Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

15 eeuwen Nederlandse taal

Taal: Nederlands
2 recensies
15 eeuwen Nederlandse taal
15 eeuwen Nederlandse taal
15 eeuwen Nederlandse taal

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Bart Deckx

Nederlands leeft!

De geschiedenis van het Nederlands – de moedertaal van meer dan 25 miljoen mensen – gaat terug tot het Indo-Europees. Na een lange ‘prehistorie van de taal’ ontstonden in de zesde eeuw de eerste Oudnederlandse dialecten die langzaam uitgroeiden tot de moderne standaardtaal. Dat proces wordt door Nicoline van der Sijs met grote eruditie beschreven in 15 eeuwen Nederlandse taal.

[Recensie] In 2005 publiceerde van der Sijs De geschiedenis van het Nederlands in een notendop, waarvan nu een volledig herwerkte en uitgebreide nieuwe versie verschijnt. De rode draad van 15 eeuwen Nederlandse taal? Nederlands leeft! Zoals elke taal bevindt ook het Nederlands zich niet in een vacuüm. Taal is onlosmakelijk verbonden met cultuur, economie, politiek en wetenschap. Het Nederlands is de afgelopen 15 eeuwen fundamenteel veranderd en blijft ook continu veranderen. Langzaam maakte het zich los van het Indo-Europees om via het Germaans uit te groeien tot het Oudnederlands. Uit de achtste eeuw dateert dan ook het oudste bewaarde Nederlandse zinnetje “Maltho thi afrio lito” – “Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije.” – voor moderne lezers quasi onbegrijpelijk. Van de twaalfde tot de zestiende eeuw spreken we van het Middelnederlands. Beide tijdsvakken worden gekenmerkt door een grote variatie in het taalgebruik. Net die variatie zal in de volgende 500 jaar stelselmatig afnemen wanneer de verschillende taalvarianten naar elkaar toe groeien. Pas in de twintigste eeuw is de “geaccepteerde variatie binnen de standaardtaal groter geworden, zowel in de uitspraak als op grammaticaal vlak.”

Het Standaardnederlands is het resultaat van politieke beslissingen in de negentiende en twintigste eeuw, wanneer Vlaanderen en Nederland gingen samenwerken in de Taalunie. Standaardisering van de taal betekent dat een bepaalde variant (vaak het Zuid-Hollands) bevorderd werd in het onderwijs, de media en bij de overheid. Enigszins paradoxaal misschien, maar de standaardtaal zorgde dus voor een afname van de taalvariatie en is eigenlijk een poging om de levende taal in een keurslijf te dwingen. Taalverandering is cruciaal. Taalpuristen krijgen dan ook een stevige veeg uit de pan: “De kracht van een taal is juist dat hij altijd meegroeit en altijd bruikbaar blijft. Er is geen reden om aan te nemen dat een bepaalde historische fase van het Nederlands beter of slechter zou zijn dan een andere. De enige taal die niet verandert, is een dode taal.”

Hoe ziet de toekomst van het Nederlands eruit? Een glazen bol heeft niemand, maar dat het moderne Nederlands verder zal evolueren, spreekt voor zich. De toenemende migratie zal tot taalverandering leiden, maar “de vorm van het moderne Nederlands is voor een groot deel te danken aan migratie en taalcontact. (…) Het Nederlands is al meer dan drie millennia verrijkt door andere talen.” Het Nederlands blijft een krachtige, levende taal.

Nicoline van der Sijs schrijft met kennis van zaken. Alle aspecten van de rijke geschiedenis van het Nederlands worden omstandig toegelicht – etymologie, woordvorming, spelling, klank en uitspraak, zinsbouw et cetera. Helaas wordt het verhaal zo ook erg specialistisch en soms ook opsommend, al is het rijkelijk gestoffeerd met voorbeelden. In die zin is het boek eerder gericht op taalkundigen en niet op het brede publiek, al krijgt de geïnteresseerde leek ook heel wat interessants voor de kiezen, zeker naarmate het boek de moderne tijd nadert.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Marijke Laurense

De taalfout van nu is de regel van straks

Noem het onnozel, maar als je het huis van een hoogleraar historische taalkunde binnenstapt, dan verwacht je toch een aantal afgeladen boekenkasten, met oude, bijzondere banden, waaronder wie weet zelfs een zeldzaam, laatmiddeleeuws handschrift. Maar in de lichte woonkamer van Nicoline van der Sijs is nauwelijks een boek of tijdschrift te bekennen. Zou dus zelfs een bevlogen taalgeleerde thuis behoefte hebben aan een letterloze plek, waar ze even niet aan haar vak wordt herinnerd? Alweer mis. De bronnen waaruit Van der Sijs put, nemen weinig ruimte meer in, die zijn inmiddels gedigitaliseerd. Mede dankzij het vrijwilligerswerk van ook een aantal Trouw-lezers.

[Interview] Raar eigenlijk. Aan de ene kant zijn er steeds minder mensen te porren om Nederlands te gaan studeren; aan de Vrije Universiteit kan dat al niet eens meer, vanwege gebrek aan belangstelling, was het argument. En waar de studie nog wel bestaat, zijn historische vakken als Gotisch en Oud-Germaans allang niet meer verplicht.

Terwijl aan de andere kant het wetenschappelijke onderzoek naar de geschiedenis van onze taal opvallend uitbundig bloeit. En niet alleen onder de onderzoekers zelf; ook een breder publiek verdiept zich graag in “het verhaal van onze taal”, de oorsprong van onze woorden en de vraag of je je nu wel of niet moet opwinden over taalverandering.

Koningin

Dankzij de vlotte toetsenborden van bloggers, columnisten annex taalkundigen als Ton den Boon (Trouw), Ewoud Sanders (NRC) en Marc van Oostendorp (Neerlandistiek) blijven u en ik ook aardig op de hoogte van de laatste stand van taalhistorisch-wetenschappelijke zaken. Maar de koningin van de historische taalkunde en de leesbare boeken daarover is natuurlijk Nicoline van der Sijs, zo blijkt maar weer eens uit haar nieuwste boek, 15 eeuwen Nederlandse taal. Daarin geeft ze een zo goed als compleet overzicht van wat er sinds de prehistorie zoal gebeurd is met de klanken, woordvorming en later ook spelling en zinsbouw van onze taal.

Waarom zit het onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlands op dit moment zo in de lift?

“Dat het onderzoek naar het verleden van de taal nu zo toeneemt, komt omdat er steeds meer oude teksten gedigitaliseerd worden en je de veranderingen in de taal via zoekmachines zo veel beter kunt onderzoeken. Vroeger was dat Fingerspitzengefühl: je vergeleek een paar stukjes tekst en dan zag je: hé, er is iets veranderd! Het is niet dat ze er toen naast zaten, maar nu kunnen we veel beter zien waar een bepaalde taalverandering is begonnen. Was dat bijvoorbeeld in laaggeletterde brieven of juist in kranten?

Hoewel we nog maar in het begin van dit soort onderzoek zitten, wordt nu al steeds duidelijker hoe belangrijk taalcontact en migratie zijn voor taalverandering. We begrijpen de lange lijn nu beter, van hoe een synthetische taal, een taal met veel naamvallen en vervoegingen, overgaat naar een analytische, omschrijvende taal. Dat is echt een gevolg van migratie: in een kleine, gesloten samenleving houden naamvallen en vervoegingen veel langer stand omdat kinderen die makkelijk kunnen leren. Als je als volwassene een tweede taal moet leren, heb je veel meer moeite met bijvoorbeeld het verschil tussen ‘de’ en ‘het’. Terwijl een grote, geografisch verbreide samenleving met veel verschillende talen, dialecten en contacten met de buitenwereld ertoe neigt om de taal voor iedereen gemakkelijker te maken, door bijvoorbeeld omschrijvingen en hulpwerkwoorden te gaan gebruiken in plaats van lastig te leren verbuigingen en vervoegingen.”

Misschien wat kort door de bocht, maar het Nederlands is dus opener dan bijvoorbeeld het Duits met zijn meerdere naamvallen?

“Ja! En het Engels nog meer! Wij hebben twee bepaalde lidwoorden, de en het, terwijl het Engels en het Afrikaans er nog maar één hebben; ook het etnische Nederlands neigt naar alleen maar ‘de’, denk aan ‘de meisje’. Het Duits kent er drie, maar het Nederduits heeft alweer minder naamvallen dan het gestandaardiseerde Hoogduits.”

Dat brengt me op uw nog altijd verrassende conclusie dat de Statenvertaling van de Bijbel uit 1637 nauwelijks invloed heeft gehad op het ontstaan van het Standaardnederlands. Hoe zit dat?

“Er wordt inderdaad vaak beweerd dat de Statenvertaling daar ontzettend belangrijk voor is geweest. Om dat goed te kunnen onderzoeken moet je je teksten natuurlijk wel digitaal hebben. Daarvoor hebben meer dan driehonderd vrijwilligers de Statenvertaling en negen andere Bijbels uit die tijd zitten intikken. Plus alle 17e eeuwse kranten, dat waren achttien miljoen woorden.

De vertalers van de Statenvertaling kregen de opdracht: neem alles over wat goed is aan de Liesveltbijbel (uit 1542) en de Deux-Aesbijbel (uit 1562). Het gevolg was dat de Statenvertaling over het algemeen heel archaïsch is; ze verkozen allerlei taalverschijnselen die toen al ouderwets waren. In het Hollands uit de 17e eeuw bijvoorbeeld was het al standaard om zinnen te ontkennen met het enkele woord ‘niet’: ‘Hij deed het niet’. Terwijl de Statenvertaling nog tot de Napoleontische tijd consequent de verouderde 16e eeuwse, tweeledige ontkenning gebruikt: ‘Hij EN deed het NIET’. De Statenvertaling heeft wel veel spreekwoorden heel bekend gemaakt, hoewel die meestal ook al in die eerdere Bijbelvertalingen stonden. Maar voor de standaardisering van de Nederlandse spelling en grammatica is de Statenvertaling helemaal niet zo belangrijk geweest.”

U stelt in uw boek dat veel van die gestandaardiseerde regels nogal toevallig tot stand zijn gekomen.

“Het is inderdaad heel leuk om te zien hoe het ging toen er in de 17e eeuw behoefte kwam aan een gelijkvormige spelling. Zo werd het ‘land’ met een d vanwege het meervoud ‘landen’. Maar hoe moest het met werkwoorden? De een zei: hij speeld met een d vanwege hij speelde. Had gekund. Een ander zei: hij eett met dubbel-t vanwege stam plus t. Of gevoedt met dt vanwege hij voedt. Men was het eens over het principe van een gelijkvormige spelling, maar de uitvoering kon nog alle kanten op. En dat het geworden is zoals het nu is, is in zekere zin volledig toevallig. Al schrijven we vreemd genoeg ‘geweest’ nog steeds met een t, hoewel dat volgens ‘t kofschip met een d zou moeten, net als in ‘gevreesd’. Grappig, hè?”

Als het zo toevallig is, waarom maken zo veel mensen zich dan zo druk over ‘groter als’ en ‘hun lopen’?

“Dat is wel logisch. Ten eerste is wat je in je jeugd leert, altijd waar. Bovendien heb je er moeite voor moeten doen, dus dan wil je het zo houden. Verder zit het in de mens om te vinden dat het vroeger beter was, dat zeiden de Romeinen ook al. En het bewijst dat er nog steeds veel belang aan de standaardtaal wordt gehecht; zelfs op Twitter zie je dat mensen elkaar corrigeren, zij het vaak met een grapje. Maar taal verandert altijd, ook waar je bij staat, dat is een natuurlijk verschijnsel. Sommigen noemen dat verloedering, maar dat is onzin: alleen een dode taal verandert niet.”

Toch maak ook ik me wel eens zorgen over het oprukkende Engels. Aan de universiteiten wordt het Engels steeds vaker de voertaal, in de horeca kun je soms niet meer met Nederlands terecht… Ik begrijp dat u daar niet zo’n moeite mee heeft?

“Het ligt voor de hand dat je in een internationaal gezelschap een taal kiest die je allemaal spreekt. Dat er aan de universiteit Engels gesproken wordt, vind ik niet gek, maar we moeten er ook Nederlands blijven spreken, naast trouwens Frans en Duits. Meertaligheid is goed, zeker op de universiteit. Tegen Engelstalige masterstudies heb ik niet zo’n bezwaar: die leiden op voor de Engelstalige academische wereld en daarbij hoort goed Engels leren spreken. Maar we moeten niet doorslaan en kinderen al op de kleuterschool Engels gaan leren omdat ze alleen dan naar de universiteit kunnen.

Er wordt verder van alles geroepen over Engelse leenwoorden, maar er wordt zelden onderzocht hoe het echt zit. Daarvoor hebben we een leenwoordenteller gemaakt, een computerapplicatie die het aantal Engelse, Franse, Duitse enzovoort woorden in teksten telt. We hebben daarmee een krantencorpus van een miljoen woorden uit 1950 en uit 2002 met elkaar vergeleken. Daaruit bleek dat maar 9 tot 10% van die woorden leenwoorden zijn, waarbij we ook heel oude leenwoorden uit het Latijn hebben meegeteld, zoals ‘kamer’, ‘kaas’ en ‘boter’. Van die 10% komt nog altijd ongeveer de helft uit het Frans; het Engels kwam in 1950 uit op zo’n 7% en in 2002 op 12% daarvan, slechts een fractie meer dus. Bovendien blijkt uit ander onderzoek dat een groot deel van die Engelse leenwoorden na verloop van 20 tot 30 jaar alweer verdwenen is. Het valt kortom wel mee met de invloed van het Engels op het Nederlands.”

Als wetenschapper beschrijft, verklaart en relativeert u taalveranderingen en onze ideeën over goed en fout taalgebruik. Toch houdt u zich in uw boek keurig aan alle huidige regeltjes, hoe arbitrair, kunstmatig en belachelijk u ze soms ook vindt. En ik toch neem aan dat u ook nog wel eens met een rode pen door de stukken van uw studenten gaat…

“De scriptie van een student moet natuurlijk wel voldoen aan de taaleisen daarvoor. Ik ben een voorstander van een standaardtaal, het is heel handig om die norm te hebben en daar houd ik me aan. Hoe die eruit ziet, is een tweede; luister maar eens naar het verschil tussen de huidige standaardtaal en die uit de jaren ’30. We accepteren nu veel meer variatie, je hoeft nu niet iedereen voortdurend af te rekenen op een afwijking van de standaardtaal. In Vlaanderen en Suriname maakt de taal ook een eigen ontwikkeling door en kijkt men niet meer alleen naar hoe ze het in de Randstad doen. Dat lijkt mij heel gezond.”

Tot slot: zijn er ook taalfouten waar u zich aan ergert?

“Nee, ik vind ze alleen maar interessant. Taalfouten zijn gewoon veranderingen; wat nu een taalfout is, kan straks de regel worden. De taalfout van nu is de taal van de toekomst.”

Eerder verschenen in Trouw en op Marijke Laurense

Samenvatting

Hoe ontstond het Nederlands uit het Indo-Europees? Hoe belangrijk was het contact met sprekers van andere talen, dialecten of groepstalen? Waarom leren we op school dat hij vindt met dt moet, maar ik vind met een d? 15 eeuwen Nederlandse taal beschrijft de evolutie van de Nederlandse taal. Ieder hoofdstuk begint met een korte beschrijving

van de taalcontacten in een bepaalde periode en de belangrijkste maatschappelijke veranderingen in die tijd. Daarna

lezen we hoe klanken, vormen, woordvormingen en zinsbouw hierdoor zijn beïnvloed. Eén ding is duidelijk: het Nederlands

heeft altijd opengestaan voor invloeden van buiten; migratie en taalcontact zijn drijvende factoren voor taalverandering.

Nicoline van der Sijs is senior-onderzoeker aan het Instituut voor de Nederlandse Taal en hoogleraar historische taalkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij publiceerde onder meer het Van Dale Groot Leenwoordenboek, Taal als mensenwerk en Nederlandse woorden wereldwijd. Ze is oprichter van etymologiebank.nl en vaste medewerker van Onze Taal.

Toon meer Toon minder
€ 22,50

Verwachte leverdatum: woensdag 02 december


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789056155346
Verschijningsdatum
november 2019
Druk
1
Aantal pagina's
256 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
616: Taalkunde
Categorieën

Uitgever
Sterck & De Vreese

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen