Bazarow stopt per 25 mei als boekverkoper, maar gaat door als boekenplatform. Lees hier het nieuwsbericht !

1000 jaar vreugde en verdriet

Auteur(s): Ai Weiwei
Taal: Nederlands
0.1625/5
3 recensies
1000 jaar vreugde en verdriet
1000 jaar vreugde en verdriet
1000 jaar vreugde en verdriet

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Jef Abbeel

Het onrustige kunstenaarsleven van Ai Weiwei

[Recensie] Ai Weiwei (°1957) is kunstenaar en zet zich ook in voor mensenrechten en vrije meningsuiting. Zijn vader, Ai Qing (1910-1996) was dichter en vertrouweling van Mao, maar werd in 1957 als ‘Rechts element’ veroordeeld tot heropvoeding door dwangarbeid, iets wat duizenden intellectuelen niet overleefden. Tijdens de Culturele Revolutie werd het gezin nogmaals hard aangepakt: ze werden verbannen naar afgelegen streken.

Ai Weiwei begint zijn memoires met de geboorte van zijn vader in 1910. Tussendoor vermeldt de schrijver ook politieke gebeurtenissen, maar niet altijd in chronologische volgorde.

In 1928 ging zijn vader naar de kunstacademie in Hangzhou en in 1929 voor drie jaar naar Parijs. Daar maakte hij kennis met de poëzie van Emile Verhaeren, die hij later vertaalde in het Chinees. In 1932 trok hij zonder diploma naar Shanghai, waar hij door de Franse bezetters aangehouden werd wegens het bezit van communistische lectuur. Daarvoor kreeg hij zes jaar cel, waarvan drie jaar effectief. Daarna werd hij leraar Chinees en was hij ook actief als dichter.

In 1937 begon de Japanse invasie, met een massale slachtpartij in de hoofdstad Nanjing en andere brutaliteiten. Ai Qing moest met vrouw en dochtertje  verschillende keren vluchten. Hij schreef gedichten over de oorlog en een boek over poëzie. In 1939, toen zijn vrouw een tweede keer zwanger was, werd hij verliefd op de 17-jarige Wei Ying met wie hij trouwde. Op vraag van Zhou Enlai verhuisden hij en Wei Ying in 1941 naar Yan’an, waar ze in een grot woonden en waar hij bezoek kreeg van Mao. In 1942 kregen de intellectuelen ruzie met Mao wegens hun kritiek op de privileges van de top. Mao besliste dan dat schrijvers en kunstenaars enkel op zichzelf nog kritiek mochten uiten. Zijn ‘Rectificatiebeweging’ (1942-1945) hield in: kruisverhoren, eenzame opsluitingen, martelingen om bekentenissen af te dwingen of anderen aan te klagen. Dank zij Zhou Enlai werd Ai Qing (voorlopig) gezuiverd en in 1945 toegelaten tot de CCP.

Op 15 augustus 1945 gaf Japan zich over. De oorlog had aan bijna 20 miljoen Chinezen het leven gekost. Vanaf 1946 ging de burgeroorlog verder. In 1949 kwam de CCP als overwinnaar uit de strijd. Ai Qing mocht de nieuwe vlag uitkiezen: rood met vijf gele sterren.

In 1950 mocht hij een reis van vier maanden maken door de Sovjet-Unie en in 1954 mocht hij naar Chili om de 50ste verjaardag te vieren van Pablo Neruda. In 1955 werd hij weer verliefd, nu op Gao Ying, die in 1957 de moeder werd van Ai Weiwei.

In april 1957 lanceerde Mao zijn ‘Honderd Bloemen Campagne’, die aanmoedigde kritiek te leveren op de partij. 550.000 intellectuelen werden dan opgepakt als ‘Rechtse elementen’. Ze kregen zware dwangarbeid. Slechts twee op de tien overleefden dit. Ai Qing werd uit de CCP gezet en met zijn gezin verbannen naar het noordoosten, nabij Vladivostok. Daarna vlogen ze naar Shihezi in Xinjiang. Daar ontmoetten ze Xi Zhongxun, de vader van de huidige Xi, die zei dat Ai helemaal geen ‘Rechts element’ was.

In 1966 ontketende Mao zijn gewelddadige Culturele Revolutie, de ergste van zijn meer dan 50 politieke campagnes. Schrijvers, leraren en rectoren werden doodgemarteld door de Rode Gardes. Ook bij Ai Qing in Shihezi vielen ze meermaals binnen. In januari 1976 stierf premier Zhou Enlai. In september stierf Mao. Premier Hua Guofeng verklaarde de Culturele Revolutie meteen voor beëindigd.

In 1978 kwam Deng aan de macht. Hij rehabiliteerde de ‘Rechtse elementen’ van 1957, voor zover ze nog leefden. In 1979 werd Ai Qing volledig gerehabiliteerd. Hij mocht zelfs op reis naar West-Duitsland, Oostenrijk en Italië. In München droeg hij een gedicht voor over de Berlijnse Muur. Dat werd ook voorgelezen toen de Muur in november 1989 viel.

In 1981 emigreerde Ai Weiwei naar Amerika. Helaas diende hij op zijn examen kunstgeschiedenis een blanco formulier in, waardoor hij zijn studiebeurs kwijtspeelde. In 1987 hield hij zijn eerste tentoonstelling in New York. Vandaar volgde hij in 1989 de protesten op Tiananmen, waar een leger van 300.000 man het vuur opende op vreedzame studenten. Nadien werd een nieuwe granieten bestrating aangelegd op de 40 km lange en 60 à 120 m brede Chang’an-laan (‘Laan van de Eeuwige Vrede’) en op het ‘Plein van de Hemelse Vrede’ om de vele bloedvlekken weg te wissen.

In 1993 keerde Ai Weiwei na 12 jaar en zonder diploma terug uit New York naar Beijing. Hij hield zich bezig met kunst en met boeken uitgeven. Hij bouwde een kunstgalerij in Caochangdi nabij Beijing. Vanaf 2003 mocht hij het Vogelneststadion mee ontwerpen voor de Olympische Spelen van 2008.

Vanaf 2005 schreef hij blogs met maatschappijkritiek op het internet en bereikte zo een steeds groter publiek. Hij werd dus ‘gevaarlijk’ en einde 2008 sloot de overheid zijn blog. In 2008 leerde hij, na tien jaar huwelijk met Lu Qing, zijn tweede vrouw kennen: Wang Fen. In 2009 beviel ze van Ai Lao. Hij zette zich in voor de vele slachtoffers van de aardbeving in Sichuan, vooral schoolkinderen.

Vanaf 2010 werd Ai Weiwei permanent in het oog gehouden en in 2011 werd hij aangehouden wegens ‘aanzetten tot ondermijning van de staat’. Buitenlandse premiers pleitten voor zijn vrijlating. Na 81 dagen cel werd hij  voorwaardelijk vrijgelaten. In november 2011 kreeg hij een belastingaanslag van 2,4 miljoen dollar, terwijl er maar een paar honderd dollar op zijn rekening stond. Met donaties van 30.000 Chinezen kon hij zich redden. Eind 2012 kwam Elton John naar Beijing. Hij ontving Ai Weiwei en droeg zijn optreden op aan hem voor zijn moed. Nadien mocht de Brit nooit meer optreden in China. In 2011-2014 hield Ai Weiwei tentoonstellingen in het buitenland, maar hij had reisverbod. In 2015 eindigde zijn vier jaar durend huisarrest. Hij mocht met vrouw en kind  emigreren naar Berlijn.

Sinds 2015 woont hij in Berlijn, waar hij geniet van alle vrijheden. Maar hij vertelt niet of hij, zijn vrouw en zijn zoon daar ook gelukkig zijn. Hopelijk wel.

Ai Weiwei geeft een beeld van de gebeurtenissen in China sinds 1910 en zeker van de laogai: de werk- en heropvoedingskampen en ook van de wreedheden tijdens de Culturele Revolutie. Hoewel het gezin jaren in Xinjiang heeft gewoond, spreekt hij niet over de behandeling van de Oeigoeren. En hoewel hij het Vogelneststadion mee mocht bouwen, zegt hij niets over de voor China zo succesvolle Olympische Spelen. In de titel staat ‘1.000 jaar’: het boek begint in 1910; 111 zou dus juister zijn. Wellicht bedoelt hij het in overdrachtelijke zin, als een eindeloze tijd van ellende, als heel lang. En er staat beduidend meer verdriet dan vreugde in. Hij toont aan dat het regime nog lang niet rijp is voor vrijheid van mening en pers en dat het liever critici opsluit of laat emigreren. Zijn memoires zijn vlot geschreven en tonen zijn koppigheid en moed.

Een kaart is er niet bij: wie Shihezi en vele andere onbekende plaatsen wil weten liggen, moet er zelf de ‘Atlas of China’ bij nemen: daar staan ze allemaal in. Eén detail: de oude en beroemde porseleinstad Jingdezhen ligt niet in het ‘noordoosten’ (p. 339), maar in de zuidoostelijke provincie Jiangxi.

Eerder verschenen op Jef Abbeel

Recensie door: Nico Voskamp
4/5

Overleven onder een verstikkend regime

[Recensie] Het meest bekende kunstwerk van Ai Weiwei zou voor Nederlanders moeten zijn de Dutch holiday party. Die maakte hij in 2021: een keurige kring houten stoelen in een lege ruimte. Het laat zien hoe flexibel deze man de invloeden om hem heen opzuigt en omzet naar een soort van kunst.

63 jaar oud is hij nu, en behalve beeldend kunstenaar architect, vormgever, filmmaker en curator. Hij ontving in zijn carrière de meest uiteenlopende onderscheidingen. Dat alles staat te lezen in zijn nu in het Nederlands vertaalde memoires, en ook veel gruwelijks. Gruwelijks?

Jawel. WeiWei had de pech om een foute vader te hebben. Althans volgens het Chinese regime in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Ai herinnert het zich zo:

“Als jongen was de wereld voor mij net een split screen. Op de ene helft van het scherm stapten de Amerikaanse imperialisten parmantig rond in smoking en met hoge hoed, met hun wandelstok in de hand en achter zich aan hun loophondjes: de Britten, de Fransen, De Duitsers, De Italianen en de Japanners, samen met de reactionairen van de Kuomintang die zich hadden verschanst op Taiwan. Op de andere helft stond Mao Zedong, geflankeerd door de ‘zonnebloemen’, dat wil zegen de volkeren van Azie, Afrika en Latijns-Amerika die streefden naar onafhankelijkheid en de bevrijding van het kolonialisme en het imperialisme: wij dus, de vertegenwoordigers van het licht en de toekomst… De twee helften van het scherm waren niet met elkaar te rijmen.”

Ai’s vader was schrijver en werd als ‘gezaghebbend rechts element’ onder het bewind van Mao Zedong verbannen en gedwongen tot ‘heropvoeding door arbeid’. Het gezin werd gedeporteerd naar de rand van de Gurbantüngwoestijn, ook bekend als ‘Klein Siberië’. Zonder moeder trouwens, die vertrok met het jongste broertje naar Beijing. Samen met zijn vader ondergaat Ai “de implementatie van het partijbeleid, de uitvoering van de besluiten en directieven van hogerhand en en studie van het marxisme-leninisme en het Denken van Mao Zedong.” Ook wel bekend als hersenspoelen.

Dat ging ver, want later worden vader en zoon naar een nóg  onherbergzamer oord gezonden. Daar leven ze letterlijk in een hol onder de grond, met overdag keihard werken en ’s avonds de gebruikelijke ideologie-inprenting. WeiWei besteedt bijna de eerste helft van de biografie aan de onplezierige avonturen die hij samen met papa onderging. Dat levert voor de ongeduldige lezer wat kriebelig ongeduld op, maar voor de lezer die meer diepgang wil, een bevredigend verhaal.

Dan stapt Ai over naar zijn eigen leven. Dat is – in een iets soepeler tijdsgewricht – beduidend minder beperkt dan dat van zijn vader. Als jongeman krijgt hij het al voor elkaar naar Amerika af te reizen en daar als een verslaafde in een drugstore alle indrukken te absorberen. Andy Warhol komt langs, net als de halve kunstwereld van New York. Dorstig in de woestijn, zo drinkt de jonge kunstenaar alles in wat hij kan vinden.

Er valt meer dan genoeg interessants te vertellen over het leven van Ai Weiwei. De biografie telt niet voor niets 461 bladzijden. De meest fascinerende gedeelten zijn de inside-beschrijvingen van de acties die het keiharde regime voert tegen eenieder die anders denkt dan de grote Mao. Ook laat de schrijver zien hoe de menselijke geest, jarenlang ondergedompeld in zo’n regime, steeds moeilijker terug kan grijpen op de herinnering van een ander leven.

Ai laat kristalhelder, bijna emotieloos, zien hoe het leven is in geestelijke slavernij. We lezen in heldere taal wat vrijheid betekent; dat vrijheid pas echt iets waardevols wordt als het je met harde hand onthouden wordt. Een rijk verhaal is het, waard om door een groot publiek gelezen te worden. In deze helder en soepel geschreven vertaling is dat niet al te moeilijk.

Ook verschenen op Nico’s recensies en Tiktok

Recensie door: Chris Reinewald
2.5/5

Geëngageerdheid + verontwaardiging = concept

[Recensie] Net zoals destijds Joseph Beuys – genie, sjamaan, milieuactivist of charlatan – wekt Ai Weiwei (艾未未, 1957) gemengde gevoelens op. Ontegenzeggelijk is hij de enige Chinese beeldend kunstenaar die zijn vaderland openlijk durft te bekritiseren. Met zijn kloeke autobiografie eert hij de mannen in zijn familie: zijn ‘rechtse’ grootvader, zijn vroegwijze tienerzoon, maar bovenal zijn vader die het tijdens zijn leven veel erger te verduren had dan hijzelf. 

De titel 1000 jaar vreugde en verdriet met zelf ontworpen omslag verwijst naar een gedicht van Ai Weiwei’s innig geliefde vader, de letterkundige Ai Qing (艾青). Voor Ai Weiwei over zichzelf vertelt lezen we in de eerste 193 pagina’s namelijk over Qing en zijn gezin(nen) en het onrecht dat ze werd aangedaan. Zo lijkt het of Ai Weiwei met zijn autobiografie een ereschuld inlost aan zijn vader. Redactioneel beschouwd had hier enige inkorting op zijn plaats geweest.

Ai Weiwei groeide met zijn vader op in China’s strafkolonie ‘Klein Siberië’, nadat Ai Qing weer ‘ns in ongenade was gevallen. Om als winkelierszoon van zijn ‘rechtse’ ideeën af te komen moest hij vernederende dwangarbeid verrichten: mensenpoep uit latrines scheppen. Ai Qing klaarde de klusjes echter manhaftig. Weiwei beschrijft ze overtuigend, alsof hij er getuige van was, hoewel deze zich decennia voor zijn geboorte afspeelden. Dat Qings vader, Jiang Zhongzun een gecultiveerd middenstander was geweest werd de zoon zijn leven lang nagedragen, terwijl Qing juist een proletarisch model-kunstenaar wilde zijn. Zijn geciteerde patriottische gedichten ronken als de pennenvruchten van de jonge Mao Zedong, dichtend bibliothecaris over rood ochtendgloren die nationale gevoelens doet opwellen.

Waarom Qing dan weer wél en dan weer niet in de gratie raakte, lijkt Ai Weiwei ook niet te doorgronden. Vaak verrieden ruggengraatloze collega’s hun oude kameraad door dwang van bovenaf. Willekeur is een effectief pressiemiddel in een totalitaire staat.

Parijs-New York
Als twintiger studeerde Qing beeldende kunst in het Parijs van de jaren dertig. Het was voor hem een ongekende periode van kosmopolitisme en grote artistieke vrijheid. Terug in het politiek roerige China koos hij steeds meer voor het woord. Net als later zijn zoon Weiwei later bleef Qing laveren tussen het schrijven en het beeldend kunstenaarschap.

Waar Ai Qing zijn kritiek in krantenartikelen kon spuien, bestookte Ai Weiwei als één van de eerste internetgebruikers in China de overheid met zijn blogs, voordat die greep op de sociale media kreeg. Ai Weiwei vestigde hiermee zijn reputatie als luis-in-de-pels, hoe zeer zijn moeder hem ook bezwoer zich rustig te houden.  

Ondanks alle tegenwerking mocht de nog onbekende Ai Weiwei in de jaren tachtig – zoals destijds zijn vader – China verlaten voor een studie in het Westen. Hij koos New York, vanwege een Chinese vriendin die er al studeerde. Weiwei schrijft dat hij daar bevriend raakte met Allen Ginsburg en Keith Haring. Andy Warhol had hij ook graag leren kennen, maar die overleed voortijdig.

Hoe diep en wederzijds die ‘vriendschap’ ging blijft de vraag bij Ai Weiwei. Nergens wordt hij gehinderd door bescheidenheid. Zowel beschuldigingen als complimenten aan zijn adres onthoudt hij en citeert hij letterlijk.

Aanvankelijk pakte Ai Weiwei in New York zijn in China afgebroken kunststudies weer op. Maar ook in de VS botste hij weer met de autoriteit van zijn leraren. Uiteindelijk stak hij meer op in de moderne kunstmusea, met name van Marcel Duchamp, pionier van de conceptuele kunst.

Ondertussen moest hij het hoofd boven water houden. Zonder enige ambitie ging hij als straatartiest voor een grijpstuiver toeristen portretteren. Hij noteert hierbij dat Indiase en Israëlische toeristen het meest gierig waren.

Tien jaar verder – en na het verslonzen van zijn relatie – verlangde Weiwei terug naar China.

Bijna tot zijn spijt beschrijft hij hoe in 1989 de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing aan hem voorbij ging, omdat hij toen (nog) in New York zat.

Voor generatiegenoten, Chinese kunstenaars van wie hun werk in Beijing bij de oproer kapot werd gebulldozerd betekende de opstand een waterscheiding. Ze zetten hun werk voort buiten het alziend oog van de overheid en gingen in het Westen exposeren. De buitenlands verdiende, harde dollars verzoeten hun lot als niet-erkend kunstenaar in hun vaderland.  

In dezelfde tijd proefde Ai Weiwei tijdens New Yorkse demonstraties de maatschappelijke verontwaardiging als drijfveer voor zijn werk. Hij maakte assemblages (kleine beelden van meerdere materialen) en verkocht eigen foto’s van gewelddadige agenten bij demonstraties aan de krant. Stoer meldt Weiwei dat hij zijn Amerikaanse beeldende werk bij het vuilnis zette.

Het tekent zijn kunstenaarschap. Ai Weiwei stelt dat hij “kunst niet als iets statisch ervaart maar als iets veranderlijks dat functioneert binnen de grenzen van de werkelijkheid.” Als zich ontwikkelend ideeënkunstenaar interesseren meerlagige gedachten of doorwrochte technieken hem amper. Het gaat hem om een tot sterk gebaar ontwikkeld idee dat letterlijk groter en groter zou worden.     

Terug in China
Nederland leerde Ai Weiwei kennen door een tv-reportage, toen hij net een paar jaar terug was in China. In 1994 liet hij zich filmen in een taxi bij de toegang van de Verboden Stad, aan het historisch zo beladen Plein van de Hemelse Vrede. Steels stak hij vanuit het raampje een ‘fuck you’ middelvinger op, met het grote Mao-portret erachter. Een puberale actie voor iemand van bijna 40.

In dezelfde categorie valt een foto van zijn nieuwe vriendin die haar rok optilt om haar slipje te tonen, ook naast het Mao-portret. Deze acties bleken de opmaat naar geëngageerd, maar beeldend beschouwd simplistisch werk.

Wat later kerfde hij bijvoorbeeld een rood Coca Cola logo in een urn uit de Han dynastie (3de eeuw voor Christus). Ook liet hij zichzelf fotograferen terwijl hij zo’n antieke vaas expres uit zijn handen liet vallen. Wie wilde hij met zulk iconoclasme nu kwetsen? In zijn boek geeft hij daar geen antwoord op.  

Een aardbeving in Sezechuan, midden-China greep hij aan voor meerdere projecten waarmee hij de overheid bekritiseerde vanwege hun trage hulp, corruptie en het slechte beton dat de instorting van schoolgebouwen veroorzaakte. Hij speurde naar de namen van de omgekomen kinderslachtoffers en eerde ze op een muur. Niet helemaal onterecht informeerden zijn tegenstanders later of hij niet beter had kunnen helpen puinruimen en bloed geven in plaats van erna vanaf de zijlijn kritiek te spuien.  

Onderwijl maakte Ai Weiwei internationaal naam. Het politiek correcte westen koestert graag politieke dwarskoppen. Hij werd uitgenodigd voor deelname aan de toonaangevende Documenta kunstmanifestatie (2007) in Kassel. Men liet hem geheel vrij in wat hij wilde maken. Tijdens een bergwandeling met een bevriende Zwitserse verzamelaar viel hem een idee te binnen. Hij liet een groep gewone Chinezen naar Kassel overvliegen om door hun een constructie te laten bouwen van opeengestapelde, antieke ramen en deuren. Voor een tweede kunstwerk gebruikte hij antieke stoelen. Zo gezegd zo gedaan. De eenvoudige Chinezen logeerden in tenten als katten in een vreemd pakhuis. Al na twee weken stortte het eerste bouwwerk in. Het deerde hem niet. Ai Weiwei had zijn ei gelegd.

Een ei hoort in een nest en dat ontwikkelde hij in 2007 voor een sportstadion voor de Olympische Spelen, zij het onder supervisie van twee echte Zwitserse architecten Herzog en De Meuron. Je vraagt je af waarom hij in dit geval wél aan dit overheidsproject wilde meewerken.

In 2010 volgde een giga-installatie voor de Turbinehal van de Tate in Londen met 100 miljoen beschilderde zonnebloempitten van keramiek, waaraan 1600 uitvoerders in Jingdezehn werkten. Door het belopen van de ‘pitten’ braken ze echter en kwam er giftig silica vrij wat ademhalingsklachten veroorzaakt. De Tate sloot meteen de installatie. Ai Weiwei mocht email-vragen van ‘bezoekers’ te beantwoorden.

In China merkte hij dat de overheid hem sinds de namenwand steeds meer in de gaten hield. Zijn bejaarde ouders, die uiteindelijk een huisje van de overheid hadden gekregen, waarschuwden hem zich te matigen.

81 dagen en een miljoenenboete
In 2011 werd Ai Weiwei met onduidelijke beschuldigingen aangehouden en ingesloten: voor 81 dagen naar later zou blijken. In die maanden moest Weiwei absurde verhoren over zijn levensstijl en zijn kunst ondergaan. Cynisch schrijft Ai Weiwei hoe de nitwits zich daadwerkelijk in zijn werk hadden verdiept maar er niets van konden begrijpen.

De meest indringende pagina’s beslaan het uiterst nauwgezette relaas dat Ai Weiwei van zijn gevangenschap optekende. Bij vrijlating sprak hij zijn belevenissen meteen in om bij het uitschrijven geen detail te vergeten. Met krimpende maag lees je over de totalitaire cultuurhaat zoals die ook de Sovjet-dichter Joseph Brodsky overkwam. https://deleesclubvanalles.nl/recensie/bent-u-bevoegd-als-dichter/
Iedere verworven vrijheid, zeker de artistieke, is verdacht en dient met wortel en tak te worden uitgeroeid. Door zijn internationale status lijkt het dat de Chinese overheid afzag van hechtenis. Daarentegen werd de introverte mensenrechtenactivist Liu Xiabo (Nobelprijs voor de Vrede, 2010) in Chinese gevangenschap medische hulp ontzegd waardoor hij stierf.

Bang om net zoiets te overkomen leek Ai Weiwei niet. Tenslotte werd hem alleen vermeende belastingontduiking ten laste gelegd waarvoor hij een astronomische boete moest betalen. Pas als hij dat voldaan had mocht hij China verlaten. Veiligheidshalve stuurde hij zijn vrouw en hun pasgeboren zoontje Ai Lao [=oud!] vooruit naar Europa. Dankzij een spontane crowdfunding van sympathisanten kon hij de boete, eigenlijk zijn uitreissom, van 9 miljoen Yuan betalen. De vertalers lieten na de omrekening te vermelden: € 1.282.884,23.

Het moet lastig geweest zijn om uit de autobiografie, beurtelings een dor wikipediaans geschiedenisverhaal dan weer een bevlogen persoonlijk relaas, één leesbaar geheel te maken.

Extra praktisch probleem is dat de, via het Engelse overgezette, dubbelzinnige Chinese beeldtaalspelletjes bij uitleg doodslaan. Wél grappig – maar onbedoeld – is een ongelukkige formulering over de net gestorven, geliefde vice-partijleider Zhou En Lai: “[…] het gerucht over de op handen zijnde crematie ging als een lopend vuurtje de stad rond.” 

Permanent verontwaardigd
Na zijn belastingboetebetaling vertrok ook Ai Weiwei definitief naar Europa. Missie: nieuwe misstanden bevechten met zijn beeldend werk, filmdocumentaires en blogs.

In een epiloog beschrijft Ai Weiwei hoe hij met zijn gezin eind 2015 tijdens de vluchtelingencrisis spoorslags naar Lesbos reisde. Niet afgedrukt in de twee beeldkaternen is hoe hij zich, voorover liggend in de branding, net zo liet fotograferen als Alan Kurdi, het daar eerder verdronken jongetje. Tussen de vluchtelingenopvang zette hij een studio op. Hoe integer ben je als kunstenaar dan nog? 

De Duitse cultuurpers benoemde Ai Weiwei’s geborneerdheid en verweet hem dat hij in een eigen documentaire de Duitse vluchtelingenpolitiek als nazipraktijken betitelde. Ai Weiwei hekelde daarop de te nauwe Duits-Chinese zakelijke banden waardoor Duitsland kritiek op mensenrechtenkwesties zou inslikken. Verdere privé-ergernissen in Berlijn deden hem ertoe besluiten zijn zoon Ai Lao naar een Engelse privé-kostschool te sturen en zelf met zijn vrouw in Portugal te gaan wonen.

Hoe dichter je bij het heden komt, hoe sterker je als lezer vermoedt dat de permanent geëngageerd en continu verontwaardigde Ai Weiwei gevoel voor nuance verloor. Anderzijds begrijp je, door deze autobiografie met zijn getroebleerde familieverhaal, zijn niet aflatende missie.

Als vader van Ai Lao, zoon van Ai Qing kan Ai Weiwei gewoon niet anders.

In andere, korte versie verschenen in Museumtijdschrift

Samenvatting

'Een eloquente en onuitwisbare stem van vrijheid' The New York Times

€ 26,99

Verwachte leverdatum: woensdag 01 juni


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789048826537
Verschijningsdatum
oktober 2021
Druk
1
Aantal pagina's
464 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
641: Biografieen van kunstenaars
Thema's
  • Biografie, literatuur en literatuurstudies
  • Biografie en non-fictieproza
  • Memoires
Categorieën

Auteur
Uitgever
Lebowski

Vertaald door
Koos Mebius, Gertie Mulder

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden