Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Wat de lezer leert

Filosofen over het nut van literatuur

Auteur(s): Leen Verheyen
Taal: Nederlands
2 recensies
Wat de lezer leert
Wat de lezer leert

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Thomas Heij

[Recensie] Word je van lezen een beter mens? Heeft literatuur lezen nut? En wat is literatuur eigenlijk? Er komt een moment dat iedere serieuze lezer zich die vragen stelt. Het zijn nogal grote, veelomvattende vragen waar je een heel leven over kunt nadenken en schrijven. Bovendien hebben al vele grote filosofen en critici dat door de eeuwen ook daadwerkelijk gedaan. Het getuigt dus van lef dat de Vlaamse filosoof Leen Verheyen deze vragen onbezorgd oppakt en adresseert in niet meer dan zestig pagina’s.

Het resultaat, Wat de lezer leert. Filosofen over het nut van literatuur, is gezien de omvang natuurlijk geen alomvattend exposé of een diepgravende studie. Wel is het een heel helder, toegankelijk essay dat de lezer op weg helpt bij het nadenken over literatuur.

Als we iets literatuur noemen, spreekt daar een waardeoordeel uit: we vinden het kunst. Onder literatuur schaart Verheyen teksten die je niet leest om er alleen informatie uit te halen, maar die je leest met aandacht voor de vorm. Bovendien bepaalt die vorm, bijvoorbeeld het vertelperspectief, vaak welke informatie we te lezen krijgen. Bij literatuur is er dus sprake van een zekere ondoorzichtigheid, van opaciteit – een term die Verheyen ontleent aan filosoof Peter Lamarque.

Het nut van literatuur

Bij non-fictie is er duidelijk wat te leren, maar hoe zit dat met fictie en literatuur? Verheyen schetst de opties: ofwel literatuur heeft een bepaald nut, zoals Aristoteles en christelijke denkers dachten; ofwel literatuur heeft geen nut, zoals Gerard Reve en Oscar Wilde dachten. Van de laatste citeert Verheyen deze mooie spreuk uit het voorwoord van The Picture of Dorian Gray: “Er bestaat niet zoiets als een moreel of een immoreel boek. Boeken zijn goed geschreven of slecht geschreven. Dat is alles.”

Als literatuur geen nut heeft, is het lezen van literatuur volgens Verheyen niet meer dan ontspanning, plezier of een esthetische ervaring. De lezer leert dan verder niets. Toch hebben we het gevoel dat er bij literatuur meer aan de hand is.

Bekend is het idee dat literatuur ons empathisch zou maken. Dat gebeurt dan doordat we tijdens het lezen afstand nemen van onszelf en ons inleven in anderen via verschillende personages. Dat betoogt filosoof Martha Nussbaum bijvoorbeeld. Het is ook de vooronderstelling van de rechters die veroordeelden verplichtten om bepaalde literaire werken te lezen.

Inleven in een insect

Verheyen wijst op enkele problemen die bij deze benadering komen kijken. Inleven in een ander zouden we evengoed kunnen leren uit non-fictie, een biografie bijvoorbeeld. En leren we uit romans wel echt iets over de werkelijkheid?

In Kafka’s De gedaanteverwisseling verandert de hoofdpersoon in een insect, maar, vraagt Verheyen retorisch, “kun je zeggen dat je door het lezen van die roman relevante kennis hebt opgedaan over hoe het is om op een ochtend te ontwaken in de huid van een reusachtige kever?”

Bij realistische romans zijn we geneigd te denken dat je wel degelijk iets leert over de werkelijkheid. Bij modernistische romans als die van Kafka, die welbewust het realisme in de roman ondergraven, is dat echter problematisch. In die werken lijkt het te draaien om de vorm, die voorrang krijgt boven een eventuele morele boodschap.

De kracht van literaire fictie

Maar juist hier toont zich de kracht van literaire fictie, stelt Verheyen in navolging van Paul Ricoeur. Literaire fictie zegt ons namelijk iets over de werkelijkheid op een indirecte, metaforische manier. Aangezien een eenduidige boodschap en een duidelijke relatie tot de werkelijkheid in fictie op losse schroeven staat, zal de lezer van literatuur altijd moeten interpreteren en aanvullen.

Omgekeerd zwengelt dit interpreteren en reflecteren ook zelfreflectie aan en kan literatuur lezen je eigen referentiekader verbreden en woordenschat vergroten.

Dit hele proces is waar literatuur lezen volgens Verheyen om draait: het zet je op een specifieke manier aan het denken. Zo laat ze, aan de hand van Ricoeur en Hannah Arendt, overtuigend zien wat de filosofische waarde van het lezen van literatuur is.

Verheyen vergeet alleen de laatste stap te zetten en haar eerste vraag te beantwoorden. Het zet ons aan het denken, maar maakt literatuur lezen ons nou betere mensen? Niet per se. Literatuurcriticus George Steiner wijst er bijvoorbeeld voortdurend op dat in Weimar de achtertuin van Goethe grensde aan Buchenwald. Met andere woorden: als literatuur lezen ons betere mensen maakt, hoe konden nazi’s met een grote liefde voor literatuur dan tegelijk de grootste beulen en misdadigers zijn? Kennelijk hielp lezen bij hen niet. Ook op deze vraag hebben verschillende filosofen en critici antwoorden geformuleerd. Misschien voert dat te ver voor dit boek, maar zo is de cirkel nog niet helemaal rond.

Wat de lezer leert geeft evengoed een beknopt en duidelijk overzicht van het denken over literatuur. Daarmee is het zelf een leerzaam boek dat beslist aanzet tot lezen, interpreteren en nadenken en dat smaakt naar meer.

Eerder verschenen op Nexus Leestafel en op Thomas Heij

Recensie door: Merel Aalders

Word je van lezen een beter mens?

[Recensie] In Wat de lezer leert onderzoekt filosofe en schrijfster Leen Verheyen wat filosofen over het nut van literatuur te zeggen hebben. Word je van lezen een beter mens?

De vraag naar het nut van literatuur wordt doorgaans op twee manieren beantwoord. Ten eerste kan er gezegd worden dat literatuur helemaal geen nut hoeft te hebben, of in ieder geval geen extern nut. L’art pour l’art. Aan de andere kant bestaat er het idee dat literatuur wel degelijk nut moet hebben, bijvoorbeeld voor de maatschappij, zodat ze geëngageerd is. Aristoteles is een van de eersten die constateerde dat een theaterstuk positieve effecten moest hebben: het moest zuiverend zijn voor de emoties, catharsis opwekken. Maar later vonden schrijvers als Oscar Wilde weer dat men moest ophouden dingen buiten de tekst te zoeken. Alsof literatuur enkel een middel zou zijn, en niet een doel op zi

Voorzichtig mengt ook de Vlaamse Leen Verheyen zich in de discussie. Daarbij wil ze vooral stilstaan bij de esthetische waarde van literatuur. Voor bepleiters van literaire autonomie is esthetiek het uitgangspunt: dat literatuur mooi is, is belangrijker dan dat ze nuttig is. Maar ook degenen die wél vinden dat lezen nut zou moeten hebben, en dus dat literatuur ‘ethische’ gevolgen heeft, hebben esthetiek nodig, betoogt Verheyen. Ethiek en esthetiek sluiten elkaar niet uit. De esthetische waarde van een roman zorgt er namelijk júist voor dat je er iets van kunt leren.

Verbeelding
Volgens Verheyen moeten we ons eerst het volgende afvragen: “Wat voor een ‘soort’ kennis levert het lezen van een boek op?” Bij het begrip ‘kennis’ denk je al snel aan natuurwetenschappelijke zaken als objectief verkregen data en controleerbare wetten. Maar daarmee kom je, als je over de ethiek van literatuur wil praten, niet erg ver. Het wetenschappelijke concept van waarheid gaat om ‘ware proposities’, zoals “de kat zit op de mat”. Om te weten of dat waar is hoef je alleen maar waar te nemen. Maar vergelijk dat eens met een zin als: “gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier”, een zin die een beroep doet op de menselijke conditie. Hoe test je of die waar is?

Eigenlijk verlangt literatuur een nieuwe definitie van kennis, die voorbij ware proposities gaat. Dan kunnen we zeggen dat literatuur ‘naar waarheid leidt’. Dat kan op verschillende manieren. Verheyen bespreekt kort de filosofe Martha Nussbaum en haar idee van ‘narratieve verbeelding’: door te lezen kun je je inleven in anderen. Het maakt je meer empathisch, en het zorgt ervoor dat je je perspectief op jezelf en op de wereld steeds weer bij kunt schaven. Op dezelfde manier verrijkt literatuur je conceptuele kader: je krijgt steeds nieuwe perspectieven aangereikt op bijvoorbeeld liefde, vriendschap of vrijheid.

Maar of en hoe dit precies gebeurt, ligt toch aan de lezer zelf. Iemand kan een verhaal ook zelfbevestigend interpreteren. Waarschijnlijk doen we dat allemaal tot op zekere hoogte. Je hebt dan alleen maar oog voor wat je toch al vermoedde, en je leeservaring bevestigt de denkbeelden die je al had. De meerwaarde van literatuur hangt dus af van zowel de tekst als degene die ‘m leest.

Laagjes en ruimte
Wat volgens Verheyen een essentiële eigenschap van literatuur is, is dat zij ‘open’ is, wat betekent dat ze ruimte geeft aan veel verschillende interpretaties. Dat zie je bijvoorbeeld bij het werk van Kafka, waarbij een hoofdpersoon bijvoorbeeld wakker wordt als insect, of vastzit in een proces waarbij hij niet weet waarvan hij beschuldigd wordt. De vraag wat er nou precies met zo’n verhaal bedoeld wordt, kan op vele manieren beantwoord worden. “Kafka’s werken kunnen in die zin beschouwd worden als het toonbeeld van iets wat eigen is aan literaire fictie,” zegt Verheyen. “Door de literaire conventies los te laten en te experimenteren met de vorm van de roman, komt de vraag naar de betekenis van een literair werk nog sterker opzetten. Juist omdat die betekenis niet zomaar gegeven is, kan een literair werk ons aan het denken zetten.”

Ethiek en esthetiek raken zo met elkaar verstrengeld, zegt Verheyen: de esthetische ervaring waarbij we onze verbeelding aan het werk zetten en ons best doen om tot een interpretatie te komen, zorgt ervoor dat we gaan reflecteren op het ethisch handelen van onszelf en anderen. Het idee dat ethiek en esthetiek met elkaar verstrengeld zijn, komt van Paul Ricoeur, de belangrijkste filosoof in dit essay. Volgens Ricoeur geeft literatuur geen directe verwijzingen naar de werkelijkheid, maar kan ze wel degelijk indirect iets zeggen. Dit noemt hij ‘metaforische referentie’: hetgeen “ons in staat stelt over onze existentiële ervaringen te praten op een manier die onmogelijk is binnen de beperkingen van rationeel-wetenschappelijke beschrijvingen”. We hebben het dus over een uniek soort kennis, dat tot stand komt door middel van de verbeelding. Het geeft, meer dan de ware propositie, aanzet tot het nadenken over onszelf en de wereld waartoe we ons verhouden.

Roman Ingarden is hierbij een andere belangrijke naam. Deze fenomenoloog constateerde dat literatuur uit vele verschillende laagjes bestaat. “Zo spelen bijvoorbeeld zowel de klank van de woorden, als de betekenissen die de woorden en de combinaties daarvan oproepen, allemaal een rol”, zegt Verheyen. Een lezer krijgt als het ware alleen een ‘schema’ van personages en gebeurtenissen, en moet met de verbeelding veel zelf invullen. Niet alleen weglatingen van het plot, maar ook metaforen en ideeën vervolledigt de lezer zelf.

Behoefte aan betekenis
Als lezer moet je dus wel een beetje moeite doen. Onze verbeelding krijg te maken met allerlei verschillende laagjes, en we moeten zelf een interpretatie vormen. Dat cognitieve effect van literatuur heeft volgens Verheyen ethische gevolgen: door te reflecteren op onszelf en de wereld heroverwegen we bijvoorbeeld misschien wel bepaalde keuzes. Op die manier lost Verheyen de autonomie/engagement-tweedeling op: juist de esthetische aspecten van literatuur die haar autonoom maken, zorgen voor verandering in de werkelijkheid.

Een belangrijk verschil dat Verheyen nog wil aankaarten, is dat tussen waarheid en betekenis. Zo kan het interpreteren van een literair werk gezien worden zoals Hannah Arendt denken zag. Volgens haar is ‘denken’ namelijk niet uit op waarheid: “Waarheid is het resultaat van onze drang om te ‘weten’. Die drang om te weten moet je onderscheiden van de behoefte om te denken. Wat het denken doet, is het stichten van betekenis. Onze behoefte om te denken komt voort uit het feit dat de loutere ervaring van de werkelijkheid geen betekenis of samenhang kan bieden. Het is pas door te denken dat je betekenis kunt geven aan wat je ervaart.” Literatuur interpreteren is een vergelijkbaar proces dat geen platte, onomwonden waarheid genereert, maar wel beantwoordt aan onze onuitputtelijke behoefte aan betekenis.

Verheyens essay is zeer beknopt en toegankelijk. Toch ontstijgt ze op dat kleine aantal pagina’s de vastgeroeste discussie van autonomie versus engagement (of elitarisme versus activisme). Een verademing vergeleken bij het ‘literaire klimaat’ anno nu, zou je bijna zeggen. Wel rest mij de vraag of het effect van literatuur lezen nou zozeer ‘ethisch’ genoemd moet worden. Worden we betere mensen van lezen? Dat zou ik nog steeds niet willen beweren. Dat we door literatuur te lezen een beetje ‘andere’ mensen worden, met een rijker conceptueel kader en beter ontwikkeld talig vermogen bijvoorbeeld, lijkt me al heel wat.

Door aan te duiden dat literatuur de behoefte aan betekenis beantwoordt en dat de esthetische ervaring daarbij onmisbaar is, maakt dit essay voor mij twee andere belangrijke punten. Ten eerste dat er zich onder onze neuzen een fantastisch medicijn bevindt tegen de betekenisloosheid die we allen zo krampachtig bevechten: al die prachtige boeken die al geschreven zijn. Ten tweede dat wie wil dat dit medicijn gemaakt blijft worden, de essentiële kwaliteiten ervan (de laagjes en de ruimte) moet erkennen. Maar dat is maar hoe ik het interpreteer.

Eerder verschenen op iFilosofie

€ 12,50

Verwachte leverdatum: donderdag 22 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789082894226
Verschijningsdatum
september 2019
Druk
1
Aantal pagina's
64 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
730: Filosofie algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Epo, Uitgeverij

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen