Waar was ik toen ik er niet was?

Een filosofie van persoon en identiteit

Auteur(s): Monica Meijsing
Taal: Nederlands
0,2/5
2 recensies
Waar was ik toen ik er niet was?
Waar was ik toen ik er niet was?

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Tanny Dobbelaar
4/5

Je bent nooit in je eentje een persoon

De schrijver
[Recensie] Monica Meijsing is universitair docent filosofie aan de Universiteit Tilburg. Ze is gespecialiseerd in filosofische problemen rondom persoonlijke identiteit en (zelf)bewustzijn. Meijsing studeerde filosofie en psychologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Het probleem
Stelling: een persoon bestaat pas als het proprioceptie heeft.

Zijn we ons lichaam of zijn we ons bewustzijn? Deze en andere vragen staan centraal in kwesties rondom persoonlijke identiteit. Terwijl Monica Meijsing de belangrijkste denkers op dit terrein bespreekt, keert ze steeds terug naar een persoonlijke ervaring: ooit lag ze onder algehele verdoving op de operatietafel. Daar weet ze niets meer van. Ze vraagt zich af of ze nog wel bestond, toen ze buiten bewustzijn was. Was ze op dat moment nog wel een persoon?

De aanpak
Meijsing confronteert deze filosofische vragen met empirisch onderzoek en ook wel met gedachtenexperimenten. Natuurlijk zijn wij ons brein, zegt ze, vooropgesteld dat je dat brein zeker niet uitsluitend in de hersenen moet situeren. Ons hele lichaam is immers voorzien van neuronen. En ook al zijn we ons brein, daaruit volgt nog niets over wie ‘ik’ dan wel ben.

Een filosoof als John Locke (1632-1704) maakte daarom onderscheid tussen mensen en personen. Of iemand een persoon is, hing dan alleen af van de herinnering en het bewustzijn van die persoon. In Locke’s visie heeft een mens die buiten bewustzijn op de operatietafel zo’n bewustzijn niet en daarmee ook geen persoonlijke identiteit. Dat zou dan ook gelden voor mensen met dementie.

Deze visie van Locke bevredigt niet, vindt Meijsing. Daarom introduceert ze het begrip proprio-ceptie, ook wel het zesde zintuig genoemd. Dat zintuig informeert het lichaam informatie hoe het zich moet afstemmen op de wereld. Hierdoor weet het lichaam bijvoorbeeld hoeveel ruimte het zelf inneemt, of hoeveel spierkracht nodig is voor het optillen van een beker zonder die kapot te knijpen. Interessant genoeg is proprioceptie zowel iets mentaals als iets fysieks. Veel van dit weten is immers onbewust en lichamelijk, maar je kunt er ook op reflecteren.

Vervolgens onderzoekt Meijsing een volgende stelling: een persoon bestaat pas als hij proprioceptie heeft. Pas dan is er sprake van eigenaarschap: dat ik weet dat ik mijn handen beweeg – en van actorschap: ik ben het die mijn handen beweegt.

Dat inzicht stelt Meijsing zelf ter discussie met het verhaal van Ian Waterman. Deze slager uit Jersey verloor zijn proprioceptie, waarschijnlijk na een ernstige virusinfectie. Hierdoor weet hij niet waar zijn ledematen uithangen. Hij voelt zijn lichaam niet van binnenuit. Alleen door zich enorm te concentreren kan hij sommige handelingen verrichten. Zo kan hij wel autorijden in een automaat, omdat zijn omgeving hem voortdurend vertelt of hij het goed doet, maar tanken is te complex, omdat hij dan ‘van binnenuit’ moet handelen. Vraag is dan: heeft hij door deze handicap ook geen ‘ik’? Dat kan toch ook niet het geval zijn.

Zo leidt Meijsing de lezer langs mooie gevalsbeschrijvingen en complexe redeneringen voor en tegen verschillende visies op het begrip ‘persoon’. Pas in het laatste hoofdstuk neemt ze zelf positie in. Die luidt, kort door de bocht: personen bestaan niet in metafysische maar alleen in relationele zin. Je bent nooit in je eentje een persoon.

Cruciale passage
“Persoon zijn is een status, een soort eretitel, die we aan elkaar en aan onszelf toekennen, zoals het koningschap een eretitel is die we aan een bepaalde persoon of een bepaalde familie toekennen. Als iedereen zou ophouden die eretitel toe te kennen, bestaat er geen koning meer – en daar hoeft dan geen enkel menselijk organisme een kopje kleiner voor gemaakt te worden.”

Redenen om dit boek niet te lezen
Meijsing is geschoold in de analytische filosofie. Als je iets anders van filosofie verwacht dan een precies onderzoek van redeneringen, dan kun je dit boek beter mijden. De auteur heeft het bestemd voor een algemeen publiek; dat is wel een klein publiek, vrees ik. 

Redenen om dit boek wel te lezen
Dit boek is eigenlijk ideaal voor een leesclub die telkens een hoofdstuk bespreekt. Op het filosofische weblog www.bijnaderinzien.org geven vier filosofen commentaar op de visies die Meijsing beschrijft. Samen bieden ze ideale brandstof voor levendige discussies.

Eerder verschenen in Trouw en op Tanny Dobbelaar

Recensie door: Marthe Kerkwijk

Hier ben ik!

Een indrukwekkende en fijn geschreven ontdekkingsreis door de filosofie van persoon en identiteit eindigt in een conclusie waar nog meer vragen uit voortkomen. De recensent wacht met smart op antwoord.

[Recensie] Het is misschien wel de eerste filosofische vraag die een mens zich stelt: “Wie ben ik?” Ben ik mezelf als ik dronken ben of handel uit wanhoop? Wanneer kun je met recht zeggen: “Ik was mezelf niet, ik was buiten mezelf”? Monica Meijsing kreeg met deze vraag te maken toen ze een operatie onderging. Iemand diende haar narcotica toe, zei “welterusten”, en het volgende moment opende ze haar ogen in de verkoeverkamer. Tussen het “welterusten” en het openen van de ogen lag in werkelijkheid echter drie uur. In die drie uur lag Meijsing, of in elk geval haar lichaam, op de operatietafel. Maar was zij het wel die op de operatietafel lag? Ze kon zich er immers niets van herinneren.

Persoon

Dit herkenbare scenario is het vertrekstation van Meijsings zoektocht door de filosofie van persoon en identiteit. Met een heldere vertelstijl navigeert ze moeiteloos van haar ervaring op de operatietafel (of beter gezegd: de afwezigheid van die ervaring) naar klassieke vragen als “heb ik een lichaam of ben ik een lichaam?” en antwoorden op die vraag van bekende denkers als Descartes en Locke. In slechts enkele hoofdstukken brengt Meijsing de lezer op de hoogte van de geschiedenis van het begrip ‘persoon’ van Oudheid tot moderne tijd en maakt ze het probleem van het lichaam-geestdualisme voelbaar. En dat is slechts het begin. Steeds teruggrijpend op empirische studies van mensen bij wie het verband tussen lichaam en geest problematisch is geworden door neurologische afwijkingen, duikt ze al snel de diepte in. Alle mogelijke kanten van het filosofische debat over de vraag wat iemand tot een persoon maakt – en onder welke omstandigheden iemand een en dezelfde persoon is door de tijd heen – bespreekt ze zorgvuldig. Tot slot komt ze tot de conclusie dat er geen metafysische standaard is aan de hand waarvan we kunnen beoordelen of een wezen een persoon is, maar dat een menselijk wezen met een reeks fysieke en mentale kenmerken de status van persoon krijgt toebedeeld door andere personen. Door opgenomen te worden in een gemeenschap van personen wordt een mens een persoon. Pas als we door een ander aangesproken worden als tweede persoon verkrijgen we die status. Pas als een andere persoon ons aanspreekt kunnen we zeggen “hier ben ik”. ‘Persoon’ is dus, volgens Meijsing, een moreel concept en niet een metafysisch concept. Er is geen sluitende definitie, geen set bepalende voorwaarden, aan te wijzen waarmee we kunnen bewijzen dat iets onomstotelijk een persoon is. ‘Persoon’ is eerder een soort eretitel die we aan elkaar toewijzen. Zoeken naar fysieke of mentale kenmerken die ons tot een persoon maken is dan ook, volgens Meijsing, tot mislukken gedoemd.

Urgente filosofie

Hoewel ik op die conclusie wel wat heb af te dingen, is dit een van de beste boeken die ik dit jaar heb gelezen. Zelden lees je zo’n gedetailleerd, zorgvuldig uitgewerkt argument in een schrijfstijl zo soepel dat het leest als een thriller. Toch is het zeker geen makkelijk boek. Meijsing verwacht van haar lezer dat deze een hoge mate van complexiteit kan verdragen en, na een korte uitleg, met vaktermen kan omgaan. Haar verdienste is dat ze hierin slaagt. Ze neemt de intelligentie van haar lezer serieus door haar genuanceerde academische onderzoek nergens te vereenvoudigen. Toch is Waar was ik toen ik er niet was een publieksboek. De toegankelijkheid bestaat uit de helderheid van haar proza. Elke stap in haar denkproces volgt op natuurlijke wijze uit de voorgaande. Ondanks de jargondichtheid hoeft de lezer geen enkele zin een tweede keer te lezen om het te begrijpen. Bovendien is de urgentie die Meijsing zelf heeft gevoeld bij het schrijven van het boek goed voelbaar. Telkens wanneer ze het raadsel opnieuw formuleert, wil je weten hoe het verder gaat en snel doorlezen naar de volgende pagina, hopend op een antwoord op je brandende vragen. De vraag ‘wat is een persoon?’ is mateloos fascinerend en Meijsing weet die fascinatie goed te voeden. Niet alleen is het onderwerp fascinerend en haar schrijfstijl plezierig, Meijsing heeft ook grondig onderzoek gedaan. Niet alleen de relevante filosofen van Plato tot Dennett passeren de revue, maar ook een indrukwekkende reeks internationale psychologen en neurowetenschappers heeft Meijsing voor de gelegenheid goed gelezen. Kortom: niet alleen is het een fascinerend en goed leesbaar boek, je steekt er ook nog een heleboel van op.

Een vraag die om antwoord vraagt

Er is echter een punt dat wat mij betreft nog wat onbevredigd is achtergebleven. Meijsings conclusie dat ‘persoon’ geen metafysisch maar een moreel concept is, dat menselijke fysieke en mentale wezens deze ‘eretitel’ kunnen verkrijgen door erkenning als zodanig door andere personen benadrukt terecht het sociale karakter van dit soort lastige concepten, maar geeft geen antwoord op juist die uiterst interessante vragen die ontstaan in de grensgebieden van zulke erkenning. Hoewel Meijsing een goed hoofdstuk besteedt aan het bestaan van zelfbewustzijn bij dieren – een bijzonder boeiend hoofdstuk, overigens – ontkent ze in haar conclusie dat niet-menselijke dieren met vergelijkbare fysieke en mentale kenmerken als persoon erkend kunnen worden. Keizer Caligula, die zijn paard Incitatus tot consul benoemde, wordt belachelijk gemaakt. Goed, misschien terecht, maar Meijsing beantwoordt haar vraag “was dat paard daarmee een persoon geworden?” met “dat zou ik niet willen zeggen. We kunnen [het toekennen van persoonsstatus] wel degelijk fout doen.” Maar is het fout om dieren de status van persoon toe te kennen? Dat blijft voor een groeiende groep filosofen de vraag (een vraag die overigens niet identiek is aan de vraag of je paarden tot consul zou moeten benoemen). Hetzelfde geldt voor andere niet-menselijke wezens, zoals robots. Wanneer hebben we goede gronden om robots of dieren of buitenaards leven als personen te bestempelen? Dat is nu juist een urgente vraag waar Meijsing geen antwoord op geeft. Ze erkent dat mensen foutief een niet-persoon voor een persoon kunnen aanzien, maar wat als we met z’n allen per abuis een persoon de erkenning als zodanig blijven ontzeggen? In haar voorstel, waarbij we pas een persoon kunnen worden als we door andere personen als zodanig worden erkend, schuilt het gevaar van onderdrukking door de status quo. Volgens Meijsing weten we het simpelweg niet in dit soort grensgevallen en is er dus geen eenduidig goed of fout bij het toekennen van persoonsstatus. Wat in elk geval wel fout is, is een menselijk wezen bij voorbaat uitsluiten, voegt ze daaraan toe. Maar waarom het menselijke zo relevant is, blijft een raadsel. Het idee van niet-menselijke personen is inmiddels niet meer zo nieuw in de filosofie. Juist wanneer ‘persoon’ een moreel concept is, en niet een kwestie van metafysica, wordt het toekennen van die status een moreel-filosofisch vraagstuk dat om een antwoord vraagt. Ik hoop dat Meijsing in haar volgende boek op die vraag een antwoord geeft en dat op net zo’n mooie manier presenteert als in dit boek. Dan ga ik dat zeker lezen. Ik kijk er nu al naar uit.

Eerder verschenen op iFilosofie

Samenvatting

Waar ben je als je onder narcose bent? Lig je gewoon op de operatietafel, tijdelijk buiten bewustzijn, of is de 'echte' jij daar helemaal niet bij? Om die vraag te beantwoorden, moet je weten wie je uiteindelijk bent: wie of wat is de 'echte' jij? Veel mensen vinden psychologische kenmerken belangrijker voor hun identiteit dan lichamelijke eigenschappen - ze zijn eerder hun geest dan hun lichaam.

In Waar was ik toen ik er niet was? laat Monica Meijsing zien waar zulke intuïties vandaan komen, maar ook dat ze niet juist zijn. Wij zijn uiteindelijk levende organismen - gevalsbeschrijvingen van mensen met ingrijpende neurologische beperkingen maken dat duidelijk -, maar juist organismen kunnen bewustzijn en zelfbewustzijn hebben. Of we ook personen zijn, hebben we niet zelf in de hand. Alleen als we worden opgenomen in een bestaande menselijke gemeenschap kunnen we een persoon worden. Je bent slechts persoon in relaties met andere personen.

Toon meer Toon minder
€ 19,95

Verwachte leverdatum: vrijdag 03 april


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789460043680
Verschijningsdatum
maart 2018
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
730: Filosofie algemeen
Categorieën

Uitgever
Vantilt, Uitgeverij

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden