Wittgensteins minnares

Auteur(s): David Markson
Taal: Nederlands
0,225/5
3 recensies
Wittgensteins minnares
Wittgensteins minnares

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Marjon Nooij
5/5

Waan, waanzin of werkelijkheid?

[Recensie] David Markson (1927-2010) voltooide in de tachtiger jaren van de vorige eeuw zijn volstrekt unieke boek Wittgenstein’s mistress, maar geen enkele uitgever durfde zijn vingers eraan te branden, zodat hij er vierenvijftig langs is geweest in een poging om zijn boek op de markt te krijgen, voordat hij uiteindelijk in 1988 zijn zoektocht eindigde bij Dalkey Archive Press die hij bereid vond om zijn postmodernistische werk uit te geven.

Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat dit boek geschreven is door het enige personage dat de auteur ten tonele brengt. Kate – zo is op de achterflap te lezen, want de oplettende lezer zal maar éénmaal haar naam ontdekken – bevindt zich in een desolate wereld en naar het schijnt is ze het enig overgebleven, levende wezen op aarde. Of de setting een post-apocalyptische, dystopische of sience fiction is, wordt niet meteen duidelijk, maar mysterieus doet het zeker aan. Is er iets met haar aan de hand? Zelf zegt ze: “Al was ik een groot deel van de tijd behoorlijk geschift natuurlijk.” Ook rijst de vraag hoe betrouwbaar de woorden en beweringen van deze ik-verteller zijn. Aangezien ze een monoloog houdt en helemaal alleen is, is er ook niemand die zegt aan haar woorden te twijfelen. Wat we lezen is dus geheel en al de waarheid van Kate.

Ze heeft een huisje aan het strand gevonden en, omdat niemand haar kan waarnemen, leeft ze geheel zoals ze dat wil. Overal zijn er auto’s – met het stuur aan de rechterkant – te vinden waarmee ze de wereld rond is gereden en voornamelijk in musea heeft gewoond, zoals het Louvre, National Gallery, Hermitage, Galleria Borghese, waarbij ze onderweg ook Troje heeft aangedaan. De richting waar de neus van de volgende auto naartoe wees, was leidend voor de richting die ze ging. Ze geeft de indruk gedesoriënteerd te zijn in tijd, aangezien ze zeventien horloges om de beurt af laat gaan en niet precies weet hoelang het geleden is dat ze helemaal alleen over is gebleven. Soms vertelt ze iets over haar leven voor dit leven: ze is gescheiden en heeft een vroeg gestorven zoontje wiens graf ze graag wil bezoeken.

Op een typemachine is ze haar gedachten aan het documenteren en ordenen. Lustig strooit ze met feitenkennis over onder andere Homerus’ Odyssee, mythologische figuren, kunstenaars, klassieke auteurs en dito muziek en oudheidkundige gebeurtenissen, maar dat klinkt niet altijd even coherent. Ze filosofeert er lustig op los en schrikt er niet voor terug om haar beweringen ook weer te ontkrachten, soms pas na een aantal bladzijden en roept zichzelf direct tot de orde wanneer ze aan het generaliseren is.

Is ze werkelijk alleen of zit ze gevangen in haar eigen hoofd?

Ze schrijft dat ze te maken heeft gehad met depressies en gek was. Is haar wereld letterlijk leeg of zit Kate opgesloten in haar eigen hoofd? Heeft ze misschien last van psychiatrische problematieken? Ze geeft de schijn intelligent te zijn en is universitair geschoold.

Volstrekt uniek is Markson’s werk zeker te noemen. Het lijkt eerst heel verwarrend en het heeft even tijd nodig om aan de schrijfstijl te wennen, om vervolgens tot de conclusie te komen dat je het begin de door Wittgensteins taalfilosofie geïnspireerde schrijfstijl niet goed hebt opgenomen en begrepen. Het werk is verstoken van hoofdstukken en witregels, en bestaat uit een doorlopende tekst, waarbij elke alinea bestaat uit één zin, of elke zin vertegenwoordigd één alinea. Kate’s relaas is een onafgebroken stream of conciousness, waarin ze vloeiend van de ene bewering in de andere glijdt, voortborduurt en filosofeert.

Wittgensteins minnares, voorzien van een uitgebreid nawoord door Lieke Marsman,is een heel rijk boek, vol verwijzingen die ontegenzeglijk niet allemaal opvallen bij een eerste lezing. Daarom is het ook een boek om zeker een tweede kans te geven. Het is geen gemakkelijk werk en het eist behoorlijk de aandacht door het filosofische experimenteren. Slow reading lijkt in dezen het toverwoord, want op de meeste zinnen is het heerlijk kauwen. Kate’s gefilosofeer is soms ontroerend en regelmatig heel geestig te noemen. De manier van schrijven maakt het een spannende leeservaring. Wat het zo uniek maakt is dat het in feite een boek is zonder plot: verrassend, bedwelmend, geestig, ontroerend, bijzonder intrigerend, pakkend en vreselijk goed.

Opgenomen in de lenteactie 2020 van Schwob en terecht een moderne klassieker!

Over de auteur

David Foster Wallace (1962-2008), hoogleraar Engelse literatuur en filosoof, was idolaat van het werk van Markson en in het bijzonder van Wittgensteins minnares, welke hij tot op de draad heeft ontleed en er een essay over heeft geschreven.

Eerder verschenen op Metdeneusindeboeken

Recensie door: Karl van Heijster
4/5

Wat betekent waarheid nog als je alleen bent?

[Recensie] Kunstenares Kate is de laatste persoon op aarde, al een hele tijd nu. Hoe lang, dat kan ze niet meer zeggen. Het verstrijken van de tijd heeft haar herinneringen vervormd tot een punt waarop ze zelf niet meer de ware van de onware herinneringen weet te scheiden. Een tijd lang heeft ze geprobeerd om andere mensen te vinden. Ze heeft over de hele wereld gezocht – overnachtte in beroemde musea, stak schilderijlijsten in brand om zichzelf warm te houden. Maar haar zoektocht was tevergeefs, ze heeft niemand gevonden. 

Nu heeft ze zich teruggetrokken op een huisje op het strand, waar ze haar dagen vult met uittypen wat er in haar opkomt. Gek genoeg zit daar maar weinig persoonlijks tussen. Haar aantekeningen zijn een aaneenschakeling van feitjes uit de kunst- en literatuurgeschiedenis. Veelal foutieve feiten, overigens. Want door haar toestand is het voor Kate onmogelijk geworden het museum in haar hoofd op orde te houden. De waarheid van haar beweringen is ofwel op geen enkele manier meer na te gaan, ofwel ze heeft de moeite dit te doen opgegeven. Bovendien, wat betekent waarheid nog als je de enige persoon op aarde bent?

David Marksons Wittgensteins Minnares werd schijnbaar door 54 uitgevers afgewezen, en de reden laat zich raden. Het boek kent geen begin, geen eind, geen ontwikkeling en vooral geen structuur. Het is één lange gedachtestroom van hoofdpersonage Kate. Die nota bene het grootste gedeelte van het boek besteedt aan het corrigeren van de fouten die er in haar vertoog geslopen zijn, soms vele pagina’s nadat ze gemaakt zijn. 

Dat klinkt als een verschrikking om te moeten lezen, maar het tegendeel blijkt het geval. Kates eindeloze dans rondom de feiten is met veel humor geschreven. Ze vraagt zich bijvoorbeeld pagina’s lang afvraagt hoe ingewikkeld familiebijeenkomsten wel niet moeten zijn in Homeros’ wereld. En ze blijft maar terugkeren naar het feit dat Brahms altijd snoepjes in zijn zak had om aan kinderen uit te delen. Hoewel, wie zegt dat hij die altijd in zijn zak had? Misschien heeft hij dat maar één keer gedaan, en is het hele verhaal zo ontstaan. Wist je trouwens dat de kans groot is dat Brahms ook een kleine Ludwig Wittgenstein van snoep heeft voorzien?

Zoals Lieke Marsman in haar nawoord opmerkt, heeft Marksons declaratieve schrijfstijl inderdaad wel wat weg van het vroege werk van de filosoof. (De associatieve opbouw van de vertelling doet overigens dan weer meer aan diens latere werk denken.) Ook Kates problematische verhouding tot de waarheid valt terug te herleiden tot Wittgensteiniaanse thema’s. Welk spel wordt er met het begrip “waarheid” gespeeld, als er niemand meer is om dat spel mee te spelen? Wordt dan alles waar wat Kate zegt? Ook als ze zichzelf tegenspreekt? Of valt de vraag naar de waarheid helemaal weg bij gebrek aan een manier om deze vast te stellen? Maar wat is dan de rol van datgene dat Kate aan het papier toevertrouwt?

Het is een frustrerende vraag, die laatste. Want een ongeduldige lezer zal zich – al helemaal als deze niet Marksons gevoel voor humor deelt – geregeld geërgerd afvragen waarom deze zich nog door Wittgensteins Minnares heen zou moeten worstelen. Het antwoord op die vraag komt pas helemaal aan het eind van het boek. Waarom typt Kate alles uit wat er in haar opkomt? En waarom komen er alleen maar zulke ogenschijnlijk onbelangrijke zaken in haar op? 

Het antwoord is schrijnend. Namelijk om niet over de belangrijke dingen na te hoeven denken. Haar verleden, haar trauma’s, haar eenzaamheid. Over het feit dat ze bestaat in een wereld die volledig onverschillig staat tegenover haar bestaan. Een wereld zonder begin, zonder eind, zonder ontwikkeling of structuur. En die dus volmaakt gespiegeld is in Marksons talige representatie ervan. Of leg ik die link alleen maar omdat ik zo’n grote minnaar van Wittgensteins werk ben?

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub Van Alles

Recensie door: Tanny Dobbelaar

Het merkwaardige en prikkelende Wittgensteins minnares van David Markson broeit lang na in het hoofd

Kate is helemaal alleen. Wat wil ze dan nog vertellen. Wittgensteins minnares van David Markson onderzoekt de filosofische vraag of er een taal kan bestaan die maar door één iemand gesproken wordt.

[Recensie] Kate is een schilderes van eind veertig. Haar schilderijen hangen tegenwoordig in de galerijen van het Metropolitan Museum in New York, tussen de wereldberoemde doeken van de permanente collectie. Ze heeft ze er zelf neergezet. Niemand heeft ertegen geprotesteerd want er is niemand meer. Ze is alleen, zo alleen dat niemand zal beoordelen of haar schilderijen wel in dat beroemde museum thuishoren. Ze is ook zo alleen dat duizenden tennisballen van de Spaanse Trappen in Rome kan laten rollen, puur voor haar eigen plezier.

Kate is het enige personage in Wittgensteins minnares, geschreven door David Merrill Markson (1927-2010). Maar liefst 54 uitgevers wezen zijn experimentele roman af, totdat hij in 1988 in de VS werd uitgegeven en onmiddellijk een cultstatus kreeg. Onlangs verscheen er een Nederlandse vertaling van het vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, onbedoeld perfect getimed nu de coronacrisis ons land in zijn greep houdt.

In feite is de eenzaamheid van Kate een extreme variant op sociale isolatie. Wat betekent het om in je eigen hoofd, in je eigen taal opgesloten te zijn, dat is de grote filosofische kwestie die Markson via Kate aan de orde stelt.. Wat hebben woorden voor nut als er niemand luistert?

In het verlengde hiervan kun je je afvragen wat een schilderij voorstelt als er niemand naar kijkt. Kunst is kennelijk niet alleen een hoogstpersoonlijke uitdrukking van een kunstenaar, maar ook een noodzakelijk gezelschapsspel.

Onderbroeken wassen

Kate woont aan het strand en typt op een oude typemachine wat in haar opkomt. Er was ooit een zoon, Simon, of misschien heette hij Adam, die is gestorven. Ze had een man die Lucien heette, of misschien Adam, of Simon, die ze bedroog met andere mannen. Haar geschiedenis blijft vaag, evenals de vraag waarom ze zo alleen op aarde is. Wel staat vast dat ze menstrueert, want ze blijft het hele boek lang haar onderbroeken wassen.

Voor Kate is formuleren kennelijk belangrijk, ook zonder het vertrouwen dat ze gehoord, gelezen, begrepen wordt. Op haar oude typemachine schrijft ze “wat het geval is”. Die zinsnede is een parafrase van de eerste stelling van Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus: “De wereld is wat het geval is.” Stelling 1.1. luidt: “De wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen”.

Met die Tractatus maakte de Weense filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) een verpletterende indruk op zijn collega-filosofen, omdat hij in strenge stellingen wilde vatten wat er van de wereld te begrijpen valt – en vooral wat niet. Over de interpretatie van deze kale stellingen zijn honderden boeken volgeschreven die ook allemaal stilstaan bij de raadselachtige laatste zin van dit werk: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.”

Kate zwijgt zeker niet. Ze beschrijft alleen maar feiten waar ze tegelijkertijd aan twijfelt, ook omdat ze in zekere zin vooral herinneringen noteert aan wat ze ooit gelezen, gehoord of ervaren heeft. Haar monologen draaien in cirkels rondom uitspraken over schilders, componisten en de Griekse mythen over Helena van Troje. En over de vuren die ze stookt van schilderijen en kunstvoorwerpen, om warm te blijven. Een voorbeeld:

“Modigliani signeerde regelmatig schilderijen van andere schilders. Dan konden zij schilderijen verkopen die ze anders misschien niet hadden verkocht.

Ongetwijfeld had ik niet regelmatig moeten zeggen. Ongetwijfeld heeft Modigliani dit maar een enkele keer gedaan.”

Alinea’s van één zin

Het hele, jawel, het hele boek bestaat uit alinea’s van één zin. Hoofdstukken zijn af-wezig, evenals een plot. Kate zelf noemt haar typewerk de ultieme autobiografische roman: het aaneenrijgen van zaken die ze dacht te weten, maar onmiddellijk betwijfelt zodra ze opgeschreven zijn. Heeft Bach nu elf of twintig kinderen? Ook mijmert ze over romanfiguren met namen als Rainer Maria Raskolnikov uit Misdaad en straf, wat je dan weer doet nadenken over de echtheid van romanpersonages. Raskolnikov heeft nu eenmaal andere voornamen gekregen dan Rainer Maria Rilke.

Een van de citaten waar het boek mee opent is een uitspraak van Wittgenstein: “Ik begrijp goed waarom kinderen van zand houden.” Zo is ook dit boek, een regen van solitaire zandkorrels, of tennisballen, die na elkaar op de grond vallen en elk een wereld in zichzelf vertegenwoordigen.

Wittgensteins minnares levert zonder meer een merkwaardige leeservaring op die niet bij voorbaat plezierig is. Pas na de laatste bladzijde kwam het boek in mijn hoofd tot leven. Het ging er zelfs broeien, zeker nu de corona-maatregelen ons dwingen tot sociaal isolement. Kate is voor mij echt een persoon geworden, hoe ongeloofwaardig ze ook wordt verbeeld. Die tegenstrijdigheid intrigeert. Sociaal isolement is overigens ‘peanuts’ vergeleken bij de ultieme eenzaamheid van Kate. Misschien leeft ze aan het einde der tijden waardoor ze alleen op de wereld is. Mogelijk waant Kate zich slechts alleen, omdat ze gek of dement is.

Gerenommeerde fans

Niet de minste schrijvers blijken verrukt van Wittgensteins minnares. De Nederlandse vertaling heeft een nawoord van Lieke Marsman, en de Engelse uitgave een essay van David Wallace Foster, waar ook Marsman naar verwijst. Dit boek kun je diepgaand bewonderen zonder er echt van te houden. Daarom vind ik hem niet ‘de leukste roman van dit jaar’, zoals de quote van The Washington Times luidt op de binnenkaft van de Nederlands vertaling.

Vaststaat dat Markson met Kate een zeer merkwaardig personage heeft gecreëerd. Zo vraag ik me af waarom Markson heeft gekozen voor een vrouw. Juist omdat Wittgestein homoseksueel was? Ook naar de betekenis van haar ongesteldheid moet ik raden. Het is alsof de schrijver wil benadrukken dat Kate’s hoofd ook een lichaam heeft, dat haar solipsisme ook fysiek van aard is. Schrijven en bloeden zijn doelloos maar onvermijdelijk. Zoiets.

Tegelijkertijd confronteert dit vrouwelijke personage met een vooroordeel of een verlangen dat ik meer met vrouwen dan met mannen associeer: het verlangen naar contact en communicatie, het zoeken naar wederzijdse overeenstemming over wat het geval is in de wereld. Deze vrouw zoekt dat allemaal niet. Ze weet: ze is eindeloos alleen.

Eerder verschenen in Trouw en op Tanny Dobbelaar

Samenvatting

Kate beweert dat zij de laatste mens op aarde is. Ze woont in de verlaten musea die ze op haar tochten aandoet en klampt zich vast aan haar passie voor beeldende kunst, haar laatste strohalm. Zo probeert ze de tergende eenzaamheid die ze ervaart te lijf te gaan. Over haar verleden is wel iets bekend maar niet veel, en wat ze erover prijsgeeft blijkt niet altijd even betrouwbaar. Kate wantrouwt de taal en ziet er de grote beperkingen van in, een gegeven dat David Markson weet uit te drukken in hypnotiserend prachtig proza.

Wittgensteins minnares bereikte in de jaren tachtig de status van cultboek en kan bogen op lovende kritieken van zowel literatuurminnaars als filosofen. Deze roman is een eindtijdfantasie, een experimenteel literair werk en een huiveringwekkend vervreemdend boek in één.

Lieke Marsman schreef speciaal voor deze uitgave een begeleidend nawoord: 'Ik kan me de eerste keer dat ik Wittgensteins minnares opensloeg nog goed herinneren. "In het begin liet ik soms boodschappen achter op straat." Dat is gedurfd, dacht ik, te beginnen op de wijze van het boek Genesis.'

Toon meer Toon minder
€ 22,50

Verwachte leverdatum: dinsdag 09 juni


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789028293083
Verschijningsdatum
oktober 2019
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
302: Vertaalde literaire roman, novelle
Categorieën

Auteur
Uitgever
Uitgeverij Van Oorschot

Vertaald door
Erik Bindervoet, Robbert-Jan Henkes

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden