Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Gods huis in de steigers

Religieuze gebouwen in ontwikkeling

Auteur(s): O.G.A. Verkaaik
Taal: Nederlands
2 recensies
Gods huis in de steigers
Gods huis in de steigers

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Jos Palm

De bijwoners willen tempels

Gebedshuizen

Drie antropologen reisden langs kerken, moskeeën en synagogen om te bepalen wat mensen bezielt om een gebedshuis te bouwen of te behouden.

[Recensie] God heeft het maar moeilijk in de openbare ruimte. Zijn kerken staan leeg, klaar voor de sloop, en met zijn nieuwe bedehuizen, de moskeeën, gaat het ook niet echt lekker: ze zijn vaak weggestopt op onherbergzame industrieterreinen, aan nieuwbouwrafelranden van de stad geplakt, of ze zijn – behalve dan voor de gelovigen – dikwijls nauwelijks als zodanig herkenbaar. En indien ze dat wél zijn, komt er vaak gezeur van, want menig burger wil zogezegd liever geen gebedsoproep horen in zijn achtertuin.

Het is met de religieuze bouwwerken, kortom, net zo gesteld als met de godsdienst zelf, ze dreigen een randverschijnsel te worden. En waar marginaliteit is verschijnen algauw antropologen om in het spoor van de minderhedenfilosoof Foucault de marginaliteit als fundamenteel maatschappelijk fenomeen te duiden.

Zo ook in het geval van de verdwijnende kerken en de vaak onwelkome moskeeën. Het is, zo concluderen drie antropologen, geen afvalproduct dat nu eenmaal hoort bij een seculiere samenleving die het geloof afschudt. Het tegendeel is veeleer het geval: het is een fenomeen dat inzicht kan geven in onze omgang met religie, en met de ‘bijwoners’ van de moderniteit die min of meer verdwaald in de samenleving nog geloof belijden of dat om andere redenen van waarde achten.

En dus schreven ze een boek, om recht te doen aan de religieuze restmensen, en om, zoals het hoort bij antropologen, de vanzelfsprekendheden van de dominante cultuur te ondermijnen. En het moet maar meteen gezegd: het is ze gelukt. In dit boek geen antropologische luchtfietserij die het vak vaak ontsiert, maar er wordt in gewone taal uitgelegd wat mensen bezielt die een godshuis willen bouwen of behouden.

De lezer wordt meegenomen naar moskeeën in aanbouw, naar kerken met een nieuwe bestemming en naar moderne synagogen. En telkens blijken verwachtingen niet overeen te stemmen met de werkelijkheid. Want die is veel ingewikkelder dan onze tweedeling in modern en anti-modern veronderstelt. Zo blijkt een architectonisch eigentijdse moskee juist uitstekend te passen bij de wens naar eenvoud en herbronning van puriteinse jonge moslims. En zo is een opgetuigde poldermoskee in Almere niet zozeer het gevolg van islamitische geloofsdwang, maar van de ambtelijke wens op de zogeheten Reli-boulevard iets herkenbaars te hebben, bij voorkeur met twee minaretten. En dan is er nog die kerk in hip Amsterdam-West, de Chassékerk. Deze wordt gered door ongelovige of ooit gelovige buurtgenoten, die de draad met de westerse christelijke geschiedenis niet willen doorsnijden – ondertussen zijn de biechthokjes in gebruik als wc, en de gebeitste kruisjes uit wijwaterbakjes verwijderd in het tot dansstudio verbouwde godshuis.

Het boek brengt ons in het hart van een soort latente cultuuroorlog: die tussen westers liberaal zelfbesef en orthodox islamitisch levensgevoel. ”’Lager dan twee meter geen glas’ is de stelregel bij menig te bouwen islamitisch gebedshuis, dan meppen de stenengooiers boven hun macht”, aldus een architect.

Bezorgde buitenwacht

Nog helderder wordt de tegenstelling bij de totstandkoming van de Essalammoskee, een megamoskee in Rotterdam. Dit bouwwerk van middelgroot formaat wordt hardnekkig aangezien voor de grootste moskee van Europa, zowel door de gelovigen zelf als door de bezorgde buitenwacht. “Hoger dan de Kuip”, “toonbeeld van moslimdominantie”, klagen buurtbewoners. “De omvang van een nieuwe moskee wordt vrijwel altijd gezien als een provocatie”, pijnlijk voor “het inheemse zelfbegrip”, schrijft een van de antropologen. Hij wandelt met zijn alter ego, meneer Visser, door Rotterdam en ze concluderen dat “deze suikertaart” een deel van het probleem is. Het tierlantijnenbouwsel zou representatief zijn voor de megalomane dromen van wat Visser “de tegenmens” noemt: de Sapiëns die geloof en orthodoxie belangrijker vindt dan kunst en beschaving.

Dit soort observaties maken dit boek tot een even leerzame als aangename ervaring. Want al is de auteurs de antropologenreflex van overmatige solidariteit met hun onderzoeksobject niet vreemd, ze vliegen nergens uit de bocht. Ze maken het zichzelf ook niet gemakkelijk. De aversie tegen een moskee en het verlangen erkend te worden als redelijk en tolerant burger zijn vaak in één persoon verenigd, schrijven ze, met begrip voor de ‘MoskNee’-mens én voor het eigenlijke onderwerp van hun boek, de gelovige die zijn tempel wil. Kennis van het ‘vreemde’ andere leidt als vanzelf tot verbeterde kennis van het bekende. Hadden we maar meer van zulke antropologen.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad

Recensie door: Marijke Laurense

Iconische godshuizen

[Recensie] Kerken herken je aan klokkentorens en kruisen, moskeeën aan minaretten en koepels en synagogen aan davidsterren en hoefijzerboogjes. Zo wil althans het traditionele beeld sinds we hier godsdienstvrijheid hebben, want voor die tijd schuilden niet-gereformeerden in veelal architectonisch neutrale onderkomens, die vooral geen aanstoot mochten geven.

Maar sinds de grondwet van 1848 verrezen er neogotische katholieke kerken met hoge, fiere torens en synagogen in de oriëntaalse stijl uit Andalusië – de 19e eeuw zag nog niet zo’n onderscheid tussen Joods en Moors. En vandaag de dag ruilen de moslims hun gebedsruimtes in oude scholen in voor trotse en herkenbare moskeeën, die niet zelden uitdagend claimen ‘de grootste’ van het land of zelfs Europa te zijn. Tot ergernis (of erger) van hun tegenstanders, die zere ogen krijgen van wat ze uitheemse ‘kitsch’, ‘heimweehuizen’ en ‘suikertaarten’ noemen.

Oskar Verkaaik (1963), hoofdauteur van Gods huis in de steigers, Religieuze gebouwen in ontwikkeling, houdt zich verre van de vraag wat er mooi of lelijk en goed of fout is aan religieuze gebouwen. Als antropoloog is hij vooral geïnteresseerd in hoe een zo bij uitstek immateriële zaak als religie zintuigelijk kenbaar wordt gemaakt, in dit geval in de architectuur. Hoe roept een gebouw religieuze emoties en ervaringen op? Waardoor leidt het tot aversie of trots bij de gelovige gebruikers en mogelijk andersgezinde omwonenden? Volgens Verkaaik komt het aan op hoe ‘iconisch’ dan wel ‘gewoon’ het gebouw is. Trekt het aandacht, lijkt het misplaatst of voelt het juist vertrouwd en veilig?

Liftschacht als minaret

Een groot deel van Gods huis in de steigers gaat over nieuwe moskeeën in Nederland, die steeds moderner en minder nostalgisch ogen, zeker aan de buitenkant. Zoals de strakke ontwerpen van Gerard Rijnsdorp (Amersfoort, Leiden, Almere) of de moskee in Hoofddorp, waarvan de glazen minaret de vorm heeft van een liftschacht. Ook een sfeervolle locatie is geen vereiste: een bedrijventerrein heeft als voordeel dat je geen gedonder met de buurt hebt over minaretten en parkeeroverlast.

Verkaaik constateert zelfs dat lang niet alle moskeegangers hechten aan grote (en dure!) koepels en minaretten. Vooral jongere puriteinen vinden die nergens voor nodig, daar de allereerste moskee waar Mohammed indertijd in voorging, ook geen minaret of gebedsnis had. Het brengt Verkaaik tot de ironische conclusie dat het Zwitserse verbod op minaretten dus eerder traditionele en vreedzame dan geradicaliseerde moslims treft.

City-branding

Ook de hedendaagse synagogen komen royaal aan bod. Vooral in Duitsland is recent een aantal hoogst iconische, onmiskenbaar nieuwe synagogen gebouwd, waar nauwelijks meer een spoortje heimwee en Moorse stijl aan te ontdekken valt. Weinig oude synagogen hadden immers de kristalnacht en geallieerde bombardementen overleefd; een deel daarvan is inmiddels zorgvuldig gerestaureerd en herbouwd. Sinds enkele decennia geldt dat echter als bijzonder onsmakelijk, omdat dat suggereert dat er ‘niets’ gebeurd is.

Het leidde tot opmerkelijk innovatieve constructies in Dresden, Mainz en Duisburg, die volgens Verkaaik meer dienen als boetedoening en ‘city-branding’ dan als religieus gebouw, te meer daar de Joodse gemeenschap inmiddels voornamelijk bestaat uit atheïstische Russische immigranten. Anders ligt dat in Nederland, waar in Deventer en Middelburg vervallen synagogen opnieuw zijn ontdekt, in gebruik zijn genomen en zelfs tot nieuwe joodse gemeenten hebben geleid.

Wc’s in de biechthokjes

Over nieuwe iconische christelijke kerken wordt minder vrolijks gemeld: de hoofdstukken van Daan Beekers gaan vooral over leegstand, omstreden hergebruik en pijnlijke sloop. Zoals over de Amsterdamse Chassékerk, die is omgebouwd tot danscentrum en waar de biechthokjes nu dienst doen als wc’s, zo wordt althans beweerd.

Een sprekend voorbeeld van hoe lastig en emotioneel de herbestemming van een kerk kan zijn, levert de huidige Fatihmoskee in Amsterdam, in de voormalige jezuïetenkerk De Zaaier. Die overigens zelf in 1899 via een stroman het failliete verenigingshuis van de Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis had overgenomen. Tot woede van de antiklerikale socialisten, die weigerden de sleutels over te dragen aan ‘de zwartrokken’.

De overgang in 1981 van kerk naar moskee verliep evenmin soepel, ook omdat volgens het bisschoppelijke verkoopbeleid de herbestemming waardig en waardenneutraal moest zijn – liever slopen dus dan een disco of moskee erin. Onder de gebruikers zijn de meningen verdeeld: sommige voormalige gebruikers hebben nog lang in de straat gebeden dat het gebouw weer een kerk zou worden of vinden het maar niks dat de monumentale ingang is afgesloten met een gebedsmuur, terwijl een nieuwe gebruiker tijdens het gebed het onaangename gevoel kreeg dat er ‘een andere god meekeek’. Anderen vinden het juist mooi dat het gebouw als gebedshuis is behouden.

Maar zelfs als kerkbestuur en gelovigen het erover eens zijn dat slopen beter is dan ontheiligen, dan moeten ze tegenwoordig rekening houden met flink verzet uit de buurt. Verrassend detail: dat gaat niet zelden uit van overtuigde atheïsten, die nooit een stap in een kerk zetten, maar wel hartstochtelijk opkomen voor wat ook zij als hun vertrouwde culturele erfgoed zien.

House of One

Aan het slot van ‘Gods huis in de steigers’ concludeert antropoloog Verkaaik dat religie in onze moderne tijd nog altijd springlevend is – en dan heeft hij de hindoestaanse tempels en de nieuwste ‘refodomes’ op de Veluwe en in Zeeland nog niets eens genoemd. Of voorspellingen gedaan over de immigrantenkerken, die straks ook hun eigen gebouwen zullen willen hebben. Hij ziet zelfs een multireligieus centrum in Moorse stijl voor zich met een kerk, een moskee en synagoge onder één dak. Nu, wat dat laatste betreft kon hij al binnen een paar jaar gelijk krijgen, als het project ‘House of One’ de financiering rond heeft, om op de fundamenten van oude Petruskerk in Berlijn drie gebedshuizen plus een centrale ontmoetingsruimte in één gebouw te combineren. En dan niet intiem Andalusisch, maar strak, modern en tweeëndertig meter hoog. De ambities zijn inderdaad iconisch.

Eerder verschenen in Trouw en op Marijke Laurense

Samenvatting

Controverses om nieuwe moskeegebouwen, restauratie van vooroorlogse synagogen, herbestemming van leegstaande kerken: de discussies over religieuze gebouwen vertellen veel over de veranderende plaats van religie in Europa. Dit boek neemt deze strubbelingen onder de loep. Waarom zijn nieuwe synagogen in Duitsland zo modern en nieuwe westerse moskeeën vaak zo conventioneel? Zijn kerkgebouwen symbolen van het christendom of juist iconen van de ontkerkelijking? Hoe materialiseer je de moderne behoefte van burgers aan rust en waarom ervaren buurtbewoners een nieuwe moskee vaak als visuele herrie?

In acht essayistische reportages verkennen drie antropologen de hedendaagse religieuze architectuur en ontwikkelen zo een originele visie op het dynamische religieuze landschap in Nederland en daarbuiten. Moskeeën, synagogen en kerken doen namelijk meer dan religie faciliteren en symboliseren; de intieme relatie die we aangaan met religieuze gebouwen raakt - in positieve en negatieve zin - het wezen van wat religie tegenwoordig is.

Dit boek biedt een antropologische blik op de hedendaagse beleving van religie in Nederland en Europa, aan de hand van etnografische reportages over de bouw, sloop of herbestemming van moskeeën, synagogen en kerkgebouwen.

Toon meer Toon minder
€ 20,99

Verwachte leverdatum: dinsdag 21 september


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789462982895
Verschijningsdatum
mei 2017
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
600: Non-fictie informatief/professioneel algemeen

Uitgever
Amsterdam University Press

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden