Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Republiek van licht

Auteur(s): Andrés Barba
Taal: Nederlands
0,2125/5
4 recensies
Republiek van licht
Republiek van licht

Recensie

Aantal recensies: 4

Recensie door: Istvan Kops
4,5/5

Literaire horror in San Christobal

[Recensie] Zelden maakt een boek zo’n eigenzinnige indruk als Republiek van licht. Zodra je aan het eind van het boek terecht bent gekomen en het voor de laatste en misschien wel enige keer dichtslaat, want probeer als je éénmaal bent begonnen met lezen maar eens te stoppen met lezen, zou je zomaar kunnen denken hoe jammer het is dat er niet meer literaire horror wordt geschreven. Goede literaire horror is zo ontzettend schaars. Dat besef je door boeken als Republiek van licht.

Het verhaal samenvatten is nog niet eens zo gemakkelijk zonder de clue weg te geven. Wat dat betreft doet de informatie het op de achterkaft van het boek eigenlijk heel goed. “Uit het niets verschijnen 32 kinderen in San Christóbal, een stadje in de tropen, gelegen tussen de jungle en een rivier. De kinderen spreken een onverstaanbare taal en niemand weet wie ze zijn of waar ze vandaan komen. Ze hebben honger, zijn gewelddadig en hebben een ontregelend effect op de plaatselijke bevolking. Wanneer vervolgens twee volwassenen worden neergestoken in een supermarkt, neemt de angst hand over hand toe.”

Dit is eigenlijk het enige dat je hoeft te weten wanneer je aan het boek begint. Meer vertellen over de inhoud van het verhaal zou alleen maar de spanning onnodig wegnemen. Republiek van licht is aanvankelijk  moeilijk in een hokje te plaatsen, omdat het zo’n ontzettend vreemd verhaal is. Wél staat vast dat het literatuur van de bovenste plank is. Het geeft de lezer een rijkdom aan beelden en gedachtes die lang bij je blijven. Het boek toont bovendien aan hoe goed horror verweven kan worden met literatuur. De horror zit hem in dit geval niet in het expliciete geweld, maar in het onbevattelijke waarop onze rationaliteit geen greep kan krijgen. Republiek van licht is zo’n boek waarvan je het jammer vindt wanneer je die uit hebt. Zo’n boek dat je eindeloos door zou willen blijven lezen, maar dat je helaas vanwege de geringe omvang (het boek telt slechts een bescheiden 207 pagina’s) binnen een avondje lezen uit hebt.

Het verhaal maakt des te meer impact door de manier waarop het wordt verteld. Aan het woord is een naamloze man die op de gebeurtenissen van 22 jaar geleden terugkijkt en zich probeert te herinneren wat er toen precies is gebeurd. In een zakelijke, ambtelijke en bijna klinische stijl doet deze toenmalig afdelingshoofd van de gemeentelijke afdeling Sociale Zaken  verslag van de ontwrichting van de samenleving. Zelfs over zijn eigen privéleven doet hij ambtelijk verslag. Als hij het heeft over zijn pleegdochter dan heeft hij het steevast over ‘het meisje’. Dat heeft zowel iets vervreemdends als aanstekelijks. Het licht wellicht aan de bijzonder fraaie schrijfstijl van Andrés Barba, die hij weet te combineren met indringende beelden. In krachtige en tot nadenken stemmende zinnen (“de kindertijd is krachtiger dan fictie”) schildert Andrés Barba een maatschappij waarin het geloof in de kinderlijke onschuld op losse schroeven komt te staan. Voor velen in het stadje San Christóbal en wellicht ook voor de lezer is dat een schokkende realiteit.

De schrijver zet de lezer daardoor aan tot een kritische blik op onze tijd en maatschappij. Hoe verhouden wij ons tot onze kinderen en waartoe zijn wij bereid als wij niet alleen hun fantasie niet meer bij kunnen benen, maar die ons zelfs beangstigt? Andrés Barba maakt daarbij zelfs nog een mooie literaire referentie naar De kleine prins van Antoine de Saint Exupery. Er gebeurt ontzettend veel in deze compacte roman, waardoor dit boek na lezing nog wel even na zal resoneren.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub Van Alles

Recensie door: Ger Groot
4/5

Een klopjacht op onschuldige kinderen

[Recensie] Waarschijnlijk zou iedere stad getraumatiseerd achterblijven wanneer er in één keer 32 kinderen verdronken. Voor de tropische provinciestad San Cristóbal, die de Spaanse schrijver Andrés Barba (1975) in zijn roman Republiek van licht aan zijn fantasie ontlokt, is dat niet anders. Decennia na de catastrofe blikt de naamloze verteller van het verhaal op die ramp terug. In de loop van dit fijnzinnige boek wordt almaar onduidelijker wat er precies gebeurd is en worden de gevoelens steeds tweeslachtiger.

Het waren geen gewone kinderen die omkwamen. Van de ene dag op de andere waren ze in de stad verschenen, van onbekende herkomst, met een onverstaanbare taal. Ze werden getolereerd tot hun gedrag uitmondde in vandalisme en een bloedige aanval op een supermarkt. Erger nog was de aantrekkingskracht die ze uitoefenden op kinderen van de ingezetenen. Een paar van hen hebben zich al bij hen aangesloten als de stad een klopjacht op hen inzet.

Paaldanseres
Internationale bekendheid kreeg Barba met zijn roman Het zusje van Katia, die in 2003 ook in het Nederlands verscheen. Geschreven vanuit de belevingswereld van het veertienjarige, enigszins simpele en naamloze zusje beschrijft Barba daarin de ondergang van de iets oudere Katia, van drop-out via paaldanseres tot prostituee. Voor de verfilming ontving cineaste Mijke de Jong vijf jaar later twee Gouden Kalveren.

Een dozijn romans, verhalenbundels en essays later roept Barba in Republiek van licht een heel andere binnenwereld op. De vertellende ‘ik’ is een man van middelbare leeftijd, ingetrouwd in San Cristóbal met een plaatselijke vioollerares en stiefvader van haar al even naamloze dochtertje. Hij is verantwoordelijk voor een sociaal project ten behoeve van de oorspronkelijke bewoners van de streek en raakt daardoor betrokken bij de raadselachtige kinderinvasie.

Zo naar buiten gericht als eerder het ‘zusje’ was, zo bespiegelend is de hoofdpersoon in Barba’s nieuwe roman. Over de hele vertelling ligt de melancholieke glans van spijtige nostalgie. Had het allemaal niet anders kunnen lopen; waarom waren we in San Cristóbal blind voor de tekenen? Al in het begin van zijn boek zet Barba de toon, als de hoofdpersoon zich ontfermt over een hond die hij heeft aangereden en door zijn stiefdochtertje ‘Moira’ wordt gedoopt: ‘Noodlot’.

Ontketende watermassa
Dat noodlot voltrekt zich wanneer de klopjacht op de kinderen zich van de jungle verplaatst naar het riool van de stad, waar zij zich hebben teruggetrokken. De grote ondergrondse ruimte die zij tot hun leefgebied maakten blijkt leeg, maar is versierd met talloze stukjes glas, glanzend blik en alles wat blinkt. Dankzij de binnenvallende zon verandert het gewelf, schrijft Barba, in een ‘kathedraal van licht’, waar de kinderen hun eigen onbegrijpelijke ‘republiek’ hadden gesticht.

Op hun vlucht ontwrichten zij onbedoeld de ondergrondse sluizen van het riool en vinden de dood in de ontketende watermassa. Dat is de ontknoping, maar uiteindelijk niet de inzet van de tragedie. De verteller wordt geplaagd door het besef moreel tekortgeschoten te zijn, maar veel meer nog door de vraag hoe je moet omgaan met iets dat zich uiteindelijk aan elk begrip onttrekt. Het plotselinge verschijnen van de kinderen, hun taal, maar vooral hun beweegredenen blijven een raadsel: even onachterhaalbaar als die van de tekenaars van oude grotschilderingen waarmee de ‘lichtkathedraal’ vergeleken wordt.

Op die onbegrijpelijkheid ketst het gepeins van de hoofdfiguur steeds weer af. In de stad wisselen vertedering om de onschuld van de raadselachtige kinderen en verontwaardiging over hun vandalisme en agressie elkaar af, en ook ‘ik’ weet er geen raad mee. Het is alsof de beschaafde samenleving bij die ongrijpbare kinderen op een menselijk aanvangspunt stuitte waarin schuld en onschuld nog niet waren uitgekristalliseerd.

Pas aan het eind van het boek ziet de verteller hun schuldeloosheid verstoord, wanneer hij op de muur van de lichtkathedraal het woord ‘hoer’ ontwaart. Een zondeval: “De plek waar de kinderen de weg kwijt waren geraakt, hier was hun leefgemeenschap uit elkaar gevallen.”

Cirkelen rond een leegte
Dat is waarschijnlijk het ware noodlot van deze vertelling. Het werd de kinderen door de goede burgers van San Cristóbal niet vergeven hun de illusie van onschuld te hebben ontnomen. Als een samenleving haar eigen oergrond peilt, raakt zij onzeker en tenslotte redeloos. In deze korte, maar diep reikende filosofische roman spreekt Barba niet het laatste woord en laat hij talloze raadsels onopgelost. Zoals de verteller verdoold blijft in zijn twijfels en melancholieke onzekerheid, zo kan ook de romancier alleen maar wijzen naar de plek waarop alles uit elkaar valt en waaromheen het denken blijft cirkelen als rond een leegte. Barba heeft dat ronddraaien heel subtiel beschreven. In deze op het oog tamelijk eenvoudige roman opent zich niet minder dan een wereldvraag – misschien wel dé wereldvraag, waarop het antwoord uitblijft.


Eerder verschenen op NRC

Recensie door: Elisabeth Francet

De kindertijd: machtiger dan fictie

[Recensie] “Het was drukkend warm de dag dat ze in San Cristóbal aankwamen.” Alles leek te veranderen toen een ambtenaar Sociale Zaken met zijn gezin het provinciestadje binnenreed. Armoede kwam in al haar rauwheid op hen af. Bedelende kinderen op straat. Het subtropische stadje lag ingesloten tussen een ondoordringbaar regenwoud en een bruine kolkende rivier, de Eré. De effen kleuren deden alle tussentinten verbleken: het intense groen van de wildernis, het felle blauw van de lucht, het diepe bruin van de rivier, schitterend wit licht. De ambtenaar meent dat ook de gelaatstrekken van zijn vrouw en ‘de kleine’ veranderden. De voortekenen waren er.

In Republiek van licht laat de Spaanse schrijver Andrés Barba (1975) een gemeentebeambte aan het woord. Twee decennia na de feiten poogt die de gebeurtenissen te reconstrueren die destijds een hele gemeenschap ontwrichtten. Iedereen was het er over eens: het begon met de gewelddadige overval van een groep kinderen, tussen negen en dertien jaar oud, op de Dakota- supermarkt. De bewijzen waren er. Camerabeelden toonden de gruwel waartoe de kinderen in staat bleken. Daags nadien verdwenen ze spoorloos. De 32 smerige, bedelende kinderen met warrig haar en zonverbrande gezichten zwierven al geruime tijd door de stad. Niemand wist waar ze vandaan kwamen.

Allerlei theorieën deden de ronde. Hoewel de kinderen de uiterlijke kenmerken hadden van de inheemse Ñeê-gemeenschap, ging het volgens experts om ontvoerde, verdwenen kinderen van elders. De 32 spraken een onbegrijpelijke taal en leken geen onderlinge hiërarchie te kennen. In tegenstelling tot de lokale kinderen bedelden ze met opgeheven hoofd. Ze hadden aristocratische trekken en een intens kille blik. Een stoorzender in het georkestreerde decor van het stadje.

Waren de kinderen na hun plotse verdwijning onzichtbaar geworden door de groene muur van het oerwoud? Toch leken ze dichterbij dan ooit: “omsloten door hun blik, bevonden we ons in de kern van hun angst”. De ambtenaar weifelt. Zal hij de onverbiddelijke waarheid vertellen of een eenvoudigere, handzame, minder waarachtige versie van de feiten? Hem was verweten niet op tijd te hebben gehandeld. Wat had hij moeten doen? Al die kinderen preventief in een weeshuis opsluiten? De ontluikende volkswoede moest met alle mogelijke middelen – censuur, chantage, repressie – de kop worden ingedrukt.

De inwoners van San Cristóbal werden met een bijkomend probleem geconfronteerd: hun eigen kinderen begonnen zich vreemd te gedragen. Angst en achterdocht drongen binnen in de gezinnen. Gefrustreerd door het verlies van controle over de kinderen, organiseerden de inwoners een klopjacht, met steun van de populistische burgemeester, het ambtenarenapparaat en het politiekorps. Toen begon de werkelijke horror. Barba beschrijft huiveringwekkend gedetailleerd hoe menselijke eigenschappen tot in het absurde kunnen worden geprojecteerd op wat volwassenen niet begrijpen. Angst moest een gezicht krijgen, woede een uitweg vinden.

Bij het reconstrueren vraagt de ambtenaar zich af of ze zich misschien collectief iets verbeeld hadden. Zoals het begrip ‘zee’ in de verbeelding – een blauwgroen, met schuim bedekt wateroppervlak – verschilt van wat de zee in werkelijkheid is: een onpeilbare diepte vol verborgen stromingen en – vooral – duisternis.

“Probeerden wij verwoed patronen te zien die er in werkelijkheid niet waren? (…) Hoe en waar begon het moreel deficit en zagen wij een complot waar de anarchistische manier van bewegen van de kinderen eerder aan een spel deed denken? (…) Waren we überhaupt in staat om ons, met het brein van een volwassene, voor te stellen wat kinderen zouden kunnen doen na de gruwel die had plaatsgevonden?”

Barba beschrijft stap voor stap wat er gebeurt in een gemeenschap waar de logica van volwassenen niet meer voldoet en uit de kinderwereld een dissonant geluid opklinkt. Wat als een samenleving het geloof in de kinderlijke onschuld kwijtraakt? Voor volwassenen dienen kinderen immers de oorspronkelijke onschuld – van voor de zondeval – te belichamen. Barba vertelt het verhaal vanuit het oogpunt van een volwassene die aan de hand van uiterlijke tekens de innerlijke wereld van kinderen tracht te doorgronden. Maar hoe welwillend ook, hij blijft redeneren volgens de maatstaven en de logica van een volwassene. De ambtenaar is ‘onherroepelijk volwassen’. Niet de kinderen zijn de werkelijke dreiging in Barba’s roman, wel de angst van volwassenen om de controle over kinderen te verliezen. Wanneer die angst ontaardt in massapsychose, sluiten de gelederen zich en volgt er een repressief en gewelddadig opgetreden. Een onomkeerbaar destructief proces wordt op gang gebracht.

Decennia nadat de verwoestende golf door het stadje trok, blikt de ambtenaar vertwijfeld terug. Nog steeds weet hij niet hoe ze het hadden kunnen voorkomen. Misschien hadden ze, om de waarheid te kunnen zien, moeten afdalen naar het werkelijke hart der duisternis, in zichzelf. Veel levens gingen verloren maar niemand praat er nog over. Het is een taboe gebleven. Toch is er iets achtergebleven, een soort muziek, een melodie, “alsof het gefluister van de 32 nog altijd onder ons gonst”. En de Eré, die kleurt voortaan bloedrood.

Eerder verschenen op Geen dag zonder boek

Recensie door: Marijke Laurense

Zinderende weesmeisjes

Andrés Barba kruipt in het lijfje van Marina (7) die bij een auto-ongeluk haar ouders verliest en in een weeshuis belandt.

[Recensie] Vorig jaar maakt de Spaanse schrijver Andrés Barba (1975) diepe indruk op me met zijn Republiek van licht, een beklemmende roman over hoe 32 zwerfkinderen het leven in een Zuid-Amerikaanse provinciestad ontwrichtten. Barba’s roman Het zusje van Katia was eerder al vertaald in het Nederlands; Mijke de Jong maakte er in 2008 een film van die nog steeds ontroert, met het verhaal van een jong meisje dat in de harde wereld van de Amsterdamse prostitutie anderen probeert te troosten en te verzorgen. Ook het inmiddels twaalf jaar oude, nu dan vertaalde Kleine handen gaat over kinderen: over hun onschuld en afhankelijkheid, maar ook over hun wreedheid en macht, dit keer vooral ten opzichte van elkaar.

In Kleine handen is Barba in het lijfje van het zevenjarige meisje Marina gekropen, vanaf het moment dat ze na een verkeersongeluk gewond in het ziekenhuis ligt en te horen krijgt dat haar vader op slag dood was en haar moeder in coma ligt. In de eerste hoofdstukken van deze novelle bewijst Barba in prachtig proza andermaal hoe goed hij zich kan verplaatsen in kinderen als hij laat zien hoe de woorden “Mijn vader was op slag dood en mijn moeder overleed in het ziekenhuis” zich “als dingen” in Marina’s hoofd nestelen en haar identiteit gaan bepalen.

Kapotte slaapogen

Of wanneer ze het ongeluk keer op keer in slow motion beleeft, in sensuele, zintuiglijke zinnen over het doffe zeegeluid van de weg onder de banden, de stilte na de klap, de metaalsmaak in haar mond, de zwarte uitgroei in het haar van de geblondeerde vrouw die haar water geeft, de grote handen van de man die haar op de brancard legt, terwijl ze het gevoel heeft dat ze “van klei” is en dat alles in haar “zacht, vormeloos en glibberig” is. Over hoe ze zich tijdens haar revalidatie vaag verplicht voelt te huilen, van de psychologe een huis moet tekenen en een pop met kapotte slaapogen krijgt. En hoe ze na een paar maanden te horen krijgt dat ze naar een weeshuis gaat – een woord dat haar op dat moment nog niets zegt.

Nee, dat leidt niet tot Dickensiaanse taferelen: de directrice en andere volwassenen zijn (in al hun onnozelheid) zelfs uitgesproken aardig voor het beeldige en braaf ogende kind. Het drama van Kleine handen zit vooral in de zinderende spanning tussen de donkere en mysterieuze Marina en de andere, ‘gewone’, anonieme meisjes van het weeshuis, die de tweede, collectieve, helaas nogal onnatuurlijk klinkende wij-stem van het verhaal vormen. Ze bewonderen en benijden haar omdat ze als enige ooit in Disneyland Parijs en met de echte Mickey Mouse op de foto is geweest, ze willen de littekens van haar auto-ongeluk zien, fantaseren over haar, ‘omdat we geen andere manier kenden om van iemand te houden’ en likken aan de ogen van haar pop.

Nachtelijke spelletjes

Maar Marina wordt ook gepest en vernederd en haar pop wordt verminkt. Waartegen ze geen ander verweer weet dan te stoppen met eten, waarmee ze inderdaad ontzag afdwingt bij de andere meisjes – Barba knoopt keurig aan bij op de psychologische items van de jaren ‘00 van deze eeuw. Ook laat hij Marina besluiten haar deerniswekkend jonge seksualiteit uit te spelen.

Uiteindelijk loopt dat natuurlijk uit de hand, in nachtelijke sadomasochistische spelletjes, waarin de meisjes zich onder Marina’s regie gehoorzaam en gretig om de beurt de rol van zwijgende, willoze en lijdzame pop laten toebedelen, uitgekleed worden (‘Haar onderbroek ook?’ ‘Ja, haar onderbroek ook’) en met veel lippenstift, rouge en oogpotlood op met zich moeten laten spelen en de zoekende, kleine handen van de anderen moeten ondergaan.

En als de meisjes overdag weer hun normale, schaamtevolle en vijandige zelf zijn en nachtelijke gangmaakster Marina voor hoer uitmaken, zijn er niet veel uitwegen meer denkbaar in dit conflict tussen licht en duister, collectief en eenling, schaamte en (vrouwelijke) seksualiteit, beheersing en overgave, zo blijkt ook uit Barba’s veelvuldige verwijzingen naar de wolf, Alice in Wonderland, Rainer Maria Rilke’s Requiem auf den Tod eines Knaben en het lijdensverhaal. Al had ik eerlijk gezegd toch liever gezien dat hij de gave en subtiele psychologie van het begin van Marina’s verhaal in de laatste hoofdstukken niet had opgeofferd aan al die literaire contrasten.

Eerder verschenen in Trouw op Marijke Laurense

Samenvatting

Uit het niets verschijnen 32 kinderen in San Cristóbal, een kleine stad in de tropen, gelegen tussen de jungle en een rivier. Niemand weet wie deze kinderen zijn en ze spreken een onbegrijpelijke taal. Ze hebben honger, zijn gewelddadig en hebben een ontregelend effect op de bewoners van het stadje. Wanneer vervolgens twee volwassenen worden neergestoken in een supermarkt, neemt de angst hand over hand toe. Twintig jaar later schrijft een gemeentebeambte een verslag over de gebeurtenissen van toen, over hoe de bewoners gedwongen werden na te denken over chaos en orde, geweld en beschaving, en hoe ze uiteindelijk de terreur hebben weten te overleven.

In de stijl van Heart of Darkness en Lord of the Flies is Republiek van licht een prachtig geschreven, subtiele, maar ook zeer spannende fabel over de tijd waarin wij leven. Een unieke roman die voorbestemd lijkt een moderne klassieker te worden.

Toon meer Toon minder
€ 21,99

Verwachte leverdatum: donderdag 26 november


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789403132006
Verschijningsdatum
januari 2019
Druk
1
Aantal pagina's
224 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
302: Vertaalde literaire roman, novelle
Thema's
  • Fictie
  • Fictie: algemeen en literair
Categorieën

Auteur
Uitgever
Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

Vertaald door
Irene van de Mheen

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen