Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

De oorsprong van taal

Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten

Auteur(s): Sverker Johansson
Taal: Nederlands
0,15/5
4 recensies
De oorsprong van taal
De oorsprong van taal
De oorsprong van taal

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door: Karl van Heijster
3/5

Waarom spreken we eigenlijk?

[Recensie] Zolang een kind er op het juiste moment aan bloot wordt gesteld, zal het haast vanzelf leren te spreken. Dat is een bijzonder fenomeen, gelet op de enorme complexiteit van taal. Taken van vergelijkbare complexiteit, bijvoorbeeld rekenen of schrijven, leert een kind namelijk zeer moeizaam, door herhaalde instructie. Meer nog, een kind van krap twee jaar heeft al een groter talig vermogen dan elk ander niet-menselijk dier op de planeet! Hoe kan dit? Waar komt onze taal vandaan? En waarom zijn we er zo goed in? Op zulke vragen probeert natuurkundige en linguïst Sverker Johansson antwoord te geven in De oorsprong van taal: Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten.

De nachtegaal op de cover van het boek geeft eigenlijk al weg dat Johanssons verklaring evolutionair van aard zal zijn. De oorsprong van taal begint dan ook bij de vroege voorvaderen van de huidige mens: de homo erectus. Op vlotte wijze behandelt de schrijver een scala aan mogelijkheidsvoorwaarden voor taal, van de ontwikkeling van de hersenen tot de sociale context waarbinnen het gebruik van taal pas zinvol wordt. Grappig genoeg gaat het boek daarom vaak minder over taal dan de titel zou doen vermoeden.

Eén van zijn interessantste conclusies is dat de mens niet eens zozeer van zijn evolutionaire neven en nichten verschilt in de capaciteit tot het gebruik van taal. Natuurlijk, de gemiddelde mensaap is anatomisch niet in staat zulke verfijnde klanken te produceren als de mens. En ook de cognitieve afstand tot elkaar is groot. Maar veel belangrijker nog: de gemiddelde mensaap lijkt ook helemaal niet de ‘behoefte’ te voelen zich talig uit te drukken. De vanzelfsprekende samenwerking, bijvoorbeeld bij het opvoeden van kinderen, en het onderling vertrouwen is niet op een danig niveau dat het spreken van de grond zal komen. Een aap met grotere hersenen zal geen profijt hebben van spraak, zolang een min of meer altruïstische omgangsvorm niet de norm is.

Johanssons keuze voor een evolutionaire invalshoek lijkt misschien triviaal, maar dat is het zeker niet. Een aanzienlijk deel van De oorsprong van taal bestaat uit het bekritiseren en corrigeren van Noam Chomsky’s generatieve grammatica, waarin taal als een computationeel proces wordt opgevat. Interessant is de verschillende opvattingen van taal die uit Johanssons en Chomsky’s invalshoeken besloten liggen. Daar waar Chomsky de geformaliseerde, geschreven taal als fundamenteel lijkt te beschouwen, neemt Johansson de zogenaamde “puzzelcommunicatie” als uitgangspunt. Daarin spelen contextuele factoren een veel grotere rol bij het overbrengen van een boodschap. Dit heeft belangrijke implicaties voor wat als taal beschouwd wordt en wat niet. Chomsky zou bijvoorbeeld een ingewikkelde hiërarchisch geordende zijn met enkele tientallen bijzinnen als talig beschouwen – zolang deze voldoet aan het formeel-grammaticale systeem. Johansson is nuchterder: een zin, in normale omstandigheden uitgesproken, die voor geen enkel mens begrijpelijk is, lijkt misschien wel talig, maar is dat niet.

Zijn belangrijkste kritiekpunt op is echter dat Chomsky’s paradigma niet met de evolutie te verenigen valt. Althans, niet zolang deze wordt opgevat als een geleidelijk proces zonder “sprongen”. Die kritiek snijdt hout, maar Johanssons weergave is op bepaalde punten ietwat selectief. Chomskyanen grijpen bijvoorbeeld bepaalde patronen in het gebruik van voor- of achterzetsels en woordvolgorde aan als argument dat de menselijke grammatica een aangeboren component bevat. Hier gaat Johansson eigenlijk in het geheel niet op in. Ook zijn bespreking van Chomsky’s idee dat recursiviteit het fundament van taal vormt, is teleurstellend oppervlakkig.

Helemaal onterecht is dat misschien niet. Feit is immers dat Johanssons “puzzlecommunicatie” fundamenteler van aard lijkt dan Chomsky’s computationele opvatting, in elk geval vanuit evolutionair perspectief. De grootste verdienste van De oorsprong van taal ligt misschien dan ook wel in het boven water halen van veronderstellingen over de ware aard van taal – of die nu wordt gesproken door homo erectus of homo sapiens.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Evert van der Veen
3/5

Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten

[Recensie] “Taal kan de sleutel zijn die ons tot mens maakt”, pagina 15. Mensen spreken en leven in talen, momenteel zo’n 4000 – 7000 wereldwijd. Fascinerend is het feit dat een tiende van deze taal door stammen in Nieuw Guinea wordt gesproken. Dit boek gaat over de geschiedenis van taal in het algemeen: hoe is taal ooit ontstaan, wat weten we over de oudste mensenrassen en hun communicatie? Ook dieren hebben hun eigen vormen van taal waardoor zij met elkaar communiceren en de auteur haalt in heel het boek vele voorbeelden uit het dierenrijk aan om dit op levendige wijze te illustreren. Taal tussen dieren bevindt zich tussen twee partijen: ‘spreker’ en ‘luisteraar’. Taal tussen mensen kent daarnaast echter nog een andere, derde dimensie, met verwijzingen naar iets of iemand die er ook bij betrokken is.

Sverker Johansson is Zweeds natuurkundige en linguïst en heeft tevens onderzoek gedaan in een internationale onderzoeksgroep op het gebied van de oorsprong en evolutie van taal.

In dit boek gaat hij op zoek naar de herkomst van taal. Zijn betoog illustreert hij naast de vele voorbeelden uit het dierenrijk met wetenschappelijke experimenten en onderzoeken. Tevens zijn er allerlei sfeerverhalen waarin de lezer naar lang vervlogen tijden wordt meegenomen en op denkbeeldige wijze dichter bij de toenmalige mens komt te staan.

De auteur neemt de lezer mee in een lange en soms wel wat breed uitgesponnen betoog waarin hij duidelijk maakt wat de essentie van taal is, hoe taal is opgebouwd en aan welke kenmerken taal voldoet. Steeds trekt Johansson in een cursief gedrukt gedeelte een conclusie waarin het voorgaande wordt samengevat. Zijn verhaal is zeer toegankelijk maar soms wel wat langdradig en ook met een zekere herhaling waarbij de lezer het gevoel kan hebben: dit wist ik toch inmiddels al?

In het boek is veel aandacht voor de menselijke evolutie waarvan de taal ook deel uitmaakt: “Taal ontwikkelde zich bij levende wezens die al beschikten over hetzelfde vermogen tot denken en communiceren als chimpansees of bavianen”, pagina 102.

Hoewel de oorsprong van taal niet meer exact te achterhalen valt, is wel vrij zeker dat de Homo erectus de eerste taal sprak. Deze oertaal van 1 miljoen jaar geleden vormt de basis voor alle latere talen. Een reconstructie is uiteraard niet meer mogelijk omdat deze taal niet gedocumenteerd is. De menselijke soort ontwikkelt zich en de taal gaat mee in dit proces waarin erfelijkheid en omgeving een rol spelen. De mens beschikt over taalinstinct, dat wordt in de loop van dit boek wel duidelijk: “We weten dat de mens zich uit niet-sprekende voorouders heeft ontwikkeld. Dat wil zeggen dat ons taalvermogen moet zijn ontwikkeld, en dat het taalvermogen dus ook vatbaar moet zijn voor ontwikkeling”, pagina 205.

De Homo erectus leefde samen met anderen op basis van onderling vertrouwen en hulpvaardigheid en binnen deze familaire structuur waarin men samenwerkte, ontstond taal.

Aan het slot van het boek probeert de auteur “het web rond de oertaal” nog eens in kaart te brengen door vragen te stellen en die te beantwoorden. Het boek wil uiteindelijk duidelijk maken dat wij ons hebben ontwikkeld “van kwetsbare apen naar sprekende mensen”, pagina 387.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Marijke Laurense

De vroedvrouw verloste ook de taal

[Recensie] Bakerpraatjes. Het is een ander woord voor het onzinnige geklets waarom ouderwetse, ondeugdelijk geschoolde kraamverpleegsters vroeger kennelijk bekend stonden. Toch zou het, zo stelt de Zweedse multigeleerde Sverker Johansson (1961), waarschijnlijk nooit wat met de mensheid zijn geworden als onze verre voormoeders van de inmiddels uitgestorven mensensoort Homo Erectus elkaar zo’n 1,8 miljoen jaar geleden niet waren gaan helpen bij de steeds zwaardere bevalling. Omdat de kraamvrouwen het niet meer alleen af konden, nu hun bekkens zoveel smaller en de hoofdjes van de baby’s zoveel groter waren geworden. Volgens Johansson is het heel goed denkbaar dat die hulpvaardigheid en dat vertrouwen in elkaar de bakermat van onze taal is geweest.

De geschiedenis van de taal blijft fascineren. Vorig jaar nog bracht Nicoline van der Sijs in kaart hoe het Nederlands zich in de afgelopen vijftien eeuwen had ontwikkeld in een veranderingsproces dat nog lang niet is afgelopen, of we dat nu leuk vinden of niet. Wie nog verder terug in de tijd wil, komt uit bij de geleerde reconstructie van de voorouder van alle Indo-Europese talen, het Proto-Indo-Europees, dat zo’n 5000 tot 6000 jaar geleden misschien op de grens van Azië en Europa is gesproken. Maar hoe mogelijk andere talen toen of daarvoor eruit zagen? Klonken? Er lijkt geen zinnig woord over te zeggen.

Tenzij je Sverker Johansson heet en grenzeloos weetgierig bent. Hij begon zijn wetenschappelijke loopbaan als natuurkundige, promoveerde op de productie van leptonparen bij botsingen van protonen in een deeltjesversneller, maar raakte al gauw daarna verslingerd aan de taalwetenschap en de vraag naar de oorsprong van de menselijk taal.

Evolutionair nut

Waarom kunnen mensen eigenlijk praten? En sinds wanneer? Wat was het evolutionaire nut ervan? Is taal inderdaad typisch voor de menselijke soort? Wat zijn de wezenlijke kenmerken ervan? Hoe essentieel is het bijvoorbeeld dat je met taal kunt liegen? En waarom bestaan er zoveel verschillende talen terwijl katten overal ter wereld ongeveer hetzelfde miauwen? Hebben we trouwens in den beginne ooit allemaal dezelfde taal gesproken? Voor een antwoord op deze en tientallen verwante vragen bekwaamde Johansson zich niet alleen in de biolinguïstiek en Darwins evolutietheorie, maar ook in de archeologie, de primatologie, de neurowetenschappen en nog zo het een en ander.

Dansende bijen

Johanssons boek puilt uit van de interessante weetjes en theorieën over de aard en functie van taal, dat universele vermogen waarmee de mens zich al volgens Aristoteles zo duidelijk onderscheidt van de dieren. Hoewel dat bij nader inzien eerder een gradueel verschil blijkt te zijn, met bijen die al dansend die hun soortgenoten vertellen waar de nectar te halen is, met apen die met symbolen overweg kunnen en met paarden die kunnen rekenen, al was dat laatste oplichterij.

Maar toch: de taal van de mens is vele malen complexer dan die van welk ander dier dan ook, dus blijft de vraag wat dat te maken heeft met onze hersenen, spraakorganen, genen en spiegelneuronen. Met hoe erfelijk het is dat kinderen zo razendsnel en instinctief een taal kunnen leren, het maakt niet uit welke. De vraag of we eerst dachten en daarna pas gingen praten of andersom.

En welk darwinistisch voordeel onze spreek- en luistervaardigheid indertijd ooit gehad kan hebben. Zorgde een groter taalvermogen inderdaad voor betere overlevingskansen en meer succes bij het andere geslacht en dus de voortplanting? Darwin zelf bijvoorbeeld opperde dat de menselijk taal is voortgekomen uit muziek en zang, zoals mannetjesnachtegalen zingen om indruk te maken op de vrouwtjes. Hoewel het volgens een andere theorie ook met wiegeliedjes begonnen kan zijn.

Met handen en voeten

Maar gingen we, zoals Noam Chomsky in de vorige eeuw veronderstelde, praten dankzij één enkele genetische supermutatie? Of heeft, wat Johansson aannemelijk probeert te maken, de eerste grammatica zich geleidelijk ontwikkeld vanuit een primitievere oertaal, waarin we ons wisten te redden met een losse woorden en onze handen en voeten, zoals we ook nu nog communiceren als een taal ons echt vreemd is? En is onze huidige, verfijnde grammatica niet eerder het gevolg van een culturele dan van biologische evolutie?

Het wordt een spannend kip-en/of-ei-verhaal van een samenspel van fysieke mogelijkheden, zoals de vorming van strottenhoofden, tongbenen, stembanden en een ademhaling waardoor we keigoed werden in het nabootsen van klanken. Met daarbij de ontwikkeling van ons algemene denkvermogen, bewustzijn en tijdsbesef. Plus de noodzaak en vooral de wil om samen te werken, zoals bij een bevalling, de jacht of het maken van een zo handig mogelijke vuistbijl.

Toch heeft het misschien niet alleen gedraaid om kennisoverdracht en nuttige informatie. Want waarom anders zijn we vaak zoveel beter in praten dan in luisteren? Omdat een grotere bek ook meer status geeft? Of zijn we ook gaan praten omdat het een slimme en efficiënte manier is om meer dan een soortgenot tegelijk te kunnen ‘vlooien’? Of dat we in een groep die drijft op samenwerking en wederzijds vertrouwen, de taal vooral nodig hadden om al roddelend profiteurs af te straffen. Of om anderen te manipuleren.

Meer dan grommen en met knotsen zwaaien

Verrassend is ook Johanssons kijk op de Neanderthalers, die volgens hem 60.000 jaar terug heel wat meer konden dan grommen en met knotsen zwaaien. Ook zij moeten, net als de Homo Erectus, op z’n minst al een eenvoudige oertaal hebben gehad, zo leidt hij af uit hun grottekeningen en de kinderen die ze kregen met de Homo Sapiens, die vanuit Afrika naar Europa was gekomen.

Maar het is Johansson niet alleen te doen om een breed publiek te verbazen met zijn encyclopedische kennis van de nieuwste theorieën en een aantal smakelijke speculaties op het gebied van de taalevolutie: hij heeft het er ook erg druk mee om de grote taalgeleerde van de 20ste eeuw, Noam Chomsky, van zijn troon te stoten. Natuurlijk, Johanssons kritiek op Chomsky’s idee dat de mens in een taalkundige oerknal opeens begiftigd zou zijn met een perfect grammaticaal systeem waarmee je een oneindig aantal correcte en elegante zinnen kunt genereren, is een linguïstisch debat waard. Maar om daarmee nu in een populairwetenschappelijk boek zo verbeten de hele generatieve grammatica als paradigma naar de mestvaalt der geschiedenis te bonjouren, lijkt me toch net iets te ambitieus.

Eerder verschenen in Trouw en op Marijke Laurense

Recensie door: Erica Renckens

Speuren naar de bakermat van taal

Lange tijd was onderzoek naar het ontstaan van taal een faux pas. Pure speculatie waar gerespecteerde onderzoekers hun vingers niet aan brandden. Sverker Johansson laat in De oorsprong van taal zien dat deze tijden inmiddels – terecht – achter ons liggen.

[Recensie] Een CERN-natuurkundige die een van de grootste vraagstukken uit de taalwetenschap oplost. Ik was op z’n zachtst gezegd wat sceptisch toen ik het boek De oorsprong van taal van de Zweed Sverker Johansson onder ogen kreeg. Dat werd er niet minder op toen bleek dat Johansson ook nog eens wereldwijd de meeste Wikipedia-pagina’s heeft geschreven – met een bot weliswaar, maar toch. Ik was dan ook blij verrast hoe grondig en overtuigend zijn boek vervolgens bleek te zijn.

Ban op onderzoek

Het ontstaan van taal is al eeuwenlang een fascinerend mysterie voor grote denkers. De oude Grieken braken zich er al het hoofd over en ook in de achttiende eeuw, de tijd van de Verlichting, speculeerden filosofen er lustig op los. Begon taal met gebaren? Met aangeboren vocale reacties? Met klanknabootsingen? En wanneer dan precies? Een wetenschappelijke onderbouwing ontbrak daarbij echter, simpelweg omdat de wetenschap op het gebied van taal en menselijke evolutie nog nauwelijks ontwikkeld was.

Vanwege al die speculaties verbood het linguïstisch genootschap L’Association Phonétique Internationale in Parijs in 1866 het onderzoek naar dit onderwerp. Terwijl vervolgens de wetenschap op het gebied van mens, taal en evolutie grote sprongen maakte, zorgde deze ban ervoor dat onderzoek naar de oorsprong van taal tot ver in de twintigste eeuw niet serieus werd genomen. Inmiddels wagen gelukkig ook gerespecteerde wetenschappers zich weer aan het onderwerp.

Johansson geeft in zijn boek een actuele stand van zaken. Naast natuurkundige en bot-programmeur blijkt hij ook taalkundige te zijn, verbonden aan de Zweedse Dalarna Universiteit. In die hoedanigheid bezoekt hij sinds 1990 de internationale Evolang-congressen, waar wetenschappers uit verschillende vakgebieden zich buigen over de oorsprong van taal. In de inleiding schrijft hij dat dit boek verder bouwt op het resultaat van die onderzoeksreis tot nu toe. “Mijn doel is een overzicht te geven van waar we nu staan, hoe we hebben gedacht en wat we wel en niet weten over de oorsprong van taal.”

Sporen van taal

De schrijver gaat daarbij gedegen te werk. In het eerste deel van het boek staat hij stil bij wat taal eigenlijk is. Lezers die al veel van taal afweten kunnen dit deel eventueel overslaan, maar hier legt hij de basis voor de rest van zijn verhaal, dus enig opfriswerk kan nuttig zijn. Welke eigenschappen zijn karakteristiek voor menselijke taal? Welke daarvan zie je ook bij dieren? En welke rol speelt taal precies binnen menselijke communicatie? Spoiler 1: Johansson is duidelijk geen aanhanger van Noam Chomsky, die grammatica als de (aangeboren) kern van taal ziet.

In het tweede – en grootste – deel komt taal vervolgens nauwelijks aan bod. Dat lijkt misschien vreemd voor een boek over de oorsprong van taal, maar maakt het al met al juist een geloofwaardig betoog. Johansson gaat hier namelijk in op de evolutie van de mens. Taal laat geen sporen na, maar uit andere opgravingen, zoals botten, gereedschappen en andere voorwerpen, valt veel op te maken over de cognitieve capaciteiten van onze voorouders. Capaciteiten die ook taal mogelijk maakten of zelfs nodig hadden.

Zo blijkt uit de ontwikkeling van stenen vuistbijlen over miljoenen jaren dat de makers ervan voor ze aan het werk gingen steeds duidelijker een uiteindelijke vorm voor ogen hadden, met een bijbehorende bewuste strategie om die te bereiken. De vuistbijl behield ongeveer een miljoen jaar dezelfde ideale druppelvorm – die alleen met een getrainde hand te creëren was. Dat duidt erop dat de kennis hierover van generatie op generatie werd overgedragen. Stabiele kennisoverdracht is zowel een noodzakelijke voorwaarde voor taal als een vaardigheid waarvoor taal nodig is, betoogt Johansson. Spoiler 2: Ook de barende vrouw en haar verloskundige waren volgens Johansson onmisbaar voor het ontstaan van taal.

Nederlandse voorbeelden

In het derde deel brengt Johansson alle losse lijntjes uit de eerdere twee delen samen. Zo komt hij tot de meest waarschijnlijke antwoorden op de vragen uit de ondertitel: waar, wanneer en waarom de mens begon met praten. Spoiler 3: Zo’n 1,8 miljoen jaar geleden vond er bij onze verre voorouder homo erectus waarschijnlijk een doorbraak in de sociale evolutie plaats, die taal mogelijk maakte. Deze oertaal was in eerste instantie zowel gesproken, gemimed als met gebaren, en bedoeld voor de communicatie – en niet als muziek of als gedachtetaal. Vanaf dat momenteel stuwden de taal en de cognitieve capaciteiten elkaar voort in hun ontwikkeling, waaruit uiteindelijk taal is ontstaan zoals wij hem nu kennen.

Sterk aan Johanssons aanpak is dat hij waar mogelijk verschillende theorieën bespreekt en vervolgens uitlegt waarom een daarvan volgens hem het aannemelijkst is. Dat zorgt ervoor dat je een goed overzicht van het speelveld krijgt en je zijn visie overtuigender kunt volgen.

Johansson is een Zweed en dat zie je regelmatig terug aan de voorbeelden die hij geeft om bepaalde taalkundige principes toe te lichten. Gelukkig hebben vertalers Lucy Pijttersen en Marit Kramer waar mogelijk voor aanvullingen uit het Nederlands gezorgd, zodat je eigen taalgevoel direct op het verhaal aansluit. Complimenten voor hun werk.

Uiteindelijk zullen we waarschijnlijk nooit met honderd procent zekerheid kunnen zeggen wanneer, waar, hoe en waarom de mens is gaan praten – tenzij die tijdmachine ooit nog uitgevonden gaat worden. Maar Johansson verbindt in dit zeer leesbare boek tal van puzzelstukjes uit verschillende vakgebieden en komt zo tot een beeld dat scherper en completer is dan het ooit eerder door de grote denkers uit de geschiedenis is geschetst.

Eerder verschenen op Nemo Kennislink

Samenvatting

Waar, wanneer en waarom de mens begon te praten is een van de grootste mysteries uit de geschiedenisDe oorsprong van taal begint miljoenen jaren geleden en beschrijft de ontwikkelingen tot aan het punt dat de bestaande talen zijn ontstaan, zo’n vijfduizend jaar terug. We maken kennis met homo erectus en de neanderthalers, ontmoeten Darwin en Chomsky en leren over dolfijnen en nachtegalen. Zich baserend op de laatste stand van zaken in de archeologie, neurologie, linguïstiek en biologie, leidt Johansson ons door de theorie en legt hij uit waarom en hoe taal is ontstaan. De oorsprong van taal staat vol met verbazingwekkende voorbeelden en is een vermakelijk en informatief boek voor iedereen die zich ooit heeft afgevraagd waarom we praten zoals we dat doen.De pers over De oorsprong van taal‘Een uitzonderlijk populairwetenschappelijk overzicht van de oorsprong van de taal.’ Svenska Dagbladet‘Sverker Johansson vertelt met aanstekelijk enthousiasme. Dit boek biedt een goede basiscursus in de geschiedenis van de taal.’ Språktidningen‘Een fascinerend en interessant overzicht van de menselijke taal.’ Smålandsposten

Toon meer Toon minder
€ 26,99

Verwachte leverdatum: dinsdag 29 september


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789029094030
Verschijningsdatum
mei 2020
Druk
1
Aantal pagina's
416 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
320: Literaire non-fictie algemeen
Thema's
  • Taal en taalkunde
  • Taal: naslagwerken en algemeen
  • Taal: geschiedenis en algemene werken
Categorieën

Uitgever
J.M. Meulenhoff

Vertaald door
Lucy Pijttersen, Marit Kramer

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen