Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Troost in filosofie

Auteur(s): Boëthius
Taal: Nederlands
0,25/5
3 recensies
Troost in filosofie
Troost in filosofie
Troost in filosofie

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door:

‘Eerder therapie dan klaagzang’

Boëthius’ Troost in filosofie in de vertaling van Piet Gerbrandy is een verontrustend modern boek.

[Recensie] “Een zanger was ik ooit van bloeiende gedichten,/ nu is het slechts nog droefenis wat ik speel./ De Muzen die mijn pen bestuurden zijn gehavend,/ de tranen van mijn verzen zijn oprecht.” Met deze zwaarmoedige woorden begint Troost in filosofie, een uit proza en poëzie bestaand boekwerk van de vroegmiddeleeuwse denker Boëthius (ca. 480-525).
Onlangs kwam deze tekst uit in een zeer soepel lezende vertaling van dichter en classicus Piet Gerbrandy, die ook een lucide inleiding bijvoegde. In deze introductie vertelt Gerbrandy over het turbulente leven van Boëthius, die aanvankelijk een hoge ambtenaar en lieveling van de Oost-Gothische vorst Theodrik was, maar later door allerlei politiek gekonkel in ongenade viel. De koning liet hem zelfs executeren.
Troost begint dramatisch: de hoofdpersoon, die we volgens Gerbrandy vooral niet moeten vereenzelvigen met Boëthius, bevindt zich in de gevangenis en beklaagt zich over zijn lot. Terwijl hij in zelfmedelijden zwelgt, krijgt de man plotseling bezoek van een statige vrouw: de personificatie van de filosofie. Streng wijst ze hem terecht: “Dit moment vraagt eerder om therapie dan om een klaagzang.” Daarop roept de man dat er in de wereld geen rechtvaardigheid bestaat. Hij heeft zijn vorst altijd naar eer en geweten gediend, maar raakt nu plotseling uit de gratie.
Vrouwe Filosofie ontvouwt twee theorieën om het lijden van de gevangene te verlichten: de stoa en het neo-platonisme. Volgens het stoïcisme moet de mens zich alleen zorgen maken over onheil waarop hij invloed heeft.

Onplezierige zaken die buiten zijn macht liggen kan hij het beste accepteren. Daarom stelt Vrouwe Filosofie dat de hoofdpersoon uit Troost zich niet moet wentelen in zelfmedelijden, want dit vertroebelt zijn denkvermogen. Hij moet streven naar geestelijke rust en emotieloosheid.

De tweede troostrijke theorie is die van de neoplatonisten. Volgens hen leeft de mens in de gebroken wereld van de veelheid, die door duisternis en kwaad gekenmerkt wordt. Diep in zijn binnenste is de mens echter ongeschonden: dankzij zijn ziel heeft hij de mogelijkheid om terug te keren tot het Ene. Dit hoogste principe wordt door Boëthius vereenzelvigd met de christelijke God. Eén worden met God betekent uitdrukkelijk dat de mens zich terugtrekt uit de wereld van de materie, inclusief zorgen over een verblijf in de gevangenis.

Piet Gerbrandy wijst er terecht op dat de stoa en het neoplatonisme een schrale troost vormen van de gevangene. Je kunt je zelfs afvragen of Troost in filosofie wel werkelijk een ‘troostboek’ is. De gevangen hoofdpersoon krijgt van Vrouwe Filosofie namelijk nooit een concreet antwoord op zijn vragen. Wellicht gaat het hier om botsende perspectieven: de actieve mens die graag zijn eigen leven en de wereld verbetert versus de contemplatieve filosoof. Hoe dit ook zij: Gerbrandy’s vertaling en duiding van Troost maakt de middeleeuwse klassieker een verontrustend modern boek.

Eerder verschenen in Volzin

Recensie door: Roeland Dobbelaer
5/5

Verplichting tot voortreffelijkheid

[Recensie] Eerste Paasdag 2019. We worden opgeschrikt door de aanslagen van moslimextremisten op kerken en hotels in Sri Lanka. De zorgen zijn meteen groot, mijn zwager en schoonzus en hun kinderen zijn op vakantie in het land en logeren die nacht in Negombo, een van de steden waar aanslagen zijn gepleegd. Na een half uur contact zoeken halen we opgelucht adem, ze blijken vroeg in de ochtend al uit hun hotel vertrokken te zijn naar een andere locatie, een natuurgebied in het noorden. Gelukkig, ons blijft verdriet bespaard. Voor vele andere families, in Sri Lanka en daarbuiten, geldt dat helaas niet.

We zouden op weg gaan naar Venray, om er de mis bij te wonen ter nagedachtenis van mijn vader. Deze week is het alweer negen jaar geleden dat hij overleed. Door de zorgen om de gebeurtenissen in Sri Lanka vertrekken we later en missen we helaas de dienst. Vond ik het voorheen vervelend om een katholieke dienst te bezoeken, tegenwoordig staat het me niet meer tegen. Ook de brand in de Notre-Dame eerder die week greep me meer aan dan ik had kunnen bedenken. Naarmate de leeftijd vordert grijpt het gemoed steeds meer terug op mijn katholieke ‘roots’. Op weg naar Noord-Limburg (mijn geliefde rijdt altijd als we op weg zijn; ik lees dan) begin ik in Troost in filosofie van de zesde-eeuwse staatsman en filosoof Boëthius. “Ben wel toe aan een beetje troost…”, denk ik.

Plato

Boëthius was een Neo-Platonistische denker van aanzien. Hij schreef commentaren op het werk van veel Griekse filosofen, voornamelijk Aristoteles en Plato en vertaalde werken van hen uit het Grieks naar het Latijn. Naast zijn filosofisch werk was hij Romeins staatsman. We schrijven het jaar 523 n. Chr., het zijn de nadagen van het West Romeinse Rijk, waarvan de resten onder gezag staan van de Ostrogoot Theodorik, koning van Italië. De koning kan niet zonder het netwerk van de Romeinse magistraten en veel bestuurlijke structuren van eeuwen terug zijn dan nog in tact. Boëthius heeft verschillende bestuurlijke rollen. Hij is eerst consul en later ‘magister officiorum’, chef van de staf van de koning. Dan wordt hij in 523 plotseling gearresteerd op beschuldiging van hoogverraad. De filosoof-staatsman wordt ter dood veroordeeld. In afwachting van de voltrekking van het vonnis schrijft hij in de gevangenis Troost. In de uitgebreide en uitstekende inleiding bij Troost geeft classicus en vertaler Piet Gerbrandy een mogelijke verklaring voor de arrestatie van Boëthius. Als filosoof van naam en faam stond Boëthius in nauw contact met denkers in het Oost-Romeinse rijk. In die tijd ontstond er een steeds groter verschil van mening over theologische kwesties. Als staten waren de rijken al eerder gescheiden. “Theoderik, die niet katholiek was, maar zoals de meeste Germanen, een aanhanger van het arianisme [een vorm van christelijke ketterij/rd], had het conflict tussen Constantinopel en Rome als gunstig beschouwd voor zijn eigen positie, want hoe verder beide centra ideologisch van elkaar af stonden, des te meer bewegingsruimte had hijzelf,” aldus Piet Gerbrandy. Theodorik moest dus niets hebben van intellectuelen in zijn rijk, en zeker niet in zijn hofhouding, die nauwe banden hadden met denkers in het oosten. En deze contacten maakte Boëthius tot een potentiële spion.

Wanhoop

Het is nooit helemaal duidelijk geworden waarom Boëthius gearresteerd werd. In zijn cel probeert de wijsgeer zich te verzoenen met zijn lot. Hij schrijft Troost dat start met een verslag van zijn wanhoop:

“Een zanger was ik ooit van bloeiende gedichten,
nu is het nog slechts droefenis wat ik speel.
De Muzen die mijn pen besturen zijn gehavend,
de tranen van mijn verzen zijn oprecht.
Geen schrikbewind verjoeg die dappere godinnen:
zij bleven ondanks alles aan mijn kant.
Zij brachten mij succes en roem toen ik nog jong was,
nu troosten zij mijn droeve ouderdom –
ja, tegenslag heeft mij ineens zo oud doen worden
en mij de pijn gebracht die daarbij past…”

Dan komt er een edele vrouw in zijn cel, “ze had een buitengewoon eerbiedwaardig gezicht, vurige ogen die scherper leken te zien dan voor mensen gewoonlijk is weggelegd”. De vrouw is de personificatie van de wijsbegeerte. In het verdere boek noemt Boëthius haar ‘Filosofie’: “Nadat ik mijn ogen op haar had gevestigd en mijn blik aan haar had vastgehecht, herkende ik ineens mijn voedster, in wier huis ik van jongs af aan had gewoond.”

Filosofie neemt het woord en gaat in gesprek met Boëthius. Deze dialoog waarbij Filosofie voornamelijk het woord voert is een prachtige inkijk in het denken aan het einde van de oudheid en van het begin van de middeleeuwen. We kunnen natuurlijk voortdurend ons oor te luister leggen voor spirituele inspiratie in de tradities uit het verre oosten, maar ook de westerse cultuur heeft veel te bieden op dit gebied. De dialogen in Troost worden afgewisseld met gedichten, die of door Filosofie of door de ik-persoon in het boek worden voorgedragen. Boëthius deelt zo op zowel verhalende als poëtische wijze zijn inzichten. Het maakt Troost – en zeker de eerste hoofdstukken – tot een indrukwekkend en troostrijk boek.

Eigenlijk is heel het boek een pleidooi om het goede te doen, afstand te nemen van rijkdom, macht, aanzien, zintuiglijk genot en te kiezen voor zuiverheid en eenvoud. De rijken en machtigen krijgen er flink van langs. Filosofie heeft er niets mee op. De rijken misbruiken hun kennis en privileges voor het eigen gewin en hun verrichtingen staan haaks op wat het goede een mens zou zijn ingegeven. Boëthius, is de conclusie van Filosofie, is maar beter af in zijn huidige situatie, want die geeft hem de kans om terug te keren naar het ware leven.

“Toen ik je verdrietig had zien huilen, begreep ik direct hoe ongelukkig en ontheemd je was, maar zonder dit onthullende verhaal had ik me niet gerealiseerd hoe ver je van huis bent geraakt. Dat je vaderland zo ver is komt echter niet doordat je eruit verdreven bent, maar doordat je op drift bent geraakt. Je zou misschien liever de indruk wekken dat je verdreven bent, maar in feite heb je jezelf verdreven: niemand anders had dat ooit met jou kunnen doen.”

Filosofie verwijt Boëthius ook het verkeerde leven geleid te hebben. Nu hem alles is afgenomen, kan hij terugkeren naar zijn vaderland. “Je bent in de war doordat je vergeten bent wie je zelf bent, en daarom doet het je verdriet dat je verbannen bent en beroofd van al het goede dat je eigendom was.”

Ideeënleer 

Het boek zit vol met verwijzingen naar de ideeënleer van Plato. In ons ondermaanse rijk is niets perfect en is alles slechts een imperfecte afspiegeling van de ideale, eeuwig en onveranderlijke wereld. Later is dit idee omgevormd door het christelijke Neo-Platonisme tot het goddelijke van het christendom. Wij stervelingen kunnen slechts streven naar het ideaal, bereiken zullen we het nooit, maar wie streeft is goed bezig en wacht de hemel en wie zich laat afleiden door geld, rijkdom, macht en uiterlijkheden wacht de hel. Filosofie merkt op: “Maar kijk eens wat de eeuwige wet verordent. Breng je geest in overeenstemming met het goede: dan heb je geen rechter nodig die je beloont, want je hebt jezelf al in aanraking gebracht met wat uitmuntend is; of richt je geheel op het slechte: dan hoef je niet meer op zoek te gaan naar vergelding, want je hebt jezelf al tot verschoppeling gemaakt.”

Boëhius’ Troost in filosofie werd vanaf de achtste eeuw in de middeleeuwen een veelgelezen en populair boek. Je kunt Troost zien als een opmaat voor het middeleeuwse kloosterleven van contemplatie en ascese. Toch had Boëthius niet veel op met bidden, je kunt God niet beïnvloeden, alles is al voorbestemd, zo was hij van mening. Ook zie je in Troost al het hele idee van de ridderlijkheid voor je; van rijken (lees ridders) die de opdracht hebben het goede te doen. Noblesse oblige. We zetten Troost ook op de verplichte leeslijst voor de superrijken.

Troost eindigt misschien wat minder troostrijk dan Boëthius gewild moet hebben. Hij toont er zich een ware filosoof door de vraag over de vrije wil versus de voorzienigheid aan te stippen: “Volgens mij,” zegt de ik-persoon in Troost, “staat de gedachte dat God alles in één oogopslag van tevoren overziet lijnrecht tegenover de mogelijkheid dat er ook maar enige vrijheid tot zelfbeschikking is.” Het antwoord van Filosofie is niet helemaal bevredigend. Piet Gerbrandy zegt hierover: “Men moet zich de voorzienigheid niet voorstellen als een vaderlijke instantie die zich overal mee bemoeit. Het Ene is en blijft een abstractie, puur logische constructie, die buiten de tijd staat.” Eerder een metafoor, zegt Gerbrandy. Het vraagstuk over de vrije wil zou in de middeleeuwse scholastiek nog vele studies vergen. Vrij wil of niet, voor Filosofie moet je altijd het goede proberen te doen. Ze eindigt haar betoog:

“Keer je dus af van ondeugden, beoefen deugdzaamheid, verhef je geest tot juiste hoop en richt je nederig gebed tot de hemel. Jullie is, doe niet alsof dat niet zo is, onontkoombaar de verplichting tot voortreffelijkheid opgelegd, daar jullie handelen voor de ogen van een rechter die alles ziet.”

‘Verplichting tot voortreffelijkheid’, wat een prachtige term, mooi vertaald door Gerbrandy. En terwijl ik vandaag een week na Sri Lanka en een paar dagen na de sterfdag van mijn vader dit stukje type, met in mijn oren de heilige muziek van Arvo Pärt, voelt het allemaal weer wat meer in balans. Het goede proberen te doen, beste mensen, ondanks alle narigheid is een mooie opdracht, of die nu van god komt of van wie dan ook.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Recensie door: Thomas Heij


Een klassieker vanwege de tijdloze thema’s

[Recensie] In 523 werd Anicius Manlius Torquatus Severinus Boëthius, jarenlang een van de machtigste magistraten van het West-Romeinse rijk, plots ontdaan van al zijn macht en gevangengezet in Pavia. Hij werd het slachtoffer van een machtsstrijd aan de top. Een eerlijk proces werd het niet en de redenen voor zijn veroordeling bleven vaag. Niet veel later werd Boëthius op bevel van koning Theoderik, met wie hij zo goed bevriend was geweest, geëxecuteerd.

In zijn jaren in Pavia schreef Boëthius een persoonlijk en literair-filosofisch boek. Geïnspireerd door de situatie waarin hij verzeild was geraakt en het onrecht dat hem was aangedaan, zette hij zijn gedachtes op papier. Het resultaat, dat De consolatione philosophiae werd genoemd, zou uitgroeien tot een van de meest gelezen boeken in de Middeleeuwen en een klassieker in de filosofische canon. Onlangs verscheen onder de titel Troost in filosofie een gloednieuwe vertaling van de hand van Piet Gerbrandy, die zo meesterlijk is vervaardigd dat de lezer moeiteloos de bijna vijftien tussenliggende eeuwen overbrugt.

De vijf boeken van Troost (zoals Gerbrandy het afkort) beschrijven een gesprek tussen de ik-persoon – Boëthius – en Filosofie, een verpersoonlijking van de filosofie. Grofweg de eerste helft is een kritische beschouwing van het menselijk gedrag en werpt een aantal vragen op die in de tweede, opbouwende helft door Filosofie worden beantwoord. Boëthius gaat als het ware in therapie bij Filosofie, die hem probeert te troosten en op het rechte pad te krijgen.

De eerste boeken zijn vooral geïnspireerd door stoïcijnse en platoonse opvattingen, die aan de hand van aristotelische logica naar voren gebracht worden. Boëthius stemt gewillig in met de redeneringen van Filosofie. Prachtige beeldspraken worden afgewisseld met pakkende oneliners en prozastukken zijn doorregen met liederen. Neem dit fragment uit het vierde lied:

“Wie wolkeloos zijn leven op orde heeft,
het arrogante lot in de tang kan nemen
en zonder een spier te vertrekken beide vormen
van Fortuna recht durft aan te kijken,
hem zal de dreigende gekte van de zee
die vanaf de bodem haar golfslag omwoelt,
noch het rokende vuur dat de Vesuvius
onberekenbaar uit zijn schoorsteen uitbraakt,
noch de baan van de bliksem die vaak hoge
torens treft, ook maar even uit het veld slaan.”

Is dat geen prachtige belofte voor iemand die gevangen zit? Een typisch stoïcijnse houding bovendien, waarin Boëthius graag meegaat in afwachting van een antwoord op zijn vragen.

De grote vragen die Boëthius opwerpt, komen voort uit zijn penibele situatie: hoe moet hij zich verhouden tot het noodlot? Als er een god is, waar komt het kwaad dan vandaan, en waar komt het goede vandaan als er geen god is? Als God alles voorziet, bestaat er dan voor de mens wel vrijheid? Het zijn vragen die concreet en urgent worden in het licht van Boëthius’ gevangenschap.

In Boek II introduceert Filosofie het idee van het rad van fortuin. Wie zich laat meevoeren door het lot, is ook overgeleverd aan haar grillen. Geniet van de hoogtepunten, zegt Filosofie, maar weet wel dat je uiterlijk genot ooit weer kwijt zult raken en ‘niets is onfortuinlijker dan het besef succesvol geweest te zijn’.

Beter is het dus om niet te vertrouwen op uiterlijkheden als macht, roem, geld en genot. Roem en genot zijn maar beperkt en vluchtig, en met bezit komt altijd de zorg om het te verliezen en de zucht naar meer. Bovendien gaat het vergaren van geld vaak ten koste van anderen: ‘Wat een beperkte en armzalige rijkdom (…) die een enkeling niet kan krijgen zonder alle anderen arm te maken!’ Dit leest na al die eeuwen nog steeds als een actuele kritiek, denk maar aan de recente nieuwsberichten over het feit dat de rijkste één procent van de wereldbevolking meer dan de helft van al het vermogen bezit.

Filosofie lijkt hiermee ook te zeggen dat wat Boëthius is kwijtgeraakt er eigenlijk niet toe doet. In de tweede helft van Troosttoont Filosofie waar het volgens haar op aankomt. Kort gezegd is dat deugdzaamheid en een geloof in God. Vanaf dan wordt het werk een stuk abstracter en spreekt Filosofie vooral over goed en kwaad, en de goddelijke voorzienigheid.

In de twee laatste boeken concludeert Filosofie: al wat bestaat is goed en God voorziet alles. Dit onderbouwt ze met een ingewikkelde maar vernuftige filosofische oplossing. Ze onderscheidt de wereld om ons heen, die wij in de tijd kunnen waarnemen, van dat wat daaraan ontstijgt, het domein van God. Wat betreft goed en kwaad kan alleen God werkelijk oordelen, omdat hij alleen Hij het grote geheel doorziet. Dat doorzien doet God buiten de tijd, in een ‘eeuwig nu’, wat Filosofie ‘voorzienigheid’ noemt en onderscheidt van het ‘noodlot’ dat alleen gaat over afzonderlijke verschijnselen binnen de tijd.

Boëthius begint te protesteren, aangezien deze opvattingen niet alleen moeilijk te vatten zijn, maar ook niet stroken met alledaagse opvattingen en zijn eigen ervaringen. Uiteindelijk valt hij stil, krijgt Filosofie het laatste woord en heeft Troost in zekere zin dus een open einde. Is Boëthius met alle redeneringen van Filosofie iets opgeschoten? Wordt hij geholpen met de filosofische begripsverkenningen? Is hij daadwerkelijk getroost? Een eenduidig antwoord blijft uit.

Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat het nog steeds een veelgelezen boek is. Troost in filosofie is daarnaast om historische redenen een bijzonder werk – vanwege de rijkdom aan klassieke invloeden van bijvoorbeeld Plato, Aristoteles en het stoïcisme enerzijds, en neoplatonisme en christelijk denken. Maar het is ook een echte klassieker vanwege de tijdloze thema’s.

De vorige Nederlandse vertaling is die van R.F.M. Brouwer uit 1990. “Hoe verdienstelijk die vertaling in vele opzichten ook is,” schrijft Gerbrandy, “het werd tijd voor een nieuwe.” En Gerbrandy laat zien waarom. Zo laat hij het oorspronkelijk metrum van de liederen los en dat levert heel leesbare, krachtige gedichten op.

Ook het proza is bij Gerbrandy soepel, hedendaags en toch rijk Nederlands. Dat zit hem in de woordkeuze: bij Brouwer lezen we bijvoorbeeld ‘fatum’, ‘lethargie’, ‘porismata’ en ‘collarium’, bij Gerbrandy wordt dat respectievelijk ‘noodlot’, ‘depressie’, ‘douceurtje’ en ‘kleinigheidje’. Waar Brouwer koos voor ‘de zee van dit bestaan’, kiest Gerbrandy voor ‘het zwalpen van dit leven’. Maar ook in zinsconstructies, waarbij kleine keuzes een groot verschil maken:

“Wie heeft die hoerige artiestes bij deze zieke toegelaten? Niet alleen kunnen ze hem geen enkel soelaas bieden voor zijn kwalen, maar met hun verleidelijk gif geven ze er nog voedsel aan ook.” (Brouwer, p.69)

“Wie heeft die podiumhoertjes toestemming gegeven bij deze patiënt op bezoek te komen, hoewel ze zijn pijn niet alleen op geen enkele manier verzachten maar zelfs voeden met smakelijk gif?” (Gerbrandy, p.48)

Gerbrandy heeft er alles aan gedaan om de tekst ook voor niet-specialisten toegankelijk te maken. Zijn inleiding is duidelijk en enthousiast, de voetnoten zijn verhelderend, maar de grootste verdienste van Gerbrandy is zijn mooie, speelse vertaling. Al met al bepaald geen schrale Troost.

Eerder verschenen op Leestafel van het Nexus Instituut en Thomas Heij

Samenvatting

Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Piet Gerbrandy

Toen de Romeinse filosoof en politicus Boëthius in het jaar 523 ter dood werd veroordeeld door koning Theoderik, besloot hij de hem resterende tijd te besteden aan het schrijven van een boek. 'Troost in filosofie' is een fascinerend, experimenteel en aangrijpend werk, waarin de verteller in zijn cel bezoek krijgt van Filosofie, die met hem discussieert over wat er in het leven echt toe doet en welke bewegingsruimte de mens heeft in een strak gereguleerd universum. De dialoog, die steeds wordt onderbroken door beschouwelijke liederen, leidt onverwacht tot een ijzingwekkende climax.

In de Middeleeuwen was 'Troost' een van de meest gelezen boeken, maar ook tegenwoordig werkt de combinatie van existentiële urgentie, filosofische diepte en serene poëzie nog als een ongemakkelijke betovering.

Toon meer Toon minder
€ 24,90

Verwachte leverdatum: donderdag 26 november


Taal
Nederlands
Bindwijze
Hardcover
ISBN
9789463401661
Verschijningsdatum
april 2019
Druk
1
Aantal pagina's
216 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
730: Filosofie algemeen
Categorieën

Auteur
Uitgever
Uitgeverij Damon VOF

Vertaald door
Piet Gerbrandy

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen