Voor 23:00 besteld, overmorgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Ganesha in Silicon Valley

De macht van de mythe op het wereldtoneel

Auteur(s): Petran Kockelkoren
Taal: Nederlands
0,15/5
3 recensies
Ganesha in Silicon Valley
Ganesha in Silicon Valley

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Karl van Heijster
3/5

Verdwaald in een schat aan informatie

[Recensie] Wie Ganesha in Silicon Valley op een willekeurige pagina openslaat, vindt daar een schat aan informatie. Bijvoorbeeld: hoe het verdwijnpunt in de kunst samenhangt met het moderne subject vanaf Descartes. Of: hoe de inrichting van de gemiddelde Weense woning aan het eind van de negentiende eeuw Freuds theorie van de menselijke psyche informeerde. Of: hoe zijn loodzware bepantsering de middeleeuwse ridder machteloos maakte tegenover een invasie van veel wendbaardere Mongolen. Of: tupperware. Gewoon, de geschiedenis van tupperware. Geen pagina gaat voorbij zonder dat filosoof en antropoloog Petran Kockelkoren een leuke wetenswaardigheid op weet te disselen. En dat altijd met verregaande filosofische implicaties. Maar… waarom eigenlijk?

Het is moeilijk zijn hoofdthema, de geschiedenis van de mythische verbeelding en hoe deze is ingesponnen in de geschiedkundige zelflegitimering van het Westen, te kunnen blijven volgen door de gigantische hoeveelheid aan zijpaadjes die Kockelkoren constant inslaat. Dat is niet per ongeluk. De op postmoderne leest geschoeide filosoof is niet gericht op klassieke waarheidsvinding, maakt hij zijn lezer duidelijk aan het begin van het boek. “De mythische componenten in het denken lichten eerder op in evocaties dan in logische redenaties.” Het lijkt een vrijbrief te zijn om associatief van het ene naar het andere onderwerp te kunnen fladderen. Een lust voor gelijkgeschoeiden, ongetwijfeld. Zij die op zoek zijn naar het door Lyotard doodverklaarde Grote Verhaal blijven echter gefrustreerd in verwarring achter. Ganesha in Silicon Valley leert de lezer een heleboel, alleen niet hoe die informatie te plaatsen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Tanny Dobbelaar

Dat zogenaamde Masai-masker is gemaakt in Thailand

De schrijver

[Recensie] Filosoof Petran Kockelkoren is emeritus hoogleraar kunst en technologie aan de Universiteit Twente. Ook was hij lector aan de kunstacademie AKI ArtEZ. Eerder publiceerde hij onder andere Techniek: kunst, kermis, theater (2003) en Mediated Vision (2007).

Waar gaat het boek over?

Kockelkoren heeft me ervan overtuigd dat mythen een flexibele en actuele functie vervullen Kockelkoren onderzoekt de wisselwerking tussen mythen en technologische ontwikkelingen. Zijn invalshoek laat zich misschien het kortst zo samenvatten: mensen worden altijd geleid door culturele verbeeldingen, doorgegeven of zoals dat heet ‘gemedieerd’ door dingen. Die culturele verbeeldingen noemt Kochelkoren ‘mythen’, waarmee hij het begrip tot het uiterste oprekt. Mythen zijn daarmee niet zomaar verhalen, maar ontwikkelen zich via technologie, waarbij ook technologie een paraplubegrip is, dat reikt van zwaard tot stedenbouw.

Een voorbeeld: na de dekolonisatie kwamen in het cultureel zeer verdeelde India al snel kookboeken over de nationale Indiase keuken op de markt. Indiërs uit de middenklasse hadden er behoefte aan, nadat ze hun dorpen hadden verlaten en in de stad zochten naar een nieuwe levensstijl. Door het construeren van zo’n nationale keuken viel pas op hoeveel afwijkende eetstijlen niet in deze kookboeken stonden. Zo creëerde deze mythe van een nationale keuken als het ware lokale specialiteiten. De mythe werd bovendien gedragen door een technologie die niet alleen kookboeken voortbrengt, maar ook elektrische blenders en koelkasten voor de middenklasse.

Dit voorbeeld komt uit het derde deel van het boek, over mythen in de moderne consumptiemaatschappij.

Het tweede deel analyseert mythen rondom het autonome individu, in het Westen, maar ook in India en China. De verhouding tussen wetenschap en mythe staat centraal in het eerste deel, waarin Kockelkoren de vraag opwerpt hoe culturele veranderingen verklaard kunnen worden. Volgens de auteur zijn ze vaak het gevolg van botsende technologieën. Zo eindigde de strijdwagencultuur in de bronstijd door de confrontatie met nieuwe vechttechnieken. Huurlingen gebruikten voor het eerst lange zwaarden, waardoor ze de paarden die strijdwagens voorttrokken in één klap van hun benen konden beroven, en de berijders zonodig van hun hoofd. Dit soort overgangen scheppen ook weer hun eigen mythen, op grote en kleine schaal. Kockelkoren citeert voortdurend aantrekkelijke voorbeelden, zoals die van de Afrikaanse Masai, die haar maskers voor de toeristenindustrie laat maken in Thailand. De Masai hebben nooit maskers gedragen, maar tegenwoordig is deze uitgevonden traditie cruciaal voor haar voortbestaan. Overigens: toen de maskers nog per vrachtboot werden vervoerd, waren ze nog twee meter groot. Tegenwoordig zijn ze geslonken tot dertig centimeter, zodat ze meekunnen in de handbagage in het vliegtuig. Een kenmerkend voorbeeld van AirportArt – waar mythen en tradities naadloos passen in de behoeften van hedendaagse consumenten.

Reden om dit boek niet te lezen

Dit boek getuigt van een grote ambitie, maar de stortvloed aan voorbeelden, namen en filosofische termen hindert vaak het zicht op de grote lijn. Kockelkoren, die terugkijkt op een lange carrière, citeert bijvoorbeeld vele Nederlandse collega’s. Zijn observaties zijn soms niet alleen particulier, maar ook overbodig. Dit boek had een steviger redactie verdiend. Bovendien vraag ik me af voor wie het geschreven is: soms veronderstelt het een lezer die filosofisch behoorlijk onderlegd is, soms richt het zich op een algemeen publiek. Het abstractieniveau in deze vijfhonderd pagina’s wisselt flink.

Reden om dit boek wel te lezen

Ik behoor tot de categorie mensen die mythen associeert met afgesloten, te vaak herhaalde verhalen. Kockelkoren heeft me ervan overtuigd dat mythen een veel flexibeler en actuelere functie vervullen. Vooral de beschrijving van globalisering als een kracht die juist lokale initiatieven vol culturele eigenheid creëert, biedt hoopvolle perspectieven. Mooi is daarbij zijn beschouwing over zwermen: groepen mensen die zich onverwacht organiseren, al dan niet via sociale media, en politiek-subversief gedrag vertonen. Dat biedt volgens Kockelkoren zelfs hoop voor China waar de overheid het individuele leven tot in de haarvaten controleert.

Eerder verschenen in Trouw en op Tanny Dobbelaer

Recensie door: Marcel Hulspas

De macht van de mythe op het wereldtoneel

[Recensie] We leven ‘excentrisch’, zoals de filosoof Helmuth Plessner het formuleerde. We leven niet in, maar gedeeltelijk naast de werkelijkheid. Altijd op afstand. Als we iets over de werkelijkheid iets te weten willen komen, dan kan dat alleen door middel van de taal en de beelden die we zelf scheppen. Groepen, stammen, volken, beroepsgroepen zijn scheppers van de taal en de tekens waarmee ze de hen omringende werkelijkheid proberen te benaderen. En geen één kan zich superieur achten aan de ander. Epistemologie is antropologie.

Helmuth Plessner (1892-1985) is ‘in’ onder Nederlandse filosofen. De Rotterdamse hoogleraar Jos de Mul is voorzitter van het Internationaal Plessner Genootschap. Maar niet alleen Plessner is populair, natuurlijk, want hij maakt deel uit van een brede filosofische stroming, ooit gestart bij de taalfilosoof De Saussure en die met de hamer, Nietzsche, dan via Levi-Strauss en Husserl naar (de voornaamste filosoof van de afgelopen eeuw) Michel Foucault. Het is een filosofie gegroeid in de diepe sporen van groeiende twijfel aan de superioriteit van de ratio en van de westerse cultuur.

Startend bij Nietzsches verwoesting van de christelijke hypocrisie, eindigend bij Foucaults conclusie dat het individu niet bestaat. Die o zo zelfstandige, trotse, zogenaamd rationele ‘ik’ van toen is bij Foucault niks anders dan het product van dwang, uitgeoefend door onzichtbare machten die zich op alle mogelijke manieren aan ons opdringen.

In navolging van Levi-Strauss storten filosofen zich tegenwoordig dus op de taal en de antropologie en in navolging van Foucault denderen ze vol enthousiasme door de geschiedenis. Het zijn zonder twijfel spannende tijden, en het is goed om te zien dat Nederlandse filosofen zich niet onbetuigd laten. En dan krijg je boeken als Ganesha in Silicon Valley van de Twenste emeritus Petran Kockelkoren.

Het is een monsterlijk boek, in de goede zin des woords. Alles haalt hij erbij, en Kockelkorens honger naar voorbeelden en inzichten is na 500 bladzijden nog lang niet gestild.

Voor de goede orde: de titel zegt niets over de lading. Dit boek gaat niet over hindoeïsme en de softwaregiganten. Hetzelfde geldt voor de ondertitel: De macht van de mythe op het wereldtoneel, waarbij argeloze potentiële kopers ongetwijfeld denken aan zaken als Eurabia, de ‘vrije markt’ en America First.

Kockelkoren heeft het over totaal iets anders. Hij gaat op zoek naar de beelden, de rituele praktijken, de mythen (die drie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden) waarmee we greep proberen te krijgen op de werkelijkheid. Het is een streven dat gedoemd is te mislukken; we moeten steeds weer nieuwe beelden en mythen scheppen en eigenlijk doen we niet veel meer dan pogingen ons te verzoenen met ons ‘excentrisch’ zijn.

Maar het belang van mythen en beelden voor die verzoening wordt in het dagelijks leven nauwelijks onderkend. ‘Mythen’ zijn synoniem met ‘oud’ en ‘zweverig’. Afgedankte voorouders van het ‘ware’ wetenschappelijke denken. We worden geacht rationeel te zijn, dat wil zeggen, te geloven dat de ratio in staat is om de werkelijkheid te kraken. Wat niet rationeel is, is ‘gevoel’, is minder waard. (Het gevoel bedriegt niet, zeggen we, maar dat is juist omdat het niets over de werkelijkheid zegt maar ons ‘onszelf’.)

Maar we kunnen helemaal niet zonder verhalen, visies en gebruiken. Ze zijn nu net zo tegenwoordig (en belangrijk) als vroeger. Stiekem hunkeren we ernaar. De pijn van de excentriciteit, van ons ‘niet erbij horen’ (‘Waartoe zijn wij op aarde?’ luidt de eerste vraag van de Catechismus) lijdt tot de hoop dat andere volkeren die excentriciteit niét ervaren, juist doordat zij op een radicaal andere, superieure wijze naar de werkelijkheid kijken. Kockelkoren geeft verschillende voorbeelden (Aboriginals, Hopi-indianen) maar maakt op provocerende toon korte metten met die illusie (p. 249-250):

“Maar wat schieten we daarmee op? Waarom moeten wij iets aantrekken van de fantaseriën van verre stammen? Is dat geen gepasseerd station? We kunnen toch niet in alle ernst weer de ruimte-tijd van de Hopi in onze tom-tom invoeren of ons zingend een weg banen over de rondwegen van Amsterdam of Parijs? Toch meende men in de jaren zestig en zeventig iets te hebben verloren toen de stammengemeenschappen wereldwijd teloorgingen. In dezelfde tijd dat de volle omvang van de milieucrisis in het collectieve besef doorbrak, werden ons bedreigde indianenculturen en Aborginals ten voorbeeld gesteld als de oerbeheerders van de natuur. (…) Inderdaad, zo moet men toegeven zitten bijvoorbeeld de zanglijnen van de Aboriginals en de associatieve verbindingen van de indianengrammatica dicht op de huid van het episodisch geheugen, waarin we nog de meeste kans maken om de natuur op haar eigen termen te ontmoeten. Maar dat biedt nog geen garanties voor een omzichtige omgang met de natuur.”

Deze passage is wat merkwaardig, want dubbelzinnig. Zijn die radicaal andere wereldbeelden nu ‘fantaseriën’ of komen die volken, met hun verhalen en gebruiken (in hun episodisch geheugen) dichter bij een ontmoeting met de natuur dan de westerse mens, met zijn evolutietheorie en reservaten? Hoe weet Kockelkoren dat?

Verder zien we hier zijn stijl (scherp, maar niet echt lichtvoetig) en zien we een probleem waar de lezer regelmatig op stuit: de rusteloze Kockelkoren stapt met het grootste gemak van het ene onderwerp over op het andere. Van tijd-ruimte gaat het hop-twee-drie naar de mythe van de ecological indian. Net op het moment dat je wilt roepen ‘ja maar wacht even…’, heeft Kockelkoren je alweer een volledig ander vertrek ingeduwd, waar nog veel meer over te vertellen valt.

Dat geldt met name voor de historische passages. Daar grijpt hij wat al te gemakzuchtig naar wat hem interessant lijkt, rijp en groen door elkaar. Ik heb het boek dan ook een paar keer zuchtend in de hoek gesmeten – om het kort daarna weer open te slaan. Voor wie zich wil laten prikkelen, heeft het veel te bieden.

Kockelkoren eindigt, hoe kan het anders, bij Foucault. De filosoof die zich niet laat opsluiten in enig vakje maar in een serie baanbrekende werken de hele filosofische wereld opschudde. Sartre verweet hem dat hij het individu om zeep hielp. Sartres existentialisme was dan ook het product van de Tweede Wereldoorlog, van de strijd tegen en de overwinning op de totalitaire staat. Foucault, de homoseksueel, ervoer aan eigen lijf dat het totalitaire karakter helemaal niet verdwenen was. Dat alles en iedereen (van het maatschappelijk discours tot de inrichting van de medische zorg, en nog veel meer) gericht was op het vormen en kneden van het individu. Het opleggen hoe, wat, wanneer te denken.

In zijn laatste grote werk, de Geschiedenis van de seksualiteit, laat Foucault een lichtstraaltje door in deze sombere filosofie, door de totaliteit te verbrokkelen. We worden voortdurend heen en weer getrokken door meerdere systemen (media, familie, werk, staat, en zo meer) die zich met hun taal en structuren meester willen maken van ons denken. Daar valt fundamenteel niet aan te ontkomen – die systemen zijn onze werkelijkheid en ook onze vrijheid, ons verzet, wordt door die systemen gestuurd.

Maar er bestaat een speelse vorm van ontkomen aan deze systemen, namelijk door voortdurend alert te zijn en ze tegen elkaar uit te spelen. Kockelkoren gebruikt daarvoor het mooie beeld van de slavin Eliza in Uncle Tom’s Cabin, die samen met haar kid aan haar wrede achtervolgers weet te ontkomen door een rivier over te steken, springend van ijsschots naar ijsschots. ‘Zo bereikt ze ongedeerd de overkant’. Ook al bestaat er in ons geval natuurlijk geen reddende oever. Het enige dat we kunnen doen, is proberen ons evenwicht te bewaren.

Eerder verschenen op Sargasso

Samenvatting

Hoe modern we ook zijn, we zijn nog altijd in de ban van de mythe. In de hightechwereld van Silicon Valley zit Ganesha, de Indiase god met het olifantenhoofd, met een laptop op schoot. Politieke leiders op het wereldtoneel grijpen terug op mythische motieven als ‘de as van het kwaad’ wanneer ze een alibi zoeken voor de strijd.

In dit boek traceert filosoof en antropoloog Petran Kockelkoren de geschiedenis van onze mythische verbeelding, in antwoord op de mogelijkheden en bedreigingen van de globalisering. Tegenover de moderne onttovering van de wereld brengt hij ‘filosofictie’ en ‘technopoëzie’ in stelling. Het is verhelderend als we de huidige geopolitiek leren begrijpen vanuit de beelden die nog steeds onze dromen en emoties aandrijven en die ongemerkt onderduiken in de media en technologie die we dagelijks gebruiken.

Toon meer Toon minder
€ 34,90

Verwachte leverdatum: woensdag 09 december


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789024423897
Verschijningsdatum
november 2018
Druk
1
Aantal pagina's
528 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
730: Filosofie algemeen
Categorieën

Uitgever
Boom

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen