Judas

een familiekroniek

Auteur(s): Astrid Holleeder
Taal: Nederlands
0,225/5
4 recensies
Judas
Judas
Judas

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door: Roeland Dobbelaer
5/5

De veelstemmigheid van Amos Oz

In de roman Judas voert Amos Oz twee oude mannen op en een jonge student. Ze verwoorden alle drie een deel van de ideeën van Oz, zo leert zijn essaybundel Beste fanatici.

[Essay] Een oude kreupele man, Gersjom Wald, woont met zijn schoondochter Atalja Abarbanel in een achterafwijk in Jerusalem. Het is eind jaren vijftig van de vorige eeuw. De Joodse staat begint een echte staat te worden, met een parlement, verkiezingen op zijn tijd, partijen van links tot rechts. De socialisten hebben een stevige basis. De vele tienduizenden Joden, de overlevers van de Holocaust, die na de Tweede Wereldoorlog het verwoeste Europa ontvluchtten en via zee het beloofde land bereikten hebben alle politieke ideeën uit het Avondland meegenomen.

De oude man ziet het allemaal gelaten aan. Hij heeft een hekel aan hemelbestormers, wereldhervormers, die in de maakbare samenleving geloven, of nog erger: geloven dat mensen vredelievend naast elkaar kunnen leven. “Ongegronde haat vind ik minder erg dan ongegronde liefde: liefhebbers van de hele mensheid, de grote wereldverbeteraars, die ons in elke generatie weer aanvallen om ons te redden…”

Wald was een grote bewonderaar van David Ben Goerion, de stichter van de staat Israël. “Ik beschouw David Ben Goerion als de grootste joodse leider van alle generaties. Groter dan koning David. […] Het is een heldere man met open ogen, die lang geleden al heeft begrepen dat de Arabieren ons hier nooit uit vrije wil zouden dulden.” Wald was daarom met Ben Goerion een sterke voorstander van de staat Israël en een sterk leger, de enige manier om de Arabieren van het lijf te houden. Maar na een dramatische gebeurtenis in zijn leven twijfelt hij aan deze koers.

Om voor de oude man te zorgen roept zijn schoondochter de hulp in van een student die gedurende een deel van de namiddag en avond een oogje in het zeil houdt, eten klaar maakt voor de oude man en hem gezelschap houdt. De meeste studenten houden het niet lang uit, de oude man heeft zijn kuren en wanen. En ze worden allemaal verliefd op de mysterieuze Atalja, een rijzige schoonheid van rond de veertig, met prachtige groenige-bruine ogen. Na een paar maanden geven ze het op. En nu is het de beurt aan de jonge verlegen, onhandige en astmatische student Sjmoeël Asj. Hij is radicaal socialistisch, lid van een splintergroepering en heeft een woeste baard waar Fidel Castro en Che Cuavarra jaloers op zouden zijn geweest. Hij bewondert beide heren en heeft foto’s van hen aan de muur geplakt. Sjmoeël is kritisch op de jonge staat en met name op de socialistische regering, niet zozeer omdat ze de socialistische idealen verkwanselen, dat neemt hij nog wel voor lief, maar omdat ze op lange termijn de toekomst van de Joodse staat onmogelijk maken. De student beschrijft David Ben Goerion zoals wij nu Netanyahu kennen, als iemand die geweld met geweld beantwoordt. Maar: “De waarheid is dat alle macht ter wereld een vijand niet in een vriend kan veranderen. Hij kan een vijand in een slaaf veranderen, maar niet in een kameraad. Met alle macht ter wereld kun je een fanaticus niet veranderen in een tolerant iemand. En met alle macht ter wereld kun je een wraakzuchtige niet veranderen in een vriend. En kijk, dat zijn nu net de existentiële problemen van de staat Israël: een vijand in een vriend veranderen, een fanaticus in een gematigd iemand, een wraakzuchtige in een kameraad.”

Sjmoeël verzorgt Wald zo goed en zo kwaad als hij het kan. Hij voert de vissen, maakt pap voor Wald en dan voeren ze ellenlange gesprekken over politiek, over Israël en over de joden. Steeds meer ontdekt Sjmoeël dat Wald en ook zijn schoondochter geheimen met zich meedragen van zaken die als een grauwsluier over huis hangen. En het lijkt het op dat er nog iemand meepraat in de discussies die hij met Wald voert. Iemand die er weliswaar niet meer is, maar die in het huis een belangrijke stem had. Het gaat om de enige jaren eerder overleden Sjealtiël Abarbanel, de vader van Atalja. In de jaren veertig was Sjealtiël een naaste medewerker van David Ben Goerion in de Jewish Agency en was hij lid van de Zionistische Wereldorganisatie. Abarbanel voerde een eenzame strijd tegen de stichting van de staat Israël. Volgens hem leidde dat tot een permanente oorlog met de Palestijnen en de andere Arabische volken. Hij pleitte voor een staatloze oplossing, waar mensen van alle religie en afkomst vreedzaam samen konden leven. Hij probeerde iedereen te overtuigen van zijn standpunten en praatte daarom ook met de Arabieren. Hierdoor werd hij als een verrader beschouwd. Hij werd ontslagen en uit de Zionistische Wereldorganisatie gegooid. Verbitterd trok hij zich in het huis terug waar hij nog enige tijd samen met zijn dochter en Wald woonde.

De twee oude mannen en de student zijn misschien wel alter ego’s van Amos Oz, de beroemde Israëlische schrijver. Misschien leek Oz in zijn jonge jaren wel op Sjmoeël toen hij in een kibboetz woonde en werkte. Nu hij een oude man is levert hij met regelmaat stevige kritiek op de regering in Israël. In Judas, zijn roman uit 2015, waarin hij deze romanfiguren opvoert zou hij wel eens een spel kunnen spelen tussen zijn jonge en oudere ikken. In zijn laatste boek, de essaybundel Beste fanatici, komen sommige teksten uit Judas bijna woordelijk terug. In Beste fanatici doet Oz een poging om fanatisme te verklaren en om een weg te zoeken uit het steeds maar toenemende geweld in Israël. Met Sjealtiël is Oz het eens dat als er niet een oplossing komt voor de plaats van de Palestijnen in Israël – Oz is een vurig voorstander van de tweestatenoplossing – het geweld zal blijven. “Als hier niet snel twee staten komen, zal er maar een bestaan. En als er een staat zal zijn, is het een Arabische die zich uitstrekt vanaf de zee tot aan de Jordaan,” schrijft Oz in Beste fanataci. Met de student Sjmoeël deelt Oz de mening dat geweld bestrijden met geweld geen manier is om fanatici te overtuigen. We moeten het gesprek aangaan, de ander proberen te begrijpen. “Nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht: dat zijn de twee ingrediënten die ons misschien enige resistentie geven tegen fanatisme” stelt Oz. En tot slot deelt Oz met Wald de mening dat Israël zich wel degelijk moet verdedigen. Daar is hij niet bepaald naïef over. “Ik ben geen pacifist, schrijft hij, “ik geloof niet in de andere wang toekeren, en ik onderschrijf de heersende mening niet die zegt dat geweld altijd verkeerd is.” Hij keert zich net als Wald af van de hemelbestormers en de al te fanatieke vredespredikers. Laten we realistisch zijn, de Arabieren houden niet echt van Joden, lijkt hij te zeggen Israël mag en moet zich wel verdedigen, ook al verliest Israël daarbij zonen en dochters die in het leger dienen.

Judas is een schitterend gelaagde roman. De gesprekken tussen de hoofdrolspelers, de manier waarop Amos de jonge geschiedenis van Israël beschrijft, de opbloeiende liefde tussen de student en Atalja, het is allemaal prachtig beschreven.

Judas heeft nog een diepere laag. Sjmoeël de student, of beter de ex-student, hij is net gestopt met zijn studie, deed onderzoek naar manier hoe Joden keken en kijken naar het christendom. Volgens hem heeft Judas hier een sleutelrol. We leren in de roman veel over Judas. Dat hij in tegenstelling tot de andere discipelen van Jezus een welvarende en geletterd man was en niet als de anderen een ongeletterde boer of visser. Judas zag eerst een gevaar in Jezus, een bedreiging voor het joodse geloof. Hij besluit te infiltreren maar raakt in de ban van de liefde prekende goeroe en kiest zijn kant. Volgens Sjmoeël geloofde Judas als enige echt dat Jezus goddelijk was en kwam het plan om Jezus te laten kruisigen en dan ongeschonden van het kruis zou stappen. Dat zou de goddelijkheid van Jezus aantonen. Maar het plan gaat mis. Als Judas ziet dat Jezus een mens van vlees en bloed is en aan het kruis sterft pleegt hij zelfmoord omdat hij niet kan aanzien dat zijn held sterft. En zo is Judas volgens Sjmoeël de eerste, enige en laatste christen. En helemaal niet de verrader waar wij hem voor houden.

Oz verweeft de geschiedenis van het moderne Israël op een schitterende manier met het verhaal over Judas. Deze filosofische roman is een groot exposé over handelen en niet handelen, over in opstand komen en je verzetten, over liefde geven, over de wereld veranderen of de dingen laten zoals ze zijn. Judas wilde ingrijpen en veroorzaakte met zijn plan uiteindelijk het christendom. Joden hebben christenen vaak beschuldigd van een onevenredige drang tot handelen, tot het verbeteren van de wereld, op een haast naïeve, maar ook fanatieke manier, tegen beter weten in. Het bijzondere is juist dat door het christendom en het aan het christendom gekoppelde antisemitisme Joden 2000 jaar lang zijn onderworpen en gedwongen werden tot een passieve houding. Met de stichting van de staat Israël lijkt het alsof Joden het initiatief weer terug hebben gepakt. Maar niet alle joden vonden of vinden dat een goed plan. Er zijn nog steeds orthodoxe Joden die daarom bijvoorbeeld tegen de staat Israël zijn, zij willen niet handelen, niet op deze manier.

Met Judas laat Oz zien dat al die meningen en al die ideeën over wat Joden en het Jodendom zijn en ook over wat Israël is juist de kracht van het Joodse volk is. Dat laat hij ook weer in Beste Fanatici zien. Hij schrijft aan het slot van het derde essay: “Maar het voelt goed om Israëli te zijn. Het voelt goed burger te zijn in een land met achtenhalf miljoen premiers, achtenhalf miljoen profeten, achtenhalf miljoen messiassen. Elk van ons heeft zijn persoonlijke formule voor de bevrijding of tenminste voor de oplossing.” Niet de fanatieke eenheidsworst van ‘er is maar een goede mening’, maar juist de veelstemmigheid, daar is het waar het op aan komt. En niet iemand verketteren, tot verrader verklaren als hij andere standpunten verkondigt. Judas is daarom ook een verdediging van Oz zelf. Alsof hij wilt zeggen: niet iedereen die het met de huidige politiek van in Israël oneens is een verrader.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Op maandag 26 maart gaat Roeland Dobbelaer bij DLVAlive in Utrecht in gesprek met Daphne Meijer van Een ander Joods geluid. Ze zullen praten over de politieke situatie in Israël en over het werk van Amos Oz.

 

Recensie door: Jos Palm

De beste helper van een gnostische goeroe

Het was die dag om drie uur ’s middags op z’n allerergst. Elk jaar leek het alsof je opnieuw de dood bijwoonde van de beste mens ooit, Gods zoon, mogelijk gemaakt door de slechtste mens ooit. Ieder jaar haalde ik als katholiek jongetje opgelucht adem als, anders dan op dat apocalyptische, nieuwtestamentische uur, de aarde na drieën nog bleek te draaien, de duisternis uitbleef en de zon gewoon scheen.

Goede Vrijdag was de jaarlijkse godsdienstige hardhandige initiatie in de kwaadaardige aardse karakterzwakte. Het was de dag van de verontrusting voor de gelovige, van de overwinning van Judas op Jezus, die pas twee etmalen later zou triomferen. De dag kleurde de godsverrader Judas Iskariot inktzwart, althans in de oude middeleeuwse dogmatiek die welbeschouwd bleef voortbestaan tot in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Inmiddels gelooft bijna geen gelovige of ongelovige meer in de oude zwart-wit theologie. En we bezien Judas wat welwillender, als iemand die “iets deed wat echt niet in orde was, en die tegelijkertijd de menselijke soort een spiegel voorhoudt”, in de woorden van de bisschop van Leeds. Maar toch blijft Judas jeuken.

Duivels werktuig

Over de vraag welke uitslag hij veroorzaakte, gaat het nieuwste boek van schrijver Peter Stanford (1954), die eerder een klassieke biografie van de duivel schreef, en zich nu heeft gestort op het meest uitgesproken satansgebroed onder de stervelingen, de slechtste jood aller tijden. Want zo wordt hij omschreven bij Lucas en Johannes, als duivels werktuig, terwijl het vloertje is gelegd door de oudere evangelisten Marcus en Mattheüs.

Stanford is niet uit op rehabilitatie van zijn hoofdfiguur – daarover zijn al boeken vol geschreven – maar geeft een overzicht van gebruik en misbruik van de afvallige apostel. Zo deden er in de jonge kerk verscheidene teksten de ronde waarin Judas niet de boosheid zelve was, maar de beste helper van de gnostische goeroe Jezus, die een soort dualistische licht-duisternis-religie wilde verspreiden.

Maar het algemene beeld van Judas is middeleeuws en extreem negatief. De Judaskus, zijn zelfverhanging en zijn opengereten ingewanden (beschreven in de Handelingen van de apostelen) komen in steeds afschrikwekkender beeltenissen terug. En natuurlijk zijn er de legendes. Zoals het verhaal waarin de jonge Judas Iskariot bij het kindje Jezus speelt en hem in de zij bijt, die later aan het kruis doorboord zal worden. En uiteraard waren er de ‘dertig zilverlingen’ – een schijntje, bewijst Stanford – die Judas tot het stereotype van de geldbeluste jood maakte. Van daaruit was het nog een kleine stap naar de woekerjood en de kromneuzige, hol-ogige jood, die al in de Middeleeuwen iconografisch carrière maakt. Het bodempje voor de nazi’s, die evenzeer raad wisten met Judas, werd bijtijds gelegd.

Clementie

Er was ook enige clementie met Judas. Kerkvader Origenes heeft het over ‘een zeker restant van het goede’ bij de verrader. En Fra Angelico schildert in de Renaissance de Judaskus op humane in plaats van op de theologisch demoniserende wijze. De notie dat Judas een noodzakelijke rol speelt in het verlossingsdrama bestaat, maar dat doet tijdens de Middeleeuwen niets af aan de ondraaglijke slechtheid van de grote afvallige. Pas tijdens de Verlichting durft de brutale denker Thomas Paine hem voor te dragen voor de heiligenkalender, vanwege zijn bijdrage aan het karwei van de verlossing.

Sindsdien is Judas Iskariot met regelmaat in woord en beeld vermenselijkt (overigens zelden in de kerk). Hij wordt uitvoerend tweede hoofdpersoon in een tragedie die zijn apostelverstand te boven gaat en hij blijkt de onmisbare pion in een religieus kosmisch drama met goede afloop. Zonder Judas geen Jezus, zowel binnen als buiten de kerk, zo weet Stanford overtuigend aan te tonen in een boek dat de kerkelijk-theologische en algemeen menselijke wortels van respectievelijk de haat en reserves tegenover Judas scherpzinnig blootlegt.

Judas is intussen voor een groot deel literatuur geworden, net als het passieverhaal. Hij is van goddelijk ingeblazen kwaad al te menselijk kwaad geworden. De kerk had Judas nodig om de angst voor de zondigheid erin te hameren, ‘wij’ verwelkomen Judas als zinnebeeld van onze instinctieve zwakke neigingen. De Judasjeuk gaat er niet van over, integendeel.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad

Recensie door: Bert Overbeek

De verontrustende geschiedenis van de afvallige discipel

[Signalering] Tweeëntwintig keer wordt hij in de evangeliën genoemd: Judas Iskariot, de man die voor dertig zilverlingen Jezus met een kus verraadde. Over deze ‘dertiende apostel’ is verder niets bekend, maar dat heeft vele latere auteurs er niet van weerhouden zijn biografie steeds weer opnieuw uit te breiden en te duiden. Het is deze duiding geschiedenis  die Stanford in zijn aardige boek vertelt aan de hand van vooral  literaire teksten en kunstwerken, te beginnen met de evangeliën.

De invloedrijkste lijn is ongetwijfeld de antisemitische karakterisering van Judas als de archetypische Jood, die gekenmerkt zou worden door een verraderlijk karakter en een zucht tot geld. In deze rol trad hij op in de propaganda van de nazi’s. Er werden echter ook pogingen ondernomen om Judas te rehabiliteren. Volgens de 19de-eeuwse Engelse essayist Thomas de Quincey was juist Jezus de verrader, namelijk van het streven naar een aards koninkrijk, onafhankelijk van Rome. Judas zou zijn arrestatie hebben beraamd om een opstand tegen Rome uit te lokken. Maar de negatieve connotatie van Judas’s naam bleef tot op heden de dominante, zoals Bob Dylan en voetballer Luis Figo moesten ervaren, die beiden voor ‘Judas’ werden uitgemaakt.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Recensie door: Chris Reinewald
4/5

Manipulatie boven een bord andijvie

[Recensie] De onbedoelde, nieuwe onverbiddelijke bestseller Judas, een familiekroniek van Astrid Holleeder is zo’n boek dat (bijna) iedereen wil lezen. Zeker met het diabolische optreden van Willem Holleeder, de criminele broer van de schrijfster/juriste in College Tour nog op het netvlies. Dankzij deze serieuze, onvooringenomen aandacht ontpopte Holleeder zich als knuffelcrimineel.

Gelukkig bleek die sterrenstatus tijdelijk, toen zijn ware manipulatieve aard duidelijk werd na de openbaar gemaakte bandopnames van gesprekken met zijn zuster Astrid; de moedige schrijfster van dit boek. Geweld bepaalt het leeuwendeel van onze amusementsbeleving. In films en fantasy-games schieten bikkelharde kerels hun uzi’s leeg op crashende en ontploffende tankwagens van de vijand. Of ze maken als avatar extraterrestiale wezens meerdere koppen kleiner.

Keurige landgenoten opteren voor een Britse whodunnit, een Duitse krimi, een Amerikaanse CSI of  Vlaamse Flikken: tv-series, waarin moord & doodslag en het oplossen ervan de normaalste zaak van de wereld zijn. Maar dat is het niet en mag het ook nooit zijn. Dat besef je des te meer bij het lezen van Astrid Holleeders semi-biografische boek Judas over haar door haar oudere, criminele broer Willem gedomineerde leven. Mat, bonkig en beurtelings wanhopig en berustend schetst ze in fragmenten hun familiegeschiedenis: een Jordanees gezin van een drankzuchtige vader met zeer losse handjes. Het verraderlijke is dat het ware geweld zich met een alledaags, joviaal gezicht tooit: dat van broer Willem, Wim

Door het tv-interview, films en documentaires leek de biografie van de Heineken-ontvoerder genoegzaam bekend. Zo gauw hij de fysieke kracht daarvoor kreeg ramde de getergde zoon zijn vader in elkaar. Rambo wraak. Tenminste: zo wilde Willem ons bij de College Tour doen geloven.

In werkelijkheid deed niet hij dat maar zijn jongere broer Gerard. Willem Holleeder schept zijn eigen mythes, net zoals hij veel ernstigere zaken naar zijn hand zet. Van afstand bekeken is hij een Shakespeariaans personage uit een bloedig koningsdrama maar dan op binnenkamerformaat.

Verwacht echter geen thriller. Astrid – “Assie” – vertelt zakelijk en wonderwel genuanceerd haar verhaal met korte, door de tijd springende hoofdstukken. De urgentie van haar boodschap voorkomt iedere vorm van mooischrijverij. Dit is zo’n onontkoombaar verhaal dat het wel verteld móet worden. Het neemt bezit van de verteller die – als orakel – niets anders kan dan het vertellen en weer verder vertellen. (Jorge-Luis Borges beschrijft dat fenomeen overigens erg mooi in zijn korte verhaal El evangelo según Marcos; 1970)

Toch slipt er af en toe een prachtige, beeldende observatie doorheen. Zo probeert Willem zijn “zussie” te lijmen door haar geld te geven: tijdens het eten. Met het beeld van het 100 guldenbiljet, aangereikt boven een bord dampende andijvie zou de verfilming van dit oer-Hollandse misdadigersdrama moeten beginnen. De nogal lullige familiefoto’s in het beeldkatern spreken daarbij boekdelen.

Gelukkig is de familie Holleeder niet gespeend van een meedogenloos-Amsterdamse galgenhumor. Behalve over Willem beschrijft Astrid haar eigen strijd om als advocate niet mede-gecriminaliseerd te worden. Ze vindt steun bij crime-watcher en fighter Peter R. de Vries, ooit bevriend geraakt met Cor van Houts, Willems in ongenade gevallen maatje. Beplakt met afluisterapparatuur gaat ze een Judas-rol spelen in de door Willem afgedwongen contacten. Ondanks zijn dreigementen lijkt hij haar nog steeds te vertrouwen. Zijn neefje, een kleuter zet hij echter zonder pardon een pistool tegen zijn hoofd.

Het moment dat Astrid de recherche – de “Petten”- benadert en toegeeft dat haar broer zijn zwager en boezemvriend Cor van Hout “heeft gedaan” (laten doden) is een emotioneel breekpunt.

Vanaf dan weet zij dat haar leven in permanent gevaar is. In de omgeving van Willem doet niemand iets dat onbestraft door hem zal blijven. Maar ook hier toont Astrid Holleeder zich een echte Holleeder. Spijkerhard onderhandelen zij en haar zus Sandra met de Petten hun getuigenverklaringen tegen Willem uit. Daardoor krijgt het boek op driekwart ook iets van een juridisch verweer.

Maar meer dan dat geeft het een afschrikwekkende inkijkje in het brein van een paranoïde psychopaat die zelf nooit bloed aan zijn handen heeft. Als lezer kun je niet anders dan deemoedig lezen wat zij schrijft. Juist het gegeven dat er geen woord aan verzonnen lijkt maakt Judas beklemmend als geen ander boek.

De zusters Holleeder en ook de exen van hun broer maken zich geen illusies meer. Ook zij zullen “gedaan worden.” Maar zover komt het hopelijk nooit, waardoor het boek een “open eind” lijkt te krijgen.

Is het ongepast hierbij te denken aan de Jiskefet-sketch met de proleten Johnny en Willy (Michiel Romeyn en Kees Prins) die onder bedreiging van een winkeldame een boek aanschaffen dat beslist geen open einde mag hebben? Kort erna komen ze de boekhandel verruïneren omdat het gekochte boek wèl een open eind bleek te hebben.

Het kan niet anders of Judas wordt een film of toneelstuk. Michiel Romeyn zou daarin een uitstekende Willem H. kunnen neerzetten.

Voor het eerste gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Samenvatting

'Een valse hond sluit je op in een hok, of laat je inslapen.'

Astrid en Sonja Holleeder besluiten in 2013 te doen wat niemand voor mogelijk hield: ze staan op tegen hun broer Willem - die na zijn vrijlating in 2012 tot nationale knuffelcrimineel was uitgegroeid - en leggen zeer belastende verklaringen tegen hem af, net als zijn ex-vriendin Sandra den Hartog. De dag dat het nieuws op 24 maart 2015 naar buiten komt - 'Vrouwen vloeren Holleeder' - worden in een uitzending van rtl Late Night een aantal schokkende geluidsfragmenten uitgezonden. Het luidt de val van de onaantastbare Willem Holleeder in.

Wat weinigen wisten, is dat Willem Holleeder zijn familie dertig jaar lang terroriseerde, afperste en bedreigde, precies zoals zijn alcoholistische vader - werknemer bij Heineken - de familie jarenlang had overheerst en mishandeld. Kinderen, vrouwen, aangetrouwde familie, tot aan moeder Stien toe: niemand ontkwam aan hun despotische gedrag.

Judas speelt zich af tussen 2012 en het heden, en is doorspekt met flashbacks naar spraakmakende gebeurtenissen in het verleden. Het is een verbijsterende familiekroniek waarin Astrid Holleeder een onthutsend portret schetst van een gezin dat sinds 1983 - het jaar van de Heineken-ontvoering - alleen nog maar een achternaam heeft: Holleeder. In dit unieke boek vertelt zij op indringende wijze over de impact van de ontvoering op alle familieleden, de verwijdering tussen de bloedgabbers Willem Holleeder en Cor van Hout (die in 2003 om het leven kwam), de bedreiging van Peter R. de Vries, liquidaties en afpersingen in het criminele milieu. Ook spreekt ze vrijuit over haar jeugd en haar moeder, de kinderen, haar ex-partners, haar werk als advocate en haar dubbelrol als consigliere van haar broer.

Door zich als vertrouweling op te stellen kon Astrid dicht in de nabijheid van haar broer verkeren, en hun gesprekken in het geheim opnemen, met maar één doel: hem levenslang geven.

Toon meer Toon minder
€ 22,50

Verwachte leverdatum: dinsdag 19 november


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789048825028
Verschijningsdatum
november 2016
Druk
1
Aantal pagina's
576 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
339: True crime
Thema's
  • Kinderen, tieners en onderwijs
  • Kinderen / tieners: fictie en waargebeurde verhalen

Uitgever
Lebowski

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden