Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

De zwijger

Het leven van Willem van Oranje

Auteur(s): René van Stipriaan
Taal: Nederlands
0.2/5
2 recensies
De zwijger
De zwijger
De zwijger

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Jos Palm

Eigen familie eerst

Willem van Oranje maakte geen geschiedenis, hij werd door de geschiedenis gemaakt. Zo blijkt uit de nieuwste biografie, geschreven door René van Stipriaan.

[Recensie] Zoals Frankrijk Napoleon heeft, Engeland Churchill, Duitsland Luther, hebben wij Willem. Anders dan Napoleon of Churchill was Willem van Oranje geen product van krijgshaftig en onverschrokken patriottisme of, zoals Luther, de All Deutscher volgens een vermaard Duits historicus, van de kenmerkende geestesgesteldheid van een heel volk. Toch zou hij de verpersoonlijking van de natie worden.

Willem werd allerlei kwaliteiten toegeschreven: hij was de onzelfzuchtige vooruitziende leider; de verdediger van het ‘ware geloof’. Oranje zou een van de eerste politieke architecten zijn geweest van religieuze tolerantie in een eeuw van dogmatische godsdienstige dwang. Zijn figuur en optreden zouden staan voor een bijna oneigentijdse anti-tirannieke levenshouding waar tot op heden een voorbeeld aan te nemen is. Hij zou de held worden van de ware vrijheid, verdwaald in een eeuw van kerkelijke en feodale absolutistische dwingelandij.

En dat alles terwijl Willem toch in de eerste plaats aan Willem en de zijnen dacht. In tegenstelling tot Luther of Napoleon was hij niet wat je een programmatische historische figuur zou kunnen noemen. Oranje maakte geen geschiedenis, Oranje werd door de geschiedenis gemaakt. Zo blijkt uit de nieuwste biografie, geschreven door René van Stipriaan, die zich eerder met boeken over de cultuur en over de volkse schrijver Bredero liet gelden als kenner van de zestiende en zeventiende eeuw. Ook ditmaal is hij de taaie en weerbarstige werkelijkheid met een loep te lijf gegaan en heeft hij een uiterst leesbaar boek afgeleverd dat de lezer door de feiten heen helpt met passende citaten en opmerkingen en typeringen. Zo beschrijft Van Stipriaan de agressieve geuzenleider Lumey – de moordenaar van de martelaren van Gorcum – als een psychopaat die graag in monnikspij rondliep; zo vergeet hij niet te vermelden dat tijdgenoten het bij voorkeur hadden over de snor van landvoogdes (de hoogste koninklijke bestuurder) Margaretha van Parma; en zo trakteert hij ons op de bijnaam van een bastaard van Willem, die in zijn huishouding als ‘de kleine van onze heer’ werd aangeduid.

Komen in de oudere biografieën de beschrijvingen van Oranje pas echt op stoom in de jaren zestig van de zestiende eeuw als de opstand op uitbreken staat, zo begint Van Stipriaan veel eerder. Zijn levensbeschrijving opent bij Willems geboortejaar 1533 met het hoofdstuk Het gewicht van de stamboom. Heel het handelen van Oranje kan, en moet, volgens de auteur verklaard worden vanuit welgemeend eigenbelang (dat hij later zal cultiveren tot landsbelang). We lezen hoe Oranje als jong ventje van zijn vader het adagium – toen heel vanzelfsprekend onder kleinere en grotere adel – ‘eigen familie eerst’ meekrijgt, en hoe hij trots leert te zijn op hun zeer oude adellijke komaf, teruggaand op de twaalfde eeuw, toen de Habsburgse familie van koning Philips II nog geen naam mocht hebben – waardoor bij Willem het misverstand postvat dat hij minstens zo voornaam is als de latere koning van Spanje.

En er blijken nog twee betekenisvolle erfenissen van huis uit te bestaan. Het ene betreft het dan in Europa al verdeelde geloof: formeel zijn ze in Nassau netjes katholiek, maar ze hebben er klein-ketterse oftewel Lutherse sympathieën. Het andere betreft het feodale familiebezit. Dat ligt als lappen in een deken verspreid over gebieden in de Nederlanden, Zwitserland, Luxemburg en Frankrijk. De boel – zowel in religieus als in politiek-geografisch opzicht – bij elkaar houden en behouden is de opdracht waar Willem mee opgroeit en die hij als oudste zoon zal verinnerlijken. Als we eensgezind blijven, schrijft Willem bij het sterven van zijn vader aan zijn broer Lodewijk, zal ons huis “in faam en achting niet dalen, maar juist toenemen”.

Al gaat het te ver om te zeggen dat heel Willems loopbaan een naspel is bij dit voorspel, is zonder de training op kasteel Dillenburg in Nassau zijn geschiedenis niet te begrijpen. Hij leerde er om zich groot, en als het moest klein te maken. Want ook al hadden de Nassau’s een hoge dunk van zichzelf, diep in hun hart beseften ze dat ze als adellijke subtoppers afhankelijk waren van de snippers die feodale toppers, zoals de heersers in hun contreien, de Habsburgers, hun gunden. Oranje wist het hele zooitje ongeregeld van geuzen, steile calvinisten, dwalende katholieken, boze burgers en bezorgde handelslieden te verenigen

Hij, de voornaamste Nederlandse edelman en favoriet van keizer Karel V, wordt aan diens hof opgeleid tot hoge bestuurder, en leert daar nog eens extra de waarde van voorkomendheid, wellevendheid en geduld kennen, van het ophouden van de schijn, van het theater van de welgezindheid aan ‘de goede zaak’ (daarbij ook altijd denkend aan het eigenbelang; Van Stipriaan spreekt in dit verband van Oranje’s ‘dubbelleven’). Hij zal ook vaak met de oude en vermoeide keizer aan de arm lopen terwijl diens norse, verwende zoon Philips toekijkt – Van Stipriaan wijdt Willems deelname aan de opstand mede aan de onverenigbaarheid van hun humeuren.

Welbeschouwd was Oranje’s loopbaan vol vooruitzichten: Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht in 1559, verzamelaar van belangrijke baantjes en functies, ridder van het Gulden Vlies, en ook nog eens de charmante, innemende lieveling van vele dames aan de hoven.

Toch leek Willem een paar jaar later op het verkeerde, aanvankelijk verliezende paard te wedden. Eigenlijk weet Van Stipriaan ook niet helemaal zeker of hij nou voor de opstand koos of zich erin liet rommelen. De feiten wijzen het meest in de richting van een min of meer bewuste keuze. Oranje sprak zich al in een vroeg stadium, in 1564, uit tegen geloofsdwang van de staat (en dat wijst op z’n minst op een principiële erasmiaanse houding inzake de religie, oordeelt de auteur). Hij was betrokken bij het zogeheten Eedverbond der Edelen en het Smeekschrift dat in 1566 om verzachting van de harde aanpak van ketters vroeg. En hij was vooral op de achtergrond aan het foezelen en samenzweren tegen het uitvoerende koninklijke gezag ter plaatse, oftewel tegen de hertog van Alva.

De geschiedenis die erop volgt is de bekende van de Beeldenstorm in 1566, van Alva’s beruchte belasting De Tiende Penning en nog beruchtere kettervervolgingen door de Bloedraad. Van de nipte overwinning van de opstandelingen bij Heiligerlee in 1568, van een reeks verpletterende nederlagen van Oranje’s troepen, en van het begin van het herstel bij Den Briel, bij Alkmaar waar ‘de victorie’ begon en bij het zogenoemde ontzet van Leiden dat tegen alle verwachtingen in behouden bleef voor de opstand. En ook al probeerde Oranje nog zo de indruk te wekken dat hij niet streed tegen zijn koning van Hispanje maar tegen zijn in het rond moordende vazal Alva, zijn koning wist wel beter. Toen Oranje er eenmaal tot aan zijn nek in zat, was er geen weg meer terug. Voor de koning niet en, als Willem naar zijn eigen hart en verstand luisterde, voor hem ook niet.

‘Dus dit graafje van Nassau is van plan oorlog met mij te voeren’, schreef Philips. De enige oorlog die Oranje metterdaad won, was de pr-slag met Philips II – het werk ‘van mensen zonder moed’, schreef de in zijn riddereer aangetaste Spaanse raadgever en bisschop Granvelle (de opstand zou er tachtig jaar over doen om te slagen). Speelt Oranje in het begin nog de kaart van de zielige edelman die onheus bejegend is door zijn koning, al snel weet hij in pamfletten en zendbrieven zijn landgenoten ervan te overtuigen dat met hem alle Nederlanders beroofd worden van hun vrijheid en rechten. Zijn oorlog is vooral ook hún oorlog, luidt de boodschap. Zelfs zijn fameuze laatste woorden over ‘dit arme volk’, die hij onmogelijk kan hebben gesproken – hij was zo goed als op slag dood – blijken al vóór de geslaagde moord te zijn opgeschreven, en klaar te liggen voor propagandistisch gebruik.

En er was nog een soort van slag die Willem van Oranje wist te winnen. Oranje moest in de beginjaren van de opstand een kruiwagen vol kwakende kikkers bij elkaar zien te houden: geuzen, steile calvinisten, gematigde katholieken, dwalende katholieken, boze burgers en bezorgde handelslieden. Dat hele zooitje ongeregeld wist hij te verenigen. En dat was te danken aan zijn handige bindende vermogen dat hij in zijn leerjaren, voordat hij rebel werd, had opgedaan.

Willem werd de vader des vaderlands niet omdat hij een groots visioen had (een plan of visie, zeggen we tegenwoordig), maar juist omdat hij dat niet had, en op het juiste moment de juiste toon wist aan te slaan tegen de ertoe doende onderscheidende groepen die ‘samen’ één volk zouden blijken. Elk land krijgt de leiders die het verdient, schreef de filosoof Joseph de Maistre eind achttiende eeuw. Dat onze geschiedenis begint met Oranje kan nauwelijks toeval zijn.

Eerder verschenen in De Groene Amsterdammer

Recensie door: Marnix Verplancke
4/5

Zonder Willem van Oranje geen Nederland, weet iedereen, maar het overgrote deel van zijn leven was de man wel actief in Vlaanderen, want in Brussel lag het bestuurlijke en in Antwerpen het commerciële hart van de Nederlanden.

[Interview] Toen Karel V na bijna veertig jaar aan de macht geweest te zijn op 25 oktober 1555 in Brussel het bestuur van de Nederlanden overdroeg aan zijn zoon Filips II hield hij zijn rechterhand daarbij op de schouder van een 22-jarige Duitse jongeling. Willem van Nassau was zijn naam, ook wel Willem van Oranje genoemd nadat hij op zijn elfde het prinsdom Orange had geërfd van zijn op het slagveld gesneuvelde neef. Het was een intens moment waarbij niemand het droog hield, maar historisch gezien was het ook een cruciaal moment. Met Filips recht voor zich en Willem aan zijn zij had Karel immers de twee mannen rond zich geschaard die de komende drie decennia het lot van de Nederlanden in handen zouden hebben, en daarmee ook wel een beetje dat van de rest van Europa.

Willem was nochtans niet voorbestemd voor die rol, lezen we in René van Stipriaans imposante biografie De zwijger. Hij was immers in de armere, Duitse tak van de Nassaus geboren. Hij was wel katholiek gedoopt, maar eerder luthers opgevoed, en dat was een cv dat Keizer Karel steevast een beetje jeuk bezorgde. Maar toen stierf dus die neef en kreeg de jonge Willem er meteen alle bezittingen van de rijkere Nederlandse tak van de Nassaus bij, een hele reeks heerlijkheden, landgoederen en het befaamde paleis in Brussel, dat qua pracht en praal alleen voor het Coudenbergpaleis van de keizer zelve diende onder te doen. Op slag was hij de belangrijkste edelman van de Nederlanden geworden. Karel haalde hem daarop weg bij zijn ouders en zorgde ervoor dat hij een degelijke, katholieke opvoeding kreeg.

“Willem werd op papier het machtigste lid van het regeringsapparaat,” vervolledigt van Stipriaan het verhaal, “Alles ging goed tot hij zo rond 1560, toen Filips II al vijf jaar landheer was dus, merkte dat hij steeds meer buiten de macht werd gehouden ten voordele van iemand als Antoine Perrenot de Granvelle, de bisschop van Atrecht. Oranje had echter het ego niet om dat zomaar te pikken. Hij begon vrienden om zich heen te verzamelen, hoge edelen ook, die aan hetzelfde sentiment leden. Zij kwamen in verzet tegen het beleid en zochten in de euforie van hun kameraadschap steeds meer de grenzen op van wat ze zich konden permitteren. Op 31 december 1564 hield Oranje een rede waarin hij de vraag stelde of het wel menselijk was om verder op protestantse ketters te jagen zoals Filips II eiste. Dat ontwrichtte immers de samenleving. Hij hield daarentegen een pleidooi voor verdraagzaamheid en het bij elkaar houden van verschillende bevolkingsgroepen. Voor een katholiek purist als Filips II kon dat absoluut niet. En daarmee was de kiem gelegd voor een jarenlange burgeroorlog die na de val van Antwerpen in 1585 tot het uiteenvallen van de Nederlanden zou leiden.”

Waarom klikte het niet tussen Oranje en Filips II, terwijl Oranje het zo goed met diens vader had kunnen vinden?

“Filips was een heel ander type dan zijn vader. Als je met Karel V in eenzelfde ruimte verbleef wist je dat je met een levende legende te maken had. Filips II was daarentegen een beetje ingekeerd. Dat kwam ondermeer doordat hij alleen Spaans en Latijn sprak, en geen Frans, Duits of Nederlands. En hij was ook stuurs. Dit moet een rol gespeeld hebben in de psychologie van het conflict tussen die twee. Wellicht vond Oranje Filips gewoon een halve zool. Hij zit daar in Spanje een beetje de macht uit te oefenen, lijkt Oranje gedacht te hebben, maar wij kunnen hem wel aan. In 1559 verliet Filips de Nederlanden om er nooit meer terug te keren. Dat was fataal voor de ontwikkeling van het conflict. Stel dat hij wel was teruggekeerd om orde op zaken te stellen, dan had niemand zijn gezag durven trotseren. En als hij slim genoeg was geweest om in de eerste helft van de jaren 1560 hard op te treden, was het wellicht ook niet zo ontspoord. Maar hij deed dus niets en liet de opstandige edelen steeds meer invloed verwerven bij de lokale bevolking. Landvoogdes Margaretha van Parma, die het dagelijks bestuur over de Nederlanden leidde en in Brussel verbleef zag waar het fout liep, maar ze kreeg geen machtsmiddelen om in te grijpen. Pas nadat in 1566 de beeldenstorm was uitgebroken en kerken en kloosters geplunderd werden door de calvinisten, reageerde Filips. Hij stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden, aan het hoofd van een goed getrainde krijgsmacht.”

Toen sloeg de vlam pas echt in de pan, ondermeer met de executie van Egmond en Horne op de Grote Markt in Brussel, en dat terwijl Egmond altijd aan de kant van de Spanjaarden had gestaan. Waarom was Alva zo wreed?

“Alva geloofde niet in halve maatregelen. Wanneer men hem een taak toevertrouwde vroeg hij het volledige mandaat om geweld te gebruiken. Maar hij was geen redeloze bruut, zoals wij wel eens denken. Als veldheer kenmerkte hij zich juist door met veel omzichtigheid zijn gelederen heel te houden. In de Nederlanden maakte hij zich echter bijzonder impopulair. Toen hij de Tiende Penning invoerde, een nieuwe belasting, joeg hij zelfs de middengroepen tegen zich in het harnas en voerde hij een verloren zaak. In 1572 kwamen de volledige Nederlanden in opstand.”

Wat was uiteindelijk doorslaggevend voor die opstand, de onderdrukking van het protestantisme, de nieuwe belasting of de ambitie van de Nederlandse edelen om meer macht naar zich toe te trekken?

“Die drie hingen samen. In de zestiende eeuw ontwikkelden een aantal gebieden zich heel snel, Spanje en Portugal aangezien ze een wereldrijk aan het uitbouwen waren, maar ook Londen en de Nederlanden. De wereldhandel verlegde zich immers van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan. Het scholingsniveau in die landen ging ook heel snel omhoog, waardoor er een diversere samenleving ontstond met een hoge arbeidsverdeling. Handelaren deden goede zaken en hun bewustzijn van hun succes voor het functioneren van het politieke bestel groeide. Dat systeem veronderstelde niet alleen lage belastingen, maar ook een zekere vorm van tolerantie tegenover andersdenkenden. In eerste instantie was dit iets van de zuidelijke Nederlanden, en dan vooral van Antwerpen. Toen de centrale overheid, in dit geval het regime van Filips II, dit probeerde tegen te werken, gingen de economische en politieke machthebbers steeds meer voor verzelfstandiging en republicanisme. Dat gebeurde nadien ook in Holland, naar het voorbeeld van Venetië en Genua.”

Er wordt wel eens gezegd dat Oranje het allemaal voor zichzelf deed, omdat hij de bezittingen die hem in 1567 afgenomen waren door de Spanjaarden terug wou. Is daar iets van aan?

“Ik schakel dat eigenbelang zeker niet uit. Als je in een familie als de Nassaus geboren wordt, drukt er een plicht op je om het bezit van die familie te consolideren en uit te breiden. Nadat hij zijn titels en bezit kwijtgeraakt was, leek hij totaal mislukt. Hij had ook kunnen gaan kamperen in Polen of Hongarije natuurlijk, maar dat lag niet in zijn aard. Dus vocht hij terug en verbond daarbij zijn eigenbelang aan het belang van anderen. Hij deed het voor de verdrukte steden en de verdrukte protestanten, zei hij, en dat was natuurlijk niet heel transparant.”

Hoe kreeg hij mensen zover dat ze dit niet zagen?

“Oranje was een meester in de propaganda. Hij schakelde een aantal vrienden in die de pen goed konden hanteren en die een beeld van hem schiepen waar hij nog helemaal niet in paste, maar waar hij wel naartoe groeide. Hij was al de vader des vaderlands lang voordat hij dat werkelijk was, en hoe meer dat beeld van hem verspreid werd, hoe meer hij ook die allure begon te vertonen. Zoals wij toen we klein waren kleren op de groei kregen, zo zijn er ook veel beelden over Oranje op de groei gemaakt.”

Zoals het Wilhelmus bijvoorbeeld?

“Wat het Wilhelmus zegt is dat er slechts één iemand is aan wie de Nederlanden hun belangen kunnen toevertrouwen, en dat is Willem van Oranje. Hij zal de Nederlanders als Mozes door de woestijn leiden. Dat lied is echter gemaakt op het moment dat Oranje er heel slecht aan toe was en nauwelijks wist hoe het verder moest, in 1571. Hij was alles kwijt, zat diep in de schulden en kon geen kant meer op. Ergens is toen het idee ontstaan dat de calvinisten het ene na het andere liedje maakten en daarmee succes boekten. Dus waarom zouden zij dat ook niet doen? En dat liedje deed het goed. Naderhand heeft iemand gezegd dat het Wilhelmus voor een legermacht van 10.000 man stond, en hij zal er niet ver naast gezeten hebben. Maar er waren ook andere propagandamiddelen natuurlijk, zoals het verspreiden van geruchten en vervalste brieven.”

Hij werd immens populair, terwijl hij in feite toch niet zo’n volksmens was. Zijn idee van godsdienstvrede zei de concrete katholiek of protestant toch maar weinig?

“Wellicht speelde hier de magie van de macht. We kennen dat allemaal. Op het moment dat er een minister passeert kijken we, wat we ook over hem mogen denken. Na de Pacificatie van Gent van 1576, toen het vertrek van de Spaanse troepen werd geëist en de macht in handen kwam van de Staten-Generaal, leek het mogelijk om het Spaanse bewind het land uit te drijven. Oranje was de belichaming van dat succes. Hij maakt triomfantelijke intochten in Antwerpen en Brussel. De mensen stonden tien rijen dik langs de straat en ervoeren hoop op betere tijden. Oranje verkondigde de religievrede, maar al snel bleek de droom een nachtmerrie te worden. Zijn idee dat er meerdere geloofsrichtingen naast elkaar zouden kunnen bestaan is wellicht zijn grootste vergissing geweest. Zelf was hij niet zo begaan met het geloof. Hij was geen volbloed calvinist en geen volbloed katholiek. Hij was daar heel pragmatisch in. Zijn idee was dat Christenen het onderling eens moesten kunnen worden. Op zich was dat geen onzinnige gedachte, alleen was de tijd er niet rijp voor. De calvinisten maakten er buitengewoon handig gebruik van. Waar ze dachten dat het kon, vestigden ze zich als geloofsgemeenschap. Ze ondermijnden vervolgens het zwakke katholieke bewind en namen de macht over.”

En lukte dat ook?

“Op een jaar tijd veranderde de religieuze kaart van de Nederlanden volledig. Er kwamen calvinistische besturen in Antwerpen, Brussel, Gent en Brugge. De hele sociale orde werd op zijn kop gezet en zoals het met de meeste revoluties gaat begon ook deze al heel snel haar eigen kinderen op te eten. In Gent probeerde men met de calvinistische republiek naar het voorbeeld van Genève te stichten. Gebruik makend van de religieuze tolerantie die Oranje had gepredikt ontstond er in geen tijd een bijzonder intolerante samenleving waarin mensen elkaar naar het leven stonden. Uiteindelijk ging het om brute macht. Mensen merkten dit, wreven het Oranje aan en het maakte dat zijn populariteit na 1579 snel afnam. Tegen die tijd verkeerden de Nederlanden in een staat van burgeroorlog en werd het voor het Spaanse bewind weer makkelijker om invloed te krijgen. Filips II stuurde Alessandro Farnese naar de Nederlanden, die niet alleen over buitengewone militaire vaardigheden bleek te beschikken, maar ook nog eens een gewiekst diplomaat was. In geen tijd veroverde hij de ene na de andere zuidelijke stad.”

In hoeverre leefde het idee van de natie in die tijd bij de doorsnee bevolking?

“Wij zien de vroegmoderne samenleving vaak als lokaal georganiseerd, met eventueel een regionaal bewustzijn erbij. Het ideaal van Karel V van de Nederlanden bestaande uit 17 verbonden gewesten zei de gewone man en vrouw zo goed als niets. Daar komt nog bij dat in grote delen van die Nederlanden Frans werd gesproken en het Saksisch van de Groninger voor een inwoner van de Westhoek wellicht volstrekt onverstaanbaar was. Van een echt nationaal denken lijkt er dus geen sprake geweest te zijn, maar Oranje had ook hier propagandisten aan het werk die inzagen dat het ontwikkelen van een natiebesef positief uitwerkte in het verzet tegen Spanje. Dat kwam goed van pas nadat de Spanjaarden in de tweede helft van de jaren 1570 hun militaire activiteiten in de zuidelijke Nederlanden begonnen op te voeren. Het nationale gevoel maakte de weg vrij voor anti-Spaanse propaganda: Zij zijn negatief en wij positief. Die tegenstelling begon toen ineens te renderen. Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen werden gevoelig voor gemeenschappelijke nationale symbolen. Een tijd lang was dat Oranje zelf, daarna was dat de vlag die hij liet ontwerpen en de kaart van de Leo Belgicus, waarbij de zeventien gewesten tezamen de gedaante van een brullende leeuw aannamen.”

De val van Antwerpen leidde tot de breuk tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden. Waren die noordelijke Nederlanden uiteindelijk geen troostprijs voor Oranje? Had hij er de zuidelijke niet liever bijgehad?

“Ongetwijfeld, voor hem moesten de zeventien gewesten van de Nederlanden een geheel vormen en een bufferstaat tussen Engeland, Frankrijk en het Duitse Rijk. Dat was ook al het ideaal van Karel V. Daar hoorden dan ook Lotharingen, Bourgondië en de Franche-Comté bij. Oranje heeft daar lang van gedroomd. Wat we ook niet mogen vergeten is dat Antwerpen en Amsterdam in de zestiende eeuw vrij goed samenwerkten, waarbij Amsterdam de vrachtvaarders leverde voor de Antwerpse kooplieden. Die stad had immers zelf geen grote vloot. Wat je echter steeds vaker zag was dat die Amsterdammers dachten dat ze net zo goed als die Antwerpenaren handel konden drijven. Amsterdam kwam in die zestiende eeuw echt op, veel eerder dan we lange tijd hebben gedacht. Amsterdam werd een succes bij de gratie van de Antwerpse ondergang, dachten we, nadat de Spanjaarden die stad in 1585 hadden veroverd en veel protestanten naar het noorden trokken. Maar die opmars van Amsterdam was toen al geruime tijd bezig, en de spanning tussen die twee steden was een weerspiegeling van die tussen Noord en Zuid. Het ging om grote belangen. Oranjes idee dat hij die Nederlanden samen kon houden was wellicht een zinsbegoocheling.”

Uiteindelijk zette Filips II 25.000 kronen op het hoofd van Oranje, een enorm bedrag, het equivalent van drie landgoederen. Was het een wanhoopsdaad?

“Filips ging daartoe over omdat hij besefte dat Oranje nooit ofte nimmer zou opgeven. Die prijs was inderdaad hoog, maar de oorlog in de Nederlanden had Filips inmiddels al miljoenen gekost. Voortdurend moesten er geldschepen naar de Nederlanden varen om de troepen te betalen. De economie van het koninkrijk Spanje leed eronder en het land ging failliet. Op 10 juli 1584 werd Oranje in Delft doodgeschoten. Opgelost, dacht Filips ongetwijfeld, maar de oorlog ging gewoon door, tot de vrede van 1648. Oranje bracht het Spaanse wereldrijk op de rand van de afgrond en daar heeft het land zich tot op de dag van vandaag niet van kunnen herstellen.”

Eerder verschenen in Knack

Samenvatting

‘Een prachtige biografie vol persoonlijke details én heldere beschrijvingen van de wereld waarin Willem van Oranje leefde en handelde.’ Rob Hartmans, NRC Handelsblad •••••


‘Het is niet zonder risico om je aan het leven van Willem van Oranje te wagen: het is een titanenklus. De nieuwe biografie van René van Stipriaan is dik, vlot geschreven en zeer lezenswaardig.’ Martin Sommer, de Volkskrant ****


‘De zwijger wemelt van de nieuwe details en inzichten. Alles wijst erop dat dit voor de komende decennia het standaardwerk zal worden over Willem van Oranje.’ Geert Mak


‘Deze nieuwe biografie zit aangenaam dicht op de huid van de Vader des Vaderlands.’ Paul van der Steen, Trouw


‘Een meesterwerk. Verrassende nieuwe inzichten vanuit een hedendaags perspectief. Leesbaar als een roman.’ Henk van Nierop


‘Een harmonieuze stijl en een knappe compositie.’ Willem Bouwman, Nederlands Dagblad



Omstreeks 1560 was Willem van Oranje de rijkste en meest veelbelovende edelman van de Nederlanden. Nog geen tien jaar later was hij zo goed als alles kwijt: zijn bezit, zijn macht en ook zijn goede reputatie. Wat was er gebeurd?


Oranje had zich gekeerd tegen het bewind van de Spaanse koning Filips II, dat in zijn ogen despotisch en geldbelust was. Hij vond medestanders onder andere edelen, en ook onder gewone burgers. Vanaf 1566, met de Beeldenstorm, kwamen de Nederlanden in opstand. Filips II stuurde er de gevreesde hertog van Alva met een grote troepenmacht op af. Die confisqueerde alle bezit van Oranje. Dit was voor Oranje het moment om zelf de wapens op te pakken: het begin van een uitputtingsslag die de Nederlanden in een diepe crisis stortte. Er vielen tienduizenden doden – denk aan de gruwelijke slachtpartijen in Mechelen, Zutphen, Naarden, Haarlem en Maastricht. Het maakte de opstandelingen onder aanvoering van Oranje alleen maar vastberadener. Het bewind van Filips II begon te wankelen. Wat dreef Oranje? Hij was geen heilige en riep in zijn tijd meer weerzin op dan wel wordt aangenomen. Protestantse bolwerken als Gent en Antwerpen, die ooit zijn trouwste bondgenoten waren, keerden zich uiteindelijk van hem af.


In De zwijger ontrafelt René van Stipriaan de duizelingwekkende loopbaan van een van de meest onverzettelijke figuren uit de wereldgeschiedenis: zijn ambities, successen, manipulaties, nederlagen. En ook de spanningen in zijn familie, zijn bizarre huwelijksleven – en zijn neiging om, als het erop aankwam, in het verborgene te opereren.

Toon meer Toon minder
€ 39,99

Verwachte leverdatum: vrijdag 28 januari


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789021402758
Verschijningsdatum
november 2021
Druk
1
Aantal pagina's
936 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
320: Literaire non-fictie algemeen
Thema's
  • Geschiedenis en archeologie
  • Geschiedenis
Categorieën

Uitgever
Querido

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden