Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

De meeste mensen deugen

Een nieuwe geschiedenis van de mens

Auteur(s): Rutger Bregman
Taal: Nederlands
0,16666666666667/5
4 recensies
De meeste mensen deugen
De meeste mensen deugen
De meeste mensen deugen

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door: Twan van Lieshout

Naar een kantelend mensbeeld

[Recensie] “Een nieuwe geschiedenis van de mens”, niets minder belooft historicus Rutger Bregman in de ondertitel van zijn nieuwste boek De meeste mensen deugen. Bregman, toch al niet bang om ergens een grote klap op te geven, getuige eerdere boeken als Gratis geld voor iedereen, of zijn optreden in Davos, waar hij alle rijken vertelde dat ze beter kunnen stoppen met charity en gewoon belasting moeten gaan betalen. In De meeste mensen deugen gaat daar nog een schepje bovenop, door te veronderstellen dat hij een compleet nieuw mensbeeld gaat scheppen. Een prettige, on-Nederlandse ambitie, die alleen daarom al te prijzen valt. Blijft hij overeind?

Beschaving

Ja en nee. Om met het positieve te starten: Bregmans scope rijkt ver. Niets wordt uit de weg gegaan – van sociale psychologie en criminologie, tot archeologie en geschiedenis. Bregmans betoog, niet geheel verrassend met deze titel, is dat in een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek en in de samenleving in het algemeen een verkeerd beeld is neergezet. Zodra het zogenaamde vernislaagje beschaving is losgelaten, zouden mensen niet te vertrouwen zijn, en veranderen in agressievelingen in een samenleving waarin iedereen elkaar bedriegt, bedreigt, besteelt en vermoordt. Dit beeld kantelt wanneer je dieper de wetenschap induikt, betoogt Bregman. Want vele verschillende studies, van het gedrag van niet schietende soldaten, copulerende primaten, tot aan psychologische experimenten: de mens deugt juist wél en wil van nature de ander graag helpen.

Om dit aan te tonen komt Bregman met een keur aan voorbeelden, sommige bekend (de verbroedering tussen frontsoldaten in de Eerste Wereldoorlog tijdens Kerstnacht), andere op basis van eigen onderzoek. In die laatste categorie zitten prachtige nieuwe casussen, bijvoorbeeld het waargebeurde verhaal van een groepje kinderen uit het Pacifische eilandje Tonga dat op een dag schipbreuk lijdt. In tegenstelling tot William Goldings klassieker Lord of the Flies, blijken de kinderen op basis van samenwerking en vriendschap het anderhalf jaar op een onbewoond eiland vol te houden. Bregman ontkracht in het boek meer mythes, waaronder de beroemde Amerikaanse psychologische experimenten zoals het Stanford-experiment, waarin een gevangeniscultuur wordt nagebootst. Ook hier is de conclusie: mensen blijken te vertrouwen. Zolang het experiment niet verstoord wordt, blijken mensen graag samen te werken.

Empathie

Het leidt tot een interessante en hoopgevende conclusie: onze systemen, nu ingericht op bestraffing (gevangenissen) en wantrouwen (uitkeringen) moeten we drastisch hervormen. Empathie, vertrouwen en het in contact brengen van mensen, moeten centraal staan. Want systemen reproduceren zich, aldus Bregman, waardoor sympathieke systemen sympathieke mensen voort zullen brengen. Het boek sluit af met een aantal leefregels die de lessen van het boek nog eens resumeren, waarvan de sterkste is dat het idee dat de meeste mensen deugen – wat velen van ons in het dagelijkse leven toch vaak zullen meemaken – het nieuwe realisme is, en niet het gejammer van rechts-libertaire praatjesmakers die ieder sociaal beleid in de hoek willen drukken als ´onrealistisch´.

‘Homo puppy

Kortom, Bregman heeft inhoudelijk een interessante boodschap te vertellen, die absoluut het lezen waard is. Maar dan moet je wel het boek kunnen doorkomen. En dat valt niet altijd mee. Dat ligt voornamelijk aan Bregmans stijl en manier van argumenteren. Het is overduidelijk dat Bregman vlot kan schrijven. Misschien iets te vlot, wat al op andere plekken tot kritiek leidde: ultrakorte zinnen, een Amerikaans aandoende stijl en veel nadruk op zijn eigen persoon als hoofdpersonage die op onderzoek uitgaat, zichzelf verrast en overtuigt. Bregman lijkt de lezer daarmee niet echt serieus te nemen, en denkt hem wel erg aan het handje te moeten nemen. Zelf werd ik al na drie keer allergisch voor het woordje ‘homo puppy’ (de wél samenwerkende, aardige mens), dat daarna nog 40 keer zou volgen.

Vervelender zijn echter de inmiddels wel klassieke Correspondent-stromannen. Bregman tuigt een voor de lezer nog onbekende maar machtige vijand op, kent deze een haast absoluut intellectueel gewicht toe dat de wereld altijd klakkeloos heeft geaccepteerd, totdat ridder Bregman de lezer redt en de stropop overtuigend omverrijdt (overigens vaak met de lans van andere wetenschappers). Zo zou de moord in New York op ene Kitty Genovese, waarbij vele ooggetuigen niets deden, wereldnieuws zijn geweest, en het boek van journalist Malcolm Gladwell hierover een soort autoriteit in de psychologie. Later blijkt het allemaal niet waar te zijn geweest – ´schokkend´, aldus Bregman, die de lezer ook nog een leesinstructie mee wil geven. Pagina´s lang gaat Bregman hierop door, om vervolgens te concluderen dat het negatieve mensbeeld in de krant moest vanwege het opkrikken van de oplage. Het is allemaal leuk speurwerk, maar het is allemaal zeer de vraag waarom dit nu precies zo essentieel is. Want noch de ontmaskering van dit verhaal over Kitty Genovese, noch die van de Amerikaanse psychologische experimenten geven een antwoord op de door Bregman zelf opgeworpen vraag hoe de Holocaust heeft kunnen ontstaan. De bewijslast wordt zodoende overal wat dun.

Burgeroorlog

Daarnaast selecteert Bregman wel erg opzichtig vooral het bewijs dat hem uitkomt of wat hij later kan ontmaskeren. Zo voert hij bijvoorbeeld George Orwell op, die in de Spaanse burgeroorlog meevecht. Orwell beschrijft dat de meeste soldaten elkaar willen missen tijdens de vuurgevechten. Zie je, stelt Bregman, weer een bewijs dat mensen elkaar niets aan willen doen. Nu is de (Spaanse) burgeroorlog bij uitstek een interessante casus voor Bregmans stelling. Want een burgeroorlog, daar valt inderdaad het vernislaagje orde en gezag weg. En wat gebeurt er dan? In plaats van het rustige Aragon-front van Orwell te beschrijven, had Bregman beter eens kunnen inzoomen op een voor zijn theorie Popperiaanse zwarte zwaan. Bijvoorbeeld de massale moordpartijen die zich direct na het uitbreken van de nationalistische opstand aan beide zijden voltrekken. Zowel door leger en milities, als tegen uitdrukkelijk bevel van autoriteiten werden zowel oude persoonlijke vetes als ideologische twistpunten opgelost door de limpieza (‘de schoonmaak’), moordpartijen op ongekende schaal. Zoals een militielid later herinnerde: ‘noch ik, noch iemand die ik kende, noch de leiders, deden iets om de moorden en de brandstichtingen te verhinderen. Zwijgen, voorzichtigheid of onverschilligheid was de algemene houding (…)’[i]. Dit soort tegenbewijs is niet te vinden in het boek van Bregman. Bregman shopt naar het hem uitkomt in historische bewijslast, en dat maakt dat je het als lezer soms niet meer helemaal vertrouwt.

Zodoende is De meeste mensen deugen enerzijds een absolute aanrader. De ambitie om op een holistische manier het nog immer actuele neoliberale discours (dat ieder mens een nietsontziende egoïst is) aan te vallen, is zeker te prijzen. Bregman komt met veel aardige anekdotes en heeft behoorlijk wat bewijs bijeen weten te sprokkelen om op zijn minst de meest standvastigen toch te doen twijfelen. Anderzijds zou het prettig zijn als zijn volgende boek de stromannen thuis laat en de auteur beseft dat zijn lezerspubliek ook voorkennis en intellectuele bagage kan hebben. Concluderend: ondanks de vermoeiende stijl schraagt De meeste mensen deugen het denken over mensbeelden, en de relevante vraag “is de mens van nature goed of kwaad”. En aangezien dit de missie van Bregman was, is het zodoende een geslaagd boek geworden. 

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

  1. Zie Hugh Thomas, De Spaanse Burgeroorlog, AMBO Anthos Uitgevers Amsterdam, 2006, p. 198-213, citaat p. 212.

Recensie door: Nico Voskamp
4/5

Homo homini ovis

[Recensie] Het is een niet gering statement dat Rutger Bregman hier maakt, een donderslag bij heldere hemel, een enorme steen van grote hoogte in een rimpelloze vijver: de meeste mensen zijn moreel oké.

Dus mensen deugen. Bij het verwerken van die stelling popt veel beeld en geluid op. Bijbelse taferelen van gekruisigde misdadigers; Romeinse legerleiders die meedogenloos volkeren afslachten; Atilla de Hun die hetzelfde deed; Monty Pythons ‘no one expects the Spanish Inquisition’; de 1e, 2e en 3e (of is die nog niet geweest?) Wereldoorlog; Pol Pot, Ted Bundy, Stalin. Die mensen zouden wel in orde zijn?

Bregman gaat al die donkere episoden en de figuren die ze veroorzaken virtueel langs, op zoek naar tegenvoorbeelden. Dat is in essentie wat hij doet: het bekijken van een vaststelling, onderzoeken hoe en waarom die vaststelling tot stand kwam, en het tegendeel bewijzen. Met de vasthoudendheid van een hongerige tijger bijt hij zich vast in de materie en het resultaat is op zijn minst onverwacht.

Zo bekijkt hij psychologische experimenten die in de loop van de geschiedenis zijn gehouden, die allemaal concluderen dat mensen ten opzichte van elkaar roofdieren zijn. Het beruchte experiment in de kelder van de Universiteit van Stanford voorop. Daar werd een groep willekeurige mensen verdeeld in bewakers en gevangenen, welke machtsverdeling door de bewakers werd misbruikt door de gevangenen te kleineren. Het is inmiddels breder bekend geworden dat de leider van dat experiment de resultaten naar zijn hand zette. En belangrijker: dat de deelnemers helemaal geen zin hadden in die scheve machtsverdeling. Punt voor Bregman.

Idem bij Stanley Milgram en de schokmachine. Ook zo’n oude bekende: vrijwilligers mochten mensen aan de andere kant van de lijn elektrische schokken geven. De vrijwilligers konden de mensen aan de andere kant niet zien, alleen horen. Dat de toedieners van de schokken steeds verder gingen, ook al werden de pijnkreten aan de andere kant alarmerend, is inmiddels ook achterhaald. De opsteller van het experiment had de feiten niet helemaal juist weergegeven.

Dit is allemaal nog verklaarbaar. Maar het serieuze werk begint bij het hoofdstuk: “Hoe verklaar je Auschwitz?”

De vraag stellen is hem beantwoorden. Als er één schrijnend voorbeeld is van misdaden tegen de menselijkheid, zijn het wel de concentratiekampen van de Nazi’s. Daarnaast blonk het Duitse leger uit in oorlogsvoering. Waren de Duitsers zo verdorven en gek op vechten? Kun je dat verklaren?

Een voorbeeld uit het boek. De jonge psycholoog Morris Janonitz kreeg de taak het moreel van de Duitsers te onderzoeken.

“Al sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog waren de meeste psychologen ervan overtuigd dat één factor de gevechtskracht van een leger het sterkst bepaalt: ideologie… De Duitsers moesten volgens de experts wel bezeten zijn… Dat zou ook verklaren waarom ze veel harder vochten dan de Britten en de Amerikanen. Historici stelden na de oorlog vast dat een gemiddelde soldaat van de Wehrmacht 50 procent meer slachtoffers maakte dan een soldaat van de geallieerden….

Wekenlang interviewde de jonge Morris de ene na de andere Duitse krijgsgevangene… Nee, ze waren niet gehersenspoeld. Uiteindelijk was er een veel eenvoudiger reden, vertelden ze, een simpele verklaring voor de bijna bovenmenselijke prestaties van het Duitse leger.

Kameradschaft.
Vriendschap.

Uiteindelijk vochten ze voor hun makkers, die ze niet in de steek wilden laten.” 

De Duitsers waren dus niet zozeer monsters als wel goede vrienden van elkaar. Dat verklaart Auschwitz voor een deel, maar niet helemaal. Toevallig zat Bregman niet lang geleden in een talkshow en werd gevraagd of hij zelf de mensheid positief bekijkt.  “Eigenlijk hebben we die plicht wel,” antwoordde hij. Als een soort contrapunt voor alle ellende in de wereld misschien?

In de loop van zijn boek behandelt Bregman nog vele andere zaken als De Verlichting, de Homo Ludens, en hoe thee te drinken met terroristen. Er komen buitengewoon interessante inzichten boven die zijn stelling telkenmale onderbouwen dat de mens zijn medemens niet haat maar liefheeft. We zijn in ons diepste wezen een zachtaardig wezen, een homo puppy. Die hoopvolle gedachte moeten we dan maar koesteren.

Ook verschenen op Nico’s recensies

Recensie door: Alek Dabrowski
3/5

Maar sommigen mensen deugen niet

[Recensie] De meeste mensen deugen staat al heel lang in de bestseller top 60. Ik kwam het boek tegen op ThuisBieb en heb het digitaal gelezen, bijna duizend kleine pagina’s. Dat lijkt veel en de papieren versie ziet er ook fors uit, maar dat ligt vooral aan de vormgeving. Bregman schrijft vlot. Je vliegt door het boek heen. Ik heb het idee dat ik wat achter de feiten aanloop omdat ik het nu pas gelezen heb, ook omdat de Corona-actualiteit geen plek heeft in dit boek, terwijl Bregman ideeën wel actualiteit en urgentie hebben.

De titel is meteen aansprekend en ook goed gekozen. Alle mensen deugen zou te provocerend zijn en ook niet waar. De centrale stelling van Bregman is dat de mens van nature sociaal en vredelievend is, maar dat eeuwenlang vooral de mening overheerste dat beschaving slechts een dun laagje is. Als dat laagje wegvalt, in tijden van oorlog of crisis, dan komt onze ware aard boven en gedragen we ons egoïstisch en zijn we boosaardig naar anderen toe. Op deze premisse is ons economisch model gestoeld: de homo economicus die uitsluitend zijn eigenbelang nastreeft. We doen dit allemaal en zo houden we elkaar in evenwicht. Dit leidt ten slotte tot de best mogelijke wereld voor iedereen.

Om dit te ontkrachten begint Bregman bij de ideeën van een aantal filosofen, met name zet hij Hobbes en Rousseau tegenover elkaar. Thomas Hobbes (1588-1679) stelde dat de mens van nature voor de medemens een wolf is. Om vrede te kunnen stichten is een sterke leider noodzakelijk. De Leviathan noemde Hobbes deze alleenheerser en zo luidt ook de titel van zijn beroemdste boek. Jean-Jacques Rousseau (1711-1778) ging uit van het tegenovergestelde. De mens leefde in de natuurstaat in vrede met zijn soortgenoten. Het bezit, de landbouw en uiteindelijk de staat maakten van hem een slaaf en een monster.

Eeuwenlang werden Hobbesianen als realisten gezien en aanhangers van Rousseau als naïef. Dit is het overwegende beeld dat bestaat in de politiek en in de economie maar het bestaat ook in een betrekkelijk jonge wetenschap als de sociaal-psychologie. In de twintigste eeuw werden er binnen dit vakgebied vele experimenten uitgevoerd om te laten zien wat er met mensen gebeurt als dat dunne laagje vernis verdwijnt: juist: we werden onmensen en deden elkaar de vreselijkste dingen aan. 
Bregman gaat uitvoerig in op en aantal van deze beroemde experimenten en laat zien dat de uitkomsten sterk gemanipuleerd waren en in de media werden uitvergroot. Het is interessante materie. Hij behandelt bijvoorbeeld het Stanford prison experiment uit 1971. Zet een groep mensen bij elkaar, benoem de ene helft als gevangenen, de andere helft als bewakers en vanzelf wordt de eerste groep onderdrukt door de tweede. Mensen neigen zo naar hun natuurlijke staat en nemen autoritair gedrag aan.
Het is goed van Bregman om uitgebreid te laten zien dat het onderzoek totaal niet deugde. Deelnemers werden gemanipuleerd om de gewenste uitslag te bereiken. Maar deze fraude was al heel lang bekend. Geen sociaalpsycholoog neemt vandaag de dag de uitkomsten zomaar voor waar aan. Het is voor mij een beetje jammer dat ik bijna alle voorbeelden die Bregman in zijn boek behandelt al kende, evenals de meeste kritiek die hij erop heeft. Misschien behoor ik niet helemaal tot de doelgroep voor wie hij dit boek heeft geschreven.

In de eerste helft van zijn boek gaat Bregman in op de natuurstaat van de mens. Waar ging het fout? Is hier de vraag die hij zichzelf stelt. Hij brengt een correctie aan op het beeld van de oermens als een brute strijder die leefde in een wereld waar allen vochten tegen allen. het Hobbesiaanse mensbeeld. Het is jammer dat hij hier niet wat dieper op zaken in gaat en wat exacter dingen formuleert waar hij over schrijft. Bij auteurs als Hobbes, Locke en Rousseau is het denken over de natuurstaat vooral een theoretisch uitgangspunt voor het verklaren van onze sociale en wettelijke conventies. Bregman onderscheidt dit theoretische idee nauwelijks van de historische oermensen, die als jager-verzamelaars leefden. En om te onderzoeken hoe deze oermensen leefden gaat hij weer te rade bij wat vroeger primitieve volkeren werden genoemd. 

Hij behandelt bijvoorbeeld de contacten tussen Europeanen en de bewoners van Paaseiland. Het beeld van Paaseiland was lange tijd dat van een wrede maatschappij waar tijdens een bloederige burgeroorlog vele doden vielen. Nieuw onderzoek toonde echter aan dat de Paas-eilanders juist vreedzaam samenleefden. Na het behandelen van meer onderzoek concludeert Bregman dat in de tijd voor de landbouw mensen in betrekkelijke harmonie met elkaar leefden en meestal voldoende te eten hadden. Deze conclusie vind ik nogal voorbarig. De oermens bestaat natuurlijk niet. Het gaat om een ontwikkeling van eeuwen en eeuwen en om een verspreidingsgebied dat bijna de hele aarde omvat. Hoe kun je hierover zulke algemene uitspraken doen?

Maar los hiervan vielen mij wat tegenstrijdigheden op. Eerst zegt hij dat het vanaf het ontstaan van de landbouw verkeerd gaat. Er is persoonlijk bezit, men gaat dit verdedigen en er ontstaat schaarste. Er begint zich een complexe samenleving te vormen, er komen wetten, vrouwen worden tweederangsburgers en er worden oorlogen uitgevochten. Vreemd is dat hij, na het uitvoerig beschrijven van de vredelievendheid van de Paaseilanders, doodleuk meldt hoe zij hun landbouwproducten met elkaar deelden. Hier had de landbouw dus kennelijk niet zulke negatieve effecten. 
Een ander problematisch begrip is mismatch, alsof de mens uit zijn natuurlijke omgeving is weggerukt en in de moderne maatschappij niet op zijn plaats is. Soorten passen zich voortdurend aan aan hun veranderde omgeving. Een mismatch als eigenschap die niet meer relevant is in een nieuwe omgeving is in de biologie een werkzaam begrip. Bij de ontwikkeling van de moderne mens wordt het vooral als ethisch begrip ingezet. Nu hebben mensen obesitas. In de oertijd was veel kunnen eten noodzakelijk omdat er niet zoveel te eten was. Vreemd is dan dat Bregman het heeft over het ontstaan van schaarste bij de opkomst van de landbouw. In die zogenaamde oertijd was er toch voldoende te eten? Misschien leg ik op teveel slakken zout, maar dit soort tegenstrijdigheden, die bijna onoverkomelijk zijn als je zulke grote begrippen gebruikt, duiken te vaak op in zijn betoog. Nog één misser, waar hij het heeft over een Pools concentratiekamp bedoelt hij een Naziconcentratiekamp. 

In de loop van het boek ging het mij meer en meer tegenstaan dat Bregman vooral voorbeelden aanhaalt die passen binnen zijn verhaal. Zo vertelt hij over soldaten die in de loopgraven expres over de vijand heen schoten, maar er zijn tallozen voorbeelden te vinden in oorlogen en opstanden waarbij mensen elkaar met overtuiging verscheurden. Bregman is in het algemeen veel minder kritisch op auteurs die zijn stelling bevestigen dan op mensen die hem tegenspreken. En een naar trekje van hem is dat hij bij schrijvers en wetenschappers die een negatieve mensbeeld aanhangen soms ingaat op hun persoonlijke leven en daar hun slechte eigenschappen benoemt. Golding schreef met Lord of the Flies een mooi maar volgens Bregman onrealistisch boek. Waarom moet hij dit bekrachtigen door hem als slecht mens neer te zetten? Zo is Machiavelli volgens hem een loser. Bij mensen waar hij het mee eens is doet hij dit nooit. 

Dit neemt allemaal niet weg dat Bregman een uitdagend boek heeft geschreven met een hele reeks interessante onderwerpen. Hier is te weinig ruimte om dit allemaal te behandelen. De kracht van het Pygmalion effect en van het Golem effect zijn zeer boeiend. Zijn kritische kijk op empathie is verfrissend. En hoe er gewerkt wordt in Noorse gevangenissen is zeer verhelderend. De recidive is veel lager dan bij het repressieve Amerikaanse gevangenissysteem. Bij zijn positieve voorbeelden mis je soms de actualiteit. Zo komen de ideeën van Jos de Blok over organisatievormen – hij is de oprichter van Buurtzorg – in een iets ander daglicht te staan na een financieel schandaal.

Tot slot, een onderwerp waar ik aan voorbij ben gegaan is zijn bespreking van de verschrikkingen van het Nazisme. Hij komt met een aantal te simpele verklaringen. Je merkt dat hij hier niet goed raad mee weet. “Eichman deed het kwade omdat hij dacht dat het goed was.” Dit citaat zou de start moeten zijn van een bespiegeling, en niet de eindconclusie. Alles bij elkaar kan ik mij zeker vinden in de titel van Bregmans boek: De meeste mensen deugen. Alleen gaat hij teveel voorbij aan juist het meest boeiende aspect. De enkelingen die niet deugen weten kennelijk veel teweeg te brengen. Hoe krijgen zij dit voor elkaar? Een volgend boek van hem zou kunnen heten: Sommige mensen deugen niet.

Eerder verschenen op Uitgelezen boeken

Recensie door: Arnold Heumakers
3/5

Als de meeste mensen deugen, waarom is het dan zo vaak misgegaan in de geschiedenis?

In twee boeken wordt onderzocht waar het kwaad vandaan komt. Een standaardtheorie blijkt echter niet te bestaan. Veel kwaad wordt bepaald door toevalligheden.

[Recensie] Wie betoogt dat de meeste mensen deugen, zoals Rutger Bregman in zijn bestseller met die titel, loopt wel tegen een probleem aan. Stel dat de stelling klopt, hoe komt het dan dat het in de geschiedenis toch zo vaak is misgegaan? Het helpt niet om de prehistorie te idealiseren en alle schuld te leggen bij de overgang van jagen en verzamelen naar land- en stedenbouw. Pleit je de rest van de mensheid vrij door alleen de machthebbers in de beklaagdenbank te plaatsen of te geloven dat de meeste mensen zich pas ernstig misdragen als ze denken dat de wereld er beter van wordt? Volgens mij toon je dan alleen aan dat het onderscheid tussen deugen en niet deugen er niet zoveel toedoet. Kennelijk zit in de geschiedenis een rare weeffout, die maakt dat mensen zelfs met de beste bedoelingen de grootste ellende kunnen aanrichten.

Van oudsher werd die weeffout ook wel het kwaad genoemd, al dan niet geschreven met hoofdletter. Lang geleden strekte het kwaad zich uit tot de hele natuur (denk aan aardbevingen, overstromingen, vulkaanuitbarstingen), maar sinds de achttiende eeuw reserveren we dit begrip exclusief voor de mens. Planten en dieren, bergen en zeeën hebben geen moreel besef. Het onderscheid tussen goed en kwaad is door de mens bedacht en heeft allereerst betrekking op het menselijke gedrag.

In Das Böse oder das Drama der Freiheit (1997) spreekt Rüdiger Safranski van het “zwarte gat van de existentie”. Dat klinkt intrigerend. Geen wonder dat het kwaad, naast afschuw, altijd ook fascinatie en nieuwsgierigheid heeft opgeroepen. In de kunst en de literatuur heeft dat, vooral sinds de Romantiek (toen het verplichte moralisme aan de kant werd geschoven), geleid tot een heel eigen esthetiek van het kwaad. Moord en doodslag vormen daarnaast het favoriete amusement van de massa, getuige het overweldigende succes van thrillers, detectives, horror en slashermovies. Op papier en beeldscherm vloeit dagelijks veel meer bloed dan in de werkelijkheid. Misschien houden we onze deugdzaamheid slechts op peil door in de fantasie ongeremd aan het kwaad toe te geven.

De mens is een “door en door paradoxaal wezen” – dat beseft ook Bregman, al doet hij verder weinig met dit inzicht. Daarvoor had hij zich serieuzer moeten verdiepen in het kwaad, in plaats van het als een naïeve Rousseau te minimaliseren met een anachronistisch beroep op de prehistorische ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Rousseau realiseerde zich tenminste dat zijn idyllische natuurstaat waarschijnlijk nooit had bestaan, hij was door hem verzonnen om het verdorven heden beter te kunnen kritiseren.

Vlotte cursus

Gelukkig zijn er dit jaar ook twee boeken in Nederland verschenen die beloven het kwaad rechtstreeks te adresseren: Remko van Broekhovens De wereld omgekeerd. Hoe de filosofie je helpt goed om te gaan met het kwaad en Klaas Rozemonds Het menselijke kwaad. Hannah Arendt, Adolf Eichmann en het oordelen over het kwaad. De ondertitels suggereren wat de lezer kan verwachten. Een vlotte cursus morele levenskunst bij Van Broekhoven, als filosoof onder meer verbonden aan Alain de Bottons School of Life. En een gedegen, deels juridisch betoog naar aanleiding van de ‘banaliteit van het kwaad’ bij Rozemond, als filosoof en rechtswetenschapper verbonden aan de Vrije Universiteit.

Van een al te grote fascinatie voor het kwaad is helaas bij geen van beiden sprake, zodat hun boeken voornamelijk in het teken staan van de bestrijding van het kwaad. Van Broekhoven geeft recepten om het alledaagse kwaad eronder te houden, Rozemond heeft zijn hoop gevestigd op de filosofie als een vorm van innerlijke en onderlinge ‘dialoog’.

De meest praktische aanpak komen we tegen bij Van Broekhoven. Aan de hand van de zeven hoofdzonden gaat hij na hoe je ze het best kunt vermijden. Daarbij krijgen we ook te horen aan welke de auteur zich zelf heeft bezondigd (vooral hoogmoed en wellust), maar blijkbaar ligt die tijd nu achter de rug. Hij spreekt als een bekeerling die na zijn verblijf in het duister (of in Plato’s grot) eindelijk het licht heeft gezien en zijn verworven inzichten nu met anderen wil delen. Dat gebeurt op de familiaire toon die ook Bregmans proza teistert, maar wat vooral teleurstelt zijn de belegen antwoorden waarmee Van Broekhoven komt aanzetten. Vrijwel steeds stuiten we op de gulden middenweg van Aristoteles of de zelfbeheersing van de Stoa. Het is geen onzin (moraalfilosofie blinkt zelden uit door originaliteit), maar iets spannender had toch wel gemogen. In een wereld waarin iedereen leeft volgens Van Broekhovens morele receptuur, zou ik al snel in slaap vallen.

Eichmann

Bij Rozemond zit het slaapmonster elders verborgen: in de tergende wijdlopigheid en redundantie van de stijl. De schrijver kent zijn zaakjes, maar wat heeft hij veel woorden nodig om tot weinig verrassende conclusies te komen. Dat Hannah Arendt zich tijdens de rechtszitting in Jeruzalem op Eichmann heeft verkeken (hij was geen willoos radertje in de bureaucratische machinerie, maar een fanatieke nationaalsocialist met eigen initiatief), is na de biografische studies van David Cesarani en Bettina Stangneth niet meer aan twijfel onderhevig. Men had het overigens ook gewoon uit het vonnis kunnen opmaken.

Rozemond gaat minutieus in op de vraag of Arendts ‘banaliteit van het kwaad’ misschien toch niet noopt tot een correctie van de ‘standaardtheorie’ van het kwaad. Dat blijkt inderdaad zo te zijn, want bij Eichmann is meer aan de hand dan ‘het welbewust toebrengen van schade aan anderen en welbewust schenden van normen’. Eichmann had als nazi een ander waardenstelsel (hij vond dat hij de mensheid juist een dienst bewees) en opereerde binnen een politieke orde die de massamoord op de Joden allerminst als een misdaad zag. Ondanks het kwade geweten achteraf kun je daarom niet zeggen dat Eichmann toen hij de Holocaust organiseerde, voldeed aan de standaardtheorie van het kwaad – waarvan het ‘welbewuste’ of intentionele aspect dus correctie behoeft.

Het kwaad, schrijft Rozemond, is een ‘dynamisch begrip’. Het verandert als zich nieuwe gebeurtenissen aandienen. Dat was met Eichmann en met de Holocaust als ultieme misdaad bepaald het geval. Waarbij in het bijzonder de dubbelzinnigheid van Eichmann (gevolg van het nieuwe nazi-geweten dat gehoorzaamheid aan de Führer plaatste boven het traditionele onderscheid tussen goed en kwaad) begrijpelijk maakt waarom zijn geval ons blijft bezighouden. Dat laatste zegt misschien ook iets over de moraalfilosofie als genre. Behalve voor wie zij allereerst een middel is om de wereld te verbeteren, houdt deze filosofie pas op slaapverwekkend te zijn zodra zij zich richt op zulke dubbelzinnigheden, ambivalenties en paradoxen. Het kwaad blijkt er maar al te vaak uit te bestaan, als je wat dieper op de zaken ingaat.

Eerder verschenen in NRC en op Arnold Heumakers

Samenvatting

De mens is een beest, zeiden de koningen. Een zondaar, zeiden de priesters. Een egoïst, zeiden de boekhouders. Al eeuwen is de westerse cultuur doordrongen van het geloof in de verdorvenheid van de mens.

Maar wat als we het al die tijd mis hadden?

In dit boek verweeft Rutger Bregman de jongste inzichten uit de psychologie, de economie, de biologie en de archeologie. Hij neemt ons mee op een reis door de geschiedenis en geeft nieuwe antwoorden op oude vragen. Waarom veroverde juist onze soort de aarde? Hoe verklaren we onze grootste misdaden? En zijn we diep vanbinnen geneigd tot het kwade of het goede?

Adembenemend, weids en revolutionair – De meeste mensen deugen herschrijft niet alleen de geschiedenis, maar werpt ook nieuw licht op onze toekomst.

Reacties:

‘Een indrukwekkend boek.’

– Jan Terlouw

‘Rutger Bregman sleept je mee.’

– Geert Mak

‘Of je het nou eens of oneens bent met Rutger Bregman, hij is een belangrijke stem binnen onze generatie. Fascinerend boek, lees het.’

– Tim Hofman

‘Cynici en zwartkijkers kunnen inpakken. Een heerlijk boek voor iedereen die echt realistisch wil zijn.’

– Beatrice de Graaf

Toon meer Toon minder
€ 25,00

Verwachte leverdatum: donderdag 28 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789082942187
Verschijningsdatum
september 2019
Druk
1
Aantal pagina's
528 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
320: Literaire non-fictie algemeen
Thema's
  • Geschiedenis en archeologie
  • Geschiedenis
  • Algemene en wereldgeschiedenis
Categorieën

Uitgever
De Correspondent BV

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden