Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Mijn strijd

Auteur(s): Adolf Hitler
Taal: Nederlands
2 recensies
Mijn strijd
Mijn strijd
Mijn strijd

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Marnix Verplancke

De relevantie van een omstreden boek

Vorige week verscheen de nieuwe Nederlandse vertaling van Adolf Hitlers Mein Kampf, bijna tachtig jaar na de vorige. Moet dit nu echt, vroegen we ons af, al die aandacht voor het meest hatelijke boek? We gingen te rade bij kenners en betrokkenen.

[Reportage] “Dit is inderdaad het boek met de slechtste reputatie ter wereld,” geeft Mai Spijkers, uitgever van de nieuwe editie grif toe, “maar het is ook een van de belangrijkste boeken ooit. Wie de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust wil begrijpen, kan er niet omheen. Dus vind ik dat zo’n boek beschikbaar moet zijn, liefst in een wetenschappelijke editie, voorzien van commentaar en situering in de historische context, en ik ben er trots op dat wij dit voor elkaar hebben gekregen.”

Mein Kampf is een van die boeken die iedereen kent, maar niemand echt heeft gelezen. We weten allemaal wat erin staat, maar het is van horen zeggen. Dat kan nu dus veranderen. Het boek bestaat uit twee delen, waarvan Hitler het eerste in de gevangenis van Landsberg schreef. Eind 1923 had hij met een handvol medestanders in München de ietwat potsierlijke staatsgreep gepleegd die de geschiedenis is ingegaan als de Bierkellerputsch. Het werd een fiasco. Veertien coupplegers en vier agenten vonden de dood en Hitler werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenis, waarvan hij nog geen jaar werkelijk uitzat. Hitler zette zich aan het schrijven van een boek dat het midden hield tussen autobiografie, politieke analyse en toekomstgerichte ideologie en poneerde dat alleen zijn eigen NSDAP een uitweg bood uit de impasse van de Weimarrepubliek. Mein Kampf was meteen een immens succes, waardoor besloten werd in 1926 een tweede deel te schrijven, deze keer met heel veel intellectuele en stilistische hulp uit zijn entourage. De verkoop bezorgde Hitler tot het moment dat hij in 1933 rijkskanselier werd een inkomen van omgerekend 200.000 euro per jaar.

“Je zou dat jaartje gevangenis in 1924 als een soort sabbatical kunnen beschouwen,” legt de Amsterdamse historicus, Hitlerbiograaf en bezorger van de nieuwe editie van Mijn Strijd, Willem Melching uit. “Het was voor Hitler het uitgelezen moment om alles wat hij tot dan had geleerd op een rijtje te zetten en een wereldbeeld te construeren waar hij ook daarna niet meer van zou afwijken. Hij was immers pas in 1919 met politiek begonnen. Hij leidde een hectisch leven, gaf constant voordrachten en was een soort politieke popster. In de gevangenis had hij de tijd om een synthese te maken en zich te profileren als de grote ideoloog van rechts. Ideoloog inderdaad en geen eenzame gek in een bunker, zoals men hem in films wel eens afdoet. Hitler was een weloverwogen politicus die nadacht over wat hij wou, het in een boek neerschreef en dat vervolgens in de praktijk bracht.”

Precies dat maakt Mijn Strijd zo onheilspellend. In het boek stelt Hitler dat er een judeo-bolsjewistisch complot bestaat dat de wereldhegemonie wil veroveren. Duitsland wordt bedreigd, en dat precies op het moment dat het land Lebensraum nodig heeft en die in oostelijke richting moet zoeken. De oplossing ligt dan voor de hand: het verwijderen van de joden en een wereldoorlog, precies waar Hitler op aanstuurde eens hij in 1933 aan de macht kwam. “Een politicus die doet wat hij belooft is zeldzaam, en misschien ook wel gevaarlijk,” vat Melching het samen, “want als Hitler een moordenaar was, dan was het moord met voorbedachte rade.”

“Mijn strijd is dus essentieel om de twintigste eeuw te begrijpen,” besluit Melching, “net zo essentieel als de geschriften van Marx, Lenin of Stalin dat zijn voor het begrijpen van de geschiedenis van de Sovjet-Unie. Het nationaal-socialisme was echt geen beweging van losgeslagen tuig, die zaten er natuurlijk ook wel tussen, maar het was toch vooral een ideologie die heel veel mensen aansprak – net zoals het marxisme, zoals ik er altijd wat provocerend aan toevoeg.”

Ze wil het niet met zoveel woorden gezegd hebben, maar volgens Veerle Vanden Daelen, conservator van de Mechelse Kazerne Dossin, het Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten, is de nieuwe editie van Mijn Strijd een slag in het water. Dat heeft alles te maken met het ontbreken van een notenapparaat. “Ik vind het een goede zaak om een wetenschappelijke uitgave te maken van dit boek,” zegt ze, “op het internet krioelt het van de piraatuitgaven die de tekst zonder boe of ba weergeven en de lezer intellectueel in een niemandsland achterlaten. Dat Willem Melching in zijn editie ieder hoofdstuk voorziet van een inleiding en situering in het gedachtegoed van weleer is dus goed, maar het had beter gekund.” Daarbij verwijst Vanden Daelen naar de nieuwe Duitse editie die twee jaar geleden gepubliceerd werd door het Institut für Zeitgeschichte in München en getuigt van een spreekwoordelijke Duitse Gründlichkeit. Waar de oorspronkelijke versie van Mein Kampf  750 pagina’s telde, is deze editie uitgegroeid tot een boekwerk van maar liefst 2000 pagina’s. 3700 voetnoten kleden het tot op het bot uit, en dat mist Vanden Daelen in het Nederlands. “Melching baseerde zijn editie op deze Duitse waarin omzeggens geen enkele pagina van Hitler’s oorspronkelijke tekst zonder contextualisering blijft, wat ook een sterk effect heeft op de bladspiegel,” zegt ze, “de noten zijn voor een breed publiek geschreven en zijn beschikbaar, waarom ze dan niet overnemen?”

“Omdat dit gewoon geen nut heeft,” dient de Nederlandse historicus haar van antwoord. “Een groot deel van die noten is bestemd voor collega-wetenschappers. Nederlandse of Vlaamse wetenschappers die zich met Hitler bezighouden zullen nooit een vertaling gebruiken, maar wel de Duitse editie. Een ander deel van die voetnoten is op scholieren gericht. Daar wordt dan bijvoorbeeld een spreekwoord in uitgelegd, waar wij natuurlijk ook geen boodschap aan hebben. In feite schiet driekwart van die noten zijn doel voorbij voor een gewoon Nederlandstalig publiek. Daarom leek het me een betere oplossing om over ieder hoofdstuk een kort, zakelijk en afstandelijk essay te schrijven, afstandelijker dan de Duitse voetnoten die soms toch heel erg moralistisch worden. Je hoeft over Hitler niet te moraliseren. Iedereen weet dat het een schurk was. Ik wou het publiek tonen dat wat in Mijn strijd staat niet deugt en dat Hitler soms dingen schreef die in zijn tijd heel gewoon waren, zoals zijn geloof in het sociaal-darwinisme.”

Volgens de Nederlandse wetgever levert dat een wetenschappelijk editie op die in de boekhandel verkocht mag worden, want dat ligt bij onze noorderburen echt niet voor de hand. Wie Mein Kampf verspreid met het oog op haatzaaierij kan daar immers bestraft worden. “Dat vind ik een beetje kinderachtig,” reageert Melching daarop. “Dat is zo jaren zeventig, met Belgen die porno gingen inslaan in Nederland en Nederlanders die in België wel een mannetje kenden die hen Mein Kampf kon bezorgen. Zelfs in Israël kun je tegenwoordig een bloemlezing uit dat boek kopen.”

De vraag die daarbij rijst is natuurlijk waar de grens tussen wettelijkheid en hoffelijkheid ligt. Getuigt het verkopen van Mijn strijd niet van een gebrek aan respect tegenover de joodse gemeenschap? In Nederland zijn er alvast een aantal boekhandels die aangekondigd hebben dat ze het boek niet gaan verkopen. “Dat is hun goed recht,” aldus uitgever Mai Spijkers. “Toen een paar jaar geleden het nieuws de ronde deed dat wij met dit boek zouden komen zijn een aantal Nederlandse journalisten naar joodse instellingen gestapt en die bleken allemaal uiterst positief te reageren. Vandaar dat onze editie er komt met de goedkeuring van die instellingen en het NIOD, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Ook intern was er trouwens wel wat discussie, want wij zijn ook de uitgever van het Dagboek van Anne Frank. Was zo’n Hitler dan niet heel onkies? Ik heb toen contact opgenomen met de erven van Anne Frank in Basel en die vonden het ook een uitstekend idee. Mensen die ermee bezig zijn, zien het belang van zo’n uitgave in en daar gaat het natuurlijk ook om. Maar het blijft natuurlijk een buitengewoon boek. We gaan er geen grote pr-campagne achter zetten om er een bestseller van te maken. Wervende affiches en quotes komen er niet. Dat past gewoonweg niet.”

Claude Marinower, Open VLD-politicus, schepen van onderwijs in Antwerpen en ondervoorzitter van de Dossin Kazerne, is echter minder positief. Zelf van joodse oorsprong heeft hij bijzonder goed voeling met wat er leeft in de gemeenschap. “Laat ons hopen dat dit boek much ado about nothing wordt,” reageert hij, “niet meer dan een ranzig randverschijnsel. Anderzijds zal een nieuwe editie van Mein Kampf tussen alle andere die over deze periode zijn verschenen weinig verschil maken. Het boek is sowieso al overal te krijgen. Misschien dat een uitgave door een gerespecteerde uitgeverij als Prometheus confronterend zal worden gevonden, maar niet meer dan het feit dat er onder de toonbank negationistische boeken worden verspreid. Ik ben betrokken bij een aantal instellingen die zich bezighouden met herdenking en herinneringseducatie op dit vlak, zoals de Kazerne Dossin bijvoorbeeld. Drie jaar geleden ondertekende minister Crevits samen met mensen uit de drie onderwijskoepels een engagement om meer aan herinneringseducatie te doen en specifieke programma’s uit te werken op dat terrein. Ik denk dat die meer zullen doen om de gruwelen van het verleden in herinnering te houden dan een nieuwe uitgave van Mein Kampf.”

Michael Freilich daarentegen, hoofdredacteur van Joods Actueel en eveneens representatief voor een deel van de joodse gemeenschap, houdt er een andere mening op na. “Een paar maanden geleden kreeg ik de vraag hoe het kan dat in een etalagekast in de Dossin Kazerne een exemplaar van Mein Kampf ligt en of Joods Actueel daar geen aandacht aan kon besteden. Nee, heb ik toen geantwoord, we zijn inmiddels zoveel jaren na de oorlog dat de tijd aangebroken is om onder ogen te zien hoe het allemaal begonnen is. Voor mij had men trouwens niet zo lang moeten wachten om een wetenschappelijke editie van dit boek te publiceren. In feite had dit zelfs vlak na de oorlog al gemogen, al begrijp ik natuurlijk de angst bij sommigen dat Hitlers aanhang, die na de oorlog nog heel groot was, dit als een steunbetuiging had kunnen zien. Ik vind deze nieuwe editie dus een heel goed idee omdat ze goedgekeurd is door een wetenschappelijke raad, ook in Duitsland, waar een heel strenge wetgeving bestaat op het vlak van negationisme en verheerlijking van de Holocaust. De becommentarieerde editie die nu voorligt toont precies welke onwaarheden Hitler over de joden vertelde, en uit welke onbetrouwbare bronnen hij daarbij putte.”

Gevraagd of hij dan niet bang is voor nieuw begrip voor extreem-rechts, is hij resoluut: “Als we kijken wat nazisme en extreem-rechts vandaag nog betekenen in Europa, dan zien we dat dit verveld is tot een marginaal fenomeen. De tijdsgeest is gewoon anders. Mein Kampf heeft vandaag nog alleen een historische waarde. Ik zie het echt niet aan de basis liggen van een nieuwe beweging, behalve in de Arabische landen dan misschien. Vandaar dat een wetenschappelijk verantwoorde Arabische vertaling me veel belangrijker lijkt dan een Nederlandse. Ik herinner me hoe Jef Lambrechts geschokt was toen hij in iedere boekhandel in Bagdad hele stapels van Mein Kampf zag liggen. In Egypte wordt het boek ook nog steeds gerespecteerd. De vraag stelt zich wat dit geeft bij mensen van Arabische origine in ons land. Ik heb zelf een aantal Marokkaanse vrienden, mensen die ik echt goed ken en waar ik goed mee opschiet. Ook hen betrap ik erop dat zij ideeën hebben over de macht en de rijkdom van de joodse lobby die niet met de werkelijkheid stroken. Alle stereotypen die de basis vormen voor het antisemitisme zie ik ook bij hen. Daarom hoop ik dat deze nieuwe editie in scholen gebruikt zal worden.”

Filosoof Ludo Abicht lacht minzaam wanneer ik hem vertel over Freilichs opmerking. “Ik ben het niet altijd met hem eens, maar hier heeft hij wel een punt,” zegt hij. “Ik sprak onlangs in Borgerhout in een klas vol Marokkaanse meisjes die doodgemoedereerd uit de Protocollen van de Wijzen van Sion begonnen te citeren, een rabiaat antisemitische tekst die in 1905 in elkaar werd gestoken door de Russische geheime dienst om de joden de schuld te geven van alles wat er fout ging in het land. Waar halen jullie dat vandaan, vroeg ik, waarop ze antwoordden dat ze het gelezen hadden in een Arabisch tijdschrift. Zet een leraar in de klas met een wetenschappelijke editie van Mijn Strijd en laat hem aantonen wat waar is en wat gelogen, denk ik dan.”

“In Amerika zie ik trouwens hetzelfde gebeuren. Ik ben daar mijn carrière begonnen en heb er twintig jaar lesgegeven. Ik merkte dat het antisemitisme in kringen van de Black Panthers heel hard leefde. In plaats van te verminderen is dat sindsdien nog verergerd. Twee jaar geleden was ik getuige van een incident. In de Bronx kwamen een aantal joodse jongeren uit de sjoel. Een groepje zwarten stond hen op te wachten en begon hen uit te schelden, waarbij opnieuw vlot geciteerd werd uit de Protocollen.”

“Het gevaar schuilt dus niet in Mein Kampf, daarvoor is de naam Hitler te beladen denk ik, maar in een anoniemer geschrift als die Protocollen. Die lezen trouwens ook heel wat vlotter dan Hitlers ronduit vervelende boekwerk dat het niveau van Enver Hoxha’s of Kim Il Sungs memoires nooit overstijgt. In de Protocollen wordt uitgegaan van ‘feiten’, en feiten hebben een grote overtuigingskracht natuurlijk. Ik heb een Engelse editie van dat boek in de kast staan, met een lovend voorwoord van niemand minder dan Winston Churchill, gepubliceerd in 1921. Er is een boek waar Godfried Lannoo nooit over wou spreken, diezelfde Protocollen, door hem uitgegeven, met een positief voorwoord geschreven door een Vlaams Jezuïet. Hitler putte voor zijn antisemitische uitspraken vlot uit die Protocollen. Dat de joden een complot smeedden om de wereldheerschappij over te nemen, haalde hij rechtstreeks uit dat boek.”

“En hij wist donders goed dat de Protocollen vervalsingen waren,” reageert historicus Bruno De Wever daarop, “maar dat kon hem absoluut niet deren. Hij gebruikte alles wat hij te pakken kon krijgen om zijn eigen ideeën te onderbouwen. Vandaar dat ik niet zo optimistisch ben als Abicht wanneer hij het over die meisjes in Borgerhout heeft. Tegen fake news doe je niets. Dat is geen kwestie van weloverwogen argumenten. Als die meisjes die overtuiging hebben, dan gaan zij in de Protocollen vinden wat ze zoeken.”

Wat de huidige politieke waarde van Mijn strijd betreft, is De Wever het wel eens met Abicht, die is nihil: “Het idee van Lebensraum en het judeo-bolsjewistisch complot is vandaag volstrekt belachelijk. Mensen die daar vatbaar voor zijn, zullen dat soort dingen ook wel zonder Mein Kampf belijden. Maar het blijft een schrikbarend boek. Wat Hitler over de joden zei, leidde rechtstreeks tot hun latere ondergang, ook al heeft hij het nergens over een genocide, zoals men weleens verkeerdelijk denkt. Alle passages die dat zouden moeten bewijzen zijn steevast uit hun context gerukt. Hij had het over het verwijderen van de joden, en hij reduceerde hen tot ongedierte. De mogelijkheid van een Endlösung zit dus wel in het boek, maar niet die Endlösung zelf.”

En toch moet dit boek beschikbaar zijn voor het grote publiek, vindt De Wever, omdat het ons ook iets leert over vandaag. “Het toont de kracht van het woord en het idee,” zegt hij. “Ook vandaag kunnen haatdragende pamfletten zeer krachtig zijn als zij in een bepaalde dynamiek terechtkomen. Als je begint bepaalde bevolkingsgroepen te ontmenselijken, wat vandaag in de eerste plaats gebeurt met moslims, kan dat in bepaalde contexten leiden tot grootschalig geweld. Mein Kampf toont dat waanzinnige theorieën geloofd kunnen worden door een massa mensen uit een land met een grote culturele en intellectuele traditie. Alles is mogelijk en niets is ooit voor eeuwig verworven. Het komt eropaan iedere dag opnieuw de strijd aan te binden tegen fake news, complottheorieën en gekke politieke projecten die alleen maar dood en verderf kunnen brengen. Dat leert mij Mijn strijd: dat we nooit op onze lauweren mogen rusten.”

Eerder verschenen in De Morgen

Recensie door: Marcel Hulspas

Adolf Hitler en het christendom

[Essay] Het academisch ‘eerherstel’ voor Adolf Hitler heeft inmiddels ook Nederland bereikt. In 2017 liet David King in zijn boek Het proces tegen Hitler zien hoe de dictator-in-spe op meesterlijke wijze de rechtszaak gebruikte als een podium om zijn ideeën ideeën een wijd verspreiding te geven, en hoe hij daarbij als oorlogsveteraan zeer succesvol een beroep deed op de conservatief-nationalistische krachten in zijn land.

In datzelfde jaar verscheen Het verboden boek van Ewout Kieft, waarin deze historicus zijn bewondering voor de heldere directheid en het cynische inzicht van Hitler niet onder stoelen of banken stak. Hitler was geen gek en Mein Kampf was niet (waarvoor het zo vaak wordt versleten) onleesbaar. Het was vooral een ‘sluw’ werk. Passages die hij eerder belachelijk vond, bleken bij herlezing “een stuk sluwer en efficiënter in elkaar te zitten” dan hij had gedacht.

En nu [2018/red.] is er dus Mijn strijd. De nieuwe vertaling van Mario Molegraaf, en van commentaar voorzien door historicus Willem Melching. Hij komt eigenlijk tot een andere conclusie. “Zelden,” schrijft hij in de inleiding, “was een politicus zo openhartig over zijn bedoelingen als Adolf Hitler. Mein Kampf laat zich namelijk lezen als een blauwdruk voor het beleid van het nationaalsocialisme na de machtsovername van 1933.”

Melching schrijft dat dit slechts voor één aspect niet opgaat, namelijk het feit dat Hitler in Mijn strijd een tweefrontenoorlog afwijst (want niet te winnen), terwijl Duitsland op het moment dat men de Sovjet-Unie binnenviel nog steeds in oorlog was met Groot-Brittannië.

Mijn strijd: een blauwdruk?

Daar valt een en ander op af te dingen. Ten eerste stelde de oorlog met de Britten op dat moment (voorjaar 1941) bitter weinig voor. En ten tweede had Hitler twee jaar eerder een nieuwe ‘blauwdruk’ gelanceerd voor de aanpak van de joden. Hitlers schrijft in Mijn strijd dat de joden uit Duitsland ‘verwijderd’ moesten worden. In de jaren na 1933 werd deze ‘blauwdruk’ inderdaad op allerlei manieren omgezet in daden en voorstellen, allemaal gericht op de verdrijving van de joden. Maar naarmate de nieuwe wereldoorlog dichterbij kwam, ontwikkelde hij een andere ‘blauwdruk’. Als ‘de joden’ een oorlog veroorzaken, dan zouden zij daar het meest onder leiden, zo waarschuwde hij op 30 januari 1939 in een toespraak tot de Rijksdag:

“Als het internationale jodendom binnen en buiten Europa er opnieuw in slaagt om de landen in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat zijn niet de bolsjewisering van de hele wereld en daarmee de overwinning van de joden, maar de vernietiging van het joodse ras in Europa.”

Dat laatste stond niet in Mein Kampf of waar dan ook; dit was nieuw. Hitler zei voorafgaand aan deze waarschuwing niet voor niets dat hij “weer eens een profeet” zou zijn. Vanaf dat moment was niet langer ‘verwijdering’ het doel maar moesten er plannen worden ontwikkeld voor een massamoord op ongekende, industriële schaal. Een taak die uiteindelijk uitgevoerd zou worden door Reinhard Heydrich. ‘Verwijdering’ was dus geen ‘sluwe’ omschrijving van wat in eind 1939 (toen de wereldoorlog daadwerkelijk uitbrak) beleid werd: de vernietiging van ‘het joodse ras’.

Sluw of openhartig?

Maar moeten we Mijn strijd nu omschrijven als sluw of openhartig? Of was hij dan weer het een, dan weer het ander? Een aardige testcase is wellicht het onderwerp ‘christendom’. In tegenstelling tot het lot van het jodendom was dat een gevoelig onderwerp. Hitler zocht geen aanhang onder de joden en zijn rassenleer en jodenhaat waren (zoals Melching ook constateert, en ik eerder al schreef) voor die tijd niet uitzonderlijk.

Dan lag het onderwerp ‘christendom’ een stuk gevoeliger. Hitler wilde immers een brede nationale beweging opbouwen en begreep dat een groot deel van zijn aanhang dan gelovig zou zijn. En ondertussen was men in rechts-extreme kring sterk antichristelijk. Wat zegt hij in Mijn strijd over het christendom? Wat was zijn échte, persoonlijke mening daarover? En was hij zelf in enige zin gelovig?

Zeker is dat wanneer Hitler het tijd vond om uit naam van de Duitse geschiedenis te spreken, hij graag God erbij haalde, of beter: de Voorzienigheid. Zo eindigde de uitgebreide toespraak waarin hij de Verenigde Staten de oorlog verklaarde (op 11 december 1941) met de woorden:

“De heer van het heelal heeft ons de afgelopen jaren zo goed behandeld dat we dankbaar buigen voor de Voorzienigheid die ons gemaakt heeft tot leden van zulk een grootse natie. We danken hem ook omdat we eervol ingeschreven zullen worden in het eeuwige boek van de Duitse geschiedenis!”

Geloofde Hitler dat een Voorzienigheid hem de taak had gegeven het Duitse volk te redden? In de Tafelgesprekken van 1941 (genotuleerd door Heinrich Heim) zijn enkele opmerkingen te vinden die Hitler in die dagen zou hebben gemaakt. Op de dag van de oorlogsverklaring zou hij hebben gezegd dat de Partij er goed aan deed om de Kerk op afstand te houden, want anders zal de Kerk claimen dat de successen van de partij het werk zijn van God. De Kerk moest aan zijn lot worden overgelaten:

“Het keerpunt voor de Kerk is aangebroken. Nog een paar eeuwen en dan zal door evolutie gebeuren wat niet door revolutie gebeurt.”

Twee dagen later, op 13 december, zei Hitler tegen zijn intimi:

“De oorlog zal eindigen. De laatste grote uitdaging van onze tijd is dan erop toe te zien het Kerkenprobleem op te lossen. Dan zal de Duitse natie helemaal veilig zijn. Ik geef niks om geloofszaken maar ik accepteer het ook niet dat een paap zich met aardse zaken bemoeit. In mijn jeugd stond ik op het standpunt: dynamiet! Pas later zag ik in dat men zoiets niet eenvoudig kan oplossen. Het moet afvallen als een afstervend lichaamsdeel.”

Het christendom was de Duitsers opgedrongen en was nutteloos:

“Ik heb zes SS-divisies die volledig kerkenloos zijn en toch met de grootste zielenrust sterven.”

Hitler verwierp het christendom als een joods verzinsel:

“Christus was een Ariër. Maar Paulus heeft zijn Leer gebruikt om de onderwereld te mobiliseren en een voorbolsjewisme te organiseren. Met deze inbreuk gaat de fraaie helderheid van de Antieke wereld verloren. Wat is dat voor een God die zich alleen maar goed kan voelen wanneer de mensen zich voor hem kastijden?”

De Tafelgesprekken zijn privé-toespraken die gericht waren tot een kleine kring (die zijn monologen lijdzaam moest ondergaan.) Wat Hitler dan vertelde, was niet bedoeld voor de buitenwacht. We mogen ervan uitgaan dat Hitler op zulke momenten volstrekt openhartig was.

Wat daarbij opvalt is dat Hitler niet God, of religiositeit, als het centrale probleem beschouwde, maar de georganiseerde religie. Hij sprak van het ‘kerkenprobleem’ en van soldaten die ‘kerkenloos’ de dood tegemoet gaan. De Tafelgesprekken suggereren dat Hitler géén atheïst was maar geloofde in een Voorzienigheid – een gegeven waaraan hij verder geen enkele morele of ethische consequentie verbindt. Wat hem betreft had deze Voorzienigheid ervoor gezorgd dat op aarde, tussen de volken, een keiharde strijd heerste om het bestaan die gewonnen móést worden door het superieure Arische ras.

Die Voorzienigheid, of God, was een abstract concept ‘ontdekt’ door de Ariër Christus. Maar die ontdekking was door de jood Paulus misvormd tot een dwangleer. Dat laatste idee gaat terug op het werk van Houston Stewart Chamberlain, de auteur van Die Grundlagen des XIX. Jahrhunderts. Interessant is overigens dat Hitler zich herinnerde dat hij vroeger een stuk feller tegen de Kerk was (toen dacht hij meer in termen van ‘dynamiet!’).

Hitler en de christenen

Wat dacht Hitler zo’n vijftien jaar daarvoor over het christendom, in de tijd dat hij werkte aan Mijn strijd? Klonk hij toen heel anders? Ten eerste, het onderwerp komt in het boek nauwelijks aan bod. Wat niet verwonderlijk is want God speelde in zijn ideologie geen enkele rol. Het (christelijk) geloof komt een paar keer ter sprake. En alles wijst erop dat hij toen al de opvattingen koesterde die hij later in de Tafelgesprekken etaleerde – inclusief dynamiet.

In de eerste wat langere passage over het geloof (op p. 345 van de nieuwe uitgave) wijst hij erop dat een volk niet zonder dogma’s kan:

“Opmerkelijk is ook de steeds feller oplaaiende strijd tegen de dogmatische grondslagen van de afzonderlijke kerken, maar zónder is op deze wereld van mensen het bestaan van een religieus geloof in de praktijk helemaal niet denkbaar. De grote massa van een volk bestaat niet uit filosofen, en juist voor deze mensen is het geloof vaak de enige grondslag voor iets van een zedelijke wereldvisie. De diverse vervangingsmiddelen hebben wat resultaat betreft bewezen niet dermate doelmatig te zijn dat je in hen een nuttige opvolger kunt zien van de huidige religieuze belijdenissen. Maar wanneer de religieuze leer en het geloof werkelijk brede lagen moeten aanspreken, dan is het onvoorwaardelijke gezag van de inhoud van dit geloof het fundament voor elke effectiviteit.”

Wat hij met ‘diverse vervangingsmiddelen’ bedoelt is niet duidelijk. Wellicht alternatieve religieuze stromingen of de wetenschap en het ‘wetenschappelijk’ marxisme. Zij waren/zijn blijkbaar niet ‘dogmatisch’ genoeg. En zonder onvoorwaardelijk gezag, zonder dogma’s, is het onmogelijk om de massa te binden. Die les komt elders in Mijn strijd heel sterk terug.

De paap moet zich niet met aardse zaken bemoeien, schold hij in 1941. Die boodschap is al in Mijn strijd te vinden. Hij gaat daarin fel tekeer tegen christelijke partijen (p. 345-346):

“Dat in Duitsland voor de oorlog het religieuze leven voor velen een onaangename bijsmaak kreeg, viel toe te schrijven aan het misbruik dat van de kant van een zogenaamde ‘christelijke’ partij van het christendom werd gemaakt, en aan de schaamteloosheid waarmee men het katholieke geloof met een politieke partij probeerde gelijk te stellen. Dit onderschuiven was een ramp die een reeks nietsnutten weliswaar parlementszetels opleverde, maar de kerk schade toebracht.”

Het is een oud geluid. Zowel extreemlinks als extreemrechts waren felle tegenstanders van het Roomse streven om voor katholieken aparte politieke partijen te vormen. Daarmee blokkeerde de Kerk immers hun eigen electorale doorbraak. Overigens beschouwde het Vaticaan een dergelijke medewerking aan de liberale democratie als een noodgreep. Democratie was en bleef een goddeloze liberale uitvinding. Het Vaticaan liet de christelijke partijen dan ook als een baksteen vallen zodra er met rechtse dictators (Mussolini, Franco, Hitler) een overeenkomst (concordaat) kon worden gesloten over de maatschappelijke rol van de Kerk.

Het zat Hitler dwars, die christenen in de politiek. In de volgende passage (p. 392) begint hij er weer over. Hij schrijft dat ‘de Jood’ nooit in staat zal zijn om Jezus te begrijpen en dat Jezus de joden terecht afranselde, maar ondertussen werkten christelijke politici doodleuk samen met de joden:

“Zijn leven [dat van de jood, mh] is werkelijk enkel van deze wereld en zijn geest is bijvoorbeeld het ware christendom innerlijk even vreemd als zijn wezen dat tweeduizend jaar eerder de grootse stichter van de nieuwe leer zelf was. Nu maakte die geen geheim van zijn houding jegens het Joodse volk, zo nodig greep hij zelfs naar de zweep om deze tegenstanders van elk mensdom, die ook toen net als altijd in de religie slechts een middel zagen om zaken te doen, uit de tempel van de Heer te verdrijven. Daarom werd Christus natuurlijk vervolgens aan het kruis geslagen, terwijl ons huidige partijchristendom zich ertoe verlaagt bij de verkiezingen om Joodse stemmen te bedelen en later probeert met atheïstische Jodenpartijen politieke combines af te spreken, en wel tegen het eigen volksdom.”

Christus bracht dus het ‘ware christendom’ (een term ontleend aan H.S. Chamberlain, die beweerde dat Christus in wezen een rassenleer had verkondigd). Maar deze ware leer was door Paulus misvormd. Dankzij de door Paulus ingebrachte dwang was de Kerk zo machtig geworden:

“De grootheid van het christendom lag (…) in het onverbiddelijk fanatiek verkondigen en verdedigen van de eigen leer.” (p. 443)

“Ook het christendom kon (…) er niet onderuit tot het verwoesten van de heidense altaren over te gaan. Alleen uit deze fanatieke onverdraagzaamheid kon zich het apodictische geloof vormen, deze onverdraagzaamheid is er zelfs de absolute voorwaarde voor.” (p. 573)

Tegelijkertijd zouden de joden ook verantwoordelijk zijn voor het uiteenvallen van de christelijke kerk. Op die manier konden ze namelijk de aandacht afleiden van hun snode plannen én hun greep op de mensheid versterken:

“Het opwerpen van de ultramontaanse kwestie [de machtsstrijd tussen pais en keizer, mh] en het daaruit voortvloeiende wederzijdse gekrakeel van katholicisme en protestantisme bood, zoals de verhoudingen nu eenmaal lagen, de enige mogelijkheid de publieke aandacht op andere kwesties te richten, om de geconcentreerde bestorming van het Jodendom af te weren. Wat de mannen, die ons volk juist dit vraagstuk toesmeten, het daarmee aandeden, kunnen ze nooit meer goedmaken. Maar in elk geval heeft de Jood het gewenste doel bereikt: katholieken en protestanten voeren lekker onderling oorlog, en de doodsvijand van de Arische mensheid en het hele christendom lacht in zijn vuistje. Zoals men vroeger [in de revolutiejaren rond 1848, mh] de publieke opinie jaren achter elkaar had weten bezig te houden met de strijd tussen federalisme en unitarisme en die daarmee uit te putten, terwijl de Jood de vrijheid van de Duitse natie versjacherde en ons vaderland verried aan de internationale haute finance, zo lukt het hem nu weer de twee Duitse confessies tegen elkaar op te zetten, waarbij de grondslagen van beide door het gif van de internationale wereld-Jood worden aangevreten en ondermijnd.” (p. 697)

Dynamiet

In de volgende passage ruiken we tot slot de ‘dynamiet’ waarmee Hitler de bestaande kerken wilde opblazen. De christelijke terreur (van joodse oorsprong) kon volgens Hitler alleen met terreur worden bestreden:

“Het individu mag tegenwoordig met spijt vaststellen dat met het opdoemen van het christendom in de veel vrijere antieke wereld de eerste geestelijke terreur is gekomen, maar hij zal niet het feit kunnen ontkennen dat de wereld sindsdien door deze dwang gekweld en beheerst wordt, en dat je dwang alleen weer met dwang kunt breken, en terreur alleen met terreur. Pas daarna kan opbouwend een nieuwe toestand worden geschapen. “(p. 574)

Daarmee hebben we alle relevante passages over het christendom in Mijn strijd wel gehad.

Geen concessies

De conclusie moet luiden dat Hitler in Mijn strijd geen enkele concessie doet richting het burgerlijke christendom van zijn tijd. De Voorzienigheid had gezorgd voor het superieure Arische ras, voor het nazisme en de wederopstanding van Duitsland. Het christendom diende zich niet te bemoeien met de politiek. Dat was bedacht door de jood Paulus; en de interne verdeeldheid van de Kerk was ook de schuld van de joden. Christus was geen zoon van God maar de verkondiger van een ‘leer’. Hij was geen jood geweest maar een Ariër. Tot slot: de Kerk had haar expansie te danken aan onverdraagzaamheid en terreur, en zou alleen door middel van terreur verwijderd kunnen worden.

Je kunt je afvragen hoe ‘hard’ iemand iets moet zeggen om gehoord te worden. Maar dit lijkt me redelijk hard. Hitler doet niet aan mitsen en maren; hij is volkomen helder en openhartig. De enige ontwikkeling die zijn denken heeft ondergaan is dat hij op een gegeven moment (wellicht onder invloed van het sterke rooms-katholieke verzet tegen het nazisme begin jaren dertig) het dynamiet inruilde voor een passieve houding.  Met de komst van het nationaalsocialisme zouden de Kerken vanzelf afsterven.

Maar als het gaat om het geloof is er in Mijn strijd niets ‘sluws’ te bekennen. Hitler had de antichristelijke passages gemakkelijk kunnen verwijderen of het leed kunnen verzachten met een onschuldig loflied op de verdiensten van het christendom. Niets van dat alles. Hij koos ervoor openhartig te zijn.

Eerder verschenen op Sargasso

Samenvatting

Wie de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust beter wil begrijpen moet Mein Kampf lezen. In dit boek geeft Adolf Hitler namelijk inzicht in zijn gedachtewereld. In Mein Kampf maakt hij duidelijk dat een wereldoorlog onvermijdelijk is en dat de Joden moeten worden ‘verwijderd’. Niets minder dan de wereldheerschappij was zijn einddoel. Zodra hij in 1933 de politieke macht had veroverd ging hij aan de slag met het uitvoeren van zijn plannen.

Mein Kampf werd in binnen- en buitenland gerecenseerd en gelezen, maar door vrijwel niemand serieus genomen. Ten onrechte, want zelden was een politicus zo openhartig over zijn bedoelingen als Adolf Hitler. Mein Kampf laat zich namelijk lezen als een blauwdruk voor het beleid van het nationaalsocialisme na de machtsovername van 1933.

Mein Kampf was na de Tweede Wereldoorlog in Nederland jarenlang niet verkrijgbaar. In 2016 verscheen in Duitsland een nieuwe, wetenschappelijke editie, die goed door pers en publiek werd ontvangen. Ook in andere landen staan nieuwe vertalingen op stapel. Deze nieuwe, betrouwbare editie laat de Nederlandse lezer zelf kennismaken met dit invloedrijke boek, dat een schaduw over de twintigste eeuw heeft gelegd. Om het boek in een historische context te plaatsen, zijn alle hoofdstukken van een inleiding voorzien.

Toon meer Toon minder
€ 49,99

Verwachte leverdatum: donderdag 22 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789044635867
Verschijningsdatum
augustus 2018
Druk
1
Aantal pagina's
856 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
680: Geschiedenis algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Prometheus

Vertaald door
Mario Molegraaf

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen