Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

De grote angst in de bergen

Taal: Nederlands
0,25/5
3 recensies
De grote angst in de bergen
De grote angst in de bergen

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Ger Leppers

De wraak van een Zwitserse Alpenwei

[Recensie] Als u al eens van de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz heeft gehoord, dan is dat vermoedelijk omdat hij de tekstschrijver is van Igor Strawinsky’s meesterlijke Histoire du Soldat uit 1918. Het is één van de eigenzinnigste werken voor het muziektheater uit de vorige eeuw, waarvan de tekst in 1930 briljant in het Nederlands werd vertaald door Martinus Nijhof. Het compacte stuk, waarin de duivel het leven van een soldaat ontregelt door hem een toverviool te schenken, prijkte jarenlang op het repertoire van het Nederlands Dans Theater in een schitterende versie van Jiri Kylian. De vertellersrol in het werk is in het verleden onder meer vervuld door beroemdheden als Jean Cocteau en Sting, en de rol van de duivel leek Peter Ustinov indertijd op het lijf geschreven. Vanessa Redgrave glorieerde ooit in de vrouwelijke hoofdrol.

De grote angst in de bergen is de bekendste van Ramuz’ tientallen andere werken, en is zojuist – eindelijk! – in het Nederlands uitgekomen in een mooie en doordachte vertaling van Rokus Hofstede. Het stuk Geschiedenis van de soldaat is een pantomime, gebaseerd op een Russisch volkssprookje, en je zou dus denken dat de roman, die zich grotendeels afspeelt op een hoge, verlaten alm in Zwitserland, daarmee weinig gemeen heeft. Maar dat is nu juist niet het geval. De twee werken hebben een paar verrassende kenmerken gemeen. In beide teksten heb je als lezer, dankzij de handige verwerking van een keur aan archaïsche en tijdloze elementen, de bedrieglijke indruk dat je te maken hebt met een werk dat de culminatie vormt van een lange traditie. Er zijn nog meer overeenkomsten: in beide werken staat een verstoring van de traditionele orde centraal. Het theaterstuk bevat bovendien een prachtige rol voor de duivel, terwijl ook in de roman het Boze, het Kwaad, een belangrijke rol speelt, onder meer geïncarneerd in het eenogige, louche personage Clou, dat zich afzijdig houdt van de dorpsgemeenschap, en zich uiteindelijk ontpopt als een trawant van het Boze. Beide werken waren in hun tijd naar de vorm heel vernieuwend, maar ze hebben – dat is al bijzonderder – beide vandaag de dag nog niets aan frisheid ingeboet.

De grote angst in de bergen is het verhaal van de ondergang van een besloten dorpsgemeenschap. Ver weg, hoog in de Alpen, ligt een wei die al twintig jaar ongebruikt is gebleven, nadat er indertijd onder de koeien een vreselijke ziekte is uitgebroken. Ook de veehoeders zijn toen op mysterieuze wijze om het leven gekomen. Maar de jonge voorzitter van de dorpsraad vindt dat inmiddels de tijd gekomen is om die grote wei, met zijn prachtige gras, opnieuw te verpachten. De gemeentekas kan de inkomsten goed gebruiken. De jongeren van het dorp zijn dat met hem eens, de ouderen, die zich de gebeurtenissen van twintig jaar geleden nog goed kunnen herinneren, waarschuwen voor onheil, maar zij zijn in de minderheid, en verliezen de stemming.

De weide wordt dus opnieuw in gebruik genomen. Het is een lange klim naar de hooggelegen alm, en het landschap wordt allengs ongenaakbaarder:

“nu kwam het slechte land, dat akelig en griezelig is om aan te zien. Het ligt boven de bloemen, de warmte, het gras, alle goede dingen, boven het zingen van de vogels, want de vogels hierboven kunnen alleen nog krassen (…) en verder is er hier niets en niemand meer, omdat je boven het goede leven bent, boven de mensen – intussen kwam de zon op en trof hen alle vijf tegelijk in hun linkerzij – en het jaar duurt hier twee maanden, drie maanden op zijn hoogst.”

Prachtig zijn in het hele boek de natuurbeschrijvingen. Het landschap groeit al snel uit tot een volwaardig personage, met menselijke trekken: de gletsjer ‘hoest’, en aan het einde hoort één van de veehoeders de berg, die op het punt staat hem te verzwelgen, lachen. De natuur – en dat aspect van het verhaal is in onze tijd weer uitgegroeid tot een modern element van het boek – wreekt zich op wie zich aan haar vergrijpt. Eén van de ouderen had al gewaarschuwd: “er zijn plaatsen die de bergen voor zichzelf willen houden, er zijn plaatsen waar ze geen indringers dulden”.

Dat dit niet goed zal aflopen is van meet af aan duidelijk. En inderdaad, ‘de ziekte’ breekt opnieuw uit onder de koeien, die achter elkaar wegkwijnen. De zeven veehoeders moeten in quarantaine boven blijven. Ze zijn tot elkaars gezelschap veroordeeld als drenkelingen op een vlot en kunnen het isolement moeilijk verdragen – vooral de jonge Joseph, die verliefd is en met zijn verloofde herenigd wil worden. De oude Barthélémy wilde wel mee naar boven. Hij wist zich beschermd door zijn talisman, een papier dat drie keer in wijwater was gedoopt, maar die verliest hij – met het te voorziene gevolg. Het boek eindigt met de apocalyptisch beschreven ondergang van het dorp en de dorpsgemeenschap.

Het verloop van het verhaal is dus nogal voorspelbaar. Maar dat blijkt allerminst een bezwaar. Het is zoals Victor van Vriesland al in de jaren twintig in de NRC schreef naar aanleiding van een ander boek van de schrijver: bij de romans van Ramuz is het niet het wat maar het hoe dat de eigenlijke waarde van het werk uitmaakt: “Modern in de beste zin is hij ongetwijfeld omdat hij nieuwe wegen heeft gevonden. Zijn proza, uitermate suggestief, heeft een technische vernieuwing gebracht. Deze taal is beeldend zonder in het minst breedsprakig te zijn. Zij is naakt en direct, maar door de manier van uitlezing en groepering der materie van ongemeen poëtische kracht.”

De mooie vertaling van Rokus Hofstede, die in een nawoord het werk uitstekend toelicht en op een ook voor de leek boeiende wijze verantwoording aflegt van de ingrepen die hij nodig vond om Ramuz’ bijzondere Frans in vlot leesbaar Nederlands om te zetten, laat het nog maar eens zien: de bloemen die bloeien op de weinig betreden paden van de literatuur zijn minstens zo gevarieerd en zeker niet minder mooi dan de fauna langs de druk bewandelde hoofdwegen.

Eerder verschenen in Trouw

Recensie door: Harald Pauli

Hoogmoed voor de val

[Signalering] De achterflap van de roman De grote angst in de
bergen
omschrijft het verhaal als “de onverbiddelijke kroniek van een aangekondigde catastrofe”. Veel prikkelender kun je het niet omschrijven. Meteen vanaf het begin van deze roman van Charles- Ferdinand Ramuz uit 1926, nu pas voor het eerst vertaald, voel je op niet mis te verstane wijze aan dat er iets broeit en dat er iets vreselijks gaat gebeuren. Omdat je als lezer brandt van verlangen om te achterhalen wat en waarom kun je het boek maar moeilijk wegleggen. De ontwikkeling van het verhaal is spannend en laat tegelijk ruimte voor eigen interpretatie.

Wat een verhaal uiteindelijk tijdloos en dus actueel maakt is het feit dat je de centrale problemen die het behandelt moeiteloos naar deze tijd kunt projecteren. Zoals de mensen in het boek de waarschuwingen van de natuur in de wind slaan, reageert de mensheid nu veel te traag op de signalen van de klimaatverandering. Hebzucht wint het van het verstand, of wellicht beter nog: hoogmoed komt voor de val.

De Zwitser Ramuz werd vanwege zijn buitengewone schrijfstijl en woordkeuze lange tijd verguisd. De aldoor opzettelijk wisselende werkwoordstijden bijvoorbeeld vergen enige gewenning en zullen niet bij iedereen in de smaak vallen. De vertaler is hier gelukkig wel trouw gebleven aan de originele stijl van de schrijver. Bijna honderd jaar
heeft het geduurd voordat een uitgever het aandurfde dit Zwitserse meesterwerk uit het Frans naar het Nederlands te vertalen. Of de uitgever en/ of de vertaler hierbij geïnspireerd werd door het succes van De acht bergen van Paolo Cognetti weten we natuurlijk niet zeker. Maar dat maakt ook niet uit. De vraag waarmee ik uiteindelijk het boek heb dichtgeklapt is: welke juweeltjes van de bergliteratuur liggen er nog meer op stoffige boekenplanken te wachten op een vertaler?

Eerder verschenen in Bergen Magazine

Recensie door: Marjon Nooij
5/5

Een raadselachtig spookverhaal

[Recensie] Al een twintigtal jaren ligt, hoog in de Zwitserse bergen, de weelderige alpenweide Sasseneire ongebruikt te verpieteren. Eigenlijk weet niemand precies wat zich daar toen heeft afgespeeld en de angst voor het onbekende houdt de dorpsbewoners daar weg. Wat ze wél weten is dat er destijds van de groep herders maar één heelhuids het dorp heeft weten te bereiken, terwijl de anderen daarboven de dood hebben gevonden, evenals de koeien die een geheimzinnige ziekte onder de leden kregen.

Wanneer tijdens een urenlange dorpsvergadering wordt aangegeven dat er een stuk grasland voor zeventig koeien wordt gezocht, komt de voorzitter met een plausibele oplossing; de koeien kunnen naar Sasseneire geleid worden. De jongere generatie ziet er wel heil in, maar, zoals te verwachten valt, stuit deze mededeling op veel weerstand onder de oudere aanwezigen; zij hebben hun angsten immers nog vers in het geheugen en vrezen met deze onheilspellende actie hun leven op het spel te zetten.

Zo begint de novelle van de Franstalige Zwitser Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947), een auteur die buiten zijn eigen land niet zoveel bekendheid genereerde.

In het uitgebreide nawoord van de vertaler wordt meer achtergrond over de auteur gegeven.

Voor de Eerste Wereldoorlog woonde hij in Parijs, waar binnen de elitaire literaire schrijvers weinig bewondering was voor de bijzondere schrijfstijl en het ongebruikelijke Frans waarin Ramuz schreef. Zoals dat bij ‘nieuwigheden’ gaat heeft hij bewonderaars en collega’s die zijn stijl verguizen. Er werd destijds een bundel essays uitgegeven met de titel Pour ou contre C.F. Ramuz. Deze diende hen echter van repliek en weerlegde de kritiek door zijn geheel eigen schrijfstijl te benoemen als ‘openluchtfrans’.

Ondertussen in het dorp wordt er onder de bewoners gestemd en besloten toch de alm in gebruik te nemen, waarop een groep van zeven herders de runderen, feestelijk versierd met bloemen, de lange weg de bergen in leidt. Daar aangekomen wordt er uitbundig gefeest, de berghut wordt opgeknapt en in gebruik genomen. Alles lijkt dik in orde te zijn en de koeien grazen tevreden rond.

In het lagergelegen dorp gaat alles verder zoals het altijd al ging en niemand heeft enig idee welke taferelen er zich daarboven afspelen, totdat de verloofde van een van de herders ongerust wordt en op pad gaat, om zich bij hem te voegen. De beesten raken stuk voor stuk besmet met een ondefinieerbare ziekte en bezwijken eraan, ‘zoals bij de plagen van Egypte in de Bijbel’. Een van de mannen heeft een geheimzinnig papier bij zich; een beschreven vel, dat in een wijwatervat is gehouden. In een bundeltje op het lichaam gedragen, zou het bescherming moeten geven. Bescherming tegen wat… onheil?

“Onder hem, tussen de bomen, leek het alsof alle sterren die niet meer aan de hemel stonden naar beneden waren gegleden. Hij zag ze tussen zijn knieën, die hij niet zag. Hij ziet ze tussen zijn knieën, in de richting van zijn voeten, die hij niet kon zien; en buiten die sterren was er vóór ons geen hemel of aarde meer, niet boven en niet onder: niets dan de grote, donkere, mateloze en onmetelijke massa van de nacht, waarin Joseph nog een keer de lichtjes van het dorp ziet glinsteren; dan wordt hij als het ware door zijn schouders voorwaarts geduwd, want hij begint weer bergop te gaan.”

Dat zijn ‘openluchtfrans’ een bijzondere schrijfstijl is, wordt al snel duidelijk in deze novelle. Het meest bijzondere zijn de vele opsommingen, gefragmenteerde zinnen en herhalingen, die iets van regelmatigheid geven en situaties en emoties benadrukken.

“Maar er waren daar geen kinderen, geen vrouwen, geen mannen, er was daar geen geluid van stemmen, geen geluid van zagen of zeisen, geen gekakel van kippen, geen spijkers die worden ingehamerd, geen planken die worden geschaafd; en als Joseph om zich heen keek, stootte hij met zijn ogen alleen maar op stenen, altijd weer op stenen, op niets dan stenen; en altijd weer op niemand, op niets wat bewoog en niets wat zich liet horen. Niets dan stenen, met wat gras hier en daar, een paar struiken, de hoge stelen van gentianen; niets dan stenen en water, water als een slang die kronkelt; het verschijnt, het verdwijnt, verschijnt opnieuw.”

Perspectiefwisselingen volgen elkaar hier en daar razendsnel op, soms verschuift het zelfs in één zin. In de literatuur is dat eigenlijk not done, maar Ramuz maakt zijn teksten hiermee geheimzinnig, waardoor hij appèl doet op de concentratie van de lezer. Als er vanuit de auteur wordt verteld, kan de tekst zomaar veranderen in de jij-vorm.

De gebeurtenissen worden niet uitgekauwd, maar laten het vaak aan de lezer om te bedenken wat er nu echt gebeurt. Het gebruik van personificatie geeft een speciale twist aan de tekst, zoals de voortdurende gehoest van de dodelijke gletsjer.

“Ze passeren een kleine samenscholing van hooischuren die je zien aankomen, die je zwijgend zien aankomen, waarna ze zich dicht tegen elkaar aan drukken alsof ze elkaar iets willen toefluisteren.”

Glorieus zijn de beschrijvingen van omgeving en natuur, waarbij de auteur speelt met het intens zintuiglijke en met wat kleur heeft en van tint verandert. De filmische beschrijvingen zijn soms gedetailleerd, maar dan weer zijn ze juist beknopt gehouden.

Hoedje af voor Rokus Hofstede voor de sublieme vertaling – het lijkt me geen sinecure -, waar de zeer eigen Ramuz-schrijfstijl zo mooi behouden is gebleven.

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken

Samenvatting

Een groep herders leidt de koeien van het dorp voor de zomermaanden naar Sasseneire, een braakliggende

alpenweide, vlak onder de gletsjer, waar zich twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben voorgedaan. Volgens

de oudere dorspbewoners is die weide vervloekt. Als de koeien besmet raken met de ‘ziekte’, worden vee en herders

in quarantaine geplaatst. De bange, bijgelovige, van de buitenwereld afgezonderde herders verliezen gaandeweg

hun menselijkheid. Dan slaat alles om – de grote angst grijpt om zich heen. De grote angst in de bergen, uit 1926, is de onverbiddelijke kroniek van een aangekondigde catastrofe. De roman geldt als het meesterwerk van Charles-Ferdinand

Ramuz (1878–1947), auteur van een machtig maar buiten Zwitserland relatief onbekend gebleven oeuvre. Ramuz

schreef tragische verhalen over boeren uit de wijndorpen en herders uit het hooggebergte, en gebruikte daarbij een

uiterst vernieuwende, beeldende taal.

Fragment:

‘Dat komt ervan, voorzitter, als je je wilt meten met wat sterker is dan jij… En ze kunnen gemeen zijn, als ze zich

ermee bemoeien.’ Waarmee hij kennelijk de bergen bedoelde: ‘Er zijn plaatsen die ze voor zichzelf willen houden,

er zijn plaatsen waar ze geen indringers dulden…’

Toon meer Toon minder
€ 21,50

Verwachte leverdatum: dinsdag 19 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789028290150
Verschijningsdatum
maart 2019
Druk
1
Aantal pagina's
200 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
302: Vertaalde literaire roman, novelle
Categorieën

Uitgever
Uitgeverij Van Oorschot

Vertaald door
Rokus Hofstede

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden