Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Kritische portretten

Basisserie - Twaalf essays over literatuur

Auteur(s): Walter Benjamin
Taal: Nederlands
2 recensies
Kritische portretten
Kritische portretten
Kritische portretten

Recensie

Aantal recensies: 2

Recensie door: Elisabeth Francet

Benjamins immanente literatuurkritiek

[Recensie] Walter Benjamin (1892-1940), filosoof, historicus en essayist, vertaalde onder meer Proust en Baudelaire en ambieerde niet minder dan de grootste criticus van de Duitse literatuur te worden. Eerder dan grote filosofische vraagstukken (het ware, het goede, het schone), nam Benjamin kleine, vrij banale dingen als uitgangspunt voor zijn beschouwingen. Wat literatuurkritiek betreft, hanteerde Benjamin het principe van de ‘immanente kritiek’: reflecteren op een werk op basis van de eigen elementen, in plaats van het te beoordelen aan de hand van criteria die er vreemd aan zijn.

De Nederlandse cultuurfilosoof Thijs Lijster selecteerde voor de zopas verschenen bundel Kritische portretten twaalf van Benjamins essays over literatuur en schreef er een uitgebreide inleiding bij. Lijster deelt Benjamins alternatieve visie op literatuurkritiek. Dat konden we reeds lezen in zijn bevlogen essaybundels De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld en Kijken, proeven, denken. Essays over kunst, kritiek en filosofie. Net als Benjamin pleit Lijster voor een continu gesprek tussen beschouwer en kunstwerk, tussen boek en lezer. Door het kunstwerk zonder oordeel te benaderen en ermee in dialoog te treden, schept de criticus de mogelijkheid het kunstwerk op zijn beurt te laten antwoorden. Zo kan een gesprek ontstaan dat nooit eindigt, omdat er altijd kijkers en lezers zullen zijn. Bijgevolg is een kunstwerk nooit af, want het verandert onophoudelijk onder de blik van de beschouwer, die zelf ook criticus wordt.

Benjamin beoogde een ingrijpen door de criticus in het “hiernamaals van het kunstwerk”. De kritiek zag hij als de voltooiing van het “in wezen fragmentarische, onaffe kunstwerk”. Volgens hem kan alleen de kritiek de reflectie daarover op gang brengen en dient de criticus de esthetische schijn van een zogenaamde “organische totaliteit” te doorbreken en te speuren naar constellaties tussen de literatuur en haar buitenwereld, tussen werken en auteurs. Een literair werk wordt, volgens Benjamin, bij voorkeur besproken binnen de context van zijn tijd en cultuur.

Zodoende presenteert de criticus het literaire werk als iets fluïde, dat geen omlijnde plek bezit in een “kunstmatige kunstgeschiedenis”. Een methodiek, aldus Benjamin, die de literatuur kan bevrijden: een werk kan vergeten, opnieuw ontdekt en vertaald worden en een nieuw leven krijgen. Aldus staat een werk niet alleen ‘in’ de geschiedenis, maar maakt zelf geschiedenis door de invloed die het, soms eeuwen later, (opnieuw) kan uitoefenen.

In het landschap van de Duitse letteren ontwaarde Benjamin een zeker sektarisme. Hij meende dat in zichzelf gekeerde literaire kringen, geschaard rond een handjevol persoonlijkheden wier mening niet ter discussie stond, een gezonde polemiek onmogelijk maakten. Door het standpunt van de criticus scherp van diens persoonlijke mening of oordeel te onderscheiden, roeide Benjamin tegen de stroom van de gangbare literatuurkritiek op. “In het ideale geval vergeet de criticus te oordelen.” Kritiseren ziet hij als een sociale kunst, waarbij de criticus het boek op zo’n manier openslaat dat het “lonkt als een gedekte tafel waaraan we genodigd worden plaats te nemen, met al onze ideeën, vragen, overtuigingen, eigenaardigheden, vooroordelen, gedachten…” en uitnodigt om “zelf op onderzoek uit te gaan en te ontdekken of de eigen leeservaringen stroken met de observaties van de criticus.” Een open invitatie aan de lezer om weerwoord te bieden en op zijn beurt criticus te worden.

In twaalf kritische portretten – hoegenaamd geen lichte kost – exploreert Benjamin aspecten van de literatuur en het oeuvre van een aantal auteurs, welhaast op de wijze waarop Franz Kafka zijn parabels ontvouwt. Consequent gebruikt Benjamin de eigen elementen van het werk, licht hier en daar een tipje van de sluier op, en nodigt de lezer uit om zelf op ontdekking te gaan. Om u een idee te geven over zijn werkwijze en stijl, bespreek ik kort vijf van de twaalf portretten.

Een huis met deuren op een kier

In een essay over het surrealisme stelt Benjamin de stroming voor als een profane verlichting, een vorm van anarchie, en belicht uitvoerig de context waarbinnen het surrealisme ontstond. Het vond zijn oorsprong in het Parijs van de jaren 1920, in een kring van enkele schrijvers, onder wie André Breton, Louis Aragon, Robert Desnos en Paul Éluard, als “een zwak beekje, gevoed door de klamme verveling” na de oorlog en de laatste stroompjes van de Franse decadentie. Als reactie op het rationalisme, blies de hechte kring literatoren het domein van de poëzie resoluut van binnenuit op. Ze wilden de wereld der dingen door elkaar schudden en de stemming errond tot ontploffing te brengen in “magische woordexperimenten”.

Op het ogenblik dat Benjamin erover schrijft, bevindt het surrealisme zich in een transformatiefase. Beeld en taal krijgen voorrang op betekenis en op het ik. Benjamin zag het surrealisme als een huis met deuren op een kier: aan de ene kant extase, aan de andere beschamende ontnuchtering. Verbluffend genoeg werkten, ver en onafhankelijk van elkaar (in Rusland en Parijs), enkele anarchisten op exact hetzelfde tijdstip aan de ontwikkeling van deze literaire stroming. De revolutionaire surrealisten waren, aldus Benjamin, de eersten die met “het versteende liberaal-moreel-humanistische vrijheidsideaal” afrekenden. Tegenover de metaforen die de politieke kaste zich toe-eigenden, stelden zij een materialistische beeldruimte, die “alle revolutionaire spanning” om kon zetten in “collectieve lichamelijke ervaring”.

Op zoek naar Marcel Proust

In een lang, diepgravend essay noemt Benjamin Prousts À la recherche du temps perdu “de Nijl van de taal, die (…) bevruchtend naar de vlaktes van de waarheid overloopt”. Hij vergelijkt Prousts magnum opus met een ‘Penelopearbeid’: een werk waarin herinnering geweven wordt en de nachten het vlechtwerk van de dag teniet doen; ook een werk van vergetelheid. Vrijwel geen enkele tekst is zo dicht geweven als die van Marcel Proust, meent Benjamin. Het pure herinneren vormt de eenheid van de tekst en is een brug naar de droom, waar “de vertrouwde gelijkenis van het ene met het andere ding verandert van vorm”.

Proust had een passie voor de geheimtaal van de salons. Zijn personages leiden een vegetatief bestaan. Ze zijn gebonden aan hun sociale habitat. Zichzelf zag hij als een illusieloze snob en genadeloze observator van het ik, de liefde en de moraal. “Daarmee was hij zijn klasse niet ten dienste; hij was haar voor.” Benjamin nodigt de lezer uit om met hem Prousts wereld van de onwillekeurige herinnering binnen te treden en zich bewust over te leveren “aan de binnenste vleugelen van dit werk”. Daartoe moet hij zich “in een bijzondere – de diepste – laag van de onwillekeurige herinnering verplaatsen, waarin de momenten van het geheugen ons niet meer afzonderlijk, als beelden, maar beeldloos en ongevormd, onbepaald en veelzeggend, ons iets zeggen over een geheel, zoals de zwaarte van het net de visser over zijn vangst.”

Valéry’s methodiek

Ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag, wijdt Benjamin een essay aan de methodiek van de Franse auteur, filosoof en essayist Paul Valéry. Valéry verdiepte zich in de kenmerken van ‘klassieke werken’. Als een inquisiteur onderzocht hij de intelligentie van de schrijver en de dichter en introduceerde ‘Monsieur Teste’ (Meneer Hoofd) als personificatie van het intellect, een figuur – louter aan het denken ontsproten – die zijn eigen systeem geworden is. Teste is zowel etherisch als fundamenteel: een hypothese, een idee waarop een hele werkelijkheid gebouwd kan worden. Maar alles wat we over hem vernemen, loopt op negatie uit. Teste blijkt een man zonder eigenschappen. Hij is de negatie van het menselijke.

Volgens Benjamin voelde Valéry heel goed aan dat de heerschappij van het ontmenselijkte, “die zal voortkomen uit exactheid, strengheid en zuiverheid in menselijke aangelegenheden”, voor de deur stond. Hoe profetisch klinken Valéry’s woorden in de huidige tijd! De cartesiaanse twijfel aan onze kennis heeft zich bij Valéry methodisch verdiept tot een twijfel aan de vragen zelf. “We zouden voor onszelf een vraag moeten formuleren die aan alle andere vragen voorafgaat en die deze vragen op hun deugdzaamheid test.” Valéry werkte deze methodiek uit om de onderzoeker boven zichzelf en de wereld uit te laten stijgen.

De ongrijpbare Kafka

Bij de tiende terugkeer van de sterfdag van Franz Kafka, schrijft Benjamin een essay waarin hij op ontdekkingstocht gaat in Kafka’s wereld van “kanselarijen en archieven, van muffe, uitgewoonde en donkere kamers”. Benjamin ervaart Kafka’s werk als een ontvouwing, “als een knop die in een bloem verandert”. Volgens hem moet men er “met omzichtigheid, met behoedzaamheid, met wantrouwen” in voorwaarts tasten. Terugkerende, opmerkelijke figuren bij Kafka zijn de “assistenten”, wiens bestaan in de schemering (“wezens in een neveluniversum”) ervoor zorgt dat geen van hen een vaste plaats of een onbetwistbare omtrek heeft. De assistenten zijn een soort bodes, die zich buiten de hiërarchie bevinden. Voor hen bestaat bijgevolg de hoop. Toch zullen zij de nevelen nooit verlaten.

Als kind had Kafka de vurige wens indiaan te worden. Veel ligt besloten in dit verlangen. Al van jongs af leed hij aan zeeziekte op het vasteland en ervoer zijn leven als een zwalpende, doelloze reis. Studie was voor Kafka een rit die “het vergeten” te lijf ging: “de rit van een gelukzalige ruiter, die de teugels weggooit, die het verleden tegemoet raast en zijn paard niet meer tot last is.” Mens dan wel paard – dat doet er in Kafka’s wereld weinig toe, “zolang de last van de rug genomen is”.

Zoals K. in het dorp aan de slotberg, zo leeft de hedendaagse mens in zijn lichaam; het ontglipt hem, is hem vijandig, aldus Benjamin. Zo kan het gebeuren dat een mens op een ochtend wakker wordt als ondier en dat vreemdheid – zijn vreemdheid – zijn meester geworden is.

Volgens Benjamin zijn er twee manieren om Kafka’s geschriften fundamenteel verkeerd te begrijpen – de psychoanalytische en de theologische. Nochtans had Kafka alle denkbare voorzorgsmaatregelen getroffen tegen de uitleg van zijn teksten. Het denken heeft in Kafka’s werk iets verstrooids en ongrijpbaars. “Besluiteloos schommelt het van de ene naar de andere zorg, het knaagt aan alle angsten met de wispelturigheid van de vertwijfeling.” Kafka’s denkende personages zijn niet zelden dieren of hybride wezens. Ze graven zich in, in de eerste plaats in vergetelheid. Angst verstoort hun denken, “maar dat is wel het enige hoopvolle eraan”.

Motieven bij Baudelaire

Benjamin was uitermate geïntrigeerd door Charles Baudelaire en verdiepte zich in de motieven in diens werk, die vaak omfloerst aan de oppervlakte verschijnen. Baudelaire was een rebelse flaneur, een romanticus die niet kon ontkomen aan de dynamiek van de massa. In zekere zin een tragische figuur, die ‘de belevenis’ onderging en gebukt ging onder externe prikkels. Baudelaires ‘spleen’ stelt de belevenis in haar naaktheid tentoon.

Een voorbeeld: Baudelaires kritiek op de fotografie – meer bepaald de daguerreotypie – behelst het ‘verval van de aura’. Wat men bij de daguerreotypie als onmenselijk, bijna dodelijk, heeft ervaren, was het aanhoudende kijken in de camera. Het apparaat neemt ons beeld op zonder onze blik te beantwoorden. “Inherent aan de blik is de verwachting dat ze beantwoord wordt door datgene waarop ze rust.” Wordt deze verwachting ingelost, dan vindt “ervaring van de aura in haar volle rijkdom” plaats. De aura ligt besloten in de blik en is een bron van de poëzie.

Benjamin stelt vast dat Baudelaire de verloren blik van stedelingen ten volle ervaren heeft. Ook voor Benjamin is het duidelijk dat de ogen van stedelingen te zwaar belast worden, omdat ze niet kunnen ontkomen aan de dominantie van visuele prikkels. Baudelaire insisteerde op “de betovering van de verte”. Met “de machteloze toorn van iemand die tegen de regen of de wind vecht”, trok hij ten strijde tegen de massa, waar hij onvermijdelijk deel van uitmaakte. Baudelaires zenuwstelsel begaf het voorgoed toen hij pas zesenveertig was. “Zijn poëzie staat aan de hemel als een ster zonder atmosfeer”, besluit Benjamin mismoedig.

In 1933 vestigde Walter Benjamin zich in Parijs, op de vlucht voor de nazi’s. In 1940 vluchtte hij naar het zuiden en werd opgepakt aan de Spaanse grens. Hij pleegde onmiddellijk zelfmoord. Ook hij ontkwam niet aan zijn tragiek.

Eerder verschenen op Geen dag zonder boek

Recensie door: Maaike Rijntjes

Twaalf essays over literatuur

[Recensie] De afgelopen Boekenweek deed Özcan Akyol nogal wat stof opwaaien met zijn Boekenweekessay. Hij betichtte de huidige generatie auteurs ervan elitaire boeken te schrijven die slechts door insiders van het Nederlandse literaire wereldje worden gelezen. Die schrijvers zouden ondertussen ook alle recensenten en literatuurcritici kennen, zodat ze elkaar kunnen helpen aan publicaties, prijzen of besprekingen. Akyol vindt literatuurkritiek en literatuurwetenschap strontvervelende muggenzifterij: het analyseren van boeken verpest alleen puur leesplezier. Gevolg van al deze kwalijke zaken is de toenemende ontlezing in ons land. Recensenten buitelden over elkaar heen om het essay af te kraken. Maar de vraag waar ontlezing door komt en de rol die literatuurcritici daarin hebben, is niet direct een slechte. Hoe moet goede literatuurkritiek eruitzien? En hoe zorg je ervoor dat je met het bespreken van een boek een lezer ook aan het lezen krijgt? Een antwoord op deze vragen kan worden gevonden in Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur van Walter Benjamin.

Kritiek

In het voorwoord van Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur gaat Thijs Lijster dieper in op de achtergrond waartegen Walter Benjamin (1892-1940) zijn kritische portretten en (literatuur)kritiek schreef.

Hij legt uit dat Benjamin vond dat de kringen van (literatuur)critici in zijn tijd te veel naar elkaar gekeerd waren, waardoor er geen ruimte was voor polemiek. Bovendien vereerden deze critici het werk (kunstwerk, boek, verhaal) te veel als Kunst met een hoofdletter: ze benaderden het kunstwerk als een onveranderlijk, bijna heilig iets dat volledig op zichzelf staat. Maar hierdoor werden ze blind voor de omgeving van het werk. Met omgeving bedoelt Benjamin de omstandigheden waarin het werk is gemaakt (waar, wanneer, wie de kunstenaar was), en ook de ontvangst van het kunstwerk. Hoe een werk benaderd wordt door kijkers, lezers of luisteraars heeft invloed op het werk zelf. Met het schrijven van kunstkritiek wordt daarmee iets toegevoegd aan het leven van het kunstwerk.

Een goede criticus neemt volgens Benjamin wel altijd dat kunstwerk zelf als uitgangspunt, maar toont dit werk vervolgens als iets dat als het ware zijn omgeving weerspiegelt. In deze weerspiegeling wordt de tijd waarin het is ontstaan zichtbaar, als ook de ideeën van degenen die het kunstwerk bekijken. Dit betekent ook dat voor Benjamin de mening en het oordeel van de criticus uiteindelijk niet het belangrijkste zijn: het gaat erom dat in de kritiek zichtbaar wordt wat het kunstwerk toont en hoe het zijn omgeving weerspiegelt.

Door in literatuurkritiek van het boek uit te gaan zonder de omstandigheden uit het oog te verliezen, kan een goede criticus het boek voor de lezer openen. Lijster citeert Benjamin hierover: goede kritiek moet ‘het boek op zo’n manier openslaan dat het lonkt als een gedekte tafel’. Goede kritiek maakt een lezer hongerig en nodigt de lezer uit over het boek mee te praten.

Portretten

De gebundelde essays over literatuur in dit boek zijn echter niet alleen ‘kritieken’, het zijn ook portretten. Benjamin duidt het oeuvre van een schrijver aan de hand van diens persoonlijkheid, de omstandigheden waarin hij schreef en ook hoe zijn werk wordt gelezen. Daar heeft hij soms niet meer dan een paar pagina’s voor nodig. Neem bijvoorbeeld een van de kortste essays in de bundel, over Robert Walser, dat slechts vier pagina’s heeft. Benjamin gaat onder andere in op de uitspraak van de auteur dat hij nooit iets heeft ‘herschreven’. Volgens Benjamin doen we er goed aan om dat voor waar aan te nemen, omdat het werk van de schrijver gekleurd lijkt door schaamte en ‘elke zin enkel tot taak heeft de vorige te doen vergeten’.

Benjamin schetst de auteur daarbij op zo’n manier dat de observaties in het essay je wel bijblijven. Later in het essay wordt Walser een nar die zich ‘tooit met taalguirlandes waar hij zelf over struikelt’. Zulke beelden neem je mee bij het (her)lezen van een boek.

Het essay over Walser gaat vooral over de relatie tussen de stijl en de inhoud van het werk. In de langere portretten komen meer onderwerpen aan bod.

In het essay over Proust bijvoorbeeld, gaat Benjamin diep in op de vraag hoe een autobiografisch werk wordt vormgegeven en welke rol herinnering hierin heeft. ‘Proust heeft in zijn werk niet een leven beschreven zoals het is geweest, maar een leven zoals degene die het beleefd heeft, zich dat leven herinnert’, schrijft hij. En: ‘Voor de zich herinnerende auteur speelt niet datgene wat hij heeft beleefd de hoofdrol, maar het weven van zijn herinnering…’ Dit betekent dat het geen zin heeft Proust te lezen op zoek naar waarheidsgetrouwe informatie of nieuwtjes over zijn leven: zijn autobiografisch schrijven laat ons vooral zien hoe de auteur zich een beleefd leven wíl herinneren. Het is niet vergezocht om je als lezer af te vragen of dit niet een goede observatie is over het schrijven van autobiografieën in het algemeen.

Ook gaat Benjamin in op Prousts maatschappijkritiek en de positie van waaruit hij deze schreef, waarbij Benjamins marxistische achtergrond duidelijk wordt. Hij schetst Proust als iemand die ervan genoot de ‘geheimtaal’ te leren van de salons waar de bourgeoisie – de economische klasse die volgens het marxisme productiemiddelen in handen heeft – zich ophield. Vervolgens maakte Proust de mensen die zich daar bevonden belachelijk, iets wat hem zelf verdriet deed: ‘Hij tilt de wereld niet in gelach op, maar slaat haar in gelach neer, op het gevaar af dat ze in scherven valt, waarvan hij zelf in tranen uitbarst (…) de pretenties van de bourgeoisie worden door het gelach vergruizeld.’

Schilderijen

Dat deze essays in eerste instantie literatuurkritiek zijn, betekent niet dat Benjamins (kunst)filosofie hierin ontbreekt. Het bekendste onderdeel van zijn kunstfilosofie is waarschijnlijk zijn idee van de reproduceerbaarheid van het kunstwerk. Op het moment dat kunst reproduceerbaar wordt door bijvoorbeeld fotografie, kunnen we het werk op veel momenten terugzien en verliest het daarmee iets van de magie (wat Benjamin ‘aura’ noemt) die het zou hebben als je het maar een keer kan ervaren.

Een belangrijke kanttekening is wel dat Benjamin dit niet alleen als iets negatiefs zag. Ja, misschien verliest een uniek kunstwerk zijn aura, maar reproductie betekent ook dat kunst beschikbaar kan worden voor veel meer mensen dan alleen de enkeling die naar het museum gaat.

In het essay over Baudelaire stipt Benjamin hiervan een voorbeeld aan wanneer hij citeert dat Baudelaire in foto’s de magie van landschapsschilderijen mist, schilderijen waarin een schilder veel details ‘de verte’ uitwerkt, schilderijen waarin geprobeerd wordt om de schoonheid van ‘die verte’ te vangen. We willen lang naar zo’n schilderij kijken omdat we het waarschijnlijk maar eenmaal kunnen zien.

Foto’s bekijken we echter veel vluchtiger, daar staan we minder lang bij stil. In de poëzie van Baudelaire vindt Benjamin terug hoe deze vluchtige manier van de wereld ervaren ook ontstaat in de het drukke leven van de stad: ‘De massa was een roerige sluier; door haar heen zag Baudelaire Parijs.’ De massa is een stroom van mensen, de menigte, waarin je in de stad kan verdwijnen. Eenmaal onderdeel van de menigte doe je in de stad constant nieuwe indrukken en beelden op, stuk voor stuk kortstondig, waardoor je aandachtspanne af begint te nemen.

Zo geeft Benjamin een handvat om Baudelaire (op een nieuwe manier) te lezen – als iemand die poëzie schrijft, beïnvloed door de verstedelijking om hem heen. Maar hij laat tegelijk ook zien hoe we door zijn poëzie de wereld kunnen zien – hoe die ons kan helpen op een andere manier naar de wereld te kijken.

En verhalen

Die vluchtige manier waarop we de wereld ervaren, hangt nog met iets anders samen. In het essay over Leskov, gaat Benjamin kort in op de opkomst van ‘informatie’, of nieuws. Informatie is iets dat toetsbaar en plausibel moet zijn, het moet opmerkelijke gebeurtenissen altijd kunnen verklaren – het heeft daarom belang bij een kortere aandachtspanne, omdat het ‘er alleen toe doet op het moment dat ze nieuw is’.

Dit nieuws is niet neutraal of objectief volgens Benjamin. Zijn marxistische achtergrond schemert door de beschrijvingen die hij geeft van kranten als politieke en kapitalistische middelen: in het essay over Kraus legt hij uit hoe Kraus zich in zijn journalistiek en satire hiertegen verzet. Het is opvallend hoe actueel deze beschrijvingen nog altijd zijn, nu we allang niet meer enkel elke ochtend via de krant het nieuws tot ons nemen, maar de hele dag door pushberichten met nieuws kunnen krijgen op onze mobiele telefoons.

Verhalen verklaren of interpreteren (opmerkelijke) gebeurtenissen niet zoals nieuwsberichten dat doen, een verhaal ‘verbruikt zichzelf niet. Ze behoudt op geconcentreerde wijze haar kracht, die ze ook na lange tijd ontvouwen kan.’ Weinig mensen zullen over twintig jaar een krantenbericht van gisteren navertellen, maar we lezen nog steeds sprookjes voor. Echter bestaan verhalen volgens Benjamin alleen bij de gratie van de luisteraar en om goed te luisteren, hebben we juist aandacht nodig, of zelfs verveling, zoals we tijd en aandacht nodig hebben om de details van een landschapsschilderij te bestuderen.

Misschien dat de ontlezing in Nederland niet enkel te maken heeft met de grootte van de literaire wereld, of wat schrijvers precies schrijven. Een boek lezen kost meer tijd en aandacht dan het checken van nu.nl, en in ‘het druk hebben’ is weinig ruimte voor verveling.

Een goed gedekte tafel

Toegegeven, Benjamins essays lezen niet altijd gemakkelijk weg. Maar Benjamin laat wel zien dat literatuurkritiek niet alleen gaat om het vinden en duiden van symbolen, dat het analyseren van een boek niet strontvervelend en muggenzifterig hoeft te zijn. Een goede criticus maakt namelijk zichtbaar op welke manieren een boek iets reflecteert van de wereld waarin het is geschreven én de wereld waarin het wordt gelezen.

Deze essays zijn dan ook een aanrader voor iedereen die graag (literaire) fictie leest, omdat ze inzichten en beelden bieden die helpen om de boeken in de context te plaatsen, waardoor je niet alleen het boek op een nieuwe manier kan lezen, maar ook om te zien hoe de boeken je kunnen helpen naar de wereld te kijken.

Misschien is dit boek nog meer een aanrader voor iedereen die graag over (literaire) fictie schrijft. Benjamin ventileert niet enkel zijn meningen over een boek: na het lezen van een portret weet je niet alleen wat hijzelf vindt. Hij schopt niet simpelweg heilige huisjes omver, zoals Akyol doet in zijn essay. Hij bouwt iets op. Hij dekt een tafel, wijst de lezer een stoel en nodigt haar uit tegenover hem plaats te nemen.

De thee staat klaar, het boek ligt open om er samen over te spreken.

Eerder verschenen op ifilosofie

Samenvatting

Walter Benjamin schreef begin 1930 aan zijn vriend Gershom Scholem dat het zijn wens was om als de grootste Duitse literatuurcriticus te worden beschouwd. Een droom die hij in de ogen van velen heeft gerealiseerd, zij het postuum. Kritische portretten bevat een ruime selectie van Benjamins essays over literatuur. De selectie is gebaseerd op een uitgave die Benjamin voor ogen had, maar die tijdens zijn leven niet is verschenen. De rode draad is de ‘kritische portretkunst’: de essays vormen literaire portretten van auteurs. Sommige zijn inmiddels klassieke schrijvers (Baudelaire, Kafka, Proust), andere zijn minder bekend (Green, Jochmann, Walser). Het werk van de auteurs inspireert Benjamin tot filosofische beschouwingen over taal, journalistiek, theologie, (culturele) overlevering en de moderne ervaring.

Met deze publicatie is voor het eerst een groot aantal van Benjamins essays over literatuur in Nederlandse vertaling samengebracht.

Toon meer Toon minder
€ 22,50

Verwachte leverdatum: dinsdag 11 mei


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789490334260
Verschijningsdatum
maart 2019
Druk
1
Aantal pagina's
240 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
736: Cultuurfilosofie
Thema's
  • Filosofie en religie
  • Filosofie
  • Onderwerpen in de filosofie
Categorieën

Uitgever
Octavo publicaties

Vertaald door
Jan Sietsma

Meer van deze serie

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden