Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Monument voor de BKR

De geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling (1949-1987

Auteur(s): Fransje Kuyvenhoven
Taal: Nederlands
0,225/5
2 recensies
Monument voor de BKR
Monument voor de BKR

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Jan Stoel
5/5

Een prachtig monument voor de BKR

[Recensie] Kent u de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling) nog? Hij bestond tussen 1949 en 1987 en had over het algemeen niet zo’n goed imago. Er werd laatdunkend over gesproken. De kunstenaars die er aan deelnamen werden wel gezien als klaplopers. Kunstenaars met kwaliteit hadden de BKR toch niet nodig? Karel Appel zei nooit in de Contraprestatie (de voorloper van de BKR) te hebben gezeten, maar vijf van zijn werken in de Rijkscollectie werden via de regeling verworven. Schilder Harry van Kruiningen zei: “In de eerste tijd na de oorlog was er niets te verdienen. Ik heb toen nog in de Contraprestatie gezeten. Appel ook, die stond achter mij in de rij.” Kunstenaars zouden hun ‘atelierafval’ in de BKR inleveren? Beeldhouwer Piet Tuytel: “Mijn werk kwam in openbare gebouwen te staan en moest reclame voor mij zijn, dus matig werk inleveren zou contraproductief zijn.” Wat is nu waar?

Onderzoeker, conservator en auteur Fransje Kuyvenhoven, een specialiste op het gebied van de BKR, brengt met Een monument voor de BKR – de geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling (1949-1987) nuance aan. Ze ontkracht sappige verhalen, geeft inzicht in de ontwikkeling van de BKR, het unieke ervan en de valkuilen. Het goed geannoteerde boek is het resultaat van grondig onderzoek. Zo haalt ze een onderzoek uit de jaren tachtig naar voren waaruit blijkt dat hooguit een vijfde van de kunstenaars er met de pet naar gooide. Er was een commissie die bepaalde of de ingeleverde kunst goed was. Niet goed, dan kwam het retour en bij herhaling onvoldoende kwalitatief werk inleveren betekende dat je naar de bijstand kon.

5688 kunstenaars maakten gebruik van de BKR, een unieke regeling in de wereld. In ruil voor kunstwerken, maar in het begin ook voor diensten als het organiseren van een tentoonstelling, kregen ze een financiële vergoeding. Kunstenaars konden zich onbelemmerd ontwikkelen, zonder de druk te voelen van stromingen, smaken op de vrije markt waaraan ze zich moesten conformeren als ze hun werk wilden verkopen. Kuyvenhoven constateert dat de BKR van levensbelang was voor de kunstenaars, een opstap kon zijn naar een zelfstandige beroepspraktijk, een mogelijkheid om nieuwe kunstenaars te ontdekken, maar ook welkom was als een overbrugging bij een dip in de carrière of kon dienen als een vorm van prepensioen.

Kuyvenhoven beschrijft in haar boek ook de voorlopers van de BKR en wat er na de beëindiging van de BKR gebeurde. Ze start in de jaren twintig van de vorige eeuw. De overheid ondersteunde kunstenaars financieel met opdrachten, maar ook met een Voorzieningenfonds die kunstenaars ondersteunde zonder tegenprestatie. In de jaren dertig was er sociale hulp voor kunstenaars. In 1949 kwam er een landelijke arbeidsregeling: de Beeldende Kunstenaarsregeling, tot 1956 de Contraprestatie geheten. Het opvallende was dat niet het Ministerie van Cultuur verantwoordelijk was voor de regeling, maar het Ministerie van Sociale Zaken én dat de regeling door gemeenten uitgevoerd werden. Sociale Zaken betaalde 85% en de gemeenten moesten slechts 5% betalen. Dat gaf de nodige dynamiek, want niet iedere gemeente deed mee en iedere gemeente had zo zijn eigen commissie en eigen criteria. Een deel van de gemaakte kunst ging naar de gemeente en een deel naar het rijk. De kunstenaar wist niet waar zijn werk naar toe was gegaan.

Kuyvenhoven beschrijft prachtig hoe de regeling met de tijd meebeweegt en liefst zesentwintig keer verandert. Zo kwam er een gelijkberechtiging tussen mannelijke en vrouwelijke kunstenaars, kwam het kostwinnersbeginsel aan de orde. Kunstenaar Sylvia Quiël werd bijvoorbeeld in 1975 uit de BKR gezet omdat ze samen was gaan wonen met Carel Willink. Er kwam werk dat moeilijk uitgeleend kon worden: “conceptuele kunst en ‘naakten en aanstootgevend’ werk waarmee de ambtelijke wanden niet te behangen waren”. De BKR-kunst werd aanvankelijk opgehangen in (semi)overheidsinstellingen. Ook niet van oorsprong Nederlandse kunstenaars werden vanaf 1972 toegelaten tot de BKR, in totaal waren het er 860, waaronder Marina Abramovic, Barbara Bloem, Marlene Dumas en Sam Middleton.

Vanaf 1969 groeide het aantal kunstenaars dat deelnam en bijgevolg het aantal werken. Aangezien de BKR een openeindfinanciering had ontstond er niet alleen een financieel probleem, maar was het opslaan van de kunst een probleem. De regels werden aangescherpt tegen de zin van de kunstenaars en hun belangverenigingen. Een aantal keren werd de Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum bezet, omdat kunstenaars tijdens hun leven erkenning wilden en niet in armoede wensten te sterven. En natuurlijk komt de creativiteit van kunstenaars aan bod om de regeling voor hen maximaal op te rekken.

In de jaren tachtig – waarin bezuinigd moest worden, onder de kabinetten Lubbers – vond men dat zo’n luxe regeling niet te handhaven was. De regeling werd afgebouwd. Cultuurminister Eelco Brinkman kreeg bij de protesten een taart in zijn gezicht en Minister De Graaf vluchtte voor een spuitbus. De BKR en werd beëindigd op 1 januari 1987. De kunstenaars moesten voortaan naar het arbeidsbureau. Daar bleek dat kunstenaar geen erkend beroep was! Ze lieten zich omscholen, zochten ander werk of vroegen een uitkering aan.

Fransje van Kuyvenhoven besteedt ook aandacht op wat er na de BKR kwam, zoals het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (1987) en de WIK (1999-2012). Daar werden subsidies voortaan ondergebracht. In 1999 kwam de WIK.

Kuyvenhoven volgt nauwgezet de historie van de BKR, maar doet dat op een toegankelijke manier. De uitgave is verluchtigd met berichten uit kranten, fotomateriaal, mooie reflecties en afbeeldingen van kunstwerken. Veel anekdotes dragen bij aan een levendig verhaal. Zoals een schilderij van Ernst Vijlbrief dat op het politiebureau Warmoesstraat in Amsterdam als dartboard gebruikt werd. En het idee van Jeroen Henneman om de werken die afgestoten werden in kubussen samen te persen en op elkaar te zetten tot een ranke zuil: “Dan worden de losse voorwerpen samengebald tot een kunstwerk en wordt na jaren de regeling die dit tot stand bracht gehonoreerd.” Letterlijk een Monument voor de BKR. Dat idee is overigens niet gerealiseerd.

In totaal had het rijk 221.000 kunstwerken in bezit en de deelnemende gemeenten 300.000. De opslag, het inventariseren, beheren van de kunst was een voortdurend probleem (te weinig ruimte, te weinig personeel; kunst was in containers opgeslagen, zonder klimatologische maatregelen) en toen aan het eind werken moesten worden afgestoten, teruggeven, verkocht, verspreid ontstonden er weer nieuwe problemen. Uiteindelijk werden 201.000 kunstwerken uit de Rijkscollectie uit de BKR verwijderd. Bij het opschonen van de depots kwam werk van Lotti van der Gaag, Co Westrik en Anton Martineau tevoorschijn. Dankzij de BKR bezit het Rijk onder meer veel vroeg werk uit de Cobra-periode. Het afstoten van kunst uit de BKR gaat nog steeds door via online Veilinghuis Veilet.

Het Gorcums Museum, het Purmerends Museum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed laten tot in mei 2021 in twee tentoonstellingen kunst zien die gemaakt werd tijdens de BKR. De afbeeldingen in het boek van Fransje Kuyvenhoven vormen daarvan de catalogus. Dit boek is een prachtig monument voor de BKR geworden.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De tentoonstelling over de BKR loopt nog tot 9 mei in het Gorcums Museum, mogelijk is deze komende maanden weer te bekijken

Recensie door: Chris Reinewald
4/5

Hoe de BKR kwam en verdween

[Recensie] Tegenwoordig staat BKR voor het Bureau Krediet Registratie. Tot 1987 betekende dezelfde afkorting echter Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR). Bij het begin in 1949 heette de sociale regeling ‘contraprestatie’: kunstenaars die niet van hun werk konden leven ontvingen een uitkering in ruil voor hun werk – als tegenprestatie.
Fransje Kuyvenhoven schreef de geschiedenis van de uniek Nederlandse kunstenaarsondersteuning, die verdween omdat het bijna vijftig jaar ‘regeling’ bleef en nooit wet werd. Als ervaringsdeskundige lees je het boek met andere ogen.

Vanaf de jaren zeventig zagen ‘BKR-gebruikers’ – de benaming suggereert verslavingsverschijnselen – als een verworven recht. De neoliberale politiek, eind jaren tachtig, oordeelde anders. Steeds meer BKR-kunstenaars brachten steeds meer kunst voort. Depots raakten overvol met zo’n 200.000 minder gewenste en slecht gedocumenteerde kunstobjecten. En zo kwam aan het ooit goed bedoelde, maar cultuurpolitieke wangedrocht, een eind. Het slechte imago van de BKR duurt voort. Nog in 2018 maakte politicus Eric Wiebes (VVD) zich als Zomergast op tv nijdig over de ‘ondermaatse’ BKR-kunst. Achteraf meldde de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) fijntjes dat Wiebes de abstracte composities van Josef Ongenae op zijn werkkamer zelf had uitgekozen en dat ook die kunst was “verworven in het kader van de BKR-regeling”. Deze Rijksdienst in Amersfoort beheert nu een tot 20.000 stuks terug gebracht deel van de ooit tien keer grotere mammoetcollectie. Deze selectie is beschikbaar voor uitleen aan overheden en musea. Het promoten van deze BKR-collectie is mede een reden voor Kuyvenhoven, werkzaam bij de RCE, om dit boek te wijden aan de vermaledijde regeling.

Ambitieluwe types

Strategisch opent zij het kloeke boek niet met argumenten, maar met een chronologisch beeldkatern vol BKR-kunst, vooral schilderijen, later echter ook sieraden en keramiek. (Uiteraard leende de opkomende performance- en conceptkunst zich minder om fysiek te verwerven.) Bij deze zichtbare ‘BKR-kunst’ zien we veelal vroeg werk van Cobra-leden, Armando, Co Westerik en Marlene Dumas, die inmiddels hoge prijzen op internationale veilingen behalen. Dumas zegt verderop in het boek dat ze na korte tijd BKR in Tilburg les ging geven, waardoor de uitkering stopte. Veel BKR-werk is zeker niet altijd eredivisie, maar toch ook niet zaterdagmiddagamateurs 4e klasse. Toch bepaalde niet de artistieke kwaliteit maar de sociale situatie en de professionaliteit van een kunstenaar – aanvankelijk eerst alleen voor mannen! – het criterium om in de BKR te komen. De BKR fungeerde als stimulans voor een gezonde beroepspraktijk. Toch bleven veel ambitieluwe types in de BKR plakken; ten koste van beginnende concullega’s. Buiten en binnen de kunstwereld gingen hardnekkige geruchten over kunstenaars die alleen hun penselen in verf doopten als er ingeleverd moest worden en verder flierefluitend naar het café gingen. (Ik kende overigens een jonge kunstenaar die antiquarische boeken verzamelde, een amateurcursus modeltekenen gaf en inderdaad een week per jaar etsen maakte – waarvan hij leefde – voor de BKR.) Wat ook niet hielp was dat Gerard Reve ergens schreef over een kunstenaar die overdag voor de contraprestatie abstract schilderde en ’s avonds realistisch – voor zichzelf.

Kuyvenhoven ontzenuwt zulke Indianenverhalen (nog natte olieverfschilderijen inleveren) en ook de mythe dat de contraprestatie in 1949 was opgericht als beloning voor kunstenaars-uit-het-verzet. Saillant detail hierbij is dat tijdens de Bezetting in Nederland voor het eerst juist sprake was van een doortimmerd cultuurbeleid onder NSB-voorman Toby Goedewaagen. Echt fris was het natuurlijk niet. Hiervoor moest een kunstenaar zich aanmelden bij de Nederlandse Kultuurkamer en niet joods, communistisch, avantgardistisch of non-figuratief zijn.
Geaarde kunst door de staat gekocht 40-45

Normaal

Na 1949 worstelde elke minister van sociale (!) zaken met het BKR-hoofdpijndossier. Het was ook lastig uitleggen aan de bühne: waarom wel geld gegund aan een beeldend kunstenaar en niet aan een acteur tussen twee producties of muzikant zonder contract? Aan de kant van de verstrekkers klopte het ook niet echt. Zo was het begrip ‘kwaliteit’ taboe bij de beoordelingscommissies met daarin ambtenaren en kunstenaars. Hierin school een zekere willekeur: mede-kunstenaars in de commissie moesten namelijk collega’s beoordelen. Het zou daarom bij een aanvraag helpen als je iemand-van-de-commissie kende. Wat bij de professionaliteit van de gebruiker telde was of hij een diploma van de kunstacademie bezat. De Achterhoekse schilder en voormalige AKI-student Bennie Jolink was bijvoorbeeld een tevreden ‘BKR-gebruiker’ toen hij zijn band Normaal begon, hetgeen aanvankelijk nog weinig inkomsten genereerde.
Kuyvenhoven kruidt haar doorwrochte beleidsgeschiedenis met meer sprekende anekdotes. Zoals over de in de stad, afgewezen schilder die daarom verhuisde naar een dorp waar hij als enig kunstenaar wel BKR ontving. Maar toen de commissie na een paar keer zijn ‘U-blauw/zigzag’ composities zat was stuurde ze hem alsnog de bijstand in. Binnen kunstenaarsvakbonden werden kunstenaars steeds vindingrijker in het bespelen van de bureaucratische regelgevingen. De overheid stelde de BKR negen keer in grote lijnen bij en dertig keer op details. Ga er maar aan staan. Getrouwde vrouwen werden gediscrimineerd als aanvraagster. Omgekeerd kreeg een kunstenaar geen BKR als zijn vrouw een baan had. En mocht een buitenlandse kunstenaar, opgeleid en gevestigd in Nederland eigenlijk wel aanvragen?
Praktisch waren er ook haken en ogen. Verkocht je iets op de vrije markt dan ging die verdienste af van je BKR. Begrijpelijk. Maar om dit te voorkomen vroegen sommige kunstenaars net zulke fictieve en hoge verkoopprijzen voor hun werk als hun BKR-uitkering. Daardoor waren ze weer te duur voor de markt, bleven hun werkstukken onverkocht en zij veilig in de BKR. Ondertussen belandde er veel meer ongewenste kunst in overheidsbezit. Eerst konden ambtenaren daar hun werkvertrekken mee versieren. Noodgedwongen stalde men de uiteindelijk 200.000 objecten in steeds voller rakende, slecht geoutilleerde depots. Er klonken protesten. Grillige regelgeverij, verwaarlozing van hun ‘aangekochte werk’ (dat zelfs niet geleend mocht/kon worden voor exposities – want onvindbaar opgeborgen) veroorzaakten kunstenaarsprotesten. De activistische Bond van Beeldende Kunstenaars (BBK) bezette het Rijksmuseum en Stedelijk Museum in Amsterdam. Zo verspeelden kunstenaars de sympathie van het publiek. Een liberalere afsplitsing, BBK ’69 (door de BBK ‘poloclub’ genoemd) vond zulke acties te ver gaan.

Wladiwostok

Aan die bezettingsacties begin jaren ’80 bewaar ik als net afgestudeerd kunstenaar, afgewezen voor de BKR en BBK-lid gemengde herinneringen. Ik schreef onbetaald voor het vakbondsblad, BBK-krant en deed verslag. Het verschijnen van Kuyvenhovens BKR-boek bezorgde mij daarom een wee gevoel. Ik voelde de weerzin van destijds om met bureaucratische regelgeverij en politieke actie bezig te moeten zijn. “We” bezetten het Stedelijk Museum in Amsterdam, althans de Nieuwe Vleugel die voor (ook steeds minder gewenste) groepsexposities van kunstenaarsverenigingen bestemd was. Directeur Edy de Wilde had zijn sterkste conservator (industriële vormgeving) ingezet voor ordehandhaving. Zolang de bezetters met hun “aksiesentrum” maar in de Nieuwe Vleugel bleven kneep men een oogje toe. Eerder werd in het Rijksmuseum notabene in de Erezaal onder de Nachtwacht gekampeerd en overnacht. In het boek vinden we daarvan vermakelijke krantenknipsels uit NRC en Volkskrant die op de hand van de kunstenaars lijken maar toch niet echt partij kiezen. Tijdens de bezetting van het Stedelijk ontvingen de actievoerders uit het hele land steunbetuigingen. Niet alleen uit noordoost Groningen. Nee, zelfs van de kameraden-kunstbroeders uit Wladiwostok. Ik was onder de indruk… hoe? Een vriendelijke oudere kunstenares hielp mij uit de droom. Dacht ik nu werkelijk dat…? Nee, dat was de BBK-humor van het Stalinistische drankorgel dat als onverzoenlijke actievoerder de fakkel brandende hield. Zo kwam ik er achter dat BBK communistisch geïnspireerd was en het zaaien van onrust en verwarring als strategie gebruikte. Toen er in de Tweede Kamer beslist werd over het voortbestaan van de BKR vulde de publieke tribune zich met BBK’ers die kort ervoor in de Haagse binnenstad vuurwerk waren wezen kopen om af te steken. Lobby’en was niet echt aan ze besteed. Alleen Marius Ernsting (CPN) leek zich sterk te maken voor ‘onze’ zaak. Dit was voor mij het moment de BBK de rug toe te keren. Wat ook bij het geloof der kameraden speelde was dat kunstenaarsinitiatieven, waar ik ook bij betrokken raakte, afgekeurd werden omdat je daarmee de regering in de kaart speelde. En ze hielden je uiteraard af van de (klasse)strijd. Los van een enkele gevestigde kunstenaar die zijn BKR bestemde om het alternatief kunstenaarscircuit te financieren bleek oud en gevestigd BKR-kunstenaar niet gediend van jonge concurrenten. Kuyvenhoven gaat – begrijpelijk – niet al te diep op de kunstenaarsvakbonden in.
In 1987 beëindigden cultuurminister Elco Brinkman (CDA) en zijn Zeeuwse rouwdouwerige staatssecretaris Louw de Graaf (CDA) de BKR. De BBK-krant beeldde De Graaf steevast af met brede kap als het Zeeuwse meisje: geen cent teveel.

Na de BKR volgde een uitgewogener, op individuele kunstenaars gericht (WIK)subsidiesysteem. Deze draaide Halbe Zijlstra (VVD) in 2012 definitief de nek om – nadat hij met verdachtmakingen de hele cultuursector geschoffeerd had. De dreun klinkt nog steeds na. Nu bestaan er nog subsidies voor een select groepje kunstenaars als ‘bewezen talent’ en verder diverse projectfinancieringen. Hiervoor dient de aanvrager ernstig tijdrovende procedures te ondernemen. Ontmoediging lijkt hierbij de achterliggende gedachte.

Uitgebreide versie van korte besprekingen in Museumtijdschrift en kM

Bijbehorende exposities:
Een monument voor de BKR, Museum Gorcum (tot 9 mei 2021)
Keramiek uit de Rijkscollectie. Vier decennia BKR, 1949-1987, Purmerends Museum (tot 16 mei 2021)

Samenvatting

‘In de BKR zitten’ of ‘in de Contraprestatie’ zoals de regeling in het begin werd genoemd, was in de jaren 1949-1987 een begrip in Nederland. De Beeldende Kunstenaarsregeling bood kunstenaars die niet van hun werk konden leven, een tijdelijk inkomen in ruil voor kunstwerken. De regeling was geliefd bij kunstenaars, meer dan 5.600 maakten er op enig moment gebruik van, maar de regering vond haar te duur en zette er na 38 jaar een punt achter.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bezat in 1987, 221.000 schilderijen, tekeningen, grafiek, beelden, sieraden, objecten, video’s, etcetera. Ruim 200.000 werken zijn geschonken aan instellingen, teruggegeven aan de makers en overgedragen aan de kunstuitleen. De Rijksdienst heeft er 20.000 gehouden. Ze worden uitgeleend aan musea, ministeries, ambassades en aan tentoonstellingen en manifestaties.

In dit boek, rijk geïllustreerd met een selectie van 100 topstukken, beschrijft Fransje Kuyvenhoven de turbulente geschiedenis van deze unieke regeling. Met recht ‘een monument voor de BKR’.

Toon meer Toon minder
€ 35,00

Verwachte leverdatum: vrijdag 05 maart


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789462623118
Verschijningsdatum
november 2020
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
654: Kunstgeschiedenis
Categorieën

Uitgever
Waanders Uitgevers

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden