Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Cliënt E. Busken

Auteur(s): Jeroen Brouwers
Taal: Nederlands
0,20833333333333/5
4 recensies
Cliënt E. Busken
Cliënt E. Busken
Cliënt E. Busken

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door: Jan Koster
4,5/5

Cynisch, grimmige humor en taalgegoochel van hoog niveau

[Recensie] Zou dit het laatste boek zijn van Jeroen Brouwers, één van de grootste Nederlandse schrijvers van de laatste tijd? Het lijkt er alleszins op, al was het maar omdat hij al aardig op leeftijd is, hij is geboren in 1940. Als Cliënt E. Busken inderdaad zijn slotakkoord zou zijn dan is het wel geheel in stijl. Enkele van zijn bekende thema’s komen erin terug, dat voelt vertrouwd, maar de manier waarop hij met taal goochelt is zelfs voor hem van ongekend niveau.

Cliënt E. Busken is een lange innerlijke monoloog. De oude en in vele opzichten, lichamelijk en geestelijk, versleten hoofdpersoon is opgenomen in een verzorgingshuis, “Huize Madeleine, voor ouden van daapsen”, en heeft besloten zich vanaf het allereerste moment doofstom te houden. Het is zijn vorm van protest tegen de gedwongen opname. Iets anders was evenwel niet mogelijk. Hij was gevallen na overmatig drankgebruik, het huis was een bende. Busken was slecht ter been en had last van geheugenverlies. Hij zit vastgesnoerd in een rolstoel om erger te voorkomen.
Zijn protest uit hij ook op andere manieren. Als het hem niet uitkomt weigert hij het fluitje te gebruiken dat het personeel attendeert op zijn aandrang. Hij laat het gewoon lopen wat de verzorgers, die toch al last hebben van tijdgebrek, onnodig extra werk bezorgt. Het kan hem niet schelen. Busken wil nog maar één ding: doodgaan.

In zijn monoloog heeft hij commentaar op alles en iedereen. Niemand en niets ontziet hij, Busken is cynisch tot op het bot:

“Van het gewone personeelsvolk valt soms alleen uit de voornaam af te leiden welk geslachtskenmerk in eenieders broek en elders aanwezig is. Neem de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop, die heet Carola.”

Dit is nog relatief mild.

Tussen de bedrijven door komen herinneringen bovendrijven. Zijn vader heeft hij nooit gekend, die was voor zijn geboorte al uit beeld. Zijn moeder wilde geen kinderen, al helemaal geen jongen. Tot zijn achtste moest hij meisjeskleren dragen. En toch: toen zij eenmaal verzorging nodig had nam Busken dat wel op zich. Er zijn ook herinneringen aan zijn loopbaan. Hij is een man van aanzien geweest en heeft in de allerhoogste kringen verkeerd.

Het lijkt alsof er niet veel gebeurt, alsof het alleen maar één lange mopperpartij is. Het tegendeel is waar. Natuurlijk is het een onophoudelijke uiting van onvrede, maar toch krijg je door de flarden van herinneringen een heel aardig beeld van hoe zijn leven eruit heeft gezien. In grote lijnen weliswaar, met weinig details maar die zijn dan wel weer veelzeggend.

De stijl is wel heel consequent. Elke episode begint lukraak middenin een gedachte, je hebt dan geen idee hoe die is ontstaan en wat eraan vooraf is gegaan. Logica ontbreekt, warrigheid troef, het gaat alle kanten op.
Taalkundig is Brouwers geweldig op dreef. Enkele voorbeelden:

“Soms noemt ze me Eetje. Omdat er E op mijn kamerdeur staat. Waar staat die E voor, wilde ze eens weten. Die staat voor Busken.”

“Asperger? Vergrotende trap van asperge. Asperge: groente, asperger: groenter”

“ik heb alleen maar zaagsel, potloodslijpsel en stront in mijn hoofd, straatveger, vuilnisophaler ja, als je daar ook niet te dement voor bent, of bordenwasser, of strasenbaanknotenpunkthinundwiedersjieber, dit zegt Babet, schuimsel als witte larfjes rondom haar tanden die ze voor zich op de tafel legt, giesegassegoese ronflonfloese taterateraa.”

Op elke bladzijde zijn wel taalvondsten, prachtige zinnen, mooie observaties te vinden. Het is triest, het cynisme is bijtend, maar het is ook vaak op een grimmige manier bijzonder humoristisch. Het maakt van Cliënt E. Busken een boek om meermaals te herlezen.
Het is een prachtige toevoeging aan het toch al niet misselijke oeuvre van Brouwers.  

Eerder verschenen op jkleest.nl

Recensie door: Nico Voskamp
4/5

Hendrik Groen met een Kalasjnikov

[Recensie] Het is lastig te pinpointen waar de charme van dit door cliënt E. Busken op papier geslingerde schotschrift precies in schuilt. Zit het in de compromisloze opzet: een oude man die rolstoelgebonden zijn laatste dagen in een sterfhuis slijt en dat op papier zet? Of in de taal: een eruptionele stroom om zich heen bijtende woorden, geregen tot snerpende zinnen, achter elkaar gezet tot een achtbaanverhaal? Of de allesdoorrijgende woede over het hulpbehoevende bestaan als kwijlende seniel-in-een-rolstoel? Of gewoon de kracht van woorden, uitermate welgekozen woorden?

Dat zou de stille kracht hier weleens kunnen zijn: de woorden. De mysterieuze Busken spant de taal bruusk voor zijn chariot om zijn punten te maken. Dat doet hij in barokke zinnen, half af soms, vol elkaar verdringende woorden, associatieve lettergroepen, onomatopeeën of soms alleen klanken. Het zijn uitstootsels van taal die de tekst iets rococo’s meegeven, iets ongrijpbaars maar tegelijk in één oogopslag de bedoeling van de schrijver weergevend.

Die bedoeling varieert sterk per zin maar kan getypeerd worden als niet vrolijk. De cliënt is ongelukkig met zijn huidige toestand. Hij kan alleen nog zijn zinnen metselen, die soms vermomd zijn als achteloos maar in werkelijkheid dodelijk venijnig uitpakken, zoals wanneer E. vanaf het gazon observeert:

“Daar liep een werkman de vijverborder met gif te vernevelen, de doos met Zyklon B als een bochel op zijn nek, aan de doos zat een slang en aan het eind daarvan een douchesproeier.”

Of als E. zit te kijken naar de ingang van het gesticht, zoals hij het zelf noemt:

“De poort gaat geluidloos open. Als ik mijn lichaam kon gebruiken als in mijn godentijd zou ik nu proberen naar buiten te sprinten, de vrijheid in.”

De hele geschiedenis van een afgetakeld lichaam in één woord: godentijd. Of de frustratie van het tot onzelfstandige rolstoelonbekwame gemaakt zijn, als E. een voortgangsgesprek heeft met mevrouw Carola:

“Door haar zit ik hier, in dit zogeheten zorgcentrum of hoe het wordt genoemd, in deze wielstoel, in deze riemen met een fluitje aan de hartkant van mijn overhemd. We houden u een poosje hier, meneer Busken. Het is onverantwoord u weer naar huis te laten gaan. Voor uw eigen welbevinden, uw eigen blaatblaat kokkelkokkel. O ja godverdomme? brulde ik haar in d’r gezicht, dat zullen we nog weleens zien. Wat denk jij wel wiewat je bent, geblutste mafklapper, en tegen wie je het hebt. Weet jij wel wie ik ben. Ik ga zelf over mijn welbevinden en daar heb jij met je lurpse blauwe gepenkop geen spleet mee te maken of iemand anders hier lazer op.”

De taal die Brouwers uitslaat bij monde van de voornaamloos blijvende E. geeft de helse gedachtewereld van een tegen wil en dank in een verpleegtehuis verblijvende oudere weer. Dat thema is niet bepaald nieuw, denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween of Het dagboek van Hendrik Groen, maar nog maar zelden met zo’n vuurspuwende kracht uitgevoerd. De oude meester is het miraculeuze spel met de woorden nog niet verleerd.

Ook gepubliceerd op Nico’s recensies

Recensie door:

Opgesloten in de wereld van Jheronimus Bosch

[Recensie] Vooral de beklemming en tirannie door kloosterlingen in het jongenspensionaat zijn mij bijgebleven uit de voorlaatste uitgave Het hout van Brouwers. Ontroerend en mooi geschreven. Maar de nieuwste uitgave Cliënt E. Busken is, naar mijn bescheiden mening, het magnum opus van Jeroen Brouwers. Zelden zo gelachen, zo genoten van sublieme en hilarische taalvirtuositeit. Zo enthousiast dat ik het boek opnieuw ben gaan lezen. Diep respect voor deze tachtigjarige Nederlandse schrijver.

De gehele roman speelt zich af in de gedachtewereld van een dementerende man tijdens zijn gedwongen verblijf in een psychiatrische inrichting. Of zoals hij het zelf noemt “de gijzelaarsbewaarschool”. Daar is hij terecht gekomen omdat hij thuis is gevallen en hard met zijn hoofd op de stenen vloer terecht is gekomen. Nu zit hij vastgebonden in zijn rolstoel omdat hij niet meer kan lopen van de rugpijn, naast het feit dat hij zijn ledematen niet meer stil kan houden. Gevangen in zijn eigen lichaam. De hoofdpersoon, de heer E. Busken, heeft na een uitval tegen de “zielenwringster” Carola “de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop”, vanwege zijn gedwongen opname uit principe besloten niet meer te spreken. Dat beweert hij althans in deze innerlijke monoloog. Of dat de waarheid is wordt niet echt duidelijk. Hij reageert überhaupt niet op zijn omgeving. Alleen schrikt hij steeds als hij plots wordt aangeraakt.

Het enige wat hij kan doen is afreageren op zijn omgeving in zijn geest. “Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen.” Maar zijn geest is niet altijd scherp meer en het verhaal bestaat, naast het vilein fileren van alle medewerkers en cliënten, uit flarden jeugdherinneringen, neuroses en de meest bizarre fantasieën. Alle onderdrukte kwetsuren uit zijn jeugd komen aan de oppervlakte. En dat alles met een eloquentie die zijn weerga niet kent. Juweeltjes van zinnen. Zoals na het verschonen van de luier door aantrekkelijke verpleegster Moniek:

“Weer gearmd als bruidspaar, omdaverd door de orgelsymfonie van Saint-Saëns, schrijden wij, ik met mijn malse boterbloem, door de hoge hallen van mijn verbeelding…”

Jeroen Brouwers wordt niet voor niets aangeduid als een grootmeester van de Nederlandse letteren. Juist door de ongeremdheid van gedachten van deze sarcast is er veel te lachen. Het enige wat Cliënt E. Busken nog kan doen is nauwgezet observeren en zijn gal spuwen met delicate precisie. In zijn denkwereld gebeurt heel veel in tegenstelling tot de buitenwereld. In het begin zoek je als lezer nog naar het beroep van deze erudiete patiënt maar al snel kom je er achter dat zijn fantasie onbegrensd is. Alle groten der aarde behoren tot zijn vriendenkring, van Beatrix, Harry Mulisch tot vijf generaties Pausen en in elke wetenschap heeft hij de hoogste haalbare bereikt. Hersenchirurg, componist, zwemkampioen tot paleogeneticus. Evenwel verantwoordelijk voor het succes van Calvé pindakaas:

“Ik leverde de te Delft gevestigde fabriek enige gouden suggesties tot duurzamere besmeuïng van het product, waar ze, naar weldra aantoonbaar werd, hun voordeel in rijke mate en met dik succes hebben gepuurd, maar mij een procentje gunnen van de erdoor toegenomen omzet, nog geen bedankbriefje viel mij ten deel.”

Langzamerhand leer je de omgeving en zijn lotgenoten kennen. Niemand ontsnapt aan zijn kritiek: “iedereen en alles is hier bespottelijk”. Zelfs de vrouw Mieneke Kalckbrander, die zich om hem bekommert, kan in zijn ogen niets goed doen terwijl zij hem tegenover iedereen verdedigt. Hulpeloos overgeleverd aan vreemden. En dat terwijl zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid hard achteruit gaan. De grip op de tijd volledig verloren. Het enige lichtpuntje is roken. Maar dat is inmiddels ook een tantaluskwelling.

En ontstaat er ook een beeld van zijn jeugd in Indië en zijn verdere leven. Daaruit is te filteren dat het geen hosanna is geweest. Autobiografische elementen uit Brouwers jeugd in ons Indië zijn hier waarschijnlijk in te vinden.

“Er kleeft verdriet in me, als drabbige stroop, de hele dag al, eigenlijk al jaren, eigenlijk al sedert mijn conceptie.” 

Vooral zijn moeder heeft hier een groot aandeel in. Zij laat hem goed voelen dat hij ongewenst is. Zijn biologische vader kent hij niet. En hij wordt volledig genegeerd door zijn stiefvaders. Door de beschimpingen uit het verleden door zijn moeder, krijgt de lezer een indruk van zijn opvoeding. Geen enkele opleiding afgemaakt en geen enkel baantje gehad. Een leven omringd door boeken.

Ogenschijnlijk een belezen man, gezien zijn taal en woordgebruik. Door zijn houding en non-communicatie wordt hij als een onwillig kind behandeld. En dat is natuurlijk olie op het vuur. Wat alle anderen ook voor hem doen, vanuit de protagonist is echt alles negatief. Dat is soms wel wat teveel van het goede.

Het boek laat voelen wat het betekent om geheel afhankelijk te zijn, alleen nog je gepieker, je gedachten en je herinneringen hebt. Het wachten op de dood als verlossing sijpelt tussen de regels door. Dat geeft deze roman een rauw en bitter randje. Het zet je aan het denken over je eigen verscheiden. De angst om ook zo te eindigen. Dat het ervan afhangt of je nog open kunt staat, in communicatie staat met je omgeving, de mensen, de natuur… je eigen natuur… zodat er nog contact en uitwisseling mogelijk is. Het geval Busken leert ons vooral wat je niet moet doen…

Als een boek dat allemaal in zich heeft zal het niemand verbazen dat ik iedereen Cliënt E. Busken van harte kan aanbevelen. Voor mij hét boek van 2020. Dit boek verdient een groot publiek. Voor eenieder die zich graag wil laten meevoeren in de geest van deze fantast. Literatuur om te lachen, te genieten en te verontrusten.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Recensie door: Alek Dabrowski
4/5

Mij ontgaat niets

[Recensie] Cliënt E. Busken is misschien Brouwers’ laatste roman. Hij is inmiddels 81 jaar en behoorlijk broos. Het is een van zijn beste boeken. De wereld van hoofdpersoon Busken is klein. Hij woont in een verzorgingshuis, zit in een rolstoel en heeft niet meer de controle over zijn lijf. Hij weigert te praten, maar zijn gedachten razen voort. Deze onophoudelijke gedachtestromen vormen de inhoud van dit boek, dat zich afspeelt op één dag.

Brouwers’ taalgebruik is grandioos. Busken is fel op alles om hem heen. Hij weet de situatie waarin hij verkeert op telkens nieuwe manieren te beschrijven. “Het leidinggevende opperhoofd van deze vrijheidsberovende firma, geneesheer-directeur staat op de deur van zijn kantoor, zegt u maar gerust Richard, uit te spreken als Risjaar, draagt niet zo’n geslachtsloos gestichtsuniform, maar gewonemensenkleren, evenals alle stafleden, aan hem is dus van buiten te zien dat hij masculien is. Van het gewone personeelsvolk valt soms alleen uit de voornaam af te leiden welke geslachtskenmerk in eenieders broek en elders aanwezig is. Neem de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop, die heet Carola. Dat staat op een naar de bezoeker toegekeerd plastic plankje op haar bureau met de leptop.”

Brouwers houdt zich niet altijd aan de voorgeschreven interpunctie, hij schrijft woorden aan elkaar of past soms een eigen spelling toe. Zijn zinnen winnen hiermee aan kracht. Deze manier van schrijven versterkt het personage Busken. Je wordt meegenomen in zijn hysterische uitbarstingen. Hij lijkt voortdurend op van de zenuwen. Zijn handen trillen, zijn hoofd schudt nee wanneer een personeelslid iets van hem wil. Men ziet hem als onhandelbaar en kinds. Zelf presenteert hij zich als een supergeleerde. Hij waant zich een wetenschapper, werkzaam geweest op diverse universiteiten en overladen met prijzen. Wat hiervan waar is, daar kom je niet achter. Dat hij pausen en wereldleiders heeft ontmoet is verzonnen, maar de grote hoeveelheid boeken in zijn huis – de artsen praten hierover in zijn bijzijn, alsof hij niet vlak naast hen zit – duiden zeker op een intellectueel leven.

Het enige contact in het tehuis, tegen wil en dank weliswaar, heeft Busken met medegevangene mevrouw Kalckbrander, een prachtige naam overigens. Zij duwt hem in zijn rolstoel naar de eetzaal voor een kopje thee en zij helpt hem bij het aansteken van zijn sigaretjes. Zij geeft hem troetelnaampjes als Buskiebeertje en doedeltje. Hij laat het zich welgevallen, maar hij wordt er niet milder van. Soms zwaait hij zo met zijn armen van de opwinding dat hij haar in het gezicht treft met een vuist. Maar zij vergeeft hem alles.

Busken lijkt vaak te slapen, maar hij is altijd alert. “Mij ontgaat niets. Alles is even belangrijk, hoewel anders bekeken alles in gelijke mate niets betekent. Een waarneming van mezelf in een mijner wijsgerige traktaten, onlangs nog te berde gebracht tijdens het internationale wijsgerenberaad te Heidelberg, waar mij was verzocht het woord te nemen.” Dit soort zelfophemeling wisselt Brouwers af met tragische scènes waarin Cliënt E. Buskenbijvoorbeeld tevergeefs een kleurplaat tracht in te kleuren.

Door zijn taalgebruik word je meegesleept in de treurige wereld van dit verzorgingshuis. Busken zit opgesloten, maar zijn brein werkt nog volop. Het boek leent zich er goed om hardop voor te lezen. Je zou het zelfs als toneelstuk kunnen opvoeren. Aan de tekst hoeft nauwelijks gesleuteld te worden. “…voorheen herculisch van gestalte, een zuil van mannelijke welgeschapenheid, een streling voor mijn oog als ik mezelf in de spiegel aanschouwde, mijn geslachtsdeel opgericht, mijn biceps en dijen zoemend van kracht, ben ik als persoon nog wel dezelfde, maar thans winkelhaakvormig en niet eens meer in staat om rechtop mijn gecraqueleerde half kale kop te zien in de spiegel boven de wastafel in de toiletcel in de mij toegewezen enclave in dit oord waar ik wederrechtelijk in hechtenis wordt gehouden.” Brouwers voegt eraan toe: “Is dit een volzin te ja of te neen.”

Het  boekenpanel van DWDD riep in februari 2020 Cliënt E. Busken uit tot boek van de maand, een zeer terechte keuze. Een van de panelleden merkte tijdens de uitzending op dat je na het uitlezen van Cliënt E. Busken meteen opnieuw wilt beginnen. Hij had dit inmiddels al tweemaal gedaan. Tot besluit nog één citaat. “Vroeger droeg ik ook nooit een onderbroek, terwijl ze me hier een luiergeval ombinden ter afdichting van de benedenste lichaamsholten, edele delen, die als uit- zowel als ingang kunnen fungeren. Zo’n homp papierderig textiel daar ter plaatse voelt niet onprettig aan, ben ik bereid te erkennen na mijn schaamte en weerzin terzijde te hebben gelaten, zolang het materiaal niet is doorgesijpeld of besmeurd door suspecte vochten en substanties.”

Eerder verschenen op Uitgelezen Boeken

Samenvatting

In ‘Cliënt E. Busken’ van Jeroen Brouwers zit de hoofdpersoon vastgegord in zijn rolstoel op de gesloten afdeling van een instelling waar hij tegen zijn zin verblijft en denkt, piekert, maalt en bedoelt. Hij zegt niets en misschien is er iets mis met zijn gehoor, maar van wat om hem heen gebeurt blijft hij een scherp waarnemer en inwendig voorziet hij zijn medebewoners en het personeel van snerpend commentaar. Ongericht wentelen zijn gedachten door elkaar en bewegen zich van verontwaardiging en machteloos verzet tegen zijn situatie via troebele herinneringen naar megalomanie. ‘Cliënt E. Busken’ beschrijft een dag van zijn verblijf in de psychiatrische instelling. Navrant en hilarisch openbaart zich een warrig geestesuniversum.

Toon meer Toon minder
€ 21,99

Verwachte leverdatum: dinsdag 19 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789025455941
Verschijningsdatum
februari 2020
Druk
1
Aantal pagina's
264 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
301: Literaire roman, novelle
Thema's
  • Fictie
  • Fictie: algemeen en literair
  • Moderne en hedendaagse fictie
Categorieën

Uitgever
Atlas Contact

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden