Het vervallen huis van de islam

Over de crisis van de islamitische wereld

Auteur(s): Ruud Koopmans
Taal: Nederlands
0,2/5
4 recensies
Het vervallen huis van de islam
Het vervallen huis van de islam
Het vervallen huis van de islam

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door:

Hoe traditionele culturele opvattingen integratie remmen

[Signalering] De Nederlandse socioloog en migratieonderzoeker Ruud Koopmans heeft een reputatie als het gaat om grootschalige transnationale studies naar integratie. In 2015 publiceerde hij een onderzoek onder
zesduizend Marokkaanse en Turkse moslims in zes Europese landen, waaronder Nederland. Conclusie:
bijna de helft houdt er traditionele opvattingen op na die niet stroken met de westerse democratische
waarden. Hij kreeg er lof voor, maar evenveel hoon. Met Het vervallen huis van de islam publiceert
Koopmans opnieuw de resultaten van een onderzoek in Nederland en vijf andere landen, naar de
integratie bij vijfduizend islamitische migranten. En opnieuw constateert hij dat het er nog geenszins
rooskleurig voorstaat.

De oorzaak zoekt Koopmans in ontwikkelingen in de islamitische wereld sinds 1979. Dat jaar, waarin
de islamitische revolutie Iran groen kleurde en Saoedi-Arabië verscheurd werd door gevechten tussen
sjiitische en soennitische moslims, markeerde een breuk. De reactie was een ruk naar een meer
traditionele islam, een opkomst van moslimfundamentalisme. De gevolgen zijn tot vandaag voelbaar: Koopmans toont aan dat culturele aspecten in het leven van moslimmigranten in Europa de integratie
aantoonbaar remmen. Dat uit zich in lagere arbeidsmarktparticipatie, een kortere schoolcarrière en een lagere sociaaleconomische status. Dat is niets nieuws, maar Koopmans laat daarnaast zien dat discriminatie van nieuwkomers uit islamitische landen door de ontvangende samenleving niet als belangrijkste oorzaak voor een achterstandspositie geldt. Traditionele culturele opvattingen zijn
een veel grotere verklarende factor.
Koopmans roept er niet toe op de islam de schuld van gebrekkige integratie te geven, maar gematigde
islamitische krachten te versterken. Een oproep die al langer klinkt. Met dit boek wordt ze kracht
bijgezet met overtuigend empirisch onderzoek.

Eerder verschenen in De Helling 

Recensie door: Aart G. Broek

Het standvastige huis van verzet in de islamitische wereld

De Leesclub van Alles publiceert deze weken twee recensies van Het vervallen huis van de Islam van socioloog Ruud Koopmans. Karl van Heister noemt in zijn recensie de aanpak van Koopmans “nuchter en wars van taboes “. Aart Broek is kritischer in zijn onderstaande bespreking. Hij is van mening dat Koopmans te kritisch is over de Islam. Broek ziet wel degelijk lichtpuntjes voor islamitische samenlevingen.

[Recensie] De Nederlandse socioloog Ruud Koopmans – hoogleraar aan de Humboldt Universiteit in Berlijn – heeft een indringende studie geschreven, die onder de titel Het vervallen huis van de islam recentelijk verscheen bij Prometheus, Amsterdam. Van Koopmans onderzoeken wordt wereldwijd kennis genomen. Hij behoort tot de meest geciteerde wetenschappers. Zijn gedachtegoed wordt bejubeld en opent ogen. Het wordt echter ook vervloekt omdat het moslimhaat zou voeden. Zijn werk is opmerkelijk deugdelijk onderbouwd en juist daardoor ook confronterend. Het kan zodoende in ieder geval niet worden genegeerd. Toch lijkt mij een zekere behoedzaamheid gewenst. Dat zorgt tevens voor wat meer optimisme dan Koopmans kan opbrengen voor islamitische samenlevingen.

Voedingsbodem

Met een overrompelende hoeveelheid gegevens verwoordt Koopmans zijn bevindingen die uitmonden in deze conclusie. “De hoofdoorzaken van de crisis van de islamitische wereld liggen niet buiten de islam, bij de joden, het westers kolonialisme, of islamofobische populisten, maar midden in de islamitische gemeenschap zelf, in de vorm van een wijdverbreide rigide en intolerante geloofsopvatting die gepaard gaat met haat en geweld tegen andersdenkenden.” (p. 232)

Dit islamitische fundamentalisme zou de gesel zijn die honderden miljoenen moslims terroriseert en zorgt voor achterstand in allerhande opzichten: economische ontwikkeling, democratie, mensenrechten, (vrouwen)emancipatie, vrijheid van meningsuiting, (wetenschappelijk) onderwijs, religieuze tolerantie, integratie en wat dies meer zij. Kortom, de islamitische wereld kent een crisis van ongeëvenaarde intensiteit en omvang.

De fundamentalistische interpretatie van de islam lijkt de grote constante te zijn van de beschreven ellende in de vele islamitische landen en islamitische gemeenschappen in westerse landen. Welk deelaspect Koopmans ook beetpakt, de crisis waar de islamitische wereld de afgelopen vijftig jaar in terecht is gekomen heeft zijns inziens “vooral religieuze oorzaken”. (p. 51)

Geweldsmiddelen

Koopmans feitelijke onderzoeksgegevens onderbouwen ongetwijfeld de miserabele stand van zaken in menig islamitisch land. Dat ‘religieuze oorzaken’ hiervoor verantwoordelijk zijn, is echter op voorhand al het bevragen waard. Ideologieën – religieus of seculier van aard – kunnen niet de primaire oorzaak van agressieve uitspattingen in menselijk samenleven vormen. Wat dergelijke ideologieën – zoals het katholicisme, intioïsme, maoïsme en andere variaties van het marxisme – ongetwijfeld altijd en overal wél deden is onderlinge verhoudingen legitimeren, zowel naastenliefde als marteling. Dat is Koopmans natuurlijk ook wel bekend en hij onthoudt zich dan ook met recht van onderzoek naar ‘de ware islam’ – dat moeten theologen maar doen (zie pp. 41-7). Desalniettemin schuift Koopmans het islamitische fundamentalisme steeds weer als ‘oorzaak’ naar voren.

Het zijn in de eerste plaats mensen die elkaar uitbuiten, die bedroevende achterstand en dagelijkse rampspoed bezorgen. In de islamitische wereld is dat evenzeer het geval, waar een goed georganiseerde ‘religieuze’ groep de eigen machtsposities legitimeert met fundamentalistische gedachtegoed. Voor die legitimering wordt islamitische erfgoed gebruikt. Die macht ontleent die groep despoten echter niet aan de islam, maar aan geweldsmiddelen, waarvan een arsenaal aan ‘oorlogstuig’ wel het belangrijkste is.

Niet voor niets was westerse kennis langdurig verboden terrein in islamitische landen, terwijl “onderwijs in militaire strategie en technologie” uit het westen wél werd geïntroduceerd. Een radicale interpretatie van het islamitische gedachtegoed, het evenzo radicaal inperken van de vrijheid van meningsuiting en vergaderen, het aansturen op complottheorieën (bijvoorbeeld over joden), het verbod op werelds onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn ondersteunende machtsmiddelen waar effectief gebruik van wordt gemaakt. Inderdaad, in de praktijk van alledag geschiedt dit alles uit naam van Allah en zijn profeet, maar zij zijn er niet de oorzaak van. Inderdaad, in de praktijk van alledag geschiedt dit alles uit naam van Allah en zijn profeet, maar zij zijn er niet de oorzaak van (al zal een imam daar anders over kunnen denken).

Bedreigingen

Het islamitische gedachtegoed laat ongetwijfeld “ruimte voor onverdraagzame, onderdrukkende en gewelddadige interpretaties”. Daartoe zijn groepen met veel macht nodig. Die macht moet bedreigd worden, wil er zo’n pijnlijke toename van onverdraagzaamheid, onderdrukking en geweld plaatsvinden als van de islamitische wereld moet worden geconstateerd. Traditionele (religieuze) machtsgroepen en traditionele verhoudingen – met name tussen mannen en vrouwen – staan in toenemende mate heftig onder druk.

Die bedreiging aan verlies van traditionele macht (en bijkomende gemakken), van aanzien en koesterende geborgenheid is de afgelopen decennia ongekend gegroeid. Koopmans beschrijft die pijnlijke geweldtoename aan de hand van vele gegevens, te beginnen bij de machtsovername door Khomeiny in Iran in 1979. Die herstelt de traditionele macht van religieus georiënteerde groepen die deze verloren aan westers georiënteerde groepen onder leiding van de sjah van Perzië, Mohammad Reza Pahlavi.

Dit fenomeen doet zich in tal van islamitische landen voor: gewelddadige inspanningen tot herstel en behoud van traditionele macht en machtsverhoudingen. De gegevens spatten uit de studie van Koopmans, maar de islam is ontegenzeglijk níet de oorzaak. Die wordt evenzeer aangeroepen om het verzet te legitimeren tegen de (herstelde) traditionele macht en versleten machtsverhoudingen. Juist dat verzet is in forse kracht de afgelopen decennia toegenomen en juist dat verzet zorgt voor ernstige vormen van agressie door de zittende machthebbers: fundamentalisme, onderdrukking, uitbuiting, martelingen, geweld.

Zo bezien worden de dictatoriale mechanismen van islamitische regimes niet gevoed door de islam (in welke gedaante dan ook), maar in de eerste plaats door verzet tegen die regimes en de traditionele machtsverhoudingen.  Hoe meer van dergelijk standvastig verzet, hoe venijniger het geweld ertegen. Hiermee zijn we bij de kern van sociologisch onderzoek, namelijk naar de onderlinge (machts)verhoudingen en wederzijdse afhankelijkheid van mensen, die voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn en waardoor gedrag, handelen, voelen, denken en het rechtvaardigen van daden veranderen. Gelukkig zijn er indringende voorbeelden van verzet dat zegevierde.

Eerder verschenen op socialevraagstukken.nl

Recensie door: Karl van Heijster
4/5

De islam dankt haar crisis aan de islam

De Leesclub van Alles publiceert deze weken twee recensies van Het vervallen huis van de Islam van socioloog Ruud Koopmans. Karl van Heister noemt in zijn onderstaande recensie de aanpak van Koopmans “nuchter en wars van taboes “. Aart Broek is kritischer in zijn bespreking. Hij is van mening dat Koopmans te kritisch is over de Islam. Broek ziet wel degelijk lichtpuntjes voor islamitische samenlevingen.

[Recensie] “Om met de deur in huis te vallen,” schrijft socioloog Ruud Koopmans in het voorwoord van zijn Het vervallen huis van de islam, “dit boek is islamkritisch maar niet islamofoob. Wie kritiek op een religie – of beter op de momenteel dominerende interpretatie ervan – niet van racisme kan onderscheiden, mag dit boek van mij gelijk terzijde leggen. Aan een discussie op dit intellectueel armoedige niveau heb ik geen behoefte.” Klare taal. En die klare taal is kenmerkend voor Koopmans studie. Nuchter en wars van taboes toont de socioloog de unieke – en deprimerende – positie van de islamitische  wereld als het gaat om democratie, rechten van minderheden, politiek geweld, economie en integratie. Daar waar de rest van de wereld de progressieve Verlichtingswaarden steeds meer omarmde, steeds vreedzamer samenleefde en steeds meer economische vooruitgang boekte, bewoog de islamitische gemeenschap zich in tegengestelde richting – rechtstreeks in de armen van een religieus conservatisme.

Wie daaruit echter de conclusie trekt dat de islam een inherent achterlijke religie is, hoeft echter niet op Koopmans’ steun te rekenen. Voor islamcritici die – in perfect spiegelbeeld van hun fundamentalistische tegenstanders – de Koran tot de onveranderlijke en maar één interpretatie toelatende bron van het geloof zien, heeft hij geen goed woord over. Dat betekent overigens niet dat hij de religie ontziet, integendeel. Want Koopmans’ is wel degelijk van mening dat de religie de belangrijkste factor is in de huidige crisis van de islamitische wereld.

Tot die conclusie komt hij echter niet op basis van theologische exegeses van Koranverzen, maar op basis van cijfers en feitenmateriaal. Zijn strategie is steeds opnieuw om niet-religieuze verklaringen te vinden voor de islamitische malaise, om deze vervolgens weg te kunnen strepen. Zo blijkt kolonialisme geen excuus te zijn voor het gebrek aan islamitische democratieën. Hoe langer een islamitisch land gekoloniseerd is, hoe beter deze het op deze index zelfs doet! En discriminatie is geen afdoende verklaring voor de gebrekkige integratie van moslims. Migranten met een, op hun geloof na, vergelijkbare achtergrond blijken consequent succesvoller hun weg te vinden in hun nieuwe thuislanden. Koopmans’ zorgvuldige uiteenzettingen leiden elke keer opnieuw naar het voor velen toch ongemakkelijke idee dat er iets mis moet zijn met de islam zelf, of toch in elk geval met de huidige interpretatie ervan.

De socioloog draagt drie hoofdoorzaken van de huidige crisis aan: het gebrek aan een scheiding tussen religie en staat, de achtergestelde positie van de vrouw, en de geringschatting van seculiere kennis. Wat de islamitische wereld in zijn ogen nodig heeft is een hervormingsbeweging die “de misstanden in de eigen kring recht in de ogen kijkt en klip-en-klaar afstand neemt van het idee van de Koran als het letterlijke woord van God dat onafhankelijk van tijd of plaats geldig is”. Alleen zo zal het Huis van de Islam in staat zijn haar fundamentalistische kaders van zich af te werpen. Of de islamitische wereld voor een dergelijke agenda openstaat, is echter nog maar zeer de vraag. Niet alleen zal Koopmans’ voorstel tot secularisering op bezwaren van Westers imperialisme stuiten, het is daarnaast ten zeerste de vraag of een dergelijk zelfkritisch – ik zou haast zeggen: schuldbewust – programma kan aarden in de Midden-Oosterse schaamtecultuur. Het is voor zowel moslims als niet-moslims te hopen van wel. Maar als Koopmans’ boek iets aantoont, dan is het dat de vooruitzichten niet gunstig zijn.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Richard Kroes

[Essay] Onlangs besloot ik te beginnen aan het boek van socioloog Ruud Koopmans Het vervallen huis van de islam, ondanks de flaptekst. Een cursist zou er eens vragen over kunnen stellen en dan sta ik niet graag met mijn mond vol tanden.

Het boek is geen kleine prestatie. Hoofdthese is de stelling dat de enorme achterstand in de islamitische wereld religieuze wortels heeft. De opkomst van het fundamentalisme in de afgelopen vijftig jaar zou die achterstand hebben aangejaagd. Dat is een punt dat door meer lieden wordt gedebiteerd, maar Koopmans is de eerste – ere wie ere toekomt – die dat tracht te adstrueren aan de hand van echte cijfers en wetenschappelijk onderzoek. Dat doet hij uitgebreid en daarbij verantwoordt hij de herkomst van zijn cijfers ook bijzonder goed. Daarnaast geeft hij ook vanuit zijn bevindingen kritiek op andere, alternatieve verklaringen naast de religieuze.

Ik moet zeggen: vooral bij het lezen van zijn eerste paar hoofdstukken had ik het idee dat hier eindelijk eens een beter onderbouwd stuk voorlag. Dat het niet lekker gaat in de islamitische wereld weten we wel, alleen: de oorzaken, daar lijkt nog wel een forse discussie over mogelijk. Ook met Koopmans, want een mogelijk omgekeerde causaliteit (achterstand veroorzaakt verspreiding van fundamentalisme) behandelt hij – helaas – in zijn boek niet. Dat neemt echter niet weg dat hij een boel nieuwe, frisse gegevens in de discussie aandraagt.

Kleine blunders

Toch raakte ik steeds meer teleurgesteld. Aanvankelijk vanwege kleine blunders. Bijvoorbeeld bij de behandeling van westers kolonialisme als verklaring voor de achterstand in de islamitische wereld. Koopmans pakt dat heel aardig aan door een vergelijking te maken tussen landen die kort, middellang en lang door het westen zijn gekoloniseerd en vervolgens te kijken hoe islamitische en niet-islamitische landen daar uit zijn gekomen. Zijn conclusie is verrassend: hoe langer een land gekoloniseerd is geweest, hoe groter de kans dat het nu een redelijk vrije democratie is. Dat effect is het sterkst in islamitische landen.

En passant meldt Koopmans dat enkele islamitische landen nooit zijn gekoloniseerd, noch westerse mandaatgebieden zijn geweest, waaronder Iran. Nu weet ik toevallig wat meer van dat land, en deze – formeel trouwens volkomen juiste – bewering gebruiken in dit betoog is niets minder dan een blunder. Iran heeft minstens een eeuw of anderhalf van hevige westerse bemoeienis mogen genieten en dat is bepaald niet ten voordele van het land uitgepakt.

Een vergelijkbare schuiver maakt Koopmans als hij bij de behandeling van internationale en nationale conflicten meldt dat rond 1950 de staat Israël een conflict had met ‘islamitische opstandelingen’. Die bewoording komt uit de terminologie van de database van conflicten die hij gebruikt, maar toch: zou een kritische noot hier niet op zijn plaats geweest zijn? Zou hij werkelijk niet weten dat – zeker rond 1950 – de Palestijnen bestonden uit een grote minderheid christenen en een kleine meerderheid moslims? Heeft hij nooit van Hanan Ashrawi gehoord? En dat ‘opstandelingen’ voor de oorspronkelijke bevolking een tikkeltje rare term is?

Mis geschoten

Koopmans’ wijze van argumenteren is ook niet altijd even effectief. Het hoofdstuk bijvoorbeeld waarin hij zo verrassend aantoont dat langere kolonisatie juist leidt tot een grotere kans op een vrijere en democratischer samenleving is bedoeld om het argument tegen te spreken dat de westerse kolonisatie mede debet is aan de situatie in de islamitische wereld nu. Door zich te concentreren op vrijheid en democratie leidt hij echter de aandacht af van het feit dat dit argument doorgaans gaat over de economie. Iran heeft van 1906 tot 1979 van slechts een zeer klein deel van zijn eigen olieopbrengsten mogen genieten en datzelfde geldt op meerdere terreinen voor meer landen.

Helemaal ongeloofwaardig maakt Koopmans het als hij het argument dat de grenzen tussen veel landen in het Midden Oosten volstrekt willekeurig getrokken zijn door westerse machten tracht tegen te spreken met de retorische vraag of onze eigen grenzen niet even willekeurig zijn. Ook daarmee negeert hij het belangrijkste deel van dat argument: namelijk dat veel grenzen in het Midden Oosten getrokken zijn door lieden die daar nog veel minder te zoeken hadden dan degenen die onze grenzen trokken. En dat de belangen die werden gediend bij het trekken van onze grenzen doorgaans ook hier te vinden waren, terwijl veel grenzen in het Midden Oosten niet zijn getrokken ter wille van belangen daar.

Zevenmijlslaarzen

Koopmans lijkt met zevenmijlslaarzen door zijn gegevens te stappen. Is je dat eenmaal opgevallen, zie je het overal. Terug naar zijn eerste hoofdstukken, waar hij betoogt dat niet zozeer de islam het probleem is – daar wil hij het ook expliciet niet over hebben, alleen over moslims – maar de opkomst van de fundamentalistische islam in de afgelopen vijftig jaar. Die fundamentalistische islam is in zijn ogen een fenomeen dat niet een kleine maar luidruchtige minderheid vertegenwoordigt, maar een set overtuigingen die wereldwijd door de meerderheid van moslims wordt ondersteund en gedragen.

Zijn cijfers – uit verschillende onderzoeken – liegen er niet om: 70% van de Turken, 70 tot 90% van de Marokkanen, 80-90% van de Irakezen en rond de 90% van de Tunesiërs, Algerijnen en Pakistanen houden er blijkens meerdere onderzoeken fundamentalistische opvattingen op na. Maar dan ga je eens goed kijken naar een paar vragen waarop die stelling gebaseerd is:

  1. Christenen/moslims moeten terug naar de wortels van hun geloof
  2. De regels van de bijbel/koran zijn voor mij belangrijker dan de wetten van [betreffende land]
  3. De enige aanvaardbare religie is mijn religie
  4. Wanneer religie en wetenschap botsen, heeft religie altijd gelijk
  5. Er is maar één interpretatie van de bijbel/koran waaraan alle christenen/moslims zich moeten houden

Deze vragen meten helemaal geen fundamentalisme, maar slechts het voorkomen van voor de meeste – inmiddels geseculariseerde – westerlingen niet meer helemaal begrijpelijke orthodoxe en conservatieve geloofsovertuigingen (en soms zelfs progressieve). Zo wek je snel en makkelijk de schijn van wijdverbreid fundamentalisme. Maar als lezer ga je je wel afvragen waar dan bijvoorbeeld de Groene Revolutie in Iran vandaan kwam.

Er is maar één criterium dat een fundamentalist onderscheidt van een orthodoxe en conservatieve gelovige, namelijk de mening dat die enige interpretatie die de fundamentalist voorstaat letterlijk dient te zijn (en daarmee eigenlijk ‘geen interpretatie is’ in de ogen van de fundamentalist), maar die vraag zit niet in de onderzoeken die Koopmans gebruikt. Voor het islamitisch fundamentalisme gelden bovendien nog extra criteria: het afwijzen van de vier klassieke rechtsscholen en de nadruk op het navolgen van de eerste drie generaties moslims. In dit geval is dat belangrijk, want er zijn wel degelijk conservatieve en orthodoxe moslims die zich niet tot het fundamentalistische kamp rekenen, zich er zelfs tegen verzetten. Koopmans heeft met andere woorden zijn begrippenapparaat niet voldoende doordacht.

Dat wreekt zich bijvoorbeeld ook bij de behandeling van wetgeving op basis van de sharia. Een enorme meerderheid van de moslims blijkt daar een voorstander van te zijn als je de onderzoeken moet geloven. Maar dat zegt zo mogelijk nog minder. Koopmans verwart sharia in klassieke zin met de shariawetgeving die sinds de 19e eeuw in de islamitische wereld in opkomst is. Gecodificeerde wetgeving is een westerse uitvinding. De klassieke sharia is niets meer dan een beperkte set strafmaatregelen voor enkele vergrijpen, een paar voorbeelden inzake de verdeling van erfenissen en verder slechts vijf gereedschappen van rechtsvinding (koran, traditionele anekdotes, analogie, consensus en gezond verstand) aan de hand waarvan rechters in ieder nieuw voorkomend geval iedere keer opnieuw tot een van de grond af aan opgebouwd vonnis moeten komen.

Aangezien moslims ook maar gewone mensen zijn, kon de toepassing van de sharia in de loop van de geschiedenis totaal anders uitpakken dan wij hier in het westen menen te kunnen voorspellen op basis van de ons bekende sharia-straffen voor bijvoorbeeld overspel en geloofsafval. Moslims vragen of ze voor de invoering van wetten op basis van de sharia zijn zonder erbij te vragen hoe die dan geoperationaliseerd moet worden, leert je helemaal niets over de aard van hun overtuigingen.

Ter vergelijking: ik ben – net als iedereen – voor ‘mensenrechten’, maar zegt dat iets over mijn standpunt over de doodstraf? Ik ben ook tegen racisme, maar voorspelt dat mijn opinie over Zwarte PietLiberteyt van consciëntie, nog zo’n prima idee, maar ben ik er dan ook voor dat een ambtenaar van de burgerlijke stand zich op basis van gewetensbezwaren mag onttrekken aan het sluiten van een homo-huwelijk? Andersom vind ik het idee van ‘dierenrechten’ volstrekt bespottelijk, maar ben ik dan een fundamentalistische carnivoor, een veganist, of iets daar tussen in? Ben ik dan voor of tegen de al dan niet rituele slacht? Uw gok mag in de commentaren hieronder.

Godsbewijs

Koopmans boek leest bovendien als een godsbewijs: zo gauw hij is aangekomen bij iets wat een religieuze verklaring is of lijkt, stopt hij met redeneren. But it’s turtles all the way down Mr. Koopmans. Ook religieuze factoren hebben een verklaring of oorzaak.

Simpel voorbeeld: in 1979 namen de mullahs de macht over in Iran en vestigden een theocratie, na een referendum over de invoering van een islamitische republiek waarvoor de steun onder de bevolking overweldigend bleek. Koopmans meldt dit feit een aantal keren en lijkt daarmee afdoende te hebben aangetoond dat die islamitische republiek er kon komen dankzij de religieuze overtuiging van zijn bevolking. Nergens meldt hij dat bijna anderhalve eeuw westerse bemoeienis met de Iraanse binnenlandse politiek – waaronder het meermaals met geweld fnuiken van een democratisch gekozen landsbestuur – de werkelijke reden was om een poging te steunen die nu eens daadwerkelijk Iran in handen van de Iraniërs beloofde te houden.

Wat Koopmans ook nergens meldt, is een observatie die echt in elk boek over de recente politieke ontwikkelingen in het Midden Oosten te lezen valt: de Koude Oorlog zorgde ervoor dat allerlei oppositiegroepen, vaak met steun van buitenlandse machten, effectief werden uitgeroeid. De enige goed georganiseerde groepen die overbleven, waren de religieuze autoriteiten, die de dictatoren van dienst nooit helemaal dorsten aan te pakken omdat die teveel steun hadden van de gewone bevolking en omdat ze die zelf nuttig konden inzetten om hun macht te legitimeren.

Iran raakte zo bijvoorbeeld zijn communisten vrijwel kwijt onder de door de Amerikanen gesteunde shah. Hetzelfde lot trof andere – seculiere – oppositiebewegingen. De enige club die rond 1979 nog effectief georganiseerde oppositie kón voeren waren de mullahs, omdat die als enigen nog waren overgebleven. Logisch dat die het pleit wonnen. Dit al zeer vaak in de vakliteratuur gesignaleerde mechanisme kwam ik nergens in Koopmans boek tegen, zelfs niet om het tegen te spreken. Dit was trouwens de reden dat ik zijn boek helemaal uit heb gelezen: ik begon me halverwege af te vragen of hij het werkelijk zou negeren. Ja dus.

Momentopnames

Laten we niet zeuren: Koopmans heeft met zijn boek een belangrijk punt te pakken. Het gáát niet goed in de islamitische wereld, daar zijn vast redenen voor en het zou vreemd zijn als ontwikkelingen in de islam daar niet op de één of andere manier ook een rol in zouden spelen. Net zo goed valt over migranten in het westen uit de islamitische wereld negatief nieuws te melden. Dat doet Koopmans dan ook en wat me daarbij begon op te vallen: soms – niet altijd – schetst Koopmans de ellende in nogal statische cijfers.

Over de achterstand in opleiding bijvoorbeeld, niet alleen in islamitische landen ten opzichte van niet-islamitische landen, maar ook tussen autochtonen in westerse landen en de opeenvolgende generaties migranten uit de islamitische wereld in diezelfde landen. Koopmans laat overtuigend zien dat er sprake is van een achterstand onder moslimmigranten. Wat ik daarbij mis, is een overzicht van de ontwikkeling door de tijd heen. Ik wil best geloven dat er een achterstand in opleiding bestaat onder moslimmigranten, maar als we weten dat bijvoorbeeld de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders in Nederland destijds juist werden geselecteerd op een gebrek aan opleiding, en dat hun kleinkinderen hier nu in het HBO en op de universiteit zitten, dan verwacht je toch op zijn minst een antwoord op de vraag: is die achterstand statisch, of hebben ze de achterstand op dit moment nog niet helemaal ingehaald?

Ik kwam diezelfde methode van het weergeven van momentopnames tegen bij de behandeling van de arbeidsparticipatie van migrantenvrouwen van islamitische signatuur. Ik geloof onmiddellijk dat die achterloopt, maar is hij nu wel of niet aan het inlopen? Het maakt nogal wat uit of je je cijfers presenteert als een negatieve stand van zaken wanneer die ook als een positieve ontwikkeling geduid kan worden.

Bij de behandeling echter van het relatieve inkomen per hoofd van de bevolking in islamitische landen ten opzichte van niet-islamitische landen geeft Koopmans wél een diachroon beeld over enkele decennia. Daaruit blijkt dat sinds de eerste helft van de jaren tachtig het relatieve inkomen in islamitische landen is gedaald. Ik kreeg een bruin vermoeden dat Koopmans de keuze tussen een momentopname of een diachrone behandeling heeft laten afhangen van de vraag of er een negatief beeld mee geschetst kon worden. Bewijzen kan ik dat natuurlijk niet, al viel me wel op dat hij zich op een gegeven moment laat ontvallen dat de daling eruit bestond dat de stijging in islamitische landen langzamer ging.

Iets vergelijkbaars viel me op bij de voorkeur die moslims volgens Koopmans in groten getale hebben voor sharia-wetgeving. Hoe zit die ontzagwekkende meerderheid dan toch in elkaar als het bijvoorbeeld gaat over de sharia-rechten van vrouwen? Koopmans spreekt in het kader van vrouwenrechten expliciet van ‘apartheid’. Is er dan geen verschil in opinie tussen mannen en vrouwen? Je leest er niks over. Zo ook niet over het verschil in opinie tussen ouderen en jongeren. Nogmaals: waar kwam dan de Groene Revolutie in Iran vandaan, en de Arabische Lente? We lazen destijds over niets anders dan jongeren. Die hebben de toekomst. Koopmans’ statistieken zeggen er niets over.

Emotie

Koopmans laat zich merkbaar door zijn emoties meeslepen. Dat is natuurlijk niet verboden, maar het gaat de lezer op den duur wel irriteren en voor een wetenschappelijke publicatie is het beslist not done, en om een hele goede reden: voor je het weet, benemen je emoties je het zicht op het kritisch behandelen van je feiten. Dat bleek mij onder andere uit een opmerking over Iran:

“In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was Zuid-Afrika de paria van de wereld. Het land was vanwege de systematische discriminatie van niet-blanken uitgesloten van internationale sportwedstrijden; westerse universiteiten weigerden samen te werken met hun Zuid-Afrikaanse tegenhangers; consumenten boycotten Zuid-Afrikaanse producten of firma’s als Shell en Makro, die in Zuid-Afrika investeerden; tienduizenden Europeanen demonstreerden in antiapartheidsdemonstraties; en geen progressieve westerling haalde het in zijn hoofd om in Zuid-Afrika vakantie te vieren. Hoe anders is de reactie nu op de apartheid waaronder honderden miljoenen vrouwen in de islamitische wereld dagelijks lijden. Van een boycot van producten uit Iran of Pakistan is geen sprake – liever boycot de moderne activistische medemens producten uit Israël. Westerse wetenschappers en universiteiten nemen onbezwaard lucratieve aanbiedingen uit Saoedi-Arabië en de Golfstaten aan; Qatar mag het wereldkampioenschap voetbal met behulp van moderne slavenarbeid organiseren; en progressieve westerlingen gaan doodleuk op vakantie naar Iran – een land dat homoseksuelen ophangt en overspelige vrouwen stenigt. De vrouwen onder hen doen dan braaf de verplichte hoofddoek om en ze komen terug met verhalen dat het toch allemaal reuze meevalt met die onderdrukking.” (p. 96-97)

Waarmee Koopmans – naast een aantal héél behartenswaardige punten – accuraat een onder Irangangers al langer bekend fenomeen constateert: dat het daar allemaal anders zit dan we denken. Zijn emoties hebben hem er kennelijk toe verleid zich daar kwaad over te maken, in plaats van eerst eens aan zijn zegslieden te vragen wat ze daar dan allemaal hadden meegemaakt in die apartheidsstaat Iran. Plus natuurlijk dat hijzelf nooit in Iran is geweest.

Ergens anders maakt hij zich druk over het gebrek aan cijfers over de etnische herkomst van daders van bepaalde geweldsdelicten.

“Het enthousiasme voor het verzamelen van etnisch gedifferentieerde gegevens koelt echter snel af wanneer de te verwachten uitkomsten niet makkelijk als resultaat van discriminatie te duiden zijn. Liever blijft men onwetend dan dat men iets te weten zou komen dat niet in de voorgeschreven denkschema’s past.” (p. 206)

“Dat we geen betere gegevens hebben, is niet de schuld van de slachtoffers, maar van de beleidsmakers en onderzoekers die uit angst om te stigmatiseren tegen het bijhouden van etnische statistieken over deze vormen van geweld pleiten.” (p. 209)

Ik hoop werkelijk dat de heer Koopmans er niet voor pleit om voortaan bij vermogensdelicten te registreren of de daders joods zijn. Nee, dat is geen Godwin. En al was het dat wél: er zijn verrekt goede redenen om twee keer na te denken voordat je etnisch gaat registreren.

Oplossingen

Aangekomen bij het laatste hoofdstuk, kwam ik – gelukkig – toch een aantal opmerkingen tegen die me uit het hart gegrepen zijn. Dat radicale islamcritici en fundamentalisten precies hetzelfde doen bijvoorbeeld: de islam voorstellen als vaststaand en niet te hervormen, dat ze allebei fanatieke Koranciteerders zijn en allebei geloven dat moslims maar één keuze hebben, namelijk de koran en de traditionele anekdotes letterlijk nemen.

“Ook Geert Wilders en zijn Partij voor de Vrijheid doen geregeld aan Koranexegese en komen in hun amateurtheologische analyses tot soortgelijke conclusies als Sarrazin [een Duitse radicale islamcriticus RK]: de islam van de fundamentalisten is de enige ware islam. Betere vijanden kan het islamitische fundamentalisme zich niet wensen.” (p. 215)

In tegenstelling tot sommige andere criticasters breng ik Koopmans niet onder in de categorie ‘islamofoben’. Zeker, hij is stukken beter bekend met het ‘islamofobe’ vertoog en zijn boek steunt dat vertoog ook in het bijzonder, maar het gaat mij te ver Koopmans te beschuldigen van deze met een toch al hoogst ongelukkige term aangeduide aandoening. Daarvoor neemt hij net iets teveel afstand.

Mij viel wel op dat de oplossingen die Koopmans schetst wel heel erg lijken op de oplossingen die de westerse wereld hebben gebracht waar hij nu is. Arabist Jan-Jaap de Ruiter wees er al op dat Koopmans het neoliberale gedachtengoed eigenlijk zonder enige argumentatie als de maat van alle dingen neemt. Ik denk dat het veel verder gaat: Koopmans gebruikt het westen tout court als de maat der dingen en zijn oplossingen zijn dan ook nogal oncreatief, hoe wenselijk ze verder ook mogen zijn.

“Wat de islam nodig heeft om zich van het fundamentalisme te bevrijden, is een breedgedragen hervormingsbeweging van binnenuit, die de misstanden in eigen kring recht in de ogen kijkt en klip-en-klaar afstand neemt van het idee van de Koran als het letterlijke woord van God dat onafhankelijk van tijd of plaats geldig is.” (p. 232)

Aldus de – bepaald niet van optimisme verstoken – auteur. Hier wordt een oplossing geschetst die typisch is voor hoe het westen heeft geleerd om te gaan met de bijbel. Maar voor de vraag hoe je de geopenbaarde tekst loszingt van een letterlijke en onveranderlijke betekenis zijn 1001 oplossingen denkbaar en daarvan zijn er enkele ook al lang geleden bedacht door islamitische geleerden. Hoewel Koopmans’ wens heel goed op termijn uit zou kunnen komen, is het beslist niet ondenkbaar dat de uiteindelijke oplossing in de islamitische wereld een hele andere wordt.

Ik vrees dat zo’n niet in westerse denkramen passende oplossing de goedkeuring van Koopmans niet zal kunnen wegdragen. Dat concludeer ik uit zijn weergave van de geschiedenis van Amina Lawal. Deze Nigeriaanse werd in 2002 wegens een buitenechtelijke zwangerschap door een sharia-rechtbank veroordeeld tot de dood door steniging. Onder hevige internationale druk werd zij in 2003 vrijgesproken, wegens ‘vormfouten’ aldus Koopmans, een begrip dat in de sharia-rechtspraak bij mijn weten trouwens niet voorkomt. Ook daarover is Koopmans boos:

“Het meest curieuze argument dat door de rechtbank werd aangevoerd was wel een sharia-uitleg die de mogelijkheid van een ‘sluimerende foetus’ erkent, die nog tot vijf jaar na de verwekking tot een bevalling kan leiden. Daarmee was de mogelijkheid geschapen dat Amina’s baby nog van haar voormalige echtgenoot stamde en dus niet buitenechtelijk was. Zo ontkwam Amina door een achterlijk middeleeuws argument aan een achterlijk middeleeuwse straf. ” (p. 109)

Loopt het eens goed af, is het wéér niet goed.

Samenvatting

De islamitische wereld bevindt zich in een steeds dieper wordende crisis. Terwijl de rest van de wereld democratiseerde, nam het aantal democratieën in de islamitische wereld alleen maar verder af. Met de rechten van vrouwen, homoseksuelen en religieuze minderheden is het nergens zo slecht gesteld. Van Mali in West-Afrika tot de Filipijnen in Oost-Azië woeden tientallen burgeroorlogen met islamitische betrokkenheid die miljoenen mensenlevens hebben gekost. Duizenden komen jaarlijks om bij aanslagen van terreurorganisaties als ISIS, Al-Qaeda en Boko Haram. Economisch raakt de islamitische wereld steeds verder achterop. Geen wonder dat velen elders een goed heenkomen zoeken. Maar ook wat integratie betreft zijn migranten uit moslimlanden hekkensluiters.

Met een indrukwekkende hoeveelheid feitenmateriaal toont dit boek de diepte van de islamitische crisis aan, en onderzoekt de oorzaken. Westers kolonialisme, inmenging van buitenaf en discriminatie bieden geen steekhoudende verklaring. De wortels van het probleem zijn religieus en liggen bij de groeiende invloed van het fundamentalisme, dat de islamitische wereld in een wurggreep houdt.

Ruud Koopmans (1961) is hoogleraar sociologie en migratie aan de Humboldt Universiteit en onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum (WZB) in Berlijn. Hij is auteur van boeken en opiniestukken in binnen- en buitenland over migratie, sociale bewegingen en Europese integratie.

Toon meer Toon minder
€ 24,99

Verwachte leverdatum: woensdag 11 december


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789044634099
Verschijningsdatum
februari 2019
Druk
1
Aantal pagina's
288 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
680: Geschiedenis algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Prometheus

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden