Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Nooit alleen thuis

Het verrassend veelzijdige dierenleven achter onze voordeur

Auteur(s): Rob Dunn
Taal: Nederlands
2 recensies
Nooit alleen thuis
Nooit alleen thuis

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Mik Vaes

Het verrassend veelzijdige dierenleven achter onze voordeur

[Recensie] Wat leven we toch in een wonderbaarlijke wereld. En wat zijn er toch een hoop dieren, planten, bacteriën, virussen en schimmels nog niet ontdekt, hele ecosystemen nog nooit onderzocht. En dan heb ik het niet over ongerepte regenwouden, diepe troggen in de oceaan of andere planeten maar gewoon over het inwendige en de directe omgeving van ons eigen huis en ons eigen lichaam.

We zijn ons bewust van spinnen, muggen en andere insecten, van schimmels in vochtige ruimtes en op vergeten levensmiddelen. Kakkerlakken, sprinkhanen, slakken, mieren, muizen en ratten die ons huis binnendringen, pardon, die net als wij een veilig en fijn plekje zoeken om te leven. En ander zogenaamd ongedierte, maar er is nog zoveel meer. Kilo’s bacteriën in onze darmen, minuscuul kleine kreeftjes in ons toch zo schone drinkwater, huisstofmijten in ons bed. Er leeft van alles in afwasmachines, in douchekoppen, onder de bank, in ons bed, in de boeken in de kast, in navels en oren, op onze huid, tussen onze tanden, onder onze nagels en in onze uitwerpselen. Op elk oppervlak, in elke kubieke centimeter lucht en in elke druppel water leven miljoenen beestjes, ongeacht hoe hard je poetst, zuivert of bestrijdt.

In en om ons heen leven zo’n tweehonderdduizend soorten samen in onze huizen en lichaam. Lees dat nog een keer: tweehonderdduizend soorten waarvan de meeste nooit onderzocht of überhaupt bekend zijn. De meeste van deze wezens zijn stukken gezonder en belangrijker voor ons dan die paar beesten die we zelf binnenhalen; huisdieren als honden, kanariepietjes en katten en wat zij allemaal meenemen: vlooien, wormen, parasieten. De meeste van deze wezens zijn onbekend omdat we ze niet in ons vizier hebben. We zien ze niet, proeven, ruiken en voelen ze niet. We zijn er wel bang voor. We poetsen, ontsmetten, stoffen, dweilen en wassen ons en onze spullen ijverig. De een wat ijveriger dan de ander. Over de hygiënehypothese (simpel gezegd stelt deze hypothese dat door de betere hygiëne en de eliminatie van kinderziekten het menselijk afweersysteem niet leert rustig te reageren op relatief onschuldige prikkels) is al veel gezegd en geschreven.

In dit boek gaat Dunn nog een stapje verder en koppelt onze gezondheid aan biodiversiteit om ons heen, en dan vooral de diversiteit aan klein en onbekend grut. Hij heeft het over het nature deficit disorder (het idee dat mensen en vooral kinderen (gedrags-)problemen krijgen doordat ze te weinig tijd buiten, in de natuur, doorbrengen), biofilie-hypothese (E. O. Wilson stelt hierin dat mensen een natuurlijke behoefte hebben aan andere levensvormen en ons emotionele welzijn afneemt bij gebrek daaraan), biodiversiteitshypothese (dat het naar alle waarschijnlijkheid door onze geringe blootstelling aan omgevingsbacteriën komt dat ons immuunsysteem sneller allergieën ontwikkelt) en nog meer theorieën die er allemaal grof gezegd op neerkomen dat de natuur, dus andere levende wezens, op allerlei vlakken belangrijk is voor onze gezondheid en ons welbevinden.

We weten steeds meer maar we weten vooral heel veel niet. Niet hoeveel organismen er bij en in ons leven, wat hun voor- en nadelen voor ons (zouden kunnen) zijn. Welke soorten er meer voorkomen en welke minder. Er zijn mensen die zich bezighouden met het onderzoeken van deze vragen maar de kans dat we ooit alles zullen weten is redelijk klein.

We weten een paar dingen wel zeker, althans volgens Rob Dunn, en hij komt in het hele boek tot een aantal steeds terugkerende conclusies, met als belangrijkste: een zo groot mogelijke biodiversiteit op alle gebieden is het allerbelangrijkste. Hoe diverser een systeem is hoe minder kans er is dat een bepaalde soort de overhand krijgt en schade aan kan richten. Hoe meer je zuivert hoe meer je de zwakkere soorten verdrijft waardoor de sterksten (en vaak zijn, of worden, dat de schadelijkste) over blijven en kunnen groeien. Wat ook weer niet wil zeggen dat je helemaal nooit iets moet poetsen. Verder concludeert hij dat je deze diversiteit op een zo natuurlijk mogelijke manier moet laten ontstaan en groeien.

De auteur geeft ook een aantal simpele tips om de biodiversiteit in je directe omgeving te vergroten. Zet zo vaak mogelijk een raam open, laat de centrale verwarming zo lang mogelijk uit, doe de afwas het liefst met de hand, maak niet meteen alles dood wat je niet meteen aanstaat (deze is van mijzelf), koop verse groenten van plaatselijke boeren of kweek, een deel van, je eten zelf, maak je eigen zuurdesembrood. De organismen waarmee je samenleeft vormen een weerslag van je leven maar andersom beïnvloeden ze je leven ook. Je kan dus maar het beste goed voor ze zorgen. Dan zorg je ook goed voor jezelf.

Dit klinkt allemaal heel theoretisch en wetenschappelijk en dat is het ook wel maar Nooit alleen thuis is zeker geen droog of saai boek. Het is prettig geschreven met veel voorbeelden en anekdotes. Ik viel van de ene verbazing in de volgende verwondering. Een reis door een landschap dat me zo bekend leek maar zo vreemd blijkt te zijn.

Jammer vond ik wel dat er redelijk veel nadruk gelegd wordt op, en gepleit wordt voor, onderzoek naar hoe bacteriën onze rotzooi, als bijvoorbeeld plastic, zwarte loog en asbest op kunnen ruimen. En hoe genetische manipulatie ingezet kan worden om ons, mensen, te helpen. Onderzoek waarin gezocht wordt naar oplossingen voor problemen die wij, als mensen, veroorzaakt hebben. Zonder dat nagedacht wordt over hoe de introductie op grote schaal van door ons geselecteerde organismen op al bestaande ecosystemen heeft. De bekende antropocentrische blik.

Geen boek voor mensen met smetvrees. Of juist wel.

Eerder verschenen op haasblog

Recensie door: Marcel Hulspas

Een huis vol beestjes

Een bioloog over onbekende medebewoners van ons huis.

[Recensie] De Zoeloes hebben een bijzondere manier om vliegen te bestrijden. Ze halen spinnen in huis. Een grote bol spinrag, gemaakt door een sociale spinnensoort (de meeste spinnen kunnen elkaar niet luchten of zien) wordt hoog in de hut gehangen, met daaromheen wat takken waaraan ze hun webben kunnen weven. De Zuid-Afrikaanse bioloog J.J. Steyn vroeg zich af of deze methode ook in gebouwen toe te passen was, onder andere in het ziekenhuis waar hij werkte. En inderdaad. Naar eigen zeggen zorgden de spinnenkolonies ervoor dat de vliegenpopulatie in drie dagen tijd met 60 procent terugliep. Zijn conclusie luidde dat we kolonies van sociale spinnen zouden moeten ophangen in alle openbare ruimtes zoals markten, restaurants, cafés en hotelkeukens, en vooral in wc’s.

Is 60 procent genoeg? Zijn spinnen wel zo welkom op het toilet? Is het niet beter om ervoor te zorgen dat die vliegen geen voedsel meer vinden? Hoe dan ook, Steyns conclusie wordt van harte onderschreven door Rob Dunn, in zijn boek Nooit alleen thuis. Dunn (hoogleraar aan North Carolina State) heeft nog wat aanvullende voorstelletjes. Bepaalde (heel kleine) wespensoorten leggen hun eitjes in kakkerlakkeneitjes en kunnen ons helpen de kakkerlakkenpopulatie in bedwang te houden. Ook die zouden we in onze huizen moeten verspreiden. En wat te denken van de zwam Beauveria bassiana? Eigenlijk zouden we in onze huizen de sporen van deze zwam moeten rondstrooien want ‘wanneer er een bedwants langskomt, hechten ze zich aan de vettige buitenlagen van diens exoskelet. Eenmaal vastgehecht groeit de zwam door het exoskelet van de wants naar binnen..’ (hierna volgen nog enige smerige details tot de dood van de wants erop volgt). Zo kunnen we volgens Dunn op natuurlijke wijze afkomen van een heleboel plaaginsecten.

Het is niet zo dat Dunn onze huizen wil veranderen in een slagveld van de ‘struggle for life’. Nooit alleen thuis gaat er juist om dat onze huizen dat allang ‘zijn’. Het is een binnen de biologie zwaar verwaarloosd onderwerp maar onze keukens, zolders en kelders worden bewoond door ontelbare soorten bacteriën en honderden soorten geleedpotigen. Het onderzoek daarnaar staat nog in de kinderschoenen (biologen trekken veel liever het oerwoud in), en dat geldt al helemaal voor het onderzoek naar de invloed die die honderden bewoners hebben op het wel en wee van dat kleine clubje leden van Homo sapiens dat er ook nietsvermoedend woont.

Neem de douchekop. Altijd lekker vochtig en warm, en soms knetterheet. Geen wonder dus dat daarin bacteriën te vinden zijn die grote temperatuurextremen kunnen verdragen, soorten die je verder alleen bij hete bronnen vindt. Iedere keer wanneer we onder de douche stappen, trakteren we onszelf op een zeer bijzondere regen van superbacterieën. (Dunn merkt triomfantelijk op dat menige bioloog die de afgelopen decennia de wereld doorkruiste op zoek naar vulkanen en hete bronnen, in de hoop daar dergelijke ‘extremofielen’ te vinden, net zo goed thuis de douchekop had kunnen onderzoeken.) Net zulke specialisten zitten er in de afvoer, in peper en andere kruiden, in gipsplaten en uiteraard in dat paradijs van schilfers en ingedroogd lichaamsvocht: het bed. De indringers zitten overal en trekken zich niets van ons aan. Sommigen zijn volkomen afhankelijk geworden van de kunstmatige omstandigheden die wij hebben geschapen (denk aan de kakkerlak); anderen oefenen een onzichtbare maar zorgwekkende invloed uit op ons geestelijk welzijn.

Dunn wijdt een lang hoofdstuk aan de beroemde parasiet Toxoplasma gondii. Deze heeft een bijzondere levenscyclus: hij groeit op in een knaagdier, vooral de muis, maar hij plant zich voort in de ingewanden van de kat (die de muis heeft gegeten). Nergens anders. Het bevruchte vrouwtje legt in de kat ontelbare eitjes (Dunnen rekent even snel uit dat er op aarde meer T gondii eitjes zijn dan er sterren zijn in het Melkwegstelsel) en deze eitjes komen via kattenpoep weer in de vrije natuur terecht, en zo via-via in de muis. De mens kan ook besmet raken, en dat is hoogst onaangenaam. Maar de parasiet heeft daar niet veel aan want katten eten nu eenmaal geen mensen.

Maar er is méér aan de hand. Alles wijst erop dat gondii-parasieten die in het muizenbrein zijn binnengedrongen en daar liggen te wachten op de poes, ondertussen het gedrag van de muis sturen. Ze zorgen ervoor dat het beestje een stuk roekelozer wordt. Slim, want dat vergroot immers de kans dat hij tussen de kaken van een kat belandt. En nu komt het: er zijn aanwijzingen dat mensen die in het bezit zijn van ‘wachtende’ T gondii parasieten (zinloos wachtende parasieten, dus eigenlijk) óók beïnvloed worden. Ook zij worden daardoor onrustiger, roekelozer. En er zijn aanwijzingen dat de parasiet een rol speelt bij het ontstaan van schizofrenie. De huiskat brengt dus beslist niet alleen gezelligheid in huis. En zoals gezegd, het onderzoek naar dat ecosysteem in uw huis is nog maar net begonnen. We mogen erop rekenen dat verschillende ‘inwonende’ bacteriën en insecten inmiddels geleerd hebben om stoffen uit te scheiden die ervoor zorgen dat we slordig omgaan met onze etenswaren, en geen zin hebben om het huis op te ruimen. Dan weet u nu hoe dat komt.

Eerder verschenen op Sargasso

Samenvatting

Bioloog Rob Dunn introduceert de bijna 200.000 diersoorten die met ons samenleven; nooit zul je meer op dezelfde manier kijken naar dat wonderland van exotisch en onverwacht leven: je eigen huis.

€ 23,99

Verwachte leverdatum: donderdag 22 oktober


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789463820332
Verschijningsdatum
juli 2019
Druk
1
Aantal pagina's
320 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
740: Mens en maatschappij algemeen
Thema's
  • Samenleving en sociale wetenschappen
  • Sociologie en antropologie

Auteur
Uitgever
Balans, Uitgeverij

Vertaald door
Maaike Post, Arjen Mulder

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen