Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Lachen om Levie

Komisch bedoeld antisemitisme (1830-1930)

Auteur(s): Ewoud Sanders
Taal: Nederlands
2 recensies
Lachen om Levie
Lachen om Levie

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Marc van Oostendorp

“Zijn neus, gelijk de regenboog, Is bont en krom en zelden droog”

[Recensie] Ah, de negentiende eeuw: tijd waarin we bij wijze van kinderfeestje nog onbekommerd konden lachen om joodjes met kromme neuzen. Want dat was toen onze cultuur – een cultuur van duizenden jaren. Toen men nog niet zo politiek correct was om zich wat aan te trekken van de medelanders die huiliehuilie deden omdat ze geen gevoel voor humor hadden!

De historicus en journalist Ewoud Sanders is sinds een aantal jaar met een interessant project bezig: de talloze populaire boeken en boekjes op te diepen uit het Nederlandse verleden waarin Joden een rol spelen. Door al die teksten systematisch te beschrijven en vergelijken krijg je een idee van hoe het beeld van dé buitenstaander bij uitstek in de Nederlandse cultuur zich ontwikkelde.

Hij schreef eerder een proefschrift over het zogeheten bekeringsverhalen en heeft op Neerlandistiek een langlopende serie over ‘jeugdverhalen over Joden‘. Vorige week verscheen van hem een nieuw boek, Lachen om Levie, over een klein subgenre in deze populaire literatuur, die van humoristisch bedoelde, in een (namaak-)Joods Nederlands geschreven, verhalen van een Joodse soldaat Levie Zadok in de Krim-oorlog.

Saillant is dat het eerste Zadok-verhaal geschreven is door Jan Schenkman, die óók de eerste auteur was die Sinterklaas een zwarte knecht gaf. Schenkman was een zeer succesvol broodschrijver, die het idee voor zowel de grappige ‘jiddisje’ stijl als voor het verhaal bij elkaar had gejat, maar er zulk groot succes mee boekte dat het genre nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw bleef voortbestaan.

Volgens Sanders waren Schenkmans verhalen nog niet eens per se kwaadaardig antisemitisch. Schenkmans humor kun je ook vaak zien als goedmoedige spot op de buitenstaander zien. De cliché-beelden van de Jood als lafaard of als handige jongen worden niet gespaard, maar het is niet duidelijk dat iemand daar in de vroege negentiende eeuw per se kwaad mee in de zin had. Schenkman nam het af en toe – ook in ander werk – soms zelfs op voor zijn Joodse landgenoten en ook in deze verhalen beschrijft hij het geweld en het minachtend taalgebruik waarmee zij geconfronteerd werden.

“Wat die aanspreekvormen betreft: al in Schenkmans eerste brief krijgt Levie te horen ‘smous hou je bek of ik schop je eruit’. In latere brieven lezen we onder meer ‘smous, leelijke hond’, ‘vervloekte smous’ en ‘smerige smous’. In het leger spreekt Levies ‘beste frind’ hem simpelweg aan met smous, zonder iets ervoor. In totaal komt dit scheldwoord voor ‘jood’ dertien maal voor in de brieven.”

Toch leest het allemaal behoorlijk ongemakkelijk en verwerd Levie Zadok in de pen van anderen al snel tot een naar antisemitisch cliché-beeld:

“Zijn neus, gelijk de regenboog,
Is bont en krom en zelden droog,
En als zijn mondjen opengaat,
Is ’t of een schuurdeur openslaat.

Zijn oogjes schittren als kristal,
Zij druipen van vergif en gal,
Zij gluipen rond en kijken scheel,
Als duiveltjes in rood fluweel.

Een rosse knevel dekt de lip,
Een dito baard den kinnetip,
Twee ooren, van een mal fatsoen,
Staan of ze een luchtreis willen doen.

Mooi is hij niet, maar bij de hand,
Niets gaat er boven zijn verstand!”

Sanders beschrijft allerlei interessante details rondom dit vrijwel vergeten detail in de Nederlandse populaire cultuur: van het dialect dat geparodieerd werd tot de bijtende strijd in uitgeversland (Schenkman gaf zijn verhalen ergens anders uit dan bij zijn gebruikelijke uitgever; vermoedelijk als wraak begon die soortgelijke verhalen uit te geven die door iemand anders geschreven waren).

Dat Schenkman de eerste auteur was van deze verhalen én van een Zwarte Piet-verhaal is natuurlijk heel interessant. De onschuldige humor die beide in de negentiende eeuw waren zijn we voor de tweede figuur nog tot heel recent blijven zien, terwijl alle grappen om Levie gaandeweg onverteerbaar werden.

De Jood en de zwarte waren in die vroege negentiende eeuw vergelijkbare figuren: buitenstaanders die, zoals Sanders zegt, allebei ook werden gebruikt als kinderschrik (‘als je niet lief bent, neemt Zwarte Piet / het joodje je mee’). Door die parallellen te zien, wordt eens te meer duidelijk hoe snel we van Zwarte Piet af moeten, maar omgekeerd ook hoe hardnekkig vooral beelden zijn in kinderverhalen en hoe het inmiddels helaas helemaal niet denkbeeldig is dat Levie Zadok weer eens opduikt.

Eerder verschenen op Sargasso

Recensie door: Marijke Laurense

Flauw vermaak of antisemitisme?

[Recensie] Op Eerste Kerstdag 1854 kon u in Amsterdam voor tien cent een geinig drukwerkje kopen: “Belangrijke brief van een Amsterdamschen jood, vrijwilliger in het Fransche leger, voor Sebastopol, aan zijne moeder in de Batavierstraat te Amsterdam.” Een voormalig schoolmeester uit de Jordaan, Jan Schenkman (1806-1863), voerde daarin ene Levie Mozes Zadok op, een sjofele Joodse schoenpoetser en kermisartiest die zich met een dronken kop had laten ronselen voor het Franse leger en nu zeer tegen zijn zin de Russische havenstad Sebastopol lag te belegeren. In acht kantjes beschrijft hij aan zijn ‘memmele’ (Jiddisch voor moeder) hoe hij daar probeert te overleven terwijl de kogels hem om de oren vliegen.

‘Levie Zadok’ werd een rage: zijn brief was binnen een dag uitverkocht, op 27 december verscheen de tweede druk, twee dagen later alweer een derde. Dat smeekte natuurlijk om een vervolg: in totaal zouden er tussen 1854 en 1894 maar liefst 29 brieven van Levie Zadok en verwante figuren verschijnen, waarin hij wilde deserteren, dood ging (maar niet heus), gedumpt werd door zijn verloofde, korporaal werd, in Moskou terechtkwam enz. Die verhalen waren overigens lang niet allemaal van Jan Schenkman: ook andere (vaak anonieme) auteurs pikten graag zo veel mogelijk graantjes mee.

Lijpie Smoel en Vogeltje Voddenmand

Vanwaar dit succes? Was het de aanklacht tegen de bloedige Krimoorlog? Schenkmans vlotte pen? Zou kunnen. Maar de voornaamste verklaring zit, stelt Ewoud Sanders, toch in de lol die het 19e eeuwse lezerspubliek kennelijk had aan het bespotten van wat voor typisch Joods doorging: arm, vuil, sjacherend. Laf ook, dus een lachertje als frontsoldaat. Behept met koddige namen (‘Lijpie Smoel’, ‘Vogeltje Voddemand’) en een plat Jiddisch accent (‘Hamsterdam aan de Hamstel’, ‘sjchiete’ voor ‘schieten’), vol hilarische verhaspelingen (‘zurezijn’ voor ‘chirurgijn’, ‘koeiezak’ voor ‘kozak’).

Talloze gezellige avonden, bruiloften en partijen zijn indertijd opgevrolijkt met een luimige Zadok-sketch, waarbij de voordrager voor een extra olijk effect liefst ook nog een grote kromme neus opdeed.

Miespelende bultenaar

Flauw maar goedmoedig vermaak? Of regelrecht antisemitisme? Zover wil Sanders niet gaan, althans niet als het over Jan Schenkman gaat. Die nam het in 1858 immers (in het nep-Jiddisch) ondubbelzinnig op tegen paus Pius IX, toen die een zesjarig Joods jongetje uit Bologna wreed bij zijn ouders had laten weghalen om het katholiek te laten opvoeden. Ook kan Sanders als taalhistoricus (hij heeft de wekelijkse taalrubriek Woordhoek in de NRC) wel waardering opbrengen voor hoe Schenkman en zijn navolgers speelden met het toen springlevende Jiddisch, al werd dat soms wel erg dik aangezet. Maar van het venijn waarmee de ‘guitige’ pater-jezuïet Van Meurs in 1868 Levie Zadok als beroepsbedrieger nieuw leven inblies, zal nu toch geen hond meer brood lusten: een miespelende bultenaar met gluipende oogjes, “scheel als duiveltjes in rood fluweel”…

Voddenjood

Ach, zult u denken, dat was vroeger, we zijn nu door schade en schande gevoeliger geworden voor stereotypering en racisme, hoe lastig de relatie tussen humor en moraal soms ook is – google er de Tijdgeest van 3 oktober maar op na. Nu, dan heeft Sanders nog een verrassende uitsmijter voor u. Wist u bijvoorbeeld dat stoute kindertjes vroeger bang gemaakt werden met de zak van de ‘voddenjood’, die aan de deur kwam om oude kleren? En dat die rol van kinderschrik halverwege de 19e eeuw overging naar Sinterklaas’ zwarte knecht, die in 1850 was uitgevonden door nota bene Jan Schenkman? O ironie. O schrijnende ironie.

Eerder verschenen in Trouw en op Marijke Laurense

Samenvatting

In 1850 bedacht de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863) een personage dat een zware stempel zou drukken op de Nederlandse cultuur: Zwarte Piet. Vijf jaar later creëerde hij een ander succesvol personage: de even laffe als lepe joodse soldaat Levie Mozes Zadok. Beide figuren wekten de spotlust op. Levie was zelfs een rage. In 1855 verkochten elkaar genadeloos beconcurrerende uitgevers binnen enkele maanden ruim 56.000 Levie Zadok-drukwerkjes. Hoe is dat daverende verkoopsucces te verklaren? Welk beeld werd er in die teksten van joden geschetst? En hoe werd er in de loop van de tijd op gereageerd?

Naar aanleiding van deze publicatie wijdt het Joods Historisch Museum vanaf eind oktober 2020 een mini-expositie aan de Zadok-uitgave.

Toon meer Toon minder
€ 15,00

Verwachte leverdatum: dinsdag 01 december

Niet bestelbaar

Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789462496262
Verschijningsdatum
november 2020
Druk
1
Aantal pagina's
112 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
680: Geschiedenis algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Walburg Pers B.V., Uitgeverij

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen