenzende huizen daar woonde, aan de Storm van ’s-Gravensandeweg. Maar ja, het plan was van mij.

Wij waren er al eerder en kozen de locatie. Pim was erbij, als zijnde mijn secondant, Beetje had ik ook meegevraagd, ook al omdat ik niet wist hoeveel man Pieter-Bas meenam en er misschien alsnog een machtsstrijd zou uitbreken – we bleven elkanders grootste concurrent in de hiërarchie. Maar hij had gelukkig alleen zijn kameraad Daan bij zich.

We kozen een stuk open terrein van een paar vierkante meter. Daar had een brandje gewoed en dat zwarte stuk land was lekker vlak, overzichtelijk en afgebakend, want op de rest van het land stond het kniehoge, vergeelde dode onkruid. Met een beetje fantasie had het wel iets van een podium. Zo bracht ik het tenminste. Het had zeker iets dramatisch, vooral tegen die grijze wolkenlucht en in die regen, maar dat besefte ik toen nog niet zo goed. Ik vond het spannend en trilde van opwinding.

Daar kwam Klaas aangelopen, helemaal alleen. Hij keek schichtig om zich heen. Hij was doodzenuwachtig, en gelijk had ie. ‘Hallo,’ zei hij, bijna formeel en ik geloofde even dat hij mij en Pieter-Bas een hand wilde geven, hij leek ons in ieder geval te polsen. Het maakte dat de bijeenkomst een steeds belangrijker gebeuren leek. Daan, Beetje en Piet stonden er afwachtend bij. Gelukkig ging de regen over in een soort van miezer.

Ik nam het woord, daar was ik immers beter in dan Pieter-Bas, dat wisten we allebei – hij was weer beter in samenzweringen, al stond ik daarin ook m’n mannetje. ‘Klaas,’ zei ik luid, ‘je wil erbij horen en dat begrijpen wij. Maar dan moet je wel een offer brengen.’

We keken allemaal naar hem. Hij knikte kort en nerveus.

‘Ben je bereid?’ vroeg ik, die woorden had ik de dag ervoor van mijn broer Johan geleerd, ik had hem gevraagd naar offers, waarover hij wat wist omdat hij zijn spreekbeurt over ‘wilde Indianen’ deed. Hij vertelde me zelfs dat je eigenlijk ‘offerandes’ moest zeggen en iets over ‘initiatie’, maar die woorden kon ik maar niet onthouden en ik moest natuurlijk geen modderfiguur slaan.

‘Eigenlijk moet het terrein branden,’ verzon ik, ‘of in ieder geval smeulen. Maar omdat het zulk slecht weer is, hoeft dat nu niet.’

‘Goed,’ zei Klaas.

‘Wàt zeg je?’ vroeg Pieter-Bas. ‘Goed?’

Dat was een slimme van Pieter-Bas. Verdomme, waarom was ik daar zelf niet opgekomen?

‘Dank’, herstelde Klaas zich. En je kon hem zien slikken.

Hij – enig kind – woonde tussen wal en schip, aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat, die deels de scheiding vormde tussen de middenstandwijken en die van het lagere allooi, in een buurt die bij het oude dorp hoorde noch bij de buurt waarin ik opgroeide. Het markeerde zijn eenzaamheid. Achter hun huis bevond zich het kleine havenkwartier.

‘Je moet,’ zei ik, ‘een lied voor ons zingen…’

‘Goed. Dank.’

Dadelijk deed hij het nog in z’n broek. Dat zou helemaal fantastisch zijn!

Er viel een stilte.

‘Welk lied?’ wilde Klaas toen weten.

Even was ik uit het veld geslagen: ik wist het niet. En ik zag dat Pieter-Bas er ook niet over nagedacht had.

‘Met je broek uit,’ antwoordde ik vlug.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij, bij voorbaat gepijnigd.

‘Je moet een lied zingen en dan je broek laten zakken.’

‘Neeh…’

‘Jawel.’

‘Je wil er toch zo graag bij horen?’ zei Pieter-Bas. ‘Nou dan.’

De anderen stonden te gniffelen.

Klaas veegde z’n natte voorhoofd af. Er bleef even een druppel aan z’n neus hangen, maar toen schudde hij zijn hoofd.

‘Goed,’ zei hij toen. ‘Dank.’

Pieter-Bas begon te giechelen. De regen werd weer wat dikker.

‘Bij ons staat op de keukendeur,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Je moet Bij ons staat op de keukendeur zingen.’ Omdat ik hem zag peinzen, vroeg ik: ‘Dat ken je toch wel?’

‘Uhh… Niet precies.’

‘Ja-ah, het moet wel precies,’ vond Pieter-Bas.

Klaas’ lippen begonnen te trillen, maar dat was misschien ook wel van de kou. Waterkou, noemde m’n moeder dat.

‘Oké.’

Weer werd het stil. Het was spannend en het was heel vreemd.

‘Begin dan…’ zei Pieter-Bas.

‘Waarmee?’ probeerde Klaas het vonnis te rekken.

‘Of moeten we je soms helpen?…’

‘Eerst je broek omlaag,’ riep ik met overtuiging, het gezag weer naar me toe trekkend. Pieter-Bas mocht het niet van me overnemen.

‘Alle twee?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Pieter-Bas.

‘Alle twee,’ antwoordde ik kortaf. ‘Ook je onderbroek.’

Hij deed het, langzaam, maar hij deed het. Eerst z’n broek, die al gauw op z’n enkels zakte, en toen z’n onderbroek, die tussen z’n knikkende knieën bleef hangen. En wij staarden allemaal naar z’n piemel, die een klein boogje vormde en in een herkenbaar smal tuutje eindigde. Zelf keek Klaas in het oneindige voor hem, z’n mond hing half open en z’n blik zag grauw.

‘Zingen,’ zei ik.

Klaas rilde en omklemde z’n bovenlichaam met z’n armen.

‘Zingen,’ drong Pieter-Bas aan.

‘Zingen!’ riepen we toen allemaal.

Ik zette in, om er vanaf te zijn, want ik vond het pijnlijk, om hem wat te helpen en zeker ook om mijn gezag te onderstrepen: een curieuze mengeling van motieven, die ik allemaal tegelijk ergens besefte, wat me in de war bracht. ‘Bij ons staat op de keukendeur…’ bracht ik met verstikte stem uit, meer dreunend, maar dan zonder overtuiging, dan zingend.

Klaas pakte het gelukkig op. ‘Het is niet altijd rozengeur…’

Ook hij zong niet, hij leek het eerder op te lezen, met vlakke stem, zacht ook.

Hadden wij toeschouwers tot dan toe steeds moeite onze lach te onderdrukken, nu keken we minder geamuseerd, er was een troebeling in ons speelse plezier gekomen. Iets raars. Maar we probeerden het voor elkaar te verbergen. Ik tenminste wel. De lach op onze gezichten hadden iets verbetens, iets maskerachtigs, echt en onecht tegelijk.

En m’n vader schreef op het behang…’

Ik voelde Klaas’ eenzaamheid aan den lijve, ik was tot in elke vezel doordrongen van zijn verdriet. En dan de kou. Je kon de rimpels op z’n zakkie zien. Ik herkende ze van zee, als je uit het ijskoude water kwam. Het voelde ook altijd heel ruw. Rubberachtig ook.

Lekker is maar ene vinger lang…’

‘Heel goed,’ zei Pieter-Bas.

Beetje kon het niet aanzien en ging er vandoor. Na ons en vooral mij een vernietigende blik te hebben toegeworpen. Met z’n fiets in z’n hand rende hij het landje af.

Ik zag Klaas’ ogen draaien en hij tolde op z’n benen. Het was fascinerend. Hij deed me denken aan de pin die je door het midden van een langspeelplaat moest steken om hem op het midden van de pick-up te leggen. De zwartgeblakerde bodem, die bijna-cirkel om hem heen, was de plaat. En hij zong!

En mijn moeder buffet… Ehh…’

De machine haperde. Hij was de tekst kwijt.

Niemand wist wat te doen. Klaas stond daar maar, met zijn mond open en met grote verschrikte ogen. Ik probeerde me de tekst te herinneren, maar ik kwam er ook niet op. Dat had ik altijd met liedjes, ik wist alleen het begin maar.

Iedereen keek naar mij.

‘Is het goed zo?’ vroeg Klaas toen met akelige stem.

‘Perfect,’ zei Pieter-Bas. Voor zijn beurt, wat mij betrof.

Ik keek van Klaas naar Pieter-Bas en terug. Ik had nog een troef. Ik bukte en plukte de bruine steel van de half verdorde distel uit de grond. Voorzichtig draaide ik er een kroontje van en zette die bij Klaas op z’n hoofd.

De anderen keken ademloos toe. Bij Klaas ontsnapte er een traan aan z’n oog. Maar dat was niet van de pijn, wist ik, want de prikkels van de distel waren niet zo sterk meer. Waarom hij dan toch huilde, wist ik ook. De anderen keken me een tijdje aan, met een vragende en onvriendelijke blik, maar ook met een zekere bewondering. Ik had een slechte beurt gemaakt, ze vonden me zoiets als weerzinwekkend. Tegelijkertijd, en dat besefte ik dondersgoed, had ik hiermee m’n positie ontzaglijk versterkt. Ik voelde me gestaald, een onverzettelijke kracht. Een standbeeld was ik, groots en trots.

Toen Klaas als een gek zijn broek begon op te hijsen viel de slappe plant van z’n hoofd. Daarna struikelde hij over z’n eigen benen en bleef liggen op de grond, z’n gezicht verbergend.

Wij hadden moeite om niet in schateren uit te barsten terwijl we elkaar aankeken.

 ‘Ik heb slecht nieuws voor je,’ zei Pieter-Bas en hij krulde z’n lippen.

Klaas lag schokkend van het snikken op de grond.

‘Je hoort er niet bij,’ ging Pieter-Bas verder. ‘Hij is te klein…’

Geniaal vond ik het, en ik gloeide van de jaloezie: dat had ik moeten zeggen!

De anderen knepen hun neus dicht en stootten gekke geluiden uit. Pieter-Bas glunderde.

Intussen krabbelde Klaas overeind. Even kreeg hij het voor mekaar ons stuk voor stuk aan te kijken, met een blik in z’n ogen die boekdelen sprak. Z’n ontluistering was totaal. Hij trilde en stootte wat vreemde klanken uit.

Opnieuw huilend koos hij het hazenpad, maar niet na ons nog even verzekerd te hebben het ‘allemaal’ aan zijn vader te vertellen en dan waren we, riep hij met overslaande stem, nog niet jarig want zijn vader zat bij de marine.

Ik zou liegen als ik zei dat ik ’m niet kneep, en wij allemaal wel daar, hoewel we breeduit stonden te lachen. Maar waarschijnlijk heeft hij het hele geval nooit aan z’n vader durven opbiechten want we hebben er nooit meer iets over gehoord en Klaas, die toch eigenlijk een beste jongen was, heeft er als gevolg van dat alles nooit echt bij gehoord. En daar had hij het moeilijk mee, dat kon je aan alles merken, aan z’n gedrag en aan z’n uitlatingen. Hij was erdoor getekend. Zijn voorbeeld was natuurlijk zijn vader, die stoere marine-man die ‘de commando-school’ had gedaan. En hij, hij had voor lul gestaan. Daar kom je moeilijk over heen, over zoiets, dat begreep ik wel. Maar ik, ik had m’n eigen zorgen. Ik ging hem uit de weg, omdat hij verder onbelangrijk was en ik, behalve een vorm van trots, ook zoiets als een schuldgevoel koesterde. Het zat me in ieder geval niet helemaal lekker.

Maar dat was later. Toen keken we hem na en konden we eindelijk hardop in lachen uitbarsten. Ik gaf Pieter-Bas een hand. Wij hadden immers een verbond. Wij waren de leiders.

--

De volgende aflevering:

Vader brengt Sint in verlegenheid en meer dan & van dat

Over het boek

Zes broers en een zus is een familiegeschiedenis. Maar een ongewone. Het gaat om een armelijk gezin uit de enige achterbuurt die het welvarende Wassenaar rijk is. De vader is even gecompliceerd als gek. Een intelligente dwaas. De moeder is eenvoudig en zorgzaam. Een vrome ziel. Samen moeten ze het zien te rooien in dat te kleine huis met meer kinderen dan ze aankunnen. Bijna allemaal jongens en stuk voor stuk druktemakers. Zes broers en een zus is een portrettengalerij van karakters, gezien door de ogen van een scholier. Het is binnen de Nederlandse literatuur het enige verhaal van een katholieke familie in de bloei van het verval. Een levendig verhaal. Even tragisch als hilarisch. En dat alles in een soepele stijl, vol prachtige anekdoten en schitterende dialogen. Het schrijfplezier spat ervan af. 

Het boek verscheen 10 december en is nu te bestellen bij Bazarow

Over de auteur

Van Marc Schoorl (Wassenaar, 1962) verschenen in onder meer De Gids, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer literaire artikelen en beschouwingen. De laatste tien jaar werkte hij vooral aan zijn ‘grote trilogie’ Autobiografie van een romanpersonage. Deel 1 is Zes broers en een zus dat in december 2020 verschijnt. Het wordt als feuilleton gepubliceerd op Bazarow.com, elke woensdag en zondag rond de klok van 9.00 uur.
Deel 2 en 3 zullen in 2021 verschijnen.

--

Lees hier de proloog van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 1 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 2 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 3 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 4 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 5 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 6 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 7 van Zes broers en een zus

lees hier hoofdstuk 8 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 9 van Zes broers en een zus

Lees hier hoofdstuk 10 van Zes broers en een zus

 

Thinium breidt verder uit. Audiobooks steeds populairder?

Thinium breidt verder uit. Audiobooks steeds populairder?


Eind 2015 richtten Anouk Boelsma en Stefan van Duyn Thinium op. Dit is een onafhankelijk audioboek bedrijf. Zowel Boelsma als Duyn hadden al jaren ervaring in het vak, na eerst voor Rubenstein en Storytel gewerkt te hebben. Kennis van wat een goed audioboek inhoudt hebben Boelsma en Duyn dus zeker. Nu vijf jaar later kunnen ze hun bedrijf weer verder uitbreiden. Per jaar produceren ze nu ongeveer 450 audioboeken.

De uitbreiding van het bedrijf, die vanaf 1 december plaatsvond, betekent dat ze nu over meer studio’s beschikken wat leidt tot een hogere productie. Hiervoor werkte ze maar met 1 studio. Daarnaast kan er gemakkelijker aan gezamenlijke projecten worden gewerkt. Dit zijn audioboeken waarin verschillende stemacteurs het verhaal voorlezen.

De interesse voor audioboeken lijkt te toe te nemen. Zo moeten Boelsma en Duyn tegenwoordig zelfs geïnteresseerden afwijzen omdat er niet voldoende ruimte is om elk boek op te nemen. Het bedrijf gaat echt op zoek naar de juiste stem voor elk boek. Sinds het Covid-19 virus krijgt Thinium meer aanmeldingen van geïnteresseerden die hun stem willen lenen voor voorlezen, alleen heeft echt niet iedereen een prettige stem en er moet niet onderschat worden dat de kwaliteit van het voorlezen voorop staat. Of zoals Duyn aangeeft “Een mooi stemgeluid is niet genoeg, een voorlezer moet de tekst echt acteren. Als het goed is wordt het verhaal nog mooier dan het op papier al is.”

 

Thinium kan in 2021 in ieder geval weer flink aan de slag met audioboeken produceren. 

--

Door Renske Bakkenes

Een leeslijst voor de Australische minister-president

Een leeslijst voor de Australische minister-president


De Australische denktank Grattan Institute kiest ieder jaar een selectie boeken voor op de leeslijst van hun minister-president, Scott Morrison. Grattan Institute richt zich op het ontwikkelen van een kwalitatief publiek beleid om Australië een goede toekomst in te leiden.

Grattan’s CEO Danielle Wood: “Deze werken bespreken belangrijke en moeilijke uitdagingen voor Australië en one regering - klimaatverandering, het opbouwen van een weerbarstige economie en het verzoeken met inheemse groepen. Maar ze geven ook hoop. Ze schijnen licht op hoe we vooruit kunnen, of dat via publiek beleid, het opbouwen van gemeenschappen of via individuen, vrienden of familie gaat.”

De boeken op de lijst zijn:

- The Carbon Club - Marian Wilkinson

- Fire Front: First Nations poetry and power today - Ed. Alison Whittaker

- Good Economics for Hard Times - Abhijit V. Banerjee, Esther Duflo

- How the dark gets in - Claire Wright

- Max - Alex Miller

- Men at Work: Australia’s Parenthood Trap - Anabell Crabb

Grattan Institute zegt verder deze boeken aan alle mensen aan te raden, niet alleen aan de minister-president.

--

Door Isolde Kors

Lees ook het artikel van Grattan Institute

Lees ook het artikel van The Guardian

 

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden