Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Ongeduld

LJ Veen Klassiek

Auteur(s): Stefan Zweig
Taal: Nederlands
0,2/5
2 recensies
Ongeduld
Ongeduld
Ongeduld

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Roeland Dobbelaer
4/5

Dostojevskiaanse roman uit 1939

[Recensie] In zijn autobiografie Die Welt von gestern, voor het eerst gepubliceerd in 1944, beschrijft de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig de teloorgang van de wereld waarin hij opgroeide, het Wenen rond 1900. Voor Zweig was het een wereld vol van muziek, literatuur en filosofie. De kunsten werden hogelijk gewaardeerd, er was ruimte voor experimenten. Wenen was in die tijd wat Florence was in de Renaissance. En niet onbelangrijk voor de gevoelige Zweig: mensen gingen fatsoenlijk en hoffelijk met elkaar om. Daarbij was het een welvarende tijd, er waren weinig zorgen.

Door de Eerste Wereld oorlog spatte de droom uiteen en na vier jaar van ongelofelijk oorlogsgeweld hield de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie op te bestaan. Oostenrijk raakte in verval door de economische crisis van de jaren twintig en tien jaar later sleurde Hitler het land de Tweede Wereldoorlog in. De Joodse Zweig is dan al gevlucht naar Engeland en later naar Brazilië, waar hij in 1942 gedesillusioneerd zelfmoord pleegt. De nazi’s verbieden zijn boeken.

Die Welt von gestern is een verdrietig boek van een verdrietige man, maar het is ook een prachtig boek waarin Zweig op elke pagina laat zien hoe het leven eruit zou kunnen zien als de gekken en de gewelddadigen het niet voor het zeggen hebben.

Een paar jaar eerder riep Zweig al de tijd van het ‘belle epoc’ op in zijn roman Ungeduld des Herzens, vertaald als Ongeduld, dat vlak voor het uitbreken van WO I speelt. Beleefdheid en fatsoen zijn opnieuw de grote deugden, maar anders dan in zijn autobiografie, zijn deze al te vormelijke uitingsvormen nu beklemmend en leiden ze tot de een na andere pijnlijke situaties. Hoofdpersoon in het boek is de jonge cavalerist Toni Hofmiller die met zijn garnizoen gelegerd is in een stadje aan de Hongaarse grens. Hij leert er de rijke familie Kekesfalva kennen. Tijdens een bal in hun paleis vraagt hij, beleefd als hij is, de dochters des huizes ten dans. Toni heeft niet door dat het meisje verlamd is. Het meisje is geschokt, ze begint hevig te trillen, te huilen en valt neer. De jonge militair is volkomen de kluts kwijt, hoe heeft hij zo’n blunder kunnen maken? Hij vlucht het paleis uit.

Wat later komt Hofmiller weer in contact met de familie, ze nemen hem zijn faux pas niet kwalijk, hoe had hij immers kunnen weten dat het meisje niet kan lopen en dan volgen er met grote regelmaat nieuwe bezoekjes. Toni wil zijn blunder goed maken, heeft medelijden met het meisje en doet er alles aan om haar te vermaken. Dan is het al te laat en wordt hij door de geraffineerde jongedame steeds meer in een onheilspellende geschiedenis getrokken. Toni blijft hoffelijk en beleefd, in plaats van dat hij het jonge wicht de waarheid durft te zeggen dat hij eigenlijk helemaal niet zo in het meisje is geïnteresseerd. De beschrijvingen van alle twijfels van Hofmiller over wat de jonge dame nu weer bedoelde of toen weer zei, en wat hij dan en dan had moeten doen, doen sterk denken aan Dostojevski. Het is alsof je Dimitri Karamazov of Rodion Raskolnikov uit Misdaad en straf hun zorgen en twijfels hoort verwoorden. En net als Dostojevski in zijn romans geeft Zweig in Ongeduld een inkijk in de menselijke geest en probeert hij de vraag te beantwoorden waarom relaties tussen mensen, ondanks alle goede wil van de actoren, gedoemd zijn te mislukken.

Misschien is het mooiste portret dat van de vader van het meisjes, de geassimileerde Jood Lajos Kekesfalva, waarin je ook weer de nodige antihelden van Dosjeveski in herkent. Kekesfalva is een meedogenloze sjacheraar die met allerlei dubieuze praktijken stinkend rijk is geworden en ook door gesjoemel zijn vrouw kon trouwen. (De roman is van eind jaren dertig en ondanks het opkomende antisemitisme zet Zweig het joods zijn, in combinatie met het gesjacher van de vader, wel erg dik aan). Zo hard als hij als zakenman was, zo ruggengraatloos is Kekesfalva als het om zijn dochter en haar grillen gaat. Al haar wensen willigt hij, het maakt niet uit wat het kost. Hij kan niet accepteren dat het kind niet zal genezen en chanteert daarom zowel de breedsprakige visionaire arts van het meisje (ook een prachtig portret neergezet door Zweig) als de jonge militair. En zo raakt iedereen verstrengeld in een web van leugens. Als alle hoop vervlogen is bedenkt Hofmiller dat ‘het ergste op de wereld niet veroorzaakt wordt door slechtheid en wreedheid, maar vrijwel altijd door zwakheid wordt veroorzaakt’. Dostjojevski had het kunnen schrijven.

Vertaalster Janneke van der Meulen laat in het uitstekende nawoord bij Ongeduld zien dat Zweig geen literaire vernieuwer was. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten als Joyce, Kafka, Musil, Woolf en Proust, hield Zweig het bij de klassieke vorm van de roman, waarbij hij het verhaal van a tot z vertelt, en de personages overzichtelijk introduceert. Dat leverde inderdaad geen vernieuwende roman op. Maar we vergeven het Zweig maar al te graag dat hij in die woelige jaren dertig van de vorige eeuw, toen hij zijn oude wereld zag instorten, zich opsloot om een roman te schrijven waarin die oude wereld herleeft; een klassieke roman, een prachtig roman.

Met dank aan Thomas en Koen

Voor het eerste gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Tea Lierop van

Zinderende vertelling over liefde en medelijden 

[Recensie] De titel van deze recensie schiet vanzelfsprekend schromelijk tekort, want een boek van Stefan Zweig laat zich niet vatten in een ‘Einzeiler’. De Joodse auteur schreef deze roman in ballingschap, zijn geboorteland Oostenrijk had hij in 1934 verlaten en zocht zijn heil in Londen. Ongeduld speelt zich af net voor WOI, de dreiging hiervan weet hij goed over te brengen in het verhaal. Het hoofdpersonage Toni Hofmiller is als luitenant van de cavalerie gelegerd in een garnizoen aan de Oostenrijkse-Hongaarse grens. De keuze om dienst te nemen was meer praktisch dan een roeping: in het leger men was verzekerd van kost en inwoning, dat scheelde het niet welgestelde gezin Zweig een slok op een borrel. Toni heeft geen uitgesproken ideeën over het leven, dingen overkomen hem. Zo ook die ene keer dat hij een meisje ten dans vraagt dat verlamd is en vanaf dan zijn lot zal bepalen. 

De verteller is Toni zelf en we zullen hem in zijn relaas moeten geloven op zijn eerlijkheid. Het valt niet mee om het boek te lezen zonder de auteur erbij te denken, Zweig schetste later in De wereld van gisteren een wereld zoals Zweig en zijn tijdgenoten beleefden in de jaren ruim voor de eerste wereldoorlog. In deze periode lijkt het alsof de zekere tijd, die al honderden jaren bestaat, heel vanzelfsprekend is. Zweig ontleedt heel zorgvuldig hoe deze situatie ontstaan is, betrekkelijk weinig grote oorlogen zorgden voor stabiliteit en ook een zekere bezadigdheid. Klaarblijkelijk heeft deze Toni zich ook een beetje in slaap laten sussen, maar daarin komt verandering na die blunder. Het meisje in kwestie, Edith Kekesfalva, aanvaardt de volgende dag zijn excuses en Toni wordt weldra als een goede huisvriend beschouwd. Hij ontvangt kostbare geschenken van Ediths rijke vader die overigens een verborgen verleden blijkt te hebben. Dit pikante verhaal krijgt een prominente plek als raamvertelling. 

Het verhaal over het duistere verleden van Kekesfalva heeft een directe link naar het thema in het boek : medelijden. Want hierom draait alles in Zweigs roman; de vader, Toni, de arts Condor, de vriendin van Edith, allen vertonen in hun gedrag een vorm van medelijden. De dokter is een nobel mens, hij lijkt zuivere motieven te hebben. Zijn visie op de behandeling van het verlamde meisje is opmerkelijk. 

“Maar mij zult u er nooit toe krijgen dat ik het woord ‘ongeneeslijk’ uitspreek. Nooit! Ik weet dat de scherpzinnigste geest van de afgelopen eeuw, Nietzsche, deze verschrikkelijke woorden heeft genoteerd: “Van het ongeneeslijke moet men geen arts willen zijn.’ Maar dat is zo ongeveer wel de meest bedrieglijke van alle paradoxale en gevaarlijke uitspraken die hij ons heeft voorgeschoteld. Precies het omgekeerde is waar, en mijn stelling is: juist van het ongeneeslijke moet men arts willen zijn, sterker nog: alleen door zich op het zogenaamd ongeneeslijke te richten, bewijst hij dat hij arts is.” 

De betogen en visie van Condor zijn bijzonder interessant en vormen een tegenhanger van die van twijfelaar Toni. Hij legt uit dat er verschillende soorten medelijden bestaan en dat die niet allemaal even nobel zijn. Condor blijft een optimistisch mens en hoopt op medicijnen die nog ontdekt moeten worden. Hij heeft niets met zijn status als arts, met zijn sobere levenswijze wordt hij een personage met een aimabel karakter. Wel moet hij tactisch proberen om te gaan met de hoop op genezing van Edith, hoe zorg je ervoor dat die wordt opgegeven? Dit alles legt hij uit aan Toni en geeft de luitenant stof tot nadenken, die zelf veel zaken niet goed kan beredeneren. Op zijn pad verschijnt op een avond een vertelling uit Duizend-en-één-nacht, het gaat over een ontmoeting tussen een jongeman en een verlamde grijsaard. Met een schok van herkenning leest hij door en ontdekt dan dat die verlamde grijsaard een schurkachtige tovenaar is, dit verhaal komt hem nog een aantal keren in gedachten en lijkt een voorteken. 

“Met die flitsende kracht waarmee anders alleen in dromen beelden en gezichten worden opgeroepen en met elkaar vermengd, had ik de grijsaard uit het spookje instinctief het gezicht van Kekesfalva gegeven, en zelf was ik dat onzalige rijdier geworden, dat hij voortsleepte, aanspoorde; ja, de druk op mijn keel was zo tastbaar dat me de adem stokte.” 

Er is ruime, maar niet te veel, aandacht voor het leven van Toni als luitenant. Kameraden van het garnizoen houden hem in de gaten, het valt op dat hij zo vaak in huize Kekesfalva verschijnt. Zijn karakter belet hem de rug recht te houden en hij komt hiermee in lastig parket, zwicht hij voor de groepsdwang van zijn kameraden of blijft hij trouw aan huize Kekesfalva? De beschrijvingen van de cavalerie zijn sprekend en geven het militaristische karakter weer, de combinatie van de glamour van de mooie paarden en uniformen en de ijzeren discipline worden soms filmisch weergegeven, ook de scenes waarin alles onder dreigt te gaan zijn. 

In het informatieve nawoord van vertaalster Janneke van der Meulen wordt Zweig geciteerd:

“In feite is dit boek een hedendaagse psychologische studie, die zich in Wenen afspeelt, en ik snijd er voor het eerst bepaalde nieuwe medische problemen aan.” 

Wie De wereld van gisteren las, zal in het nawoord veel herkennen, het is een fijne opfrissing van het geheugen. Vooral in combinatie met de roman Ongeduld komen autobiograaf Zweig en romancier Zweig dicht bij elkaar en zie je de autobiografische elementen op een prachtige manier terug in het boek. Hulde aan Stefan Zweig en de vertaalster! 

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Samenvatting

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wordt de vijfentwintigjarige cavalerist Toni Hofmiller overgeplaatst naar een klein garnizoen aan de Oostenrijks-Hongaarse grens. Op een feest bij de aristocratische familie Kekesfalva vraagt hij per ongeluk de verlamde dochter ten dans. Dit blijkt het begin van een ingewikkelde en slepende affaire.

€ 17,50

Verwachte leverdatum: vrijdag 27 november


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789020413816
Verschijningsdatum
juli 2013
Druk
2
Aantal pagina's
432 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
302: Vertaalde literaire roman, novelle
Thema's
  • Fictie
  • Fictie: algemeen en literair
  • Klassieker
Categorieën

Auteur
Uitgever
Veen, L.J.

Vertaald door
Janneke van Meulen

Meer van deze serie

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen