Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Abraham

Kroniek van een politieke dynastie

Auteur(s): Trix van Bennekom
Taal: Nederlands
2 recensies
Abraham
Abraham
Abraham

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Marijke Laurense

De Kennedy’s van Bonaire

[Recensie] Willem Drees, senior en junior. Bas de Gaay Fortman en ‘papa Gaay’ Gaius. Jan en Lilian Marijnissen. Politieke ambitie kan kennelijk in je bloed zitten, hoewel we voor het betere dynastieke werk toch naar de Oranjes moeten, die hun stadhouderlijke inspanningen zo’n 250 jaar na het aantreden van Willem de Zwijger bekroond zagen met erfelijke, koninklijke macht. Ook op Bonaire lusten sommige families er veel pap van, zo blijkt uit Trix van Bennekoms kloeke kroniek over de politieke dynastie van het geslacht Abraham.

Van Bennekom is Elsevier-correspondent voor de Antillen en woont inmiddels al dertien jaar op Bonaire, een eiland met nog geen 20.000 inwoners. Daar is niets wat het lijkt, zo stelde ze in haar eerdere boek De tragiek van Bonaire (2012): achter de tropische dorpsidylle blijkt een corrupte en verlammende zwijgcultuur te schuilen, vol angst voor politieke represailles.

Een belangrijke figuur in haar boek was de sociaaldemocratische politicus Jopie Abraham, volgens Van Bennekom “een van de weinige mensen op Bonaire waarvan vriend en vijand zeggen dat hij niet corrupt is”. En nu heeft ze in haar nieuwe boek Abraham Jopies verhaal uitgebouwd tot de kroniek van een familie die een stevig stempel heeft gedrukt op de politieke geschiedenis van Bonaire en de Nederlandse Antillen – een geschiedenis waarover ik hier in het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden schandelijk weinig bleek te weten.

De kroniek begint in de bergen van Libanon, waar stamvader Hilal Ibrahim in 1870 in een maronitisch-katholiek gezin wordt geboren. Het land zucht onder burgeroorlogen en als dan met de opening van het Suezkanaal de Libanese zijdeteelt instort, komt er een massale emigratiegolf naar Amerika op gang, vooral onder christenen. En zo belandt Hilal (Julian Abraham op z’n Engels) in 1903 op Curaçao, waar hij een bestaan opbouwt in de handel in kunstig gevlochten strohoeden.

Hij trouwt met de katholieke Clarita; hun derde kind, Julio, wordt geboren in 1907. Dan keert het geluk: de levenslustige Clarita gaat er met een dichtende kapper vandoor naar Columbia en de Eerste Wereldoorlog legt Julians hoedenhandel plat. En als in 1921 dan ook nog eens een windhoos zijn huis verwoest, verkast hij naar Bonaire.

Daar ontpopt zoon Julio zich tot een handige en knappe jongen: hij sleutelt aan auto’s, heeft de mooiste taxi van het eiland en verovert het hart van Claridad, de dochter van een welgestelde protestantse scheepsbouwer; het stel zal maar liefst negen kinderen krijgen. De autowerkplaats verandert in een café en de zaken lopen goed, zeker als er in 1942 Amerikaanse troepen op het eiland worden gestationeerd.

En als na de oorlog de dekolonisatie hoog op de politieke wereldagenda komt te staan en het algemene kiesrecht ook op de Antillen van kracht wordt, stort hij zich in de politiek. De oude politieke garde ziet stemmentrekker Julio lang niet voor vol aan, maar uiteindelijk zal hij de grote man worden van de Democratische Partij, spectaculair winnen en verliezen en menig persoonlijk-politieke vete moeten uitvechten, vol slim getimede beschuldigingen over ontucht met minderjarige jongens, verboden verhoudingen tussen gedeputeerden en zakkenvullerij.

Eind 1960 grijpt het noodlot andermaal in: Julio verongelukt tijdens een familie-uitje en zijn 24-jarige zoon, glamour boy Toon, krijgt de partijleiding toebedeeld, hoewel die net een droombaan had om in het voetspoor van Harry Belafonte rijke Amerikaanse toeristen naar Bonaire te lokken. Het worden roerige tijden: de Cubacrisis staat even verderop op barsten en er blijkt geen geld te zijn om de geplande luxe hotels af te bouwen.

Toch weet Toons DP de werkloosheid op Bonaire terug te dringen. Hij brengt het tot voorzitter van het Antilliaanse parlement, tot er in 1969 op Curaçao heftige stakingen uitbreken; ook op Bonaire worden zwarte vuisten gebald en loopt de linkse oppositie alvast in Fidel Castropakken rond. Complicerende familiefactor: Toons zwager, gedeputeerde Ellis, keert de partij opeens de rug toe en Toon komt buitenspel te staan. Waarop hij zich in 1976 terugtrekt in de advocatuur, hoewel hij in 1998 toch weer geen nee kan zeggen tegen een ministerspost onder Camelia-Römer.

Waar zakenman Toon van het establishment was, heeft jongere broer Jopie (1948) Marx en Engels aan de muur hangen als hij in 1979 de leiding van de DP overneemt. Met zijn baret en baard lijkt hij verdacht veel op Che Guevara; de inlichtingendiensten vinden hem zelfs staatsgevaarlijk. Want wie heeft bijvoorbeeld de remkabels van zijn auto doorgesneden? Stuurt verleidelijke (spionerende?) dames op hem af, waardoor zijn huwelijk op de klippen loopt? Biedt hem in verkiezingstijd cocaïne aan, terwijl hij net is afgekickt en er op het scherpst van de snede met botte Nederlanders en arrogante Curaçaoërs onderhandeld moet worden over de staatsrechtelijke toekomst van het eiland?

Maar wat is het beste voor Bonaire? Ook een status aparte? Een gewone Nederlandse gemeente worden, inclusief delicate zaken als homohuwelijk, abortus en euthanasie? Of als autonoom land met Nederland een ‘vrije associatie’ aangaan, al weet geen hond wat dat inhoudt? Het lukt Jopie niet er een tweede referendum over uit te slepen en als hij onder grote druk namens Bonaire in 2010 met Henk Kamp zijn handtekening onder de staatkundige overeenkomst heeft gezet, houdt Jopie de politiek voor gezien.

Waarmee ook Van Bennekom een punt zet achter de bijzondere geschiedenis van een nog altijd slepende dekolonisatie, gezien door de ogen van drie legendarische betrokkenen. Ze had kritischer mogen zijn op de verhalen die Toon en Jopie haar over zichzelf hebben verteld: Abraham-mannen die als eenzame rotsen vol goede bedoelingen, gulheid en idealisme steeds overeind wisten te blijven onder de beukende golven van corrupte en complotterende vijanden – zou het allemaal heus?

Verder had ik een dubbele espresso nodig wakker te blijven bij al die verschillende bestuurslichamen en verkiezingen. Daartegenover: een paar prachtige minibiografieën van eigenzinnige eilanderbewoners als priester Gilberto Alcívar en Medardo de Marchena, linkse rakker van het vroegste uur. Maar Van Bennekoms Abraham is vooral de verbazende en bij vlagen ronduit soapy geschiedenis van een politieke dynastie, die ook vandaag nog altijd een hoop persoonlijk-politieke reuring oplevert – googlet u maar eens op Clark Abraham, Jopies zoon. Amerika mag dan de Kennedy’s en de Bushes hebben, ons koninkrijk heeft de Abrahammen.

Eerder verschenen in Trouw en op Marijke Laurense

Recensie door: Aart G. Broek

Staatsgevaarlijke gedachten van Medardo de Marchena

[Column] Medardo de Marchena (Curaçao, 1899 – Bonaire, 1968) schreef een van de populairste Papiamentstalige liederen: ‘Esta dushi’ [Verrukkelijk]. We danken het lied aan zijn verblijf in een interneringskamp op Bonaire gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het lied verbeeldt de ontsnapping aan het kamp om achter een begeerlijke Bonairiaanse vrouw aan te gaan.

Gezien de essays en artikelen die hij had geschreven, werd hij beschouwd als een gevaar voor de maatschappelijke rust in oorlogstijd. Vooral in zijn pamflet Ignorancia o Educando un pueblo [Onwetendheid of Een volk onderrichten], uit 1929, had De Marchena fel uitgehaald naar vermeende uitbuiters van het Curaçaose volk, waaronder de rooms-katholieke missie. Nadat hij de gehele oorlog in het kamp op Bonaire had doorgebracht, voegde hij zich bij de ‘verrukkelijke’ Bonairiaanse. Hij zou zijn gedachten alleen nog als tekstschrijver van politici uit de Abraham-clan uiten, waaraan Trix van Bennekom in haar boek Abraham; Kroniek van een politieke dynastie ruim aandacht besteedt.

De Marchenas vooroorlogse geschriften zijn nog niet uitputtend in beeld gebracht en ook niet zo gemakkelijk te bemachtigen. Wat heeft hij eigenlijk aan kritische vertogen gepubliceerd? Alleen in de Universiteit van Leiden blijken de jaargangen bewaard van het periodiek de Onpartijdige, waarvan De Marchena een medewerker en enige tijd ook mederedacteur was.

Debatteren

Op 3 september 1932 verscheen het eerste nummer van de Onpartijdige. De uitgave had het voorkomen van een krant, bedoelde iedere veertien dagen te verschijnen en was het ‘officieel orgaan’ van de debatteerclub Jong Curaçao. Deze vereniging was enkele maanden eerder opgericht en kwam bijeen in het gebouw aan de Curaçaostraat 50 in Otrobanda. 

Een generatie jonge mannen trachtte de vele ontwikkelingen die er internationaal plaatsvonden te wegen voor de eilandelijke samenleving en boog zich met grote regelmaat over uiteenlopende aangelegenheden. Een divers gezelschap – hoewel zonder vrouwen (!) – kwam bijeen in levende lijve en in hun krant. Het waren evenzovele inspanningen om de eigen geest te scherpen, van elkaar te leren en uiteindelijk naar verworven inzichten te handelen. “Mas educacion ta aconseja, leza mas, studia mas i no perde chens di sinja nada ku bo por,” zo eindigde een van de lezingen: onderwijs is cruciaal, meer lezen, meer studeren en iedere kans grijpen om te studeren (uit een voordracht van De Marchena in nr. 10 van de eerste jaargang, 4 januari 1933). De Onpartijdige publiceerde vooral Nederlands- en Papiamentstalige bijdragen, maar ook treffen we enkele teksten in het Engels en Spaans.

Eigenbelang

In zijn werk hamert De Marchena op de noodzaak buiten de begrenzing van het eiland te kijken. Niets hoeft voor vanzelfsprekend te worden aangenomen, alles is het waard om nader onderzocht te worden. Verandering ligt binnen de mogelijkheden. De Marchena komt onvermijdelijk machten tegen, die dit grenzeloos exploreren niet zonder meer op prijs stellen: het Nederlands koloniale bestuur, de rooms-katholieke missie en ook het internationale bedrijfsleven vertegenwoordigd door de enorme eilandelijke raffinaderij. Geen wist, zo meende De Marchena, primair het welzijn van de eilandelijke samenleving voorop te stellen. Elk handelde exclusief in het belang van het koloniale moederland, de kerk en het kapitaal.

Zo kon De Marchena weinig begrip opbrengen voor de uitbouw van het politiewezen tot het Korps Militaire Politie (KMP) en de benoeming van een militair, B.W.Th. van der Slobbe, als gouverneur. Het KMP en die gezagsdrager bedoelden niet het volk te dienen, maar het koloniale regime in het zadel te houden. Deze ‘militarisering’ van de samenleving druiste sowieso in tegen De Marchenas pacifistische gevoelens.

Niet minder machtig en dikwijls evenzo moeilijk te bevechten waren de verstarde waarden en normen in de samenleving. Hiertoe behoorden heren- en slavengedragspatronen, alsook de ondergeschikte positie van vrouwen. Hierbij kritiseerde De Marchena scherp de ongelijkheid voor de wet, de wijdverspreide prostitutie en het misbruik dat van dienstbodes en winkelbediendes kon worden gemaakt. Niet alleen het slechte onderwijs dat meisjes meestal kregen, zorgde voor wantoestanden. In het algemeen gold zijns inziens, dat er op het eiland niets groots werd verricht, omdat de vrouwen praktisch werden verwaarloosd (“considera si awe nos no a logra haci nada grandi pa nos patria ta pasobra nos ta descuida muher”; in nr. 27 van de tweede jaargang, 13 september 1933).

Man en Paard

Niet minder kwaad maakte De Marchena zich over de weinig kritische opstelling van de Afro-Curaçaose bevolking naar vormen van discriminatie op grond van huidkleur en naar wanbeleid in arbeidsverhoudingen. Een zekere lethargie leek mensen aanhoudend te ondermijnen.  Actie was vereist.

Zo dienden arbeiders zich te organiseren onder leiderschap dat geen ander belang kende dan dat van de arbeiders: “Awor (trahadornan jiu di Corsow) tin cu trata na forma nan propio Arbeidsvereniging i scohe pa nan leaders (…) hombernan legal i husto cu por haci tur nan esfuerzo sin ningun clase di interes”; in nr. 29 van de tweede jaargang, 11 oktober 1933). De Marchena scheerde overigens niet alle bedrijven over een kam. Hij prees de wijzen waarop E. Henriquez & Co en S.E.L. Maduro & Sons met hun personeel omgingen gedurende de crisis die ook op het eiland voelbaar was na de beurscrash van 1929. Deze bedrijven vervingen hun werknemers niet door goedkopere krachten van buiten het eiland en bleven het loon betalen van voor de crisis.

De Marchena aarzelde niet om man en paard te noemen. Dat kwam hem uiteindelijk toch duur te staan: door internering op Bonaire werd hem de mond gesnoerd. Toch was De Marchena niet de enige die met verve onderwerpen van algemeen maatschappelijk belang ter discussie stelde. De oprichting van de debatteerclub Jong Curaçao en de uitgave van de Onpartijdige wijzen hier al op. Ook Papiamentstalige romanschrijvers als Willem E. Kroon en Manuel Fray haalden in die jaren uit naar discriminatie, bevoordeling van buitenlandse arbeiders en de veronderstelde lethargie onder de Afro-Curaçaose bevolking.

De Marchena was dus niet per se een einzelgänger, maar de mogelijkheden voor aanhoudende discussie onder een substantieel aantal deelnemers waren beperkt op het eiland. De Onpartijdige sneuvelde toen de derde jaargang net was ingezet. Op 23 november 1934 verscheen nummer 44 ter afsluiting. Er waren geen financiële perikelen, zo benadrukte de redactie. Het grootste probleem was het aantal bijdragen: dat was ontoereikend om iedere veertien dagen te verschijnen. Aan de inzet van De Marchena zal het niet hebben gelegen.

Deze tekst is een bewerking van een bijdrage aan het Antilliaans Dagblad (2018).

In Abraham, Kroniek van een politieke dynastie staan een “paar prachtige minibiografiën van eigenzinnige eilanderbewoners” zoals “Medardo de Marchena, linkse rakker van het vroegste uur”. Lees hier de recensie van Marijke Laurense van dit boek. En meer uitgebreid over De Marchenas internering in de beschouwing Met schorpioenen geselen in de bundel Schaamrood (Haarlem: In de Knipscheer, 2017) van Aart G. Broeke.

Samenvatting

Op 25 mei 1896 arriveerde Julian Abraham aan boord van het stoomschip Marsala in de haven van New York. Een uit Libanon afkomstige christelijke jongeman, die via Parijs en Le Havre de avontuurlijke reis naar de Nieuwe Wereld ondernam. Twee jaar later trok hij verder naar Venezuela om zich uiteindelijk in 1903 in de Nederlandse kolonie Curaçao te vestigen.

De emigrant uit de Levant was de vader van de in 1960 verongelukte Julio en de grootvader van Toon en Jopie Abraham. Julio en zijn twee zonen, Bonairiaanse politici die tussen 1949 en 2010 hun sporen in de politiek van de Nederlandse Antillen verdienden, waren ooggetuigen bij belangrijke momenten in de gemeenschappelijke geschiedenis met Nederland. De politieke dynastie omspant de periode van de eerste parlementaire verkiezingen in de kolonie in 1949 tot aan het staatkundig einde in 2010 van het land dat bij de dekolonisatie in 1954 ontstond. Drie legendarische politici: Julio de Man van het volk, Toon (1936) de Zakenman-politicus en Jopie (1948) de Revolutionair.

Journalist Trix van Bennekom is sinds 2006 Antillen-correspondent voor Elsevier.

Eerder schreef zij de succesvolle kroniek De Tragiek van Bonaire, over de veranderende maatschappij op het eiland waar zij woont.

Toon meer Toon minder
€ 39,95

Verwachte leverdatum: donderdag 02 december


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789461852120
Verschijningsdatum
mei 2018
Druk
1
Aantal pagina's
400 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
130: Mens en maatschappij algemeen
Categorieën

Uitgever
Uitgeverij Village

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden